Treitermeid

Een vrouw noemt m’n meisjesnaam en vanuit de krochten van m’n puberteit herken ik haar onmiddellijk.
‘Wij hebben samen in de klas gezeten,’ zegt ze.
Ik knik. Haar neus is net zo groot als in mijn herinnering. In mijn dagboek noemde ik haar Pinokkio. “De Gaulle” was toepasselijker geweest.

De vrouw heet Rietje. Zeg maar gerust “Riet” want ze is verdrievoudigd in omvang. Ze heeft een pafferig gezicht vol craquelé, en nog steeds dezelfde mooie blauwe ogen maar de  kraaienpoten ernaast lijken wel winkelhaken.
Toen op de middelbare school mijn hormonen nog in winterslaap verkeerden, loeiden die van haar op oorlogssterkte. Elke week stond ze met een nieuwe verovering in het fietsenhok te vozen. Op haar vijftiende kon je haar met ‘n gerust hart een afgelikte boterham noemen.

‘Jij bent Riet,’ zeg ik. ‘Jij stak m’n schoolagenda in de fik. En je hebt een keer m’n kleren meegenomen of weggegooid. Na gym moest ik in korte broek en T-shirt naar Franse les en naar huis.’
Onbeschaamd schatert Riet het uit. Haar onderkin flubbert heen en weer. Kennelijk vindt ze het nog steeds een goeie grap. Ik krijg zin haar in haar gezicht te slaan. Eerst links en daarna rechts.

Klanten draaien zich naar ons om en volgen geïnteresseerd ons gesprek.

Als ze is uitgelachen, informeer ik: ‘Wat heb je met m’n kleren gedaan? Ik heb ze nooit teruggevonden.’
‘In de vuilnisemmer gegooid en om half drie kwam de vuilniswagen langs,’ vertelt ze met een licht gevoel van triomf.
‘Heb je dat echt gedaan?’ vraagt Wout. Hij geeft met de platte kant van een hakmes  stevige klappen op een lap vlees en staart Riet in ongeloof aan.
Riet knikt zoals een duif tijdens het lopen met zijn kop doet.
De slager schudt zijn hoofd over zoveel lompheid.

Riet zegt: ‘Ik heb jou een paar keer in de krant zien staan. Dat je de meeste kilometers bij de Waardrenners hebt gefietst.’
‘Leuk joh,’ zeg ik koeltjes.
‘Ja, mijn ex fietste daar ook. Mijn eerste ex. Niet mijn tweede.’
Ze begint een heel verhaal en negeert vakkundig mijn gebrek aan belangstelling. Zelfs als ik mijn bestelling doorgeef, wauwelt ze door.
‘Zit jij op facebook?’ vraagt ze.
‘Ja,’ zeg ik, ‘maar ik voeg alleen vrienden toe.’

Als ik betaald heb, probeert Riet het nog één keer. ‘Zullen we een keer iets afspreken?’
Het magische woord “sorry” heb ik haar nog steeds niet horen zeggen. Ik geniet  bij voorbaat van de krenkende woorden die ik ga zeggen: ‘Nee, dank je. Als ik gemekker wil horen, koop ik wel een geit.’
De bulderende lach van Wout achtervolgt me als ik zijn slagerij uitloop.

Doorloopwagen

Doorloopwagens zijn een uitstervend verschijnsel. (Je hoort er hier voor het eerst over? Geen dank.)
Zonder speciale aandacht aan weidewagens te schenken liep en fietste ik er jarenlang voorbij. Als het stil was, hoorde je tijdens melktijd midden in het land de kettingen rinkelen en het motortje zoemen.
Kijk, zo staan ze in de wei.

En zo ziet-ie er van binnen uit.

De weidewagen is een verrijdbare metalen keet met een ingebouwde melkmachine en een aantal buizen. Voor de wagen langs loopt een stuk schrikdraad dat ervoor zorgt dat de koeien geen losbandig gedrag gaan vertonen door zich vroegtijdig te verdringen bij de ingang.

Meestal worden de koeien in de wagen vastgezet, vandaar dat ze een stal-halster dragen.

De oudste koeien, de bazinnen, komen als eerste aanlopen om gemolken te worden. Een béétje privilege mag er zijn.
Twee aan twee – links en rechts –lopen ze rustig de melkwagen in. De rest wacht ongeduldig op een kluitje.

De boer maakt de spenen schoon met een doek…

…en schuift de tepelhouders om de spenen.

De dieselmotor drijft een afzuigpomp aan die vacuum trekt in het buizenstelsel.
Een op een buis aangesloten slang is gekoppeld aan een ketel waar de melk instroomt.
Na ongeveer 5 minuten is een koe verlost van haar melk.

De boer controleert of de melk goed is: of de kleur oké is en er geen brokjes in zitten.
Wijkt de melk van een koe een paar keer achter elkaar af, dan moet de boer actie ondernemen.

Bij oudere koeien moet extra gecontroleerd worden of de uiers leeg zijn. Restjes kunnen  uierontsteking veroorzaken.
Meestal is een beetje mintcreme voldoende, die stimuleert de doorbloeding. Werkt dat niet dan moet antibiotica gegeven worden.
Vandaar dat de administratie op orde moet zijn!
Koe 31 mag niet voorin. Zou ze aan het muiten slaan?

Als de eerste vier koeien klaar zijn, haalt de boer het vacuum van het apparaat en hangt de zuigers  terug aan de haak.
Klaar.
De koeien lopen recht-zo-die-gaat naar buiten en de volgende vier dames melden zich.

Deze doorloopwagen staat er nog omdat de koeien te ver van de stal vandaan lopen. Ruilverkaveling zit er niet (meer) in want alle omringende weilanden zijn in bezit van Stichting Het Zuid-Hollands Landschap.

Hoe dan ook: zo zien we ze het liefst: in de wei. Dag melkmeiden!

Moordrecept

‘Ogen dicht en ruiken. Flink inhaleren, ja, goed zo.
Wat nou muf? Je ruikt Moeder Natuur; de aarde; een rijk en verfijnd aroma. Dit? Dit zijn stukjes Eekhoorntjesbrood! Verser en biologischer dan deze vind je nergens. Gewoon, uit het bos. Uit een authentiek Brabants bos. Geplukt door kaboutertjes. Haha, nee hoor, Dien heeft ze geplukt, gesneden en opgestuurd. Lief hè?
Ja, dat kan, dat er een hond op geplast heeft. Wat ben jij ineens een kniesoor. We eten elke week een keer champignons en daar heb ik je nog nooit over gehoord. Weet je hoe ze die kweken? Op paardenpoep.

Deze paddenstoelen zijn niet gevaarlijk! Je gaat er echt niet dood aan. Er is in Nederland geen paddenstoel die op Eekhoorntjesbrood lijkt, dat is één. En twee: Dien is boswachteres in de Peel. Ja, dat is een modern beroep. Zij weet álles over planten, bomen, en kruiden. En paddenstoelen zijn haar specialiteit.
Hoezo heb je daar nog wat vragen over? Je bent niet op je werk.
Nee, ik néém geen onnodig risico. Je denkt toch niet dat ik m’n eigen kind vergiftig! Ben ik je vrouw of de vijand?

Weet je wat? Ik zal nu, hier, terplekke twee grote plakjes Eekhoorntjesbrood opeten, en als ik over een uur nog leef, ben je dan gerustgesteld?
Je bent zelf een drama-queen! Je zit gewoon koortsachtig excuses te verzinnen om onder deze delicatesse uit te komen. Zo kinderachtig. Anders word je altijd wild als ik iets nieuws kook. Zal ik een kalmerend tabletje voor je pakken?
Oh, je wilt ze wel proberen als ze uit de winkel komen. Van de Eco-plaza zeker? Daar betaal je een vermogen voor Eekhoorntjesbrood en ze smaken minder dan de helft dan deze bos-exemplaren.
Dan heb je pech, ik heb liever die van Dien.

Geloof me, ik ga hier iets verrukkelijks van koken. Ik heb al een recept op internet gevonden en dan wordt het smikkelen en smullen. Natuurlijk eet jij daarvan mee. Hoezo “Dat bepaal jij niet?”
Ik weet heus wel dat ik dat altijd tegen jou zeg, dus hoef jij dat nu niet tegen mij te gebruiken, na-aper.
Wacht nou maar rustig af, het woord een moordrecept!
Kun je nu even naar me lachen? Alsjeblieft?’

Appelpop

Roos ging met twee vriendinnen en mijn auto naar het Muziekfestival Appelpop. Elk tweede weekend van september wordt dat in den lande georganiseerd.
‘Waar is het precies?’ vroeg ik.
‘In Tilburg,’ zei Kind.
‘Waar in Tilburg?’ informeerde ik verder.
‘Weet ik het! Borden in de stad geven de route aan,’ sprak Roos gemotiveerd.
‘Appelpop….’ bemoeide Man zich ertegenaan, ‘klinkt eerder als de Betuwe.’
Roos maakte een misprijzend geluid over zoveel domheid. Typisch haar vader uit het Stenen tijdperk.
Ik stelde haar wat gerust: ‘Je boft. Op internet staat dat veel evenementen zijn afgelast door wateroverlast maar onder de Moerdijk is het sein veilig.’

Op de dag zelf had Roos helemaal geen zin meer om naar het festival te gaan. De lucht was loodgrijs. Koude regen geselden onze ramen. ‘Ze geven voor heel de dag dit zeikweer op,’ mokte ze.
‘Regen heet dat,’ verbeterde Man.
‘Het is buiten, hè?’ riep ze geïrriteerd. ‘Hier, moet je zien! Nederland zie je niet eens liggen onder de buienradar!’
‘Kom op!’ zei ik, ‘Tom Odell treedt op. Tom! Odell!’
‘Trek je regenpak maar aan!’ appte vriendin Suzanne die er zo snel mogelijk naartoe wilde.

Ik riep verstandige teksten als:
“Je gaat gewoon, het is hartstikke leuk!”
“Hollandse meid!” en
“Het is gratis.”
Ja hoor eens, Joris en ik willen ook wel eens een dag rust.

Roos ging van ellende dan toch maar mee.
De dames zetten eerst koerst naar de Mac in Breda ter vulling van de immer rammelende studentenmagen.
Na de schranspartij loerde vriendin Marcella vanaf de achterbank op de routenavigatie. ‘Waar gaan we heen?’ vroeg ze.
‘Naar Tilburg,’ zei Roos.
‘Daar is Appelpop helemaal niet! We moeten naar Tiel!’

‘Tiel was niet veel omrijden, hoor. We zaten er zo,’ loog Roos. ‘Goddank ben ik geweest,’ zuchtte ze. ‘Er waren drie podia met telkens optredens van een uur. En het was overdekt, hè? Stel je voor dat ik na afloop had gehoord dat Tom Odell in een muziektent had opgetreden, dat…dat…zou rampzalig geweest zijn.’

Ik ken een veel rampzaliger scenario: een blauw autootje, drie studentes – met bij elkaar opgeteld een IQ van ongeveer 400 – en ze reden al bijna in Tilburg waar geen borden stonden die ze naar de parkeerplaats van Appelpop leidden…

De hengelaar

‘Tyfuswijf, pleurt op met je kankermuil en je teringhond,’ bast een mannenstem.
Ik gluur door een berg riet naar de overkant maar zie alleen stengels. Stel dat de persoon aan overkant zit, dan is dat 150 meter bij mij vandaan. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat-ie het tegen mij heeft. Ik gooi de bal weer in het water, Rosa stuitert er achteraan en even later loop ik de bocht van het pad om.

‘Hoor je me niet, pleuriswijf. Rot op met je kolerehond!’
Aan de overkant zit een kerel met een hengel in zijn hand. Hij draagt een pet, heeft een blote bast en armen als twee rollen behang.
Ik gun alle vissers stille wateren om diep te gronden. Zie ik er een dan lopen Rosa en ik graag een slootje verder, maar om de een of andere reden voel ik voor deze man enige vijandschap dus vist-ie mooi achter het net. Automatisch schakel ik over op de dwarse reflex, negeer de man en bal verder. Wel houd ik Rosa dicht langs de slootkant.

‘Hé! Ben je doof of zo? Of mankeer je wat aan je muil? Ik heb een vrije dag! Niemand hep meer respect voor een ander.’
‘Ik ga alleen weg als je het vriendelijk vraagt!’ zeg ik.
De man aan de overkant wordt overspoeld door een zenuwaanval. ‘Met je kanker-tyfus-teringhond! Moet ik ‘m komen verzuipen?’

Die opmerking maakt me pas echt strijdlustig. Ik kan trouwens roepen wat ik wil want voordat de man bij mij is, zijn we tien minuten verder. Tenzij hij een vis met zijn handen wil vangen. En ik heb een troef in handen die ik meteen uitspeel: ‘Ik weet waar je auto staat.’
‘Wat! Waar mijn auto staat?’
‘Ja. Een mosgroene Opel toch?’

Van die mededeling moet de kerel langdurig herstellen. De blik op zijn gezicht is onbeschrijflijk. Zijn mond valt open wat een nogal niet-snuggere aanblik biedt, waarna verbijstering en ongeloof elkaar opvolgen.
Het was puur toeval dat ik ‘m vanochtend zag sjouwen met hengels, vistuig, tent, klapstoel, bier…de hele reu-te-me-teut. Omdat zijn auto bij ons voor de deur staat. Die informatie houd ik natuurlijk achter.

De visser zwijgt nog steeds.
Dat hoor ik graag.
Rosa en ik hebben genoeg van de zwempartij. Ik roep vrolijk: ‘Tot vanmiddag!’ Het is een geintje maar de visser trapt erin. Hij lijkt één stap verwijderd van een hartaanval.

Filmpje!

Keek op de week (34)

Roos moest maandagochtend naar Erasmus. Mopperde bij thuiskomst: ‘Kon amper metro in! Kreeg NL alert op telefoon om binnenstad te mijden. Alsof ik daar naartoe wilden. Stond opgehokt tussen Feyenoordfans met schalen van karton in hand.

Vergenoegd kwam Man thuis en zat met big smile aan tafel. Had op werk dag via laptop naar inhuldiging van Feyenoord op tv Rijnmond gekeken.
Keek thuis naar journaal, daarna naar samenvatting op mobiel. Zei gniffelend: ‘Altijd al gezegd dat Ajax een wandelvereniging is.’ Gaf licht van blijdschap. Glimlach was niet van z’n gezicht te slaan. Heb het ook niet geprobeerd.

Boodschappenzegels kopen en sparen vond ik voorheen zinloze, onbenullige bezigheid. Totdat ik me realiseerde dat AH 6% rente geeft. Dat is 5,85% rente meer dan op mijn bankrekening! Ga nu zegels sparen. Als boekje vol is, inleveren en met Roos lunchen bij Hotel New York. Wat heb je aan geld op de bank?

‘Shit!’ zei ik en staarde verbijsterd naar m’n hand. Hoofd vol vraagtekens: hoe kon dit gebeuren?
‘Wat izzer, mam?’ vroeg Roos en kwam naar keuken gesneld.
‘Heb ineens bovenkant van mengkraan in m’n hand.’
‘Hoe kan dat? Vlug!’ maande ze, ‘papa komt eraan!’
‘Moet ik doen dan?’
‘Duw ‘m er gewoon weer op!’
Frommelde met kraan…
Deur ging open.
‘Wat doen jullie?’ vroeg Joris toen hij Kind en mij naar gootsteen zag staren.
‘Oh niets,’ zeiden Roos en ik in koor en verlieten keuken. Kraan was net op tijd weer één geheel.

Ondanks Joris’ inspanningen vond hij dood mereljong onderaan boom. ‘Zonde,’ zei hij, ‘jong was al groot.’ Heeft beest met militaire eer begraven.

Weten jullie het nog? Dat Rosa in Koeienbos als razende naar mollen graaft? Aarde die alle windrichtingen opvliegt; haar snuit die dieper en dieper wroet? En het ineens op een janken zet.
Baas, net zat hier nog een mol en nu is-ie weg!
Dat argeloze voorbijgangers denken dat het beest wordt afgeranseld?
Een zeker bloglezeres – ik noem geen rugnummers, wel dat haar naam begin met een R en eindigt op oelien – geloofde niet dat “dat onschuldige hondje op de foto zo kan graven.”
Bij dezen het bewijs: filmpje! Met dank aan Roos en vooruit: ook een beetje aan Rosa (-:

 

Twintig miljoen!

Deze foto is van Dien

‘Sommige Finland-vragen heb je niet beantwoord,’ zegt Roos tijdens een lunch op een zonovergoten terras. ‘Bijvoorbeeld: als ik vijf namen zou hebben, hoe luiden dan de laatste drie?’
‘Eh…Lilly Aurora Isabel,’ verzin ik ter plekke.
Kind knikt tevree. ‘Waar word je blij van?’
‘Ik ben blij als jij blij bent. Een niet-opkruipende onderbroek is fijn. Een veld klaprozen. Stoplichten die op groen staan. Op houten klompen in de tuin  werken klossen…’
‘Laat maar,’ zegt Kind. ‘Het was de bedoeling dat je dingen opnoemt die je kunt kopen. De vraag is eigenlijk: wat zou je doen met twintig miljoen?’
‘Ik weet het! Ga ik de vulpen kopen!’
Roos rolt met haar ogen over zoveel domheid. ‘Die kost maar 1350 euro, mam.’
‘Oké dan. Een huis met luiken’ zeg ik. ‘Een aparte kamer voor mijn boeken. Een rustig schrijfplekje. En een Vlaamse reus in huis die ik Pim of Puck noem.’ Dit gezegd hebbende neem ik een hap bruinbrood met kroket.

‘Ik wil een zwembad en een sauna!’ roept Roos met stuiterende geestdrift.
‘Ik gruwel van sauna’s,’ zeg ik met afgrijzen.
‘Blijf jij buiten,’ zegt ze luchtig. ‘Wat wil je nog meer?’
‘Een tuin waarover is nagedacht. Met een tuinman; ik ken een heel leuke. Verder ganzen, kippen, en  een bruine vriendin voor Rosa. Eentje uit het asiel,’ som ik op. Gul zeg ik: Jij krijgt een auto van me.’
Roos grinnikt terwijl ze een paar frietjes naar binnen werkt. ‘Zal ik een klein of een stoer model nemen?’
’Allebei. Wel een milieuvriendelijk soort.’
‘Wat voor auto neem jij?’ informeert ze.
‘Ik rijd m’n blauwe doos op. Ze heeft me nog nooit in de steek gelaten en kan nog makkelijk tien jaar mee.’

Ineens slaat Kind met haar hand op tafel. ‘Ik wil een paard!’
‘Ja, een paard. Gaan we samen rijden.’
‘Nemen we wel een stalknecht, hoor.’ Roos ziet zichzelf duidelijk geen stallen uitmesten.
‘Weet je wat ik écht graag wil hebben?’ roep ik. ‘Een toffe boomhut!’ Waarna ik er enigszins beschaamd aan toevoeg: ‘Ik lijk wel gek me zo mee te laten slepen door een geldprijs.’
‘Waarom?’ zegt Roos, ‘Je zit al heel de tijd te lachen.’

Omdat ik anderen ook graag zie lachen, ga ik (zogenaamd, red.) geld uitdelen aan m’n bloglezers met een maximum van 10.000 euro per persoon.
Roep maar wat jullie ermee gaan doen!

Douze points!

De landelijke examens moeten nog beginnen maar ik ben al geslaagd. Cum laude zelfs! Ik heb 16 van de 18 triggerpoints gescoord bij de reumatoloog voor de fibro-test. Waarbij handen niet worden meegerekend, terwijl ik die het meest gebruik. Rare jongens, die witjassen.
Na het lichamelijk onderzoek keek de arts met verbijstering naar mijn twee kromme pinken.
‘Zijn die gevoelig?’ vroeg ze.
‘Alleen als iemand er met een hamer op slaat,’ zei ik.
Onverstoorbaar vroeg ze: ‘Zit het bij u in de familie?’
Ik knikte; niet van harte want ik ben de enige “gelukkige.”
Voor de zekerheid moest ik een foto van mijn onderrug laten maken.
‘Checken of het geen artrose of slijtage is,’ legde de arts uit.
Nou, als ik een aanval krijg, heb ik eerder het gevoel dat m’n rug gebroken is, maar die informatie hield ik voor mezelf.

Als enige in de wachtruimte meldde me ik me bij de rontgenbalie. Direct werd ik op mijn plaats gezet: ‘Eerst een nummertje trekken!’
Toen wilde ik waar voor m’n geld. Samen met het stukje papier ging ik op een stoel zitten.
‘Dat hoeft nou óók weer niet, mevrouw,’ zuchtte de medewerkster.
Ik leverde de benodigde papieren in en kreeg de mededeling dat ik in “wachtkamer S van Simon” mocht gaan zitten.

Foto’s maken ging fantastisch. Ik hoefde immers niet te lachen. Dat was ook onmogelijk want ik werd met veel tegenzin begroet door een omvangrijke radiologe.
‘Al mijn collega’s zijn al naar huis,’ zei ze nors terwijl haar boezem nog na deinde.
Ter bemoediging zei ik: ‘Het is bijna weekend.’
Het lachen bleef haar vergaan want ze blafte: ‘Kleedt u hier uit. U mag uw slip en sokken aanhouden.’
Waarom mijn bh uit moest voor het maken van een foto van m’n onderrug beats me completely maar klagen of vragen zou nodeloos oponthoud opleveren en ik wilde dóór.

Daarna weer bloedprikken.
‘Ik hoop dat er nog wat in zit,’ grapte ik tegen de prikster.
‘Bent u bang?’ informeerde ze.
Bang? Welnee; mijn zenuwen in die arm zijn onderhand dood.

Volgende week krijg ik uitslag van de reumatoloog. Hopelijk niet in m’n gezicht of op een plaats waar ik zelf niet bij kan. Dan volgt een verwijzing naar de reumaverpleegkundige waarvoor ik een vragenlijst moet invullen:
“Hoe vaak heeft u op het politiebureau gezeten?
Bent u eerder geopereerd?
Heeft u al uw verstandskiezen nog?
Heeft u vroeger drugs gebruikt of gebruikt u ze nu?”
Wat heeft dat in hemelsnaam met fibro te maken? Ik heb er nog nooit een opgestoken, maar krijg ineens behoefte aan een joint. Wie weet ziet de wereld er dan weer wat rooskleuriger uit.

Hansje Pansje kevertje

‘Wat is je vraag voor deze Innerlijke Reis?’ vraagt Tanja, de natuurgeneeskundig therapeute.
Ik zeg dat ik een bouwlamp wil richten op mijn chronische vermoeidheid.

Bij zo’n Reis pak je gebeurtenissen aan die op je harde schijf staan opgeslagen. Zoiets als een “reset.”
Ik word al ziek/zwak/misselijk bij de gedachte. Het liefst zou ik ‘m onder narcose ondergaan maar ik moet juist naar mijn gevóel toe. Een zware opgave. Ik zie het maar als een potje worstelen met mezelf.
Het is een soort geleide meditatie: ogen sluiten, lichaam ontspannen en een trap met tien treden afdalen. Ik mag zelf een vervoermiddel en een bestemming kiezen.

Ik parkeer mijn Mini Cooper op het strand en stap uit. Het is koud en bewolkt. Met mijn rug sta ik tegen het prikkeldraad van het duin. Voor me strekt zich het strand en de eindeloze zee uit. Er is geen levende ziel te bekennen.
‘Hoe voel je je?’ vraagt Tanja.
‘Opgesloten,’ zeg ik.
‘Waarom voel je je opgesloten?’
‘Door de vermoeidheid in mijn lichaam.’
‘Waar wordt die door veroorzaakt?’
Meteen voel ik een dreun van eenzaamheid en pak met twee handen de stoelleuning vast.
‘Wat gebeurt er?’ vraagt T.
‘Zo raar,’ zeg ik, ‘ik dacht dat ik viel.’
‘Waar wordt de vermoeidheid door veroorzaakt?’ herhaalt ze.
‘Eenzaamheid, verdriet en onveiligheid.’ Ik som het op alsof ik de antwoorden van een kaartje lees. ‘Ik voel me nog alleen-der-der op de wereld dan Remi,’ voeg ik eraan toe.
Dat boek moest ik vroeger lezen en herlezen. “Het is zó mooi,” vond m’n moeder, en ik maar janken.

Stuk voor stuk moet ik de gevoelens groter maken. Een deksels karwei.
Bij binnenkomst had ik de doos tissues al zien staan die Tanja voor me had neergezet voor het geval mijn traanbuizen gaan jeuken. Ik háát tissues.
Ik voel me zwaar; alsof de zwaartekracht me tegen het zand wil drukken. En zwart. Alles in mij is zwart.
‘Hoe krijg je dat eruit?’ vraagt T.
‘Door onweer,’ zeg ik. Zo langzamerhand kijk ik nergens meer van op.
‘Maak er een wervelende show van!’ moedigt de therapeute me aan.

Ik maak er apocalypserig rotweer van. Het knettert, het flits, het rommelt en dondert. Inktgrijze wolken laten roffelend hun lading vallen. Ademloos en zeiknat sta ik eronder en geniet. Dan laat ik repen blauw in de lucht langzaam dichterbij komen.
En daar is de zon. Ze schijnt op m’n gezicht en in een mum van tijd ben ik droog. Ik voel me net Hansje Pansje kevertje. Al het zwart in mij is in één keer weg; wat een feest! Ik voel me zo licht als een veertje.

Ineens ben ik weer omhuld door duisternis. Er dringt zich een groeiende berg irritatie in me op. Wat nou weer?
‘Waar ben je nu?’ vraagt T.
Goeie vraag…
Met duim en wijsvinger doe ik een aansteker na: het geeft een glimpje licht. Genoeg om te zien dat ik in de donkere kelder onder ons huis in Rotterdam sta. Waar het altijd donker en vochtig was en grote spinnen zaten. Een druk op de lichtknop leverde 20 seconden zicht op; daarna floepte het automatisch uit. Te weinig tijd om naar de trap naar boven te rennen. Doodeng vond ik dat als
kind. Maar ik ben geen kind meer, en niet meer bang voor spinnen of duisternis! Op de tast vind ik de deur naar de binnentuin. Ik trek ‘m open. Zonlicht prikt in mijn ogen en ik zie dat het goed is.

Eén-en-twintig!

31 maart 1996.
Zondag 23.00 uur breken mijn vliezen op de wc. Mijn tot barstens toe gezwollen buik heeft z’n langste tijd gehad. In bed heb ik direct weeën en blijf heel de nacht wakker. Man niet. Hij stapt in bed en valt acuut in coma; een enorme steun.

1 april 1996.
9 uur. Daar is de verloskundige. Ze vraagt om de hoeveel minuten ik weeën heb en rent weer weg. ‘Tot 12 uur.’
Tot 12 uur? Duurt het nog zo lang?

12 uur. De VK komt, voelt en gaat weer weg. ‘Tot 15 uur!’
Tot 15 uur? Ik kan haar wel sláán.
Man zegt: ‘Ik ga eten. Wil je ook een boterham?’
Echt hè? Ik verkeer in barensnood en hij denkt aan eten.

13 uur. Mijn vader komt een extra pak kraamverband brengen.
Door de continue lekkage ben ik er doorheen.
‘Het valt niet mee, hè?’ zegt-ie.
En dat vertelt-ie me nu pas!

15.30 uur. De VK komt en blijft. De kraamhulp verschijnt ten tonelen.
Ik weet niet meer hoe ik de weeën moet opvangen. Tevergeefs probeer ik alle standjes uit.

17.00  uur. Ik ben kapot. Ik kap ermee! Ik stuur iedereen de deur uit. Ook Joris. Vooral Joris: ‘Het. Is. Jouw. Schuld!’
Ik kijk intimiderend maar iedereen blijft.
‘Nu moet het binnen een uur geboren worden anders moet je naar het ziekenhuis,’ dreigt de VK.

18.00 uur. Mijn gezicht en kleren zijn drijfnat. Ik pers alsof mijn leven ervan afhangt. Ik doe net of ik moet poepen, maar dan anders.
‘Wil je het geboren zien worden?’ vraagt de kraamhulp. ‘Dan pak ik de spiegel uit de badkamer.’
‘Alsjeblieft niet.’

18.40 uur. Ik beval op de grond in de slaapkamer. Er verschijnt een hoofdje met navelstreng om de nek.
‘Doe maar even rustig aan,’ adviseert de VK.
Net nu ik een lancering in gedachten had.

18.45 Ik ben moeder! Maar van wie?
Alle drie kijken ze met obsessieve interesse tussen mijn benen.
Ik hoor en zie niets, en word op zes verschillende manieren zenuwachtig.
‘Ze (!) krijgt zuurstof,’ zegt Joris geruststellend.

Dan een brul en er wordt iets op mijn buik gelegd.
Wat is dat? denk ik. Oh ja, een baby! Door de pijn was ik vergeten waar ik mee bezig was.
‘Ik doe het nóóit meer,’ zeg ik hartgrondig tegen de VK.
‘Dat zeggen ze allemaal,’ lacht ze.
‘Maar ik meen het,’ werp ik tegen. ‘Hecht mij maar met schrikdraad.’
‘Meid, je bent een wonder. Bevallen van een negenponder zonder knip of scheur.’

Ik kijk naar mijn levende kunstwerk: een meisje met rood haar en een verkreukeld gezicht. Ik heb het gevoel alsof een loc met 67 goederenwagons over me heen is gereden, maar ze is het waard.

Lieve Roos ♥ de wereld werd pas mooi met jou erbij.
Van harte gefeliciteerd met je éénentwintigste verjaardag !