De gebeten hond

Keek op de Week (46)

In het dorp zit niet zomaar een bloemist maar een heel tolerante. Opgevoede honden mogen mee naar binnen. Vroeg me ernstig af wat onder “opgevoed” valt.
Rosa zag namelijk bloemenvaas zonder bloemen maar met water en begon er uit te lebberen.
‘Logisch,’ zei bloemist, ‘zoiets lekkers krijgt ze thuis niet.’

Ik toetste nummer in en hield telefoon tegen m’n oor. Schonk heet water in een mok, zette waterkoker terug en stootte de gevulde mok om. Het aanrecht klieder. Water droop langs keukenkastjes naar beneden. ‘Kut,’ zei ik en tegelijkertijd werd er opgenomen, wat mij geenszins verbaasde.
Wat doen? Ophangen en terugbellen?
Ik besloot ‘Sorry,’ te zeggen. ‘Ik stootte iets om en nu heb ik overal lekkage, ’ verklaarde ik mijn uitspatting.
‘Kan gebeuren,’ zei onbekende mannenstem. ‘Dit was een begrijpelijke uitroep van frustratie. Ik vat het dan ook niet persoonlijk op.’
Werd bijna euforisch van begrip en coulance van medewerker. Dergelijke flexibiliteit is bij Klanten”service” tegenwoordig uitstervend begrip.

Stond te wachten op bestelling van Roos. Ze had een nieuwe winterjas uit ander filiaal  laten komen.
Een dunne jongen van een jaar of tien trok een trui over zijn hoofd.
‘Veel te groot,’ zei zijn moeder ‘Trek maar weer uit. Moet je meer komkommers eten.’
‘Komkommers?’ vroeg verkoopster. ‘Daar word je niet dik en sterk van, hoor knul.’
‘Dat is het enige wat hij lekker vindt,’ zuchtte z’n moeder. ‘En iedereen maar denken dat-ie thuis niks te vreten krijgt. ‘

Joris heeft vreselijke eigenschap: alles met mate. Ik hoor het hem zeggen. Pakt een zak pepernoten, eet vier stuks op, en bindt zakje weer dicht.
Een geluk dat ik geen suiker meer eet. Had anders zak uit z’n handen gegrist en soldaat gemaakt.

Ruzie gekregen in de polder.
Zwarte herder met blikkerende tanden rende Rosa en mij tegemoet. Beest hapte in Rosa’s flank die jankend van angst op hol sloeg. Herder zette achtervolging in. Ik riep Rosa; ze kwam terug. Herder beet in haar achterpoot.
Sloeg met ballenwerper 2 x op herdershondenkop. Beest hield van verbazing op met grommen, en ik greep ‘m bij z’n halsband.
Eigenaar had tot dan toe geslaapwandeld, werd ineens wakker en steeg op van nijd. Sprak gebrekkig Nederlands maar vloeken en schelden kon-ie als de beste. Fulmineerde met consumptie.
‘Pak uw hond anders verkoop ik ‘m nog een hijs!’ zei ik pissig.
Kerel schold me de vinkentering maar pakte toch z’n hond.
Had indruk dat man gedronken had. Leek me verstandig me zo snel mogelijk uit de voeten te maken uit de toch al weinig knusse omgeving.
Kerel wierp me een vuile bik toe – gelukkig wel een léég bik – en riep dat ik respect voor hem en z’n hond moest hebben.
Respect…moet je dat niet eerst verdienen? En waarom beginnen aso lui er altijd als eerste over?
Liep hard weg en berispte Rosa. ‘Trek jij voortaan je bek open! Die is groter dan de mijne.’ Hond keek me aan met fluwelen ogen en kon in haar zieltje kijken: er zit geen greintje kwaad… Jammer, hoor (-:

De dwarsligger

Familie Zwaan stak de provinciale weg over. In een rij van zes liepen ze in de zen-modus naar de overkant.
Raad eens wie vooraan stond in haar blauwe doos? Juistem!
De tegenligger stopte ook.
Terwijl de zwanen hun zwemvliezen omhoog optrokken en elegant lieten neervallen, waggelden ze met hun witte konten heen en weer. De voorste drie liepen in gelijke pas. Je zou er een vrolijk deuntje onder moeten kunnen zetten.

De rij wachtende auto’s werd almaar langer.
Een persoon met een matige impulsbeheersing dacht: ik rijd er voorbij. Halverwege naast mij kwam de Volvo tot stilstand. Aan het achterportier hing een colbert op een hanger en op het dashboard lag een verkreukelde Volkskrant.
De bestuurder draaide zijn bovenlijf in een bocht en zag dat de plaats waar hij gestaan had, was vergaan. Daar stond hij dan met zijn goede gedrag: hij kon geen kant op.

De stoet zwanen was intussen een aardig eind gevorderd. Ik kon de opgeluchte zuchten van mijn medeweggebruikers bijna horen.
Tot het zwaan nummer zes teveel werd en midden op de weg neerzeeg. Hij worstelde een moment tot z’n zwemvliezen naar tevredenheid onder z’n buik gevouwen lagen, en stak zijn kop in zijn verendek. Niets leek erop dat deze te-wegligging van tijdelijke aard was.

Van frustratie begon de bestuurder van de Volvo hard op de claxon te bonken. Een zinloze actie, waarschijnlijk veroorzaakt door een naderende midlifecrisis.
De zwaan keek de bestuurder even recht aan, gaapte en hernam zijn oude houding. Het getoeter hield op.

Ik zwaaide een aantal keer m’n autoportier open, dicht, open, dicht…
De watervogel stond op. Draaide een rondje om zijn genderneutrale as, produceerde een berg groene drollen en liet zich weer zakken.

Uit de auto van de tegenligger stapte een zwaar gebouwde kerel met armen als staalkabels. Hij liep naar de zwaan, zwaaide met z’n armen en riep opruiende teksten als: ‘Kssst! Kssst!’
Dat hielp. Het beest besloot ons een plezier te doen en zijn kornuiten alsnog te achtervolgen.

Je zou denken dat alles voorbij was, maar de verkeersgoden beslisten anders.
De Volvo gaf gas en probeerde zich voor mijn auto te wringen.
Hij zag mijn kritische blik en tikte met z’n vinger tegen z’n voorhoofd. Ik zóu hem voorrang kunnen verlenen ware het niet dat ik een vals karakter heb en er geen enkele passeermogelijkheid op de  smalle weg was. Drie auto’s naast elkaar – zelfs tweeënhalf – was Godsonmogelijk. Ik glimlachte vilein en reed het gaatje nog ietsiepietsie verder dicht.

Toen de Volvo van geen wijken wilde weten, stapte de man met de staalkabels weer uit. Wijdbeens dirigeerde hij de tegenpartij achteruit.
Er verscheen iets onzekers in de houding van de laatste. Het drong langzaam maar meedogenloos tot zijn stoïcijnse brein door dat een snel heenkomen ver te zoeken was. Erger nog: er bleef maar één mogelijkheid over. Hij moest ten aanschouwen van iedereen in zijn achteruit de weg afrijden tot bij het eerstvolgende kruispunt 600 meter verderop.
Ook dáár had ik graag een gezellig deuntje onder gehoord.

Gekoer

Keek op de week (45)

PostNL-bezorger stond voor de deur. ‘Voor wie moet ik het meest bang zijn? Voor de hond of het konijn?’ gebaarde hij naar waarschuwingsbordjes voor het keukenraam.
‘Voor het konijn,’ zei Roos. ‘Als ze je niet aardig vindt, bijt ze in je hielen.’
‘Is het een dwergkonijn?’
‘Nee, een Franse hangoor van 7 kilo.’
Bezorger was zichtbaar onder de indruk.

Liet Rosa uit en hoorde gekoer. Keek in geparkeerde auto en vroeg aan man die lage horizontale bakken stond in te laden: ‘Hoeveel duiven zitten daarin?’
‘Twaalf. Elke duif heeft twee luchtgaten,’ wees hij.
‘Waar brengt u ze naartoe?’ interviewde ik verder. Kerel scheen geen last van mijn grenzeloze nieuwsgierigheid te hebben.
‘Ik breng ze naar een centrale vrachtauto en die brengt ze vannacht naar Frankrijk.’
‘Het gaat vannacht hard waaien,’ zei ik zorgelijk.
‘Haha, u maakt zich ongerust over mijn duiven?’
Voelde me gebelgd.
‘Ik laat ze nooit boven open zee vliegen, hoor,’ zei duivenmelker geruststellend.
‘Komt er wel eens een duif niet terug?’
‘Kan altijd gebeuren. Dit jaar één duivin. Die vloog tegen de lichtmast.’ Hij knikte naar de hoge palen van plaatselijke tennisvereniging.
‘Behouden vlucht!’ groette ik ten afscheid.
Man zag mij toevallig anderhalve dag later lopen. (Hond moest wéér uit.) Hij stopte z’n auto en draaide raampje open. ‘Alle duiven zijn binnen, hoor!’

Droomde dat ik in m’n nakie over Coolsingel liep. (Ik, die nog liever doodga dan me in een sauna zal begeven.) Kocht in Bijenkorf een Chinese vaas waar ik m’n armen omheen sloeg om m’n voorkant mee te bedekken.
Werd wakker en dacht: waarom kocht ik geen badjas?

Zin in gratis toegang tot het museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam? Wie zijn vuile was meeneemt mag tot en met 23 december kosteloos de collectie bekijken. In het museum staan diverse wasautomaten en een droger. Twee vrijwilligers bekommeren zich over je was. Dit is géén fakenieuws. Het is een project van een sociaal ontwerper zodat “vreemden met elkaar in gesprek gaan.”

Een eenrichtings-kennis had klankschaal nodig. ‘Hoe gaat het? Ik heb vorige week een dag migraine gehad; ben er nog slap van. Je kent me, ik ben een doorpakker, hè? Vannacht slecht geslapen. Zeker een uur wakker gelegen, pfff. Zie je m’n wallen? Heb jij nog je hulp? Zou voor mij ook een uitkomst zijn, maar ja, ik kan er slecht tegen als vreemden aan m’n spullen zitten. Heb het héél druk gehad in de vakantie. Ons Franse huis acht weken verhuurd. Al het schoonmaakwerk kwam op mij neer. En dat met mijn rug. Een martelgang van jewelste. Maar ik kachel door, hè? Vandaar die migraine. Zullen we volgende keer iets afspreken? Wat komt jou uit? Heb het nu echt te druk. Moet opschieten. Nou doei!’
Ik had tot dan toe gezwegen en heb dat volgehouden Had anders: ‘Een vrijdag in 2030,’ gezegd.

Ik heb er tabak van!

Ergens deze maand – 25 jaar geleden – ben ik gestopt met roken.

Mijn eerste sigaret stak ik op in het Sophia Kinderziekenhuis. Dat lees je goed. Eenmaal een doorgewinterde roker versleet ik een baal shag en een pakje sigaretten per week.

In de zomer van 1992 vermorzelden Joris en ik de ene na de andere “duizender” onder onze fietswielen. Bij de zoveelste top riepen mijn benen: Meer! Meer! Meer! Ik hijgde echter als een postpaard dat onderweg een long verloren was. Het besef sloeg in als een bominslag. Op die top beloofde ik mezelf datzelfde jaar nog te stoppen met roken.

Al drie keer eerder was ik gestopt en net zo snel weer begonnen, maar deze keer zou het lukken!

Om mijn goede voornemen niet vroegtijdig in rook te zien opgaan, koos ik voor een degelijke aanpak, en ging naar de huisarts voor een recept voor nicotinepleisters.
De dorpsarts stond bekend om zijn liefde voor het vak geneeskunde en zijn afkeer van komst van patiënten.
Mijn verzoek voor het recept werd direct weggewuifd. ‘Allemaal onzin! Het is mijn persoonlijke mening dat die pleisters niet helpen.’
Mij een zorg.
‘Ik kom hier niet om uw persoonlijke mening te horen; ik kom voor een recept.’
De stakker zag in dat debatteren vruchteloos was, en met een glimlach nam ik bij de apotheek de pleisters in ontvangst. Op de terugweg naar huis trakteerde ik me op een jojo.

Om de laatste sigaret deed ik een strik en zoog de rook zo inhalig naar binnen alsof ik het gemis dat komen ging reeds kon voelen.
En toen was-ie op…
Ik gooide m’n aansteker, en asbakken (op eentje voor de viste na) in de afvalbak en dat was dat.

Niet roken was een aanslag op mijn goede humeur. Constant werd ik achtervolgd door een onweerswolk. Het moeilijkst was het tijdens het drinken van een kop koffie en na het eten. Oh…die  onbedwingbare hunkering… Maar ik zou mezelf geselen tot elke zucht naar nicotine verbannen was.

‘Als je zes weken gestopt bent, krijg jij van mij een hometrainer,’ beloofde Man.
‘Bestel ‘m maar vast!’ riep ik vurig.
Wel nam ik mezelf voor: als ik oud ben en het toch niet meer uitmaak, begin ik weer, want zelfs jaren na het stoppen liep het kwijl over mijn kin als ik aan roken dacht.

Inmiddels ben ik dubbel en dwars genezen.
Toch schuilt er ergens in de krochten van mijn brein nog een roker: ik droom namelijk met enige regelmaat dat ik met een brandende sigaret de bus instap en ergens plaatsneem. En er is geen chauffeur die er iets van zegt…

Nog één gratis tip: stoppen met roken en het slikken van staaltabletten is een slechte combinatie (-:

Boeventronie

Keek op de week (44)

Hiep Hiep! Roos kreeg haar bachelor bul (en Honours class certificaat) uitgereikt aan de EUR (Erasmus Universiteit Rotterdam.) Het was een aanslag op het zitvlees van opgetrommelde familie, maar voor iedere geslaagde werd tijd gemaakt voor persoonlijk praatje. De afgelopen drie jaar zijn om gevlógen. Kind zit alweer tot over haar oren in haar Master studies.

♥ Een die-pet-past-ons-allemaal-momentje met Opa Kakelbont ♥

‘Ben voor derde week achter elkaar gecontroleerd met zelfscan bij Jum.bo,’ klaagde Man getergd. ‘Waarop baseren ze die controles?’
‘Misschien op bedrag,’ suggereerde Roos.
‘Of de scan zelf?’ opperde Man.
‘Leg je er nou maar bij neer, schat,’ zei ik, ‘Je hebt gewoon een boeventronie.

Klant voor me deed diepgravend onderzoek. Helft van wijsvinger verdween in haar reukorgaan, waarna opbrengst met smaak bekeken werd.
Drogistmedewerkster Carrie wisselde blik van afgrijzen met mij. Ze herstelde zich snel. ‘Wilt u een tissue?’ vroeg ze aan klant en haalde doos onder toonbank vandaan.
‘Nee, ik wil pinnen,’ zei klant op professionele zeurtoon.
Aldus geschiedde.
Simultaan keken wij de klant na.
‘Wat een smeerkezerij! Mensen schamen zich tegenwoordig nergens meer voor,’ zei Carrie met een rilling. ‘Ik heb niets aangeraakt maar neem toch een druppel. U ook?’ Ze pakte flacon desinfecterend middel, deelde druppel uit en wij wreven ons in de handen.
Carrie kon de neuspeuterende klant niet verwerken.
‘Neem een Valdispert van jezelf,’ wees ik naar haar eigen voorraad. ‘Het is niet te hopen dat ze je met die vinger een kaartje stuurt als ze boven is.’
Carrie – slap van de lach –  hield zich met twee handen vast aan toonbank.
‘Zal ik je de rollator brengen (een show-model, red.) dan kun je er even bij gaan zitten?’
‘Hoeft niet,’ schaterde ze, ‘lachen is het beste medicijn. En leve de uitvinder van het contactloos pinnen!’
Daar namen we nog een druppel op.

Van betonmoeheid weten wij allen het bestaan. Maar bestaat er ook zoiets als porseleinmoeheid? Of serviesmoeheid? Zonder ze uit mijn handen te laten vallen of te stoten, sneuvelden twee schoteltjes. Scherven brengen geluk. Ik kan niet wachten.

Was m’n enkelsokken kwijt. Geen reden tot harikiri want heb meer sokken, maar waar konden ze zijn? Sinds wanneer deponeren meelevende huisgenoten míjn vuile sokken in wasmand? Zou in boek van records mogen.
Vond ze terug tussen Rosa’s “speeltjes.” Ze had genoeglijk op sokken liggen kauwen terwijl ze uitkeek over straat waarop zij alleenheerschappij bedingt.
Joris sprak lovende woorden: ‘Dat dat beest niet in coma is geraakt…’
Dat terwijl er maar één persoon in dit huishouden zweetvoeten heeft en deze van het mannelijk geslacht is.

Zijn er nog lezers die zin hebben in een authentiek Nederlands spel? Doe dan mee met het SinterPieterklaasspel! Kennis van zaken is overbodig. Raadsels en rebussen oplossen is het devies. Zet je schoen klaar en start het 1e spel op 25 november. Geef je hier op!

Matador

Havo-4 en 5 deed ik op CSG Henegouwerplein in Rotterdam. Op mijn spijkerbroek schreef ik met balpen “David Bowie.” Op mijn jas hingen buttons met teksten als: “Laat de rijken de crisis betalen” en “no Grease please.” Over mijn jas droeg ik een Arafatsjaal.

Het was 1980. Het jaar waarin ik slaagde voor mijn examen.
Niemand was zo goed in spijbelen als m’n vriendin Hanneke. In de kroeg ging ze steevast met klasgenoten zitten klaverjassen.
Mijn specialiteit was slap ouwehoeren en vliegtuigjes vouwen van servetten. Ik bestelde koffie, at de door mijn vader gesmeerde boterhammen en rookte sjekkies.

Achteroverleunen was er niet bij. Op de momenten dat je hem het minst verwachtte, verscheen de conciërge –  meneer Tak – in de deuropening.
Dan waren er weer leraren bij hem wezen klagen: Ik mis er vijf!’ ‘Ik mis er drie!’
Waarna Tak zijn alpinopet opzette, zijn stofjas verwisselde voor zijn duffel en linea recta naar café Henegouwe liep.
Hoe hij het wist zal altijd een raadsel blijven, maar zodra hij de kroeg binnenstapte, riep-ie: ‘Meekomen! Jij, jij en jij; jullie hebben geschiedenis. Jij hebt Frans, jij ook. En van jou weet ik het niet maar je komt ook maar mee.’
‘Ik heb niets,’ zei ik naar waarheid, ‘ik heb een tussenuur.’

Iedereen was in een oogwenk verdwenen.
Ik bleef achter, gooide wat geld in de jukebox en toetste “Take me to the matador” in.
Het was toen dat Adam – de bartender; een stokoude man van veertig  – een aanval van melancholie kreeg en me vertelde hoeveel geluk hij in zijn leven had gehad.

‘In mijn tijd bestond spijbelen nog niet. Je deed gewoon maar wat.’ Hij trok zijn trui strak over zijn voorspoedig ontwikkelde buik en tapte voor zichzelf een pilsje. ‘Als kind ben ik net op tijd uit een brandend huis gered. Alles stond al in lichterlaaie.’ Hij nam een slok, likte rond zijn lippen en veegde ze droog met de rug van zijn hand. ‘Ik ben bijna verdronken. Het is waar wat mensen zeggen…dat je je leven aan je voorbij ziet trekken…Voor mij liep het goed af. Ze hebben me gereanimeerd. Neem maar van mij aan: ik word 100.’ Hij lachte hard, zei ‘Proost’ en dronk de rest van zijn glas leeg.

De volgende ochtend zat ik weer in de kroeg.
Ik reed altijd met m’n vader mee. Hij werkte op de Mathenesserlaan en zette mij bij school af op een zeer onchristelijk tijdstip.
Ik bestelde koffie.
De jukebox speelde uit zichzelf “Matador.”
‘Waar is Adam?’ vroeg ik aan een mij onbekende vrouw achter de bar. Haar gezicht zag zo wit als Sneeuwwitje. Op haar ogen na, want die waren roodomrand. Ze zuchtte en boog zich over de bar licht naar me toe. ‘Gisteren ging hij thuis de buitenkant van de ramen zemen…tweehoog…Hij viel van de ladder en brak zijn nek. Hij was op slag dood.’

Treitermeid

Een vrouw noemt m’n meisjesnaam en vanuit de krochten van m’n puberteit herken ik haar onmiddellijk.
‘Wij hebben samen in de klas gezeten,’ zegt ze.
Ik knik. Haar neus is net zo groot als in mijn herinnering. In mijn dagboek noemde ik haar Pinokkio. “De Gaulle” was toepasselijker geweest.

De vrouw heet Rietje. Zeg maar gerust “Riet” want ze is verdrievoudigd in omvang. Ze heeft een pafferig gezicht vol craquelé, en nog steeds dezelfde mooie blauwe ogen maar de  kraaienpoten ernaast lijken wel winkelhaken.
Toen op de middelbare school mijn hormonen nog in winterslaap verkeerden, loeiden die van haar op oorlogssterkte. Elke week stond ze met een nieuwe verovering in het fietsenhok te vozen. Op haar vijftiende kon je haar met ’n gerust hart een afgelikte boterham noemen.

‘Jij bent Riet,’ zeg ik. ‘Jij stak m’n schoolagenda in de fik. En je hebt een keer m’n kleren meegenomen of weggegooid. Na gym moest ik in korte broek en T-shirt naar Franse les en naar huis.’
Onbeschaamd schatert Riet het uit. Haar onderkin flubbert heen en weer. Kennelijk vindt ze het nog steeds een goeie grap. Ik krijg zin haar in haar gezicht te slaan. Eerst links en daarna rechts.

Klanten draaien zich naar ons om en volgen geïnteresseerd ons gesprek.

Als ze is uitgelachen, informeer ik: ‘Wat heb je met m’n kleren gedaan? Ik heb ze nooit teruggevonden.’
‘In de vuilnisemmer gegooid en om half drie kwam de vuilniswagen langs,’ vertelt ze met een licht gevoel van triomf.
‘Heb je dat echt gedaan?’ vraagt Wout. Hij geeft met de platte kant van een hakmes  stevige klappen op een lap vlees en staart Riet in ongeloof aan.
Riet knikt zoals een duif tijdens het lopen met zijn kop doet.
De slager schudt zijn hoofd over zoveel lompheid.

Riet zegt: ‘Ik heb jou een paar keer in de krant zien staan. Dat je de meeste kilometers bij de Waardrenners hebt gefietst.’
‘Leuk joh,’ zeg ik koeltjes.
‘Ja, mijn ex fietste daar ook. Mijn eerste ex. Niet mijn tweede.’
Ze begint een heel verhaal en negeert vakkundig mijn gebrek aan belangstelling. Zelfs als ik mijn bestelling doorgeef, wauwelt ze door.
‘Zit jij op facebook?’ vraagt ze.
‘Ja,’ zeg ik, ‘maar ik voeg alleen vrienden toe.’

Als ik betaald heb, probeert Riet het nog één keer. ‘Zullen we een keer iets afspreken?’
Het magische woord “sorry” heb ik haar nog steeds niet horen zeggen. Ik geniet  bij voorbaat van de krenkende woorden die ik ga zeggen: ‘Nee, dank je. Als ik gemekker wil horen, koop ik wel een geit.’
De bulderende lach van Wout achtervolgt me als ik zijn slagerij uitloop.

Schrijfles

Keek op de week (43)

Droomde dat ik schrijfles gaf. Geen idee wier domme idee dat was. Moest voor de klas op verhoging staan. Ellendig was dat. Het was ook nog liefdewerk oud papier. Ik leek wel gek.
Weerstond aanvechting weg te lopen. Moest in droom denken aan uitspraak van Churchill: “Succes is de eigenschap om van de ene mislukking naar de andere te gaan, zonder je enthousiasme te verliezen.”
Stond versteld van mezelf. Had e.e.a. voorbereid en deelde in klas stencils uit (bestaat dat woord nog?) over schrijfstijl, stukjes met kop/staart, iets over observerende blik…
Iemand vooraan keek me met strakke blik aan. Begon plots “boe” te roepen.
Daar had je het gesodemieter al!
Weldra volgden meer boe-roepers.
Moest handelend optreden voor ik rode vlekken in nek kreeg. Dacht: stik de moord, en riep vol bravoure: ‘Alle boe-roepers eruit of ik eruit. En ik blijf!’
Kreeg toch vlekken: wat als ze bleven zitten?
Allen verlieten echter zwijgend de ruimte.
Zat daarna ineens met rest van gezelschap op zonnig terras aan zee dat “De Vrijbuiter” heette.

Ze waren afgeserveerd maar wij gaven vijftig stuks een tweede kans. Voorzagen ze van een droge, warme plaats. Eenmaal losgelaten kregen ze op tijd natje, en droogje in de zon. Ze genoten van vrij leven in buitenlucht. Een enkeling gaven we cadeau. De rest zocht één voor één eigen weg. Vijftig tennisballen. En stuk voor stuk zoekgemaakt door Rosa. Een mens zou er emotioneel van worden.

Wilde afspraak met huisarts maken.
‘Is nogal druk,’ zei assistente. ‘Mag het bij co-assistent? Nadien komt huisarts kijken.
Voor gesprek werd halfuur uitgetrokken. Na tien minuten was de zaak rond. Wat doe je als je neus al leeg is? Je knoopt een gesprek aan.
‘Heb je altijd arts willen worden?’
‘Nee, heb lang getwijfeld. Ben geneeskunde gaan studeren omdat het een interessante studie is.’
‘Word je huisarts?’
‘Weet ik nog niet.’
‘Eerst je snuffelstages afmaken,’ grapte ik.
‘Jahaha. ‘Wil waarschijnlijk verdergaan in chirurgie of gynaecologie.’
‘Ik vind dat er meer vrouwelijke gynaecologen moeten komen,’ zei ik.
‘Waarom precies?’
‘Omdat mannen geen ervaringsdeskundigen zijn.’
Co-assistent dacht daar lang over na. Zei uiteindelijk: ‘Weet u wat raar is? Veel studiegenoten vinden geneeskunde interessant maar komen tijdens stages tot conclusie dat ze werken met mensen niet leuk vinden.
a) Daar kan ik met m’n boerenverstand niet bij.
b) Ik kijk er niet eens (meer) van op.

Mevrouw op leeftijd werkte in voortuin. Uitgerekend daar – midden op stoep – draaide  Rosa een drol.
Had hedenochtend m’n winterjas van zolder gehaald en vergeten zakken te vullen met plastic zakjes. Zelfs aan handvat van riem zat er geen.
Shit!
Vrouw keek van berg uitwerpselen naar mij en zuchtte: ‘Hebbie geen zakkie bij?’
‘Sorry, ben ik vergeten. Heeft u er misschien eentje voor me?’
Vrouw bekeek me achterdochtig. Alsof ik m’n hond getraind heb bij haar voor de deur te gaan zitten schijten zodat ik haar huis kan leegroven.
Ze stapte zuchtend naar binnen en met betekenisvol gezicht de voordeur.
Binnen hoorde ik haar praten.
Een man verscheen voor het raam en bekeek me met aandacht: zó ziet een vrouw eruit die een hondenpoepzakje vergeet. Genoeg gezien, liep hij weer weg.
Tweede bedrijf.
Daar was de dappere huisvrouw! Ze reikte mij een veelvuldig gebruikt doorzichtig plastic zakje aan.
Heb persoonlijk liever donker gekleurd exemplaar…
Vrouw keek toe hoe ik missie volbracht en keek me na terwijl ik straat uitliep. Aan deze zaak zat beslist een luchtje…

Held!

Afgelopen week heb ik bewust gezwegen over de hashtag mie toe.
(Weer) Schrijven over m’n ervaringen voelt niet als een opluchting.
Soms vraag ik me af of ik over sommige dingen ooit heen kom. Elk bericht in de krant, elk item op tv, is er één te veel. 

Andere momenten weet ik dat ik “bof” omdat ik geen terug-blikker maar een vooruit-kijker ben: leve de toekomst.
Onverwacht schoot me een incident met een goede afloop te binnen. Liever was ik van de handtastelijkheid verschoond gebleven maar toch, de afloop was een zoetmaker.

Het gebeurde in de sociëteit/discotheek waar mijn broer dj was. Met een getraind oog keek hij vanaf zijn positie naar het gewoel beneden hem.
Bij binnenkomst werd ik steevast verwelkomd met: “Ha Sus!” (niet te verwarren met “Hazes.”)
Ik hoefde nooit te vragen of hij muziek van m’n favoriete zanger wilde draaien: het noemen van een titel was voldoende.
Meestal hadden m’n vriendin en ik dan de dansvloer voor onszelf want de rest van het publiek vond muziek van David Bowie herrie; wat ik weer als een compliment opvatte.

Die avond stond ik met groepje gezellig te kletsen. De sfeer was goed, de stemming zat erin, tot iemand me in m’n kont kneep. Geen bescheiden kneepje maar een flink stuk bil. Ik draaide me om en zag een knul met een voldane, smerige grijns.
Eerst denken, dan doen. Ik vind dat een geweldige eigenschap maar zelf doe ik daar niet aan. In een impuls gooide ik de inhoud van mijn glas chocomel tegen het hagelwitte overhemd van mijn belager. Aanvankelijk trok hij een gezicht alsof iemand een emmer ijsklontjes in zijn overhemd kiepte, daarna spatte de woede uit zijn ogen. Hij wilde naar me uithalen maar mijn broer was sneller.

Als een duivel-uit-een-doos sprong hij van zijn dj-kruk op de vloer, vandaar boven op de bar, over de bierglazen heen, en tussen mij en de billenknijper in.
Mijn broer gaf hem een uppercut, sleurde hem aan zijn overhemd de disco uit en gooide ‘m persoonlijk op straat.
‘Opgeruimd staat netjes,’ vatte hij het samen.
Met een gezicht van business as usual draaide hij even later een toepasselijk nummer: “Heroes” van David Bowie.
En niet voor één dag, hè? (-:

De Sjaak

Keek op de week (42)

‘Ik heb een klacht,’ zei ik tegen de dierenartsassistente nadat ik tubetje zalf voor Saartje had afgerekend.
‘Oh,’ zei ze. De telefoon ging. Ze liet ‘m rinkelen.
Rosa zat naast me. Tot mijn verbazing was ze me zonder dralen de praktijk in gevolgd.
‘Er is drie weken geleden bij Rosa zonder verdoving een teennagel af getrokken,’ begon ik, ‘en ik vind dat een dieronvriendelijke methode. Ze heeft thuis twee weken bang rondgelopen.’
‘Het punt is dat een verdoving pijnlijk is en ook een trauma kan veroorzaken,’ zei assistente op zakelijke toon.
‘Kan zijn. Maar kan er volgende keer minstens overleg gevoerd worden? Ik stel het bijzonder op prijs als u dat in koeien van letters in uw computer zet.’
‘Doe ik, en ik zal de dierenarts erop aanspreken,’ beloofde ze.

16-jarige Neef heeft “carrière-switch” gemaakt. Is van Hout Meubileringscollege overgestapt naar opleiding voor treinmachinist. Stapt in railsporen van zijn vader.
Krijgt onder andere les in simulator.
Vroeg: ‘Als jij nou een keer niet kan, in die simulator, omdat je ziek bent of naar tandarts moet, mag ik dan in jouw plaats?’
Neef knikte ja.
Toffe gast!

Indian-summer-zon scheen uitbundig. Mensen zaten op terrassen, op de fiets, skeelerden en likten aan ijsjes. Wij – Roos, Schone Zus, Neef, Nicht + vriend, en ik – hadden wel wat beters te doen: onszelf binnen een uur bevrijden uit een escape room.
We verloren door falende techniek.
It’s fake news.
Nee, echt waar.
Kregen 50% karting-kaartje voor volgende keer in andere kamer.
Maar mán, wat was het leuk! Soms werkten we samen, meestal renden we als koploze kippen rond. Moesten 4 portretten en wel 10 kistjes met draaisloten openmaken. En telkens bukken want cijfers vlogen ons om de oren.

Zon scheen en er waaide een gezapig windje.
Liep met Rosa door nieuwe wijk. Zag auto van handhaving aan komen rijden. Was zwaar in overtreding: hond liep los te struinen en later onder toeziend oog van controleur de sloot in.
Had wel hondenpoepzakje bij me. Altijd je pluspunten tellen.
Wilde me verstoppen achter boom (easy met mijn Sidonia-figuur) of doen of ik Rosa  nooit eerder gezien had. Maar het is als met je kind, hè? Wat ze ook doen, je blijft ze trouw tot in den dood.
Kortom: ik was de Sjaak.
Rosa rende blij op me af en schudde zich eens goed uit naast de auto. De gemeentelijk toezichthouder keek zeer kritisch.
De aansteller. Z’n auto zat onder de vogelpoep. Slootwater deed de zaak alleen maar goed.
Langzaam schoof het raam van de auto naar beneden. ‘Is dat uw hond?’ vroeg de man.
‘Van kop tot staart.’
‘U weet vast al wat ik ga zeggen?’ vervolgde kerel.
‘Uiteraard. Ik heb geen smoes en ben bij m’n volle verstand. Maar kijk eens: één hele poepzak.’
Er kon zowaar een lachje af.
‘Mooi. Dan weet u dat voor de volgende keer. Ga nu thuis een biertje pakken.’
Knikte dociel en staarde auto na. Kreeg met moeite mijn openstaande mond dicht. Waarom kreeg ik geen bon?
In de verte klonk het carillon.
Boven mijn hoofd ging een gloeilamp branden. Het was 17.15 uur en ambtenaren werken nooit over.
En maandag regent het weer: dan zie je ze niet…

Las hartverscheurende oproep in krant van ene Bep (84 jaar): “Helaas is mijn videoband met “Gejaagd door de wind” gebroken. Wie helpt mij aan een dvd of band met deze film?”
Zie Bep voor me. Draagt Terlenka bloemetjesjurk en beschaafd lilakleurig haar. Ze is bedroefd tot in haar teenpunten en loopt radeloos rondjes achter haar rollator door haar over-gemeubileerde  woonkamer. Weigert naar activiteiten in haar verzorgingshuis te gaan want ze wil niet “bij die oude mensen” zitten.
Iemand…?