Kopzorg

Overal waar ik kijk, zie ik sterretjes. Das niet omdat ik weer  gedronken heb, maar omdat ik de bezitter ben van een knetterende koppijn. Het licht doet pijn aan mijn ogen en mijn maag beweegt alsof ik een halfuur in het schip van de Efteling heb gezeten.
Mijn tas heb ik leeg gekieperd op het hotelbed. Fijne spullen liggen uitgestald op de sprei, maar geen paracetamol of een zakje wonderpoeder. Niets. Opgegeten. Hoe kan dat nou? Bergen pillen en poeiers zeul ik altijd met me mee. Niet alleen om mezelf een plezier te doen; vooral voor mijn medemensen.

Gedreven door een pneumatische drilboor loop ik naar de hotelbalie. Daarachter staat een vriendelijk ogende dame.
Ik vraag beleefd: ‘Heeft u voor mij alstublieft een paracetamol?’ Eentje is te weinig, maar om twee stuks vragen staat zo inhalig. Ik neem er eentje in, ff met de beentjes gestrekt op het hotelbed  en daarna in galop naar de plaatselijke drogist voor een groothandelsverpakking. Verwachtingsvol kijk ik de receptioniste aan.

Ze kijkt terug en zegt: ‘Nee mevrouw.’
Ik ben met stomheid geslagen. Zei ze nou nee?  Heeft zij ook geen pilletjes in haar eigen purse? Wij zusters moeten elkander toch helpen?
Op mijn zwijgen vervolgt ze: ‘Dat mag niet van de brandweer.’
De brandweer… Eerst denk ik dat ze een grapje maakt, maar het is haar ernst. Ik staar haar waarschijnlijk wezenloos aan, want ze herhaalt de mededeling. Normaal gesproken zou ik haar een diepte-interview afnemen, maar daar zie ik op dit pijnlijke moment vanaf.

Achter mijn rug beweegt iets fel roods, of verbeeld ik het me vanwege het woordje “brandweer”? Ik draai me om en kijk in het gelaat van een mevrouw die een rood gewaad draagt.
Ze lacht.
Ik lach terug, althans, ik doe een poging.

Ik kijk weer naar de receptioniste. Ze zendt me een blik van: waarom staat u hier nog? Gedesillusioneerd draai ik me om. Het leven heeft geen zin meer. Zie ik ergens een guillotine dan leg ik mijn hoofd eronder.

Onverwacht tikt iemand op mijn schouder. Het is de mevrouw in de rode sarong. Op haar voorhoofd prijkt een rode stip en ze heeft de mooiste groene ogen die ik ooit heb gezien. Weer die lach.
‘Mevrouw, ik heb paracetamol voor u,’ zegt ze zacht.
‘Echt waar?’ stamel ik, ‘oh mevrouw, daar word ik zo gelukkig van.’
‘Wilt u één of twee?’
Durf ik het te zeggen? Welja… ‘Twee alstublieft,’zeg ik gretig.
De vrouw met de stip drukt twee pillen uit een strip in mijn hand.
‘Dank u wel!’ zeg ik. Ik ben in staat haar te zoenen.
Had ik het maar gedaan.

De gigolo

Vervolg op: altijd-prijs-mensen.

‘Ga je mee naar mijn hotelkamer?’ vraagt de gigolo haar.
Wat een geluk dat ze nog geen kunstgebit draagt, anders was dat ding van schrik uit haar mond gevallen. Waarom wil hij met haar naar zijn kamer? Zeker om nog een kopje koffie met haar drinken. Ze was eigenlijk van plan geweest vanavond vroeg naar bed te gaan, maar als zij hem met zo’n kleinigheid een plezier kan doen…

Ze vindt ‘m overigens wel erg jong. Zij heeft zelfs meer haar op haar bovenlip dan hij! Maar het is ongepast kieskeurig te doen over een cadeau, en bovendien is hij uiterst charmant.
Tijdens het diner heeft hij belangstellend naar haar geluisterd. Steeds begrijpelijk knikkend, en zonder haar te onderbreken. Af en toe had hij zijn hand teder op de hare gelegd. De eerste keer kreeg ze daar paarse blossen van, maar het wende prettig snel. Ze vindt hem echt een man met voelsprieten. Als ouwe vrijster voel je veel, hè? Natuurlijk komt dat ook omdat zij niet doorsnee is.    

Zodra ze de hotelkamer binnen stappen, gaat hij languit op het grote bed liggen. Hij klopt met zijn vlakke hand op de plaats naast hem, om aan te geven dat hij haar daar verwacht.
Een béétje vreemd, maar omdat ze hem als ongevaarlijke goeierd heeft getaxeerd, gaat ze niet moeilijk doen.
Eenmaal op bed vraagt hij of ze klaar is voor de finishing touche.

Ze kijkt hem in complete vertwijfeling aan.
Hij bedoelt toch niet eh…in den vlezen gaan? Seks zonder huwelijk? Dat zou haar moeder nooit goed hebben gevonden.
Ze kijkt hem strak in de ogen. Voor een tijdje is ze handelingsonbekwaam, maar als hij haar verzekert dat hij zo discreet is als een eikenhoutendeur, geeft ze zich over, na zijn belofte dat het licht uit mag.
Eerst nog aarzelend, maar hij spreekt zulke geruststellende woorden tot haar dat ze terplekke in katzwijm valt. Wat wil je? Een aantrekkelijk man met zulk welig tierend borsthaar? Van het graaien erin krijgt ze zweethanden.

Na een paar uur, verlaat zij hoofdschuddend en glimlachend het hotel.
Haar gedachten bij het geluid dat ze zichzelf had horen maken. Een geluid alsof ze ondraaglijke pijnen leed.
Nu pas begrijpt ze hoe rijk het leven is.

Altijd-prijs-mensen

Jump with joy

Zij kent mensen die altijd prijs hebben.
Die staan altijd in de goede rij bij de kassa, hebben tijdens vakanties in Nederland altijd zon, en stoplichten staan voor hen altijd op groen.
Ze stinken ook niet uit hun mond, hun winkelwagentjes hebben geen afwijking en ze hebben ook nooit last van opkruipende onderbroeken.
Maar boven alles heeft zij de grootste hekel aan mensen die almaar prijzen winnen. Overal en lukraak valt alles ze toe. Nou, haar maat is er van vol!

Met stugge volhardendheid doet ze mee met elke prijsvraag en verloting. Ze kijkt allang niet meer wat ze kan winnen, áls ze maar kan winnen. Haar geduld wordt ernstig op de proef gesteld, maar eindelijk valt zij in de prijzen. Als ze de brief met het goede nieuws leest, stopt haar hart bijna met slaan van vreugde.

Vandaag gaat ze haar prijs incasseren.
Het mag dan pijpenstelen regenen, daar laat zij zich niet door weerhouden; ze trekt gewoon haar regenponcho aan. Een tikkeltje wijdbeens vanwege de extra Tena-lady’s in haar onderbroek, plakt ze met een klodder spuug een dwarse haarlok plat. Tot slot zet ze haar mooiste regenkapje op.
Voldaan kijkt ze naar haar evenbeeld  in de spiegel: ook al gaat ze al een flinke tijd mee, ze ziet er nog best fruitig uit. Dankzij haar steunzolen staat ze bovendien fier rechtop in haar comfortschoenen.
Zij is er klaar voor.

De prijs die ze gewonnen heeft, duurt maar een paar uur.
Wat ze gewonnen heeft, weet ze niet precies. Het woord kent ze niet, maar het rolt wel lekker over haar tong. Ach, de prijs maakt haar ook niet zoveel uit, zolang het maar chic blijft. Reeds bij voorbaat voelt ze verwachtingsvolle tintelingen langs haar ruggengraat kriebelen. Wat het dan ook mag zijn, ze gaat ongetwijfeld veel plezier beleven van de gigolo.

Wordt vervolgd.

Jantien

Met haar jas scheef dichtgeknoopt, holderdeboldert Jantien de trap af. De vuilniszak die ze met haar meesleept is zwaar, en ploft tree na tree achter haar aan naar beneden. Halverwege de trap stuitert haar buurmeisje Laura voorbij. Wild wippen haar vlechtjes heen en weer. In het voorbijgaan steekt Laura pinnig haar tong uit.

Zij wel…
Al tijden verlangt Jantien vurig naar precies zo’n zelfde felroze bal. Van jaloezie en afgunst gaat haar onderlipje trillen. Het is ook niet eerlijk: haar buurmeisje heeft álles wat Jantien niet heeft. ‘Behalve veel broertjes en luizen,’ zegt Jantientjes moeder altijd opgewekt, ‘dus leen haar eens je muts uit!’ Die muts heeft ze dus ook al. Jantien is zo boos, dat er rode halvemaantjes in haar handpalmen komen te staan.

Watertandend kijkt ze haar buurmeisje na. Oh, als zij zo’n bal zou hebben, zou ze voor jaren gelukkig zijn, maar haar moeder blijft volhouden dat zo’n stuiterding niet goed voor je is; je hersens raken ervan door elkaar geschud. Jantien vindt dat onbelangrijk, met spellen is ze toch al de beste van haar klas.

Zomaar, op de een na laatste tree, krijgt Jantientje zo’n briljant idee dat ze er een nerveus gefladder van in haar maag krijgt. Vliegensvlug kwakt ze de zak in de vuilnisbak, en rent de trap weer op. Binnen pakt ze een vuilniszak uit het gootsteenkastje en holt ermee naar de jongenskamer.

Buiten is het even wennen. Met een zelfvoldane trek op haar gezicht, zet ze de achtervolging op haar buurmeisje in. Jantien scheert zo rakelings langs op haar zelfgemaakte skippybal, dat Laura ervan stilvalt en haar buurmeisje vol ongeloof nakijkt. De plastic voetballen bewegen wat ongemakkelijk heen en weer in de vuilniszak, maar dat doet aan Jantientjes plezier niets af. Integendeel. Ze geniet.

Skippybal

Een loeigoeie ontmoeting

Ik klim en klauter bovenop een hek. Nieuwsgierig komen de koeien dichterbij. Steeds een metertje meer. Ze willen weleens weten wie die blauwgeklede spaghettisliert is die bovenop hun hek hangt. Ze snuiven luidruchtig. Tevreden knabbel ik op mijn boterham en koe-keloer naar de koeien. Nog een metertje en dan staan ze voor mijn neus. Stel dat ik nu heel hard nies, dan hollen ze allemaal weg en komen niet meer terug.

Niet veel later ben ik omringd door dampende lijven. Een koe snuffelt aan mijn knie; dat kriebelt. Een andere ruikt aan mijn boterham. Opeens….hatsjie! Welja, ze spettert mijn hele boterham onder! Yak!
‘Heb jij mond- en klauwzeer?’ vraag ik, haar diep in de ogen kijkend. De koe knippert loom en onschuldig met haar lange wimpers. Haar buurvrouw begint de hoesten, lekker met haar bek wijd open en natuurlijk in mijn richting.
‘Hotsjik’ zeg ik,en de koeien schieten alle kanten op. ‘Ga maar fijn elkaar aan lopen steken, stelletje onopgevoede sodemieters.’ De bevuilde boterham gooi ik weg en ik pak een schone uit m’n zakje.

Een meerkoet werkt zich moeizaam op de kant. Wat een lekker groot hapje ziet hij daar liggen! Hij rent naar mijn afgedankte boterham alsof het een hoofdprijs is. Maar als een koe van die bacillen verkouden is geworden, hoe beroerd moet een meerkoet dan niet worden? Haastig hol ik naar de boterham en net op tijd gris ik ‘m voor de snavel van de watervogel weg. Dierenbeul! zeggen zijn kraaloogjes tegen me. Hij beseft niet dat ik ‘m van een wisse dood heb gered. Ik geef ‘m wel een stukje schoon brood, hier. Hij eet het niet op, maar hobbelt er mee weg. Nieuwsgierig achtervolg ik hem. Ach gut, hij gaat het aan zijn vrouw en kinderen op het nest geven.


Tevreden over mijn goede daad laat ik me fluitend meevoeren op de wind.

Dappere Ankie

Ankie - kopie

Ankie leerde ik kennen tijdens yoga. Ze was reeds in de zestig; een leuk mens met een meisjesachtig postuur, een lenig lijf en een positieve inslag. Als andere dames klaagden over hun snurkende echtgenoot, dan zei zij dat ze zo’n snorrende man wel gezellig vond. Hardnekkig bleef ze rondrijden in een oude eend, die haar tijdens vakanties in Frankrijk steevast onverwachte ontmoetingen bezorgde.

Slechts bij hoge uitzondering miste Ankie een yogales. Vroeg ik daarna of ze ziek was geweest, dan kreeg ik een ontwijkend antwoord. Heel on-Ankie want zij was doorgaans een open boek. Zelden kwam ik haar “los op straat” tegen. Behalve die ene vrijdagmiddag op de weekmarkt. Ankie had de weken daarvoor drie yogalessen gemist en bij navraag hield de yogajuf informatie achter, wat Ankies goed recht was.

Die middag op de markt stond Ankie er verslagen bij. Ik liep op haar af.
‘Hallo Ankie, gaat het wel goed met je?’ Niks beleefdheden, gewoon recht voor zijn raap. Als ze geen behoefte had in een gesprek, zou ze dat wel zeggen. Van dichtbij had haar gezicht dezelfde kleur als het grijze shirt dat ze droeg. Ze keek me aan en ontweek mijn vraag niet.

“Nee, ’t gaat niet,’ zei ze. ‘Van deze toestand heb ik vaker last, maar nu duurt ie langer.’ Ik zei niets en wachtte af of ze ging vertellen wat ‘die toestand’ was.
‘Het komt door vroeger,’ begon ze, ‘door mijn moeder. Ik heb verlatingsangst omdat zij, toen ik negen was, zelfmoord heeft gepleegd. Ze had zichzelf opgehangen…ik heb haar gevonden. Een paar keer per jaar overvalt me die verlatingsangst. Ik heb er therapie voor gehad, maar dat beeld van mijn moeder raak ik niet kwijt…dan zie ik haar hangen in het trapgat. Welke moeder doet dat nou zoiets? Ik heb ‘t geprobeerd te begrijpen, maar het lukt me niet. Zo zit dat.’ Ik knikte; probeerde haar te begrijpen.
‘Kan ik wat voor je doen?’ vroeg ik.
‘Dat je luistert is genoeg.’

Alsof het afgesproken werk was, liepen we in de richting van haar geparkeerde eend. ‘Wat is je huisnummer?’ vroeg ik; haar straatnaam wist ik al.
‘Honderdvier,’ gaf ze als antwoord. Het minste wat ik kon doen, was haar een kaartje sturen. ‘Dag Ankie,’ zei ik, terwijl ik haar een zoen op haar wang gaf.
‘Ik zie je maandag weer bij yoga,’zei ze, ‘dan is het vast over.’

Ze stapte in haar eend en sloeg de deur dicht. Het raam wapperde met een klap omhoog toen ze wegreed. Door een voorbijrijdende bus kon ik haar niet meer zien. In gedachten zwaaide ik haar na.

Plasproblemen

‘Mama, ik moet zo nodig.’ Het is te zien. Met een gefronst gezicht en twee handjes tussen haar benen, staat Roos in de ik-moet-zo-nodig-plassenhouding. Toiletten genoeg om in het winkelcentrum haar sluisje open te zetten, maar daar wringt nou net de schoen: Kind heeft een allergie voor vreemde wc’s. Een keer ging ze op een zelfreinigende bril zitten die halverwege haar plassessie zichzelf begon te verschonen, en sindsdien vertikt Kakeltje-in-de-dop het op een onbekende pot plaats te nemen.

Moet zij dat hele eind in de auto haar plas ophouden? ‘Wat nou als de brug opengaat, mam?’ vraagt ze op een toon van iemand die in tijdnood verkeert. Vijf jaar en ze weet precies hoe ze me aan moet pakken. Gevoelig voor haar argument mag ze de bosjes in. Daar staan een paar heel mooie, heeft zij al gezien. ‘Wel wachten tot er niemand aankomt, hè?’ zegt ze op samenzweerderige toon. Zoals gewoonlijk maakt zij van de nood weer een vreugd.

Ik mag als eerste de struiken in, want spinnen… alleen al van het idee gaat ze hoesten, en hoe houd je dan je plas op? Benauwd loert ze om zich heen. ‘Kijk maar naar beneden,’ zegt ik, ‘straks stap je in een hondenhoop. ‘Dit is wel ver genoeg,’ commandeert Kind als ze een geschikte locatie ziet. Ze hurkt neer. ‘Voetjes uit elkaar,’ dirigeer ik, ‘en houd je broek goed naar achteren.’ Ze knikt.

Ingespannen tuurt ze naar de grond. ‘Oh mam, kijk daar…een paddenstoel! Daar kan je een foto van nemen,’ roept ze verheugd. ‘Plassen,’ zeg ik; ik sta hier niet voor mijn lol kromgebogen in de bosjes.

Het lukt niet. ‘Moet jij ook niet toevallig?’ informeert ze belangstellend. Spijtig schud ik nee. We wachten. ‘Hèhè, daar komt het,’ zegt ze opgelucht. Aandachtig bestudeert ze hoe haar plasje wordt opgezogen door de grond. Zó aandachtig dat ze naar achteren valt en met haar blote billen in haar plasje terechtkomt. Met een zakdoek veeg ik de houtsnippers van haar billen. Terwijl ze gebukt staat om haar kleding omhoog te hijsen, valt ze voorover. Twee handjes breken net op tijd haar val, maar ze valt wel precies middenin haar eigen plasje. ‘In de auto liggen vochtige doekjes,’ zegt ze hulpvaardig. Hand in hand (!) lopen we terug naar de auto, zij in een uitgelaten stemming en met blozende wangetjes. ‘Maar goed dat ik niet op een vreemde wc ben gaat zitten, hè mam,’ zegt ze praktisch, ‘je weet maar nooit wie erop heeft gezeten.’

Ik ben gewond!

‘Ik ben gewond! Ik ben gewond!’ In doodsnood holt een man naar binnen. Zonder woorden wordt het slachtoffer reikhalzend begroet door de patienten in de wachtkamer. De man maakt een onverzorgde indruk: ongeschoren, sjofele kleding en een vuile pet die zijn gezicht grotendeels bedekt. Iedereen in de wachtkamer weet dat deze medelander niet volledig is ingeburgerd, anders had de stakker wel buiten op een toevallig passerende ambulance gewacht. Daar zou hij stukken sneller door worden geholpen dan door de assistentes alhier in de huisartsenpraktijk. Er is niets wat hun rust kan verstoren.

Kind en ik staan op onze beurt bij de balie te wachten en kijken elkaar aan. Hebben wij weer: zijn we bijna aan de beurt, komt er een spoedgeval tussen. Maar wij zijn coulant: de man mag voorpiepen op voorwaarde dat hij eerst een emmer bloed verliest.

Met een wanhopige blik in zijn ogen, ijsbeert de man voor de balie heen en weer. Hij is lucht voor zowel de klant als de assistente achter de balie. Dat van de laatste geen nieuws, maar alla, altijd een negatief beeld schetsen van de zorgverlening in ons dorp gaat ook vervelen. De wachtkamer volgt vol spanning de hyperventilerende meneer. Liggen ergens bloedspetters? Zal hij weldra flauwvallen?

Onverwacht komt een huisarts een behandelkamer uitlopen. De ongelukkige gooit zich vol overgave in de armen van de arts, en zegt: ‘Dokter, dokter, ik ben gewond!’ De arts werpt een onderzoekende blik op de omhooggehouden arm, en zegt dat zijn assistente er spoedig naar zal kijken. Dit gebrek aan belangstelling komt bloedhard bij de man aan.

Nu gaat hij pal voor Kind staan. Ik wil ’s mans leed zien, maar mijn ogen kunnen er niet bij. Die van Kind wel. Ze gebaart naar de man en wijst naar haar wijsvinger. ‘Valt ie er bijna af?’ vraag ik zacht. Ze schudt haar hoofd. Helaas. Ik heb nog geen druppel bloed gezien, dus mag de man ook niet voor.

Hè, hè, de patient bij de balie is klaar. Nu zijn wij. Alhoewel, help bij nader inzien toch maar eerst die zenuwlijder; ik word gek van die vent. Nee, als door een wonder kijkt de assistente mij aan en zegt: ‘U mag het zeggen, mevrouw.’ Dit heb ik nog nooit meegemaakt: een beleefd uitgesproken zin van meer dan vier woorden. Snel, het vlugzout! En geef de man ook een snuifje; hij houdt het niet meer.

Kinds medicijnen zijn snel gepakt en dan kan de assistente er niet meer onder uit: ’s mans tijd voor aandacht is gekomen. De assistente kijkt zeker twee seconden lang naar de uitgestoken vinger. Haar antwoord moet verpletterend voor het slachtoffer zijn, maar bevredigt  wel de nieuwsgierigheid van de voltallige wachtkamer. Ze kijkt de zwaar gewonde stakker recht aan en zegt: ‘Een brandblaartje. Niets aan doen, meneer, gaat vanzelf over.’

De gewone man

Stapt van der Schans nou naar binnen? Ja hoor, verrek, het is ‘m! De nare zelfingenomen kwast die haar ouders tot wanhoop heeft gedreven. Jarenlang stonden ze hun schamele inkomsten af, om hun lening af te betalen, en telkens verhoogde hij de rente. Haar ouders konden slechts berusten in hun droeve lot. Haar vader zou zich omdraaien in zijn graf als zij deze klojo fatsoenlijk van dienst zou zijn.

De winkel in anti-inbraak apparatuur die Lize met haar man runt, loopt uitstekend. Niet alleen het beste van het beste, maar ook betaalbare mogelijkheden voor de gewone man. “Je moet altijd open blijven staan voor de gewone man,” was haar vaders stokpaardje. Dit is een kans die ze niet mag laten glippen, maar hoe bedenkt ze zo snel een waterdicht plan? Terwijl ze met haar vingers op de balie trommelt, speelt ze ondertussen voor luistervink. Van der Schans wil een  degelijk beveiligingssysteem rondom zijn woning…Die woning kent ze, wie niet in deze omgeving? Geheel vrijstaand, rietgedekt, diverse schuren…

In Lizes hoofd beginnen radertjes te draaien. Hoe zou de gewone man het willen? Op hetzelfde moment dat ze zich de vraag stelt, weet ze het antwoord. Zo simpel! Onmiddellijk loopt ze naar achteren en belt haar broer die aan een half woord genoeg heeft. Hij schat het aantal kubs in en berekent de kosten. Met veel plezier zal hij dit klusje persoonlijk op zich nemen. ‘Spreek voor vrijdagmiddag laat af,’ adviseert hij, ‘dan heeft hij er het hele weekend plezier van.’ Ze gniffelen.

Met een smoes stuurt Lize haar medewerker naar achteren en helpt zelf Van der Schans verder. ‘Wat ik zojuist al zei…ik wil dus het meest simpele systeem, geen gedoe met alarm op ramen en deuren; mijn vrouw vindt dat te ingewikkeld. Gewoon een waarschuwing die indringers op anderhalve meter afstand van mijn eigendommen houdt.’  Lize beheerst zich om niet vals te lachen: zijn wensen passen precies binnen haar briljante plan. Ze stelt een simpele overeenkomst op.
‘Hoe gaat het met betalen?’vraagt de klant.
‘De ene helft vooruit, de andere helft na levering.’ Die tweede helft zal ze nooit krijgen, maar dat hoeft niet, want de aanbetaling dekt de gehele lading. Inwendig gloeit ze van triomf.
‘Vrijdag aan het eind van de middag,’ stelt ze voor?
Ze hebben een deal.

Vrijdag vier uur.
Een truck arriveert bij Van der Schans’ huis. Brutaal draait de bestuurder het erf op, rijdt  een rondje om de luxe woning en verdeelt de inhoud met een donderend geraas rond het huis.  Hortensia’s, buxussen en rozen die binnen de anderhalve metergrens staan, worden door de zware wielen resoluut verpletterd en onder de lading bedolven. Voordat de bewoners er erg in hebben, is de klus geklaard. En hoe! Rond het huis ligt een dikke laag grind. Het beste alarm aller tijden.
Voor de gewone man.

Hulp!

Huishoudelijke hulp

Een ronkende roestbak komt achter mijn blauwe bolide tot stilstand. Heel de buurt kijkt uit het raam en ziet dat mevrouw Kakelbont bezoek krijgt. Om half negen in de ochtend? Dat mens doet anders voor de middag de luiken niet open!

‘Best vroeg, half negen,’ valt de nieuwe huishoudelijke hulp met de deur in Huize Kakelbont. Komt het uit als ze voortaan een half uurtje later begint? ’s Ochtends komt ze namelijk moeilijk op gang. Hoe laat drinken we straks koffie? Ik moet haar wel een beetje ontzien, want ze verkeert in een onevenwichtige levensfase en ze is moe…Ze werkt trouwens voor het geld, hoor, niet omdat ze schoonmaken een aangename tijdsbesteding vindt. Thuis doet ze het sporadisch; ze zit liever.
Ja, “niet lullen, maar poetsen,” ze hééft ervan gehoord, maar in een iets andere woordvolgorde, kan dat kloppen?

We verdelen de taken.
In de keuken sopt ze de vloer, en haalt daarna dezelfde lap over het aanrecht. Ja, in die volgorde. Ze is anderhalve meter hoog en met de s.wiffer in de hand, komt ze tot ongeveer 1 m 75. Dat is lang zat, vindt ze zelf, want waar zij niet bij kan, wonen ook geen mensen. Ik reik haar het keukentrapje aan, en vraag of ze alsjeblieft de boekenplanken in Kinds kamer wil stoffen. Hoezo? Boeken hóren stoffig te zijn! Worden al die dikke pillen gelezen door een puber? Dat kan niet gezond zijn.
Persoonlijk kijkt zij liever naar Tell Sell.
En sjonge, wat een openbaring dat je plinten kunt stoffen. Daar zou zij uit zichzelf nooit opgekomen zijn.

Wat vind ik van haar idee om buiten in de zon koffie te drinken? Als ik nou even de stoelen droog maak, schenkt zij de koffie in.
Haar billen raken amper de stoel of haar emoties zijn nog nauwelijks te dresseren. Ze heeft dringend een sociaal werkster  luisterend oor nodig: ze heeft ruzie met haar zus, mot met haar moeder, en is boos op haar broer. Haar kat moet een klysma en had ze al gezegd dat ze zo vreselijk moe is? Hoeveel gevulde koeken mag ze? Ze heeft trek gekregen van dat stoffen en soppen, en ze moet straks ook nog stofzuigen…

Een uur later trekken dieseldampen langzaam weg. Godzijdank heb ik een week om bij te komen van ons wonder van zegenrijke hulpvaardigheid. Vraag niet hoe, maar we hebben het samen een jaar uitgehouden. Sinds kort heb ik een Koerdische hulp. Ze is een schatje!