Aangerand in de tram #wijoverdrijvenniet

imageedit_4_6916265491

“27% EU-Europeanen vindt het oké (‘justifiable’) dat vrouwen in sommige situaties seksueel misbruikt worden. Als een vrouw bijvoorbeeld dronken is of zich uitdagend kleedt, als ze niet duidelijk ‘nee’ heeft gezegd en geen verzet geboden heeft, vindt minstens 1 op de 4 Europeanen het begrijpelijk als ze daardoor tot seks gedwongen wordt. ”
Dat meldde Europees Commissaris van Justitie Vera Jourova in een toespraak in Brussel, tijdens de opening van de campagne ‘Vrouwen tegen Seksueel Geweld’.

Ik las het hier en het was alsof ik een klap in m’n bek kreeg.
Sinds voorjaar 1989 is er niets veranderd….

***

Overdag is het Scheepvaartkwartier een statige buurt. Na kantoortijd – en zeker na overwerk – is de elegantie ver te zoeken: sexclubs openen hun deuren en schorriemorrie bevolkt de straten.

Op de hoek wacht ik op lijn vijf.
Altijd hetzelfde liedje. Alsof ik de eerste de beste stoephoer ben, roepen automobilisten door hun open raam: ‘Hoeveel kost pijpen, schatje?’
‘Schoonheid, wat kost het om jou een uur te verwennen?’
Dat ik ieder oogcontact mijd, ontgaat ze.

De tram is leeg op vijf mannen achterin na.
Ik ga in het midden bij de deuren zitten. Alsof ik de stroop en zij de vliegen zijn, komen de ze op me af. Eén gaat naast me zitten, twee voor me en twee achter me op een bank. Ik kan geen kant op en voel me gemangeld. In mijn hoofd gaat het alarm van de eerste maandag van de maand af.

De kerels zijn zonder douchen de deur uitgegaan, hebben tatoeages, dragen korte mutsen en spreken Zweeds. Waarschijnlijk zijn ze afkomstig van het Zeemanshuis.
Ik spreek mezelf moed in: het zijn maar twee haltes. Zo belangstellend mogelijk kijk ik uit het raam.
Ineens voel ik een hand op mijn rechterknie. Terwijl mijn hart tegen mijn huig springt, roep ik tegen de kerel naast me: ‘Blijf met je poten van me af!’ en kijk hem met intense doodsverachting aan.
De Zweden proberen me na te zeggen en er wordt gelachen. Dit belooft een leuke rit te worden en hij is nog maar net begonnen.

De gluiperd naast me grijnst onaangedaan en legt zijn hand een stukje hoger.
Paniek laait op; ik heb het allemaal al eens meegemaakt. Ik moet weg! Ik moet onmiddellijk weg!
Nadenken is uitgeschakeld; ik handel puur uit overlevingsdrang. Ik spring overeind en geef mijn buurman met mijn elleboog een hengst in zijn gezicht. Hij is even overrompeld, waardoor ik vliegensvlug op de bank kan klimmen en over de kerel heen kan springen.

Trillend over heel mijn lijf kijk ik naar de bestuurder.
Hij kijkt terug en negeert me.

Nu wil de zeeman verhaal halen. Terwijl de rest geamuseerd toekijkt, komt hij bij me staan. Hij loopt twee rondjes om me heen, grijpt me onverwacht van achteren beet en maakt wilde rijbewegingen waarbij zijn hand mijn kruis betast.
Tranen van onmacht springen in mijn ogen. Ik ben bang maar voel vooral woede. Tomeloze woede en die geeft me kracht. De tram staat stil voor het stoplicht en ik grijp mijn kans. Ik worstel me los, doe twee stappen vooruit en trap net zolang tegen de tramdeuren tot ze open gaan.

Bij het uitstappen struikel ik over mijn benen. Ik krabbel overeind en kijk achterom: de Zweden twijfelen maar besluiten de achtervolging in te zetten. Ik weet al waar ik naartoe wil en trek een sprint.
Vierhonderd meter verder trek ik de deur van een tijdelijke politiekeet op het Eendrachtsplein open. Rechts staat een prullenbak, ik buig voorover en gooi mijn avondeten er uit.

Met een papieren zakdoek veeg ik m’n mond af.
Blijkbaar gaan hier vaker mensen over hun nek want de agente achter de balie vraagt zonder blikken of blozen: ‘Wilt u een glas water?’
Ik knik.
Het glas drink ik in één keer leeg. Ik haal diep adem en wil iets zeggen maar breng alleen gestamel voort. Ik sla een hand voor m’n gezicht. Het laatste wat ik wil, is huilen.
Uiteindelijk mompel ik: ‘Mannen…ze vielen me lastig.’
‘Wilt u aangifte doen?’ vraagt de vrouw vriendelijk.
Ik schud nee. ‘Wilt u met me meelopen naar het metrostation?’ vraag ik.

Ze houdt de deur voor me open en we lopen naar buiten. Het plein is zo goed als verlaten.
We lopen de trappen af naar beneden en zien dat ook het perron leeg is. De metro komt er al aan.
De agente wacht tot ik ben ingestapt.

De volgende dag op m’n werk vraag ik of ik voortaan na overwerk een taxi naar de metro mag nemen, omdat ik ben “lastig gevallen.”
Voor het antwoord heeft de onderdirecteur geen bedenktijd nodig. ‘Ga lopen,’ zegt hij, ‘het zijn maar twee haltes.’
Ik had elk antwoord verwacht, maar niet dit. Prompt val ik stil en sta daar te staan.
Hij kijkt me geïrriteerd aan. Zijn blik zegt: wat doe je hier nog?
Mijn tong doet het weer. ‘Ik hoop dat uw dochters later een betere werkgever treffen,’ zeg ik en loop weg. Jammer dat de deur een dranger heeft, anders had ik ‘m achter me dicht gesmeten.

Huilend trek ik me terug op het damestoilet.

Deze blog staat ook gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.

Onderkoeld

womana
NOVEMBER  2007

Voor het mooie heb ik te ver gefietst (90 km.) Ik heb het ijskoud en wil zo snel mogelijk naar huis. In plaats van bij de splitsing linksaf te slaan, rijd ik rechtdoor een smal, onverhard pad op. Nooit fietste ik hier eerder. Onbegrijpelijk; alsof mijn stuur een eigen wil heeft.
Ik plaats van om te keren, jakker ik vort. Het pad maakt een bocht en meteen zie ik haar zitten. Ik schrik zo dat ik abrupt in mijn remmen knijp en bijna omval. Mijn hersenen kunnen niet verwerken wat mijn ogen zien: een oude vrouw in een bloemetjesjurk zit op een bankje met haar rug naar me toe. Zonder jas. De wind doet haar haar en jurk wapperen. Onbeweeglijk zit ze daar. Zou ze…dood zijn?

Ik durf niet te gaan kijken.
Mijn voeten lijken vastgezogen aan de grond.
Hoe komt ze hier? Het dichtstbijzijnde huis is twee kilometer lopen. En waarom draagt ze geen jas?
Ineens dringt het tot me door: ik moet iets dóen.

Ik leg mijn fiets in het gras en hol naar de vrouw.
Haar ogen zijn dicht. Ze ademt gelukkig wel. Voorzichtig raak ik haar arm aan; die voelt ijskoud. Ze ziet er vreselijk uit: haar gezicht witter dan Sneeuwwitje, haar lippen zwart en haar handen blauw.
Ik trek mijn bezwete fietsjack uit, keer het binnenstebuiten en trek het de vrouw aan. Ze reageert nauwelijks. Ik pak m’n telefoon, bel 112 en kijk of de vrouw een tas bij zich heeft. Ik zie niets.
Met mijn handen probeer ik haar warm te wrijven. Ze opent haar ogen en zegt met een flauwe glimlach: ‘Dat doet mijn moeder ook altijd.’
Ik onderdruk een rilling.

In de verte klinkt een sirene. Ik ren naar de provinciale weg om aan te geven waar de ambulance moet afslaan. De bestuurder ziet me staan, remt en rijdt met een bloedgang de bocht door.

Het is alsof ik naar een film kijk.
Twee mannen stappen uit en hollen naar de vrouw. Eentje trekt haar het fietsjack uit en zijn collega wikkelt haar in goudkleurige folie. Samen tillen ze de vrouw van de bank, sjorren haar op een stretcher en rijden haar de ambulance in.

Als verdwaasd sta ik erbij en kijk ernaar.
‘Trek uw jas weer aan, mevrouw. U koelt hard af,’ zegt een broeder.
Ik knik gelaten.
De oude dame in de ambulance richt zich even op. ‘Kom je nog eens langs?’ vraagt ze aan me.
Ik kan niet praten; ik moet huilen.
De deuren gaan dicht, de ambulance geeft gas, de sirene loeit en weg zijn ze.

Ineens voel ik hoe koud ik het heb. Ik trek m’n jas aan, stap op de fiets en rijd naar huis.
Kind opent de voordeur. ‘Ben je gevallen?’ vraagt ze.
‘Boe-hoe-hoe,’ huil ik en schud nee. Mijn woorden vallen als een waterval. ‘En nou wee-heet ik helemaal niet of het goe-hoedkomt met die vrouw. Ik wee-heet niet eens hoe ze heet!’

‘Doe nou maar rustig,’ zegt Roos terwijl ze koffie voor me zet. ‘Iemand mist haar en belt de politie.  Vannacht slaapt ze in een warm ziekenhuis en morgen weer in haar eigen bed. Hier, opdrinken!’ gebiedt ze me.
Kind heeft gelijk. Ik kom weer een beetje bij.

Eén ding snap ik na jaren nog steeds niet: waarom ik dat onverharde pad inreed…
Geloof jij in toeval?

Lastig(e) gevallen

Op de fiets wat het niet altijd alleen maar lang-leve-de-lol.
Zonder fiets trouwens ook niet.

Dat ik niet de enige vrouw ben die ongewenst seksueel lastig gevallen werd
door mannen, had ik 8 maart – Nationale Vrouwendag – al bij Narda gelezen.
Toentertijd kon ik niet op haar blog reageren; het kwam te dichtbij.
Omdat ik me ervoor schaam. Omdat het een vies gevoel geeft.
Ik ben vaak lastig gevallen. Zo vaak dat ik bijna ging geloven dat het normaal was.
Bijna.
Want dat was en is het natuurlijk niet.

Bouwvakkers hebben de naam. Was het maar bij hun opmerkingen of gefluit gebleven.
Erger waren de handtastelijkheden. Helemaal van mannen van wie je het niet verwachtte. Omdat ze in nette pakken liepen, arts van beroep waren of “vrienden.”
Dergelijke kerels zijn een gevaar voor de maatschappij.

Ik wil(de) maar één ding: met respect behandeld worden of – veel liever nog – met rust worden gelaten.    

*********************

Vroeger reed ik op de racefiets naar mijn werk in Rotterdam. Vijftien km heen.
En vijftien km terug.

Zo ook die dag:
De Leuvebrug over en de Boompjes op,
langs het monument voor de gevallen mariniers,
langs de Nederlandsche Bank
en het Havenziekenhuis,
de Maasboulevard op.
Langs de Willemsbrug,
de Hef,
de aanlegplaats voor cruiseboten en
het tankstation.
Eenmaal daar moest het fietspad gedeeld worden met tegenliggers.
Een collega van m’n afdeling reed voor me.

Het was een mooie dag. De zon scheen en de Maas schitterde.
Aan de overkant bij Excelsior liepen twee mensen op blote voeten in het gras.

Het fietspad ging omhoog een viaduct op.
In het klimmetje omhoog fietste ik zes Marokkanen voorbij die keurig in een treintje reden. De mannen riepen iets tegen elkaar; wat kon ik niet verstaan.
Toen ik de voorste inhaalde, kneep deze zijn ogen grijnzend samen en riep hij naar me: ‘Alle Nederlandse vrouwen zijn hoeren,’ en voordat ik er erg in had, stak hij zijn hand onder mijn fietsshirt en kneep in mijn borst.

Van razernij gierde de adrenaline door mijn lijf.
In een reflex haalde ik uit. Mijn gebalde vuist raakte hem midden in zijn gezicht. Het was meer geluk dan wijsheid maar het effect was fenomenaal: hij viel met fiets en al om. Zijn gezicht viel op de grond in het zand.
Eén voor één buitelden zijn vrienden over elkaar heen, en toen ik helemaal bovenaan achterom keek, zag ik een kluwen van fietsen en mensen.

‘Wat deed jij nou?’ vroeg m’n collega. Hij kon zijn ogen niet geloven.
‘Nou gewoon,’ zei ik – alsof het gewoon was – ‘hij zat aan me.‘
Verder zei ik niets. Schaamte had mij in mij macht.
De harde wind joeg tranen in mijn ogen.

Ik vertelde het aan niemand; ik keek wel uit.
Mijn vuistslag voelde niet als een overwinning.
Ruim drie weken durfde ik niet over de Maasboulevard te fietsen, en reed ik angstvallig binnendoor via Kralingen naar mijn werk.
Bang voor represailles…

Drie Denen en een Fries

Nonne

Begin jaren ’80 werkte ik in een hondenkennel. 

Uit het schuurtje klinkt een kermend gehuil. Ik verschuif de grendel, gooi de deur open en zoek dekking tegen de buitenmuur. Drie grijze lijven buitelen over elkaar heen om mij als eerste te begroeten. Met mijn ogen en lippen stijf dicht, wordt mijn gezicht afgelebberd door de tongen van drie Deense doggen.

Vanaf de eerste seconde klikte het naadloos tussen de beesten en mij. Iets wat ik van de stalknecht niet kan zeggen. Hij begroet mij, het hondenmeisje, amper en trakteert me op selectieve zwijgzaamheid. De stalknecht heet Sjors, ik noem hem Sjimmie.

Alleen omdat hij zes volbloed merries verzorgt, heeft hij drukte. De paarden zijn een stel chagrijnen en hun karakter is net zo koud als het eiland waar ze vandaan komen. Steevast staan ze te trappelen om schoppen uit te delen. Sjimmie mag zijn knollen houden.
Geef mij Nonne maar, de langharige Fries van de buurman. Hij oogt ruig en is lief. Soms borstel ik hem, of maak een ritje op ‘m door het weiland. De staljongen haalt er zogenaamd zijn neus voor op; ik weet wel beter.

Op een dag breken twee valse krengen uit de palissade, en vliegen holderdebolder tegen de dijk op. Sjimmie springt op zijn fiets, maar kan in paniek zijn sleuteltje niet vinden.
De buurman wenkt mij. Hier, neem Nonne!
De stalknecht holt dankbaar op hem af, maar de buurman wijst nadrukkelijk naar mij.
Ik ben bang en blij tegelijk. Zonder aansporingen spurt Nonne de weg op alsof hij geleid wordt door een inwendige Tomtom.

Het is een hele optocht die zich tegen de richting van het verkeer beweegt: twee briesende IJslanders, een vurige Fries met een vliegende Hollander op zijn rug, en drie luid blaffende Denen. Automobilisten kijken in verwarring achterom.

De IJslandse merries kloeken samen uit angst voor drie malende betonwagens. De knipperende ogen van de hengst doen de rest.

De terugkeer is een belevenis. Eventjes voel ik me de eigenaar van een half circus; alleen de fanfare ontbreekt.
Na afloop laat ik me voldaan van de Fries afglijden: ik schuif over zijn rug naar achteren, en gebruik zijn dikke billen als glijbaan. Zachter landen kan bijna niet. Bijna. Want van pure liefde word ik omver gelopen door de Denen. Ik ben er ondersteboven van, en val met gestrekte armen voorover in de bagger.
Bemind worden heeft duidelijk een keerzijde.

Deense dog

Een Citroen, een tuinman en een goede ruil

Estaing

Lang geleden vierden Lief en ik vakantie in Frankrijk. We hoeven veertien dagenlang alleen maar 125 kilometer bergje op en bergje af te fietsen; de rest was geregeld: hotelverblijf met  ontbijt/diner, en bagagevervoer. 

De vrouw heeft een figuur en een gezicht alsof ze driemaal daags alleen citroenen eet. Met een geleerd gezicht inspecteert ze onze paspoorten en beveelt Lief een formulier in te vullen “voor het geval ze ons moet aangegeven bij de politie.”
Man vult als werkgever “Hendrik Jan de Tuinman” in en met dezelfde creatieve inslag ons adres en telefoonnummer.
In ruil daarvoor overhandigt Citroen ons een sleutel en prijst onze hotelkamer aan alsof het een suite met vijf sterren is.

De kamer is een vierkant hok, ruikt muf en heeft een bruin tapijt vol vieze vlekken. Op de douche zou ik het liefst de brandslang zetten. Hij is niet alleen vuil en beschimmeld, ook liggen de afgeknipte teennagels van de vorige gast nog op de vloer. Speciaal voor dergelijke gelegenheden hebben Lief en ik waterschoenen bij ons, maar helaas is onze bagage nog niet gearriveerd. Het zou me niet verbazen als Citroen die- om ons te pesten – achterhoudt in een bezemkast.

Voor een open raam tegenover ons hotel zit een oude vrouw op een stoel naar ons te kijken.
Ik zwaai en roep beleefd: ‘Bonjour!’
Ze reageert niet. Zou ze iets mankeren?

Ik trek mijn fietsschoenen uit en laat me op het tweepersoonsbed vallen. Er liggen twee doekjes op. Ik vouw ze open: er zitten luchtgaten ter grootte van mijn hoofd in. Laat me raden: hier moeten Lief en ik straks onze billen mee afdrogen. Onze vaatdoekjes thuis zijn van hogere kwaliteit.
‘Heb jij in de douche handdoeken gezien?’ vraag ik aan Lief.
Joris schudt ontkennend zijn hoofd.
Ik voel het onstuitbare wicht in me naar boven komen, vouw de lapjes op en loop ermee de hotelkamer uit.
Niemand te zien in de gang…
Ik loop de kamer tegenover de onze in, en ruil onze lapjes om voor twee roze badhanddoeken die ik daar in het voorbijgaan had zien liggen.

Terug op de kamer komen er vreemde geluiden uit de douche. Het blijkt Lief te zijn die met het douchematje muggen aan het pletten is.
‘Ik heb er al negen gevangen!’ roept hij trots.
Ik prijs zijn inzet.

Zonder kloppen gaat onze kamerdeur open en sjouwt de hotelbaas onze twee sporttassen naar binnen. Zonder een woord te zeggen, loopt hij weg en laat de kamerdeur open staan.
Ik wil me al gaan ergeren als ik onverwacht Citroen hoor roepen: ‘Aaaaah…cherie! Margot et Pierre!’ Koket loopt ze op twee voor mij onzichtbare mensen af en geeft ze een paar klinkende zoenen.
Zo onzichtbaar mogelijk sluit ik zachtjes de kamerdeur.

Ik kijk nog eens naar de overbuurvrouw. Ze lijkt wel een ijssculptuur: aan haar houding is niets veranderd. Ik wil zeker weten of ze helemaal in orde is en steek mijn tong naar haar uit. Wel twee seconden lang.
Gelukkig, ze is niet blind; ze heeft gewoon een hekel aan toeristen.
Citroen straks vast nog veel meer!

Pestkop in de bar

pestkop loesje

Een kroeg aan het Schouwburgplein in Rotterdam, eind jaren ’80. 

Voor mijn vrienden heb ik net wat te drinken besteld. Ik ben alleen vergeten iets voor mezelf te bestellen. Tijdens het wachten aan de bar voel ik dat er iemand naar me kijkt. Onopvallend kijk ik om me heen en onze blikken kruisen elkaar. Langzaam loopt hij in mijn richting.
‘Ken ik jou niet ergens van?’ vraagt hij enthousiast.
Geweldige openingszin. Ik kijk in zijn gezicht en zeg glashard: ‘Nee.’

Groot, blond, stevig, stoer. Zelfbewust bekijkt hij me en blijkbaar bevalt hem wat hij ziet. ‘Jij bent toch Mirjam? Hebben wij niet samen op school gezeten?’
Meedogenloos slaan de herinneringen toe.
Hij was de grootste pestkop van allemaal en treiterde me tot tranen toe. Zijn duw tegen de kapstok ben ik niet vergeten, evenmin als dat kleffe zuurtje in mijn haar.

‘Ben jij niet ene Erwin?’
‘Ja!’ Hij lijkt oprecht verrast en vat het op als een compliment dat zijn naam in mij is blijven hangen.
‘Wil je wat van me drinken?’ vraagt hij best vriendelijk. Aan zijn gezicht valt de herinnering aan zijn eigen gedrag uit het verleden niet af te lezen. Hij kijkt me grijnzend aan.
Ik kijk terug. Vandaag de dag ben ik niet meer zo snel van iemand onder de indruk, en als het moet, lul ik een tram uit de rails. Waarom zit hij me dan nog steeds niet lekker?
‘Nee, ’ antwoord ik en ontwijk zijn blik. Verdomme!

‘Neem nou wat van me te drinken, joh,’ dringt hij aan.
‘Nee dank je,’ houd ik vol.
Erwin snapt niets van mijn afwijzing.  ‘Je kan toch wat te drinken van me nemen?’ Nog even vasthoudend als vroeger.
‘Ik wil dat je me met rust laat,’ zeg ik en ga met mijn rug naar hem toe staan.
Hij tikt me op mijn schouder.
‘Blijf van me af!’ bijt ik ‘m toe.
Ik zeg het harder dan nodig is, maar het effect is groots: Erwin gaat een halve meter bij me vandaan staan en menigeen draait zijn nek om. Blijkbaar heeft mijn broer het ook gehoord, want hij loopt in mijn richting.
‘Denk niet dat je heel wat bent,’ snauwt Erwin.
‘Jij bent anders degene die hier staat aan te dringen.’
‘Bitch!’ spuugt-ie naar me.

‘Valt hij je lastig?’ Mijn broer bekijkt Erwin geringschattend.
Broer is net een tandje langer, breder en – al zeg ik het zelf – een stuk knapper.
Erwin kiest eieren voor zijn geld en loopt weg. Hij kijkt niet meer om. Mijn broer kijkt hem voor de zekerheid wel na.
‘Ken je die gozer?
‘Niet vriendschappelijk.’
‘Heeft-ie je lastig gevallen?’
‘Vanavond niet maar voor ik naar het Sophia ging wel. Heel erg.’
Mijn broer geeft me een schouderklop en bestelt wat te drinken voor me.

Ik snuit mijn neus en tegelijkertijd doet mijn broer het geluid van de vertrekkende “SS Rotterdam” na. Ik schiet in de lach. Dat flikt hij me nou altijd…

 

Billentikker

billentikker

Breien, borduren en haken had ik op mijn 25-ste reeds lang onder mijn creatieve knie. Wat betreft kleding naaien, was ik een totale beginneling, terwijl me dat juist zo handig leek.
Zo waren korte rokjes standaard te kort omdat mijn benen zo’n eind doorlopen. Maar het liefst van alles wilde ik iets hebben wat nergens te koop was: een bruine billentikker.

In een keurig damesweekblad waar mijn moeder abonnee van was, stond het adres van een mevrouw die naailes gaf.
In gezondheidsschoeisel, een enkellange rimpelrok en tuthola bloesje ontving ze mij en vier andere cursisten. De juf bleek van goede gereformeerde komaf, en het leek haar een goed idee dat ik zou beginnen met het maken van een lange rok.
‘Een korte rok,’ stelde ik voor, ‘want ik draag geen lange.’
Nee, een lange rok was beter.

Onder begeleiding van de  Muzikale Fruitmand van de EO begon ik aan het uitraderen van een patroon. Behalve de muziek was ook de lerares dodelijk serieus. Tijdens de les mocht er niet gepraat worden, laat staan gelachen.

Ik hield me overeind met de gedachte dat het geheim van zigzaggen en locken op de naaimachine weldra aan mij geopenbaard zou worden, en daarna kon ik vast thuis aan de slag.
Helaas had ik geen rekening met mijn moeder gehouden. Ik woonde nog thuis en zij had een deugdelijk naaimachien, maar die mocht ik niet gebruiken omdat ze was bang dat ik ‘m  zou vernielen…

Ik nam mijn kleedje op en ging naar mijn tante die op loopafstand woonde. Groots werd ik onthaald. Behalve het gebruik van haar naaimachine, kreeg ik koffie en mocht ik de trommel met zelfgebakken boterkoek leegeten.

Spoedig bleek dat ik niet voor rechte zomen stikken in de wieg ben gelegd. Ik had mijn doorzettingsvermogen kunnen aanboren, maar de christelijke muziek tijdens naailes gaf de doodsteek. De lange rok verdween in de schoenpoetsmand en van het idee van de billentikker heb ik afscheid genomen.

In plaats van sneu in een hoekje te gaan liggen, besloot ik naar Italiaanse les te gaan. Het was de tijd van Eros Ramazzotti, ik was aan het sparen voor een Italiaanse racefiets van Ernesto Colnago, en ging fietsen op Sardinie. De cursus was niet tevergeefs: op vakantie kon ik in vloeibaar Italiaans Campari met ijs bestellen.

Hebben jullie weleens een cursus voor je lol gevolgd? 

Schaamluis

‘Hoofdluis,’ oordeelt de thuiskapster. Wie? Kind? In Huize Helderder? Zulke Schone en Nette Mensen overkomt dat niet, hoor. Oh nee, nou de kapster is stellig en rent direct ons huis uit. Prompt krijgen we alle drie ernstige jeuk. Overal. Ook op haarloze plekjes, zeg maar. Ik wil geen vieze beestjes in mijn huis. Boehoehoe.

Stop.

Met huilen gaan ze niet weg. Eerst logisch nadenken. Ergens in een afgelegen hoek van de trapkast moet een onkruidbestrijdingsmiddel staan. Zoek en gij zult…Hebbes! Kind wordt onmiddellijk in de anti-luis gezet, gaat douchen en krijgt een schoon bed.
Op internet vergaren we “weetjes” die we liever niet weten, maar na een dag zijn we expert. En wat ziet Kind?
‘Papa, je hebt neten.’
‘Niet waar.’
‘Je hebt echt neten, hoor.’
‘Nietes, houd je mond!’
‘Euh… schat… jij hebt ze echt.’
‘Oh…’ En jij  raadt vast wie ons trio compleet maakt?

De smerige bloedzuigers zijn een aanslag op lichaam en geest. De wasautomaat draait dag na dag. Deden mensen eind jaren-70 enorme moeite voor een afrokapsel, mij lukt het in een handomdraai met een ouderwetse luizenkam. Ik zit welhaast met mijn handen in mijn… Nee, niet met die handen in dat haar!

Komt Kind thuis uit school dan bespring ik haar zowat: ‘Heb je jeuk?’ vraag ik dreigend in de deuropening.
Enigszins uit het veld geslagen stamelt ze: ‘Nee…eh…echt niet.’
Met argusogen bekijk ik Bella: is zij een luizenbunker? Het web leert dat mensenhoofdluizen geen konijnen believen. Oh, dan heeft Bella gewone jeuk.
Vol achterdocht wordt elk stofje en pluisje bekeken.
‘Een luis, dáár! Op het aanrecht! Sla dood!’
‘Nee, ’t is een broodkruimel.’

Trek ik het dekbed over me heen, denk ik aan luizen. Leg ik mijn hoofd op het kussen, denk ik aan luizen. De anti-luizenshampoo belooft dat bij dagelijks gebruik de luizen en neten met 14 dagen weg zijn. Veertien dagen? Aan mijn roodkoperen fluitketeltje. Eén week en geen dag langer! De aanschaf van een elektrische luizenkam is reden voor een bescheiden feestje: hij spoort de luizen niet alleen op, maar…dzzzzz…elektrocuteert ze ook.

Langzaam kom ik tot rust en uiteindelijk winnen we de strijd.

Volmondig kan ik nu zeggen: Luizen? Kan me geen neet schelen! Maar ja, ‘t dan ook weer ruim zes jaar geleden 🙂 Hopelijk heb jij aan dit blog geen kriebels overgehouden…

Spijbelen

‘Mama, zullen we samen paddenstoelen gaan kijken in het bos?’
‘We kunnen woensdagmiddag gaan,’ stel ik voor, ‘dan heb je geen school.’
Voor iemand die net zelfstandig veters kan strikken, schudt Roos met een ijzeren hardnekkigheid nee. Ze gebaart dat ik moet bukken en fluistert iets in mijn oor.
Ik ben verbluft. Waar moet dat heen met dat kind?
‘Dat kun jij foto’s maken,’ merkt ze nog geraffineerd op. Ik begin over regels en hoe het heurt, maar halverwege haper ik. Eigenlijk vind ik haar voorstel meer dan plezierig. Blinkt het leven niet genoeg uit in idiote regeltjes?

De volgende ochtend bel ik school dat Kind niet komt.
‘Ze is verkouden,’zeg ik. Zo jok ik zonder te liegen, want Roos heeft vannacht liggen blaffen als een zeehond.

Met een rugzak vol versnaperingen en papieren zakdoekjes, rijden we langs school het dorp uit. Roos ligt dubbelgevouwen tussen de voor- en achterbank, waar ze giechelt van pret, en bibbert van angst om ontdekt te worden.

Het Kralingse Bos is een explosie van herfstkleuren. Het belangrijkste bezoeken we het eerst en dat is het houten klimdorp, gevolgd door de kinderboerderij en het hertenkamp. We banjeren avontuurlijk door het bos en bewonderen heel wat paddenstoelen. Kind snottert en snuit, maar vindt het een feestje. Minstens tien keer zegt ze: ‘Gezellig hè?’

Aan het eind van de middag doet Kind een bijzondere ontdekking.
‘Mama, kom eens gauw! Hier liggen allemaal vingertjes…’ Zwijgend wijst ze naar een plekje op de grond te midden van een hoopje bladeren.
’Ohh…’ zeg ik aangenaam verrast, en maak foto na foto.

Dan is het tijd om naar huis te gaan. Op de terugweg rijden we opnieuw langs school, maar ditmaal hoeft Roosje-in-de-knop zich niet te verstoppen, want ze ligt afgepeigerd te ronken op de achterbank.
Als ik haar de volgende dag van school haal, wenkt de juf me.

‘Hebben jullie gisteren zo’n leuke dag gehad?’ informeert ze ondeugend. Ik geef het volmondig toe, want met deze mogelijkheid had ik al rekening gehouden.
‘Ze was er zo vol van, dat ze het niet voor zich kon houden,’ zegt juf op een toon alsof het haar spijt.
‘Maar hoe zit het nou met die vingers…?’ Aan jufs vieze gezicht te zien, heeft Kind gepassioneerd over haar ontdekking verteld.
Ik leg uit dat we een inktviszwam gezien hebben. Een paddenstoel met tentakels als een echte inktvis, maar die kind vingertjes blijft noemen.
Juf knikt opgelucht.
‘Ik zal jullie uitje niet doorvertellen aan m’n collega’s hoor,’ zegt ze, ‘kunnen jullie het nog een keertje overdoen.’

MirRoosZwam

Halloween 2013

Halloween?
Mij niet gezien.
Als kinderen bedelen om snoep, zeg ik maar zo: kindertjes die vragen, worden overgeslagen.

’s Nachts hoor ik in huis vreemde geluiden. Ze lijken uit de keuken te komen. Ik hoef niet naar Lief te kijken om te weten of-ie slaapt. Dat hoor ik zo ook wel: hij kan zonder solliciteren aan de slag bij de houtzagerij van Staatsbosbeheer. Jammer, want doorgaans hoort hij alles. Vroeger stond-ie bij het kleinste zuchtje of hoestje van Kind naast haar bed. Kennelijk is ze geruststellend groot gegroeid, want hij blijft in diepe rust.

Ik hoor nog steeds geluid, maar nu klinkt het anders.

Een inbreker? Een klopgeest? Een teleurgestelde snoepgeest? Ik grinnik om mijn eigen grapje, en stap zelfverzekerd uit bed. Ik ga gewoon beneden kijken. Ik doe de slaapkamerdeur open en loop de trap af, maar blijf halverwege staan. Stel nou dat het een inbreker is? Een echte?
Maar dat kan niet: ons huis is beter beveiligd dan Fort Knox. Natuurlijk, als iemand wil inbreken, lukt  dat altijd, maar niet zonder een berg herrie te maken.
Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn angst: hupsakee, de trap af. In het halletje aarzel ik weer. Zal ik een schoen van Lief pakken? Alsof ik daar een inbreker bewusteloos mee kan slaan.
Ik open de kamerdeur zonder geluid te maken.
Het geluid komt uit de keuken. Ik buig mijn arm de hoek om, druk op de lichtknop, en onmiddellijk floept het licht aan.

Het is Bella!
Ze is in Kinds plastic krat met bakspullen gesprongen, heeft er een koekblik uitgegooid, en laat dit nu alle plinten van de keuken zien.
Ik jaag mevrouw Konijn haar hok in. Zónder snoepje!

(Lieve Sodemieter, ik wou dat je nog bestond…)