Halloween 2013

Halloween?
Mij niet gezien.
Als kinderen bedelen om snoep, zeg ik maar zo: kindertjes die vragen, worden overgeslagen.

’s Nachts hoor ik in huis vreemde geluiden. Ze lijken uit de keuken te komen. Ik hoef niet naar Lief te kijken om te weten of-ie slaapt. Dat hoor ik zo ook wel: hij kan zonder solliciteren aan de slag bij de houtzagerij van Staatsbosbeheer. Jammer, want doorgaans hoort hij alles. Vroeger stond-ie bij het kleinste zuchtje of hoestje van Kind naast haar bed. Kennelijk is ze geruststellend groot gegroeid, want hij blijft in diepe rust.

Ik hoor nog steeds geluid, maar nu klinkt het anders.

Een inbreker? Een klopgeest? Een teleurgestelde snoepgeest? Ik grinnik om mijn eigen grapje, en stap zelfverzekerd uit bed. Ik ga gewoon beneden kijken. Ik doe de slaapkamerdeur open en loop de trap af, maar blijf halverwege staan. Stel nou dat het een inbreker is? Een echte?
Maar dat kan niet: ons huis is beter beveiligd dan Fort Knox. Natuurlijk, als iemand wil inbreken, lukt  dat altijd, maar niet zonder een berg herrie te maken.
Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn angst: hupsakee, de trap af. In het halletje aarzel ik weer. Zal ik een schoen van Lief pakken? Alsof ik daar een inbreker bewusteloos mee kan slaan.
Ik open de kamerdeur zonder geluid te maken.
Het geluid komt uit de keuken. Ik buig mijn arm de hoek om, druk op de lichtknop, en onmiddellijk floept het licht aan.

Het is Bella!
Ze is in Kinds plastic krat met bakspullen gesprongen, heeft er een koekblik uitgegooid, en laat dit nu alle plinten van de keuken zien.
Ik jaag mevrouw Konijn haar hok in. Zónder snoepje!

(Lieve Sodemieter, ik wou dat je nog bestond…)

Tante Ali

Tante-Ali1Mijn schoonvader wist niet waar hij het zoeken moest als ze kwam aanlopen. Zijn zus Ali was dan ook een speciaal geval. Met drieenhalve tand in haar mond, gekleed in een morsig hoofddoekje, blikdichte pantykousen en een antieke jurk waar de kringloopwinkel de neus voor ophaalde, was ze net een wandelende zak van Max. Niemand kon een gesprek met haar volgen: ze praatte onsamenhangende zinnen, en zei zo vaak: “En nou komp ut,” dat dat haar tweede naam binnen de familie werd.

Tante Ali was een oude vrijster die in het ouderlijk huis was blijven wonen. Het liefst wilde ze dingen ontkennen, deed niets om in het gevlei te komen en knapte zelfs van een beetje vriendelijkheid niet op. Ze bewaarde álles; ze had nog kranten, voedselbonnen en brieven uit de Tweede Wereldoorlog. Op één brief stond een postzegel van h.i.t.l.e.r en een “gelezen” stempel.

Aan tv en een “wasmachien” deed ze niet. Koffie schonk ze ouderwets op, en dat waren de lekkerste bakkies, als je tenminste kon voorkomen dat ze er een kwak gekookte melk met vel ingoot.
Zelfs in horrorwinters brandde er alleen een gashaard in de keuken, en, zoals een neefje het eens treffend beschreef: “op de wc kwam de stoom van je pies.” Toen Tante de steile trap naar de slaapkamerverdieping niet meer op kon lopen, sliep ze beneden in de keuken op de grond. Zonder bed of matras.

Om verjaardagstress te vermijden, trakteerde ze zichzelf jaarlijks op een rit met het OV naar de dichtstbijzijnde Ik.eavestiging, en daar kwebbelde ze dan in zichzelf dat niets meer zoals vroeger was.

Ze vergat niets en tot op het laatst was haar geest sterk als een beer. De begrafenisondernemer uit het dorp –  een zeer religieus man – had ooit een scheve schaats gereden met een dorpsgenote (wel een levende),  en daarna heeft Tante nooit meer een woord tot de man gesproken. In haar testament had ze laten vastleggen dat ze niet door hem ten grave gedragen wenste te worden. Roos’ naam (in het echt heet ze anders) heeft ze nooit één keer goed uitgesproken. Wat ze er ook van maakte, we lieten het maar zo; het was geen dwarsigheid. Die bewaarde ze voor de dominee en de buren.

Kan ’t erger?

foto van internet

Onafgebroken zit hij me aan te staren. Ik krijg er stress van. De man staat op. Hèhè, denk ik, hij gaat eruit. Mis. Slechts één plekje in de metro is nog leeg, en de man schuift naast me in het bankje. Djiez, en dit is nog maar het begin van de dag! Zo aandachtig mogelijk bestudeer ik de betonnen tunnelwand.

‘Mag ik naast u komen zitten?’ vraagt de man. Vindt hij ‘t zelf niet wat te laat voor die vraag? Nou ja, het is binnen de grenzen van de wet. Ik geef een knikje en schuif nog verder naar het raam.
‘Ken ik u ergens van?’ Originele openingsvraag. Weer eens wat anders dan: mag ik uw pincode. Hij ziet er niet onaardig uit. Voor zijn leeftijd.

‘Reist u alleen?’ wil hij weten.
‘Vindt u dat onverantwoord?’ vraag ik.
‘Oh…eh…nou, ziet u, ik heb zin in een praatje.’ Had dat gezegd tegen die brede kerel waar hij de net naast zat. Plots is daar een stem in mijn hoofd: “Vriendelijke mensen, hoe ga je ermee om?” De man heeft nog niets verkeerds gezegd. Oké, ik zal proberen aardig te doen.
‘Woont u in de stad?’interviewt de man verder. Vanwege dat postbus 51’spotje kijk ik ‘m best aardig aan.
‘Ja,’ lieg ik. Hij zal nu onderhand wel doorhebben dat ik geen ideale gesprekspartner ben.

‘Zullen we ergens iets gaan drinken?’ stelt hij voor.
‘Nee!’ zeg ik resoluut, en weersta de neiging mijn vinger in zijn oog te steken. Ik ben nu wel lang genoeg aardig geweest.
‘Alleen iets drinken,’ voegt hij eraan toe. Ik kijk ‘m vernietigend aan. Mijn blik schijnt hem niet te deren. Ik voel me letterlijk en figuurlijk in een hoekje gedrukt. Ineens dringt een gedachte zich aan me op: zou dit een grap zijn? Zit ik in Bananensplit? Oh God, denk ik, straks komt Frans Bauer onder een metrostoeltje vandaan. Plots ben ik volledig de kluts kwijt. Het zweet breekt me uit, en iedereen kan het zien. Nog drie haltes, denk ik, hou ik dat nog vol?  

‘Okee,’ zeg ik ineens, het over een andere boeg gooiend,’kom maar met me mee naar huis.’
De man knippert versneld met zijn ogen. Een meneer tegenover me laat zijn krant een stukje zakken en gluurt over de rand naar mij. Hij is duidelijk in me teleurgesteld: ik zag er zo netjes uit. Maar ik was nog niet klaar.
‘Dan kunt u meteen mijn man leren kennen. Moet u wel een eind omhoog kijken, want hij is nogal grOOt.’
Als ik de man met een breinaald geprikt had, had hij niet sneller overeind kunnen schieten. Hij rént het gangpad door, struikelt over een rugzak, wil op zijn oude plaatsje gaan zitten maar dat is vergaan, en besluit in plaats daarvan de net gestopte metro uit te vluchten.

Naast me schalt een lach. Zo hard en welgemeend dat iedereen ervan in de lach schiet. Zo te zien kan de lachster haar plas maar net ophouden. Ze komt overeind en plant haar kolossale achterwerk naast mij op het bankje. Met plezier schuif ik een stukje op.
Ze klopt me bemoedigend op m’n knie en vliegt verbaal uit de startblokken. Ze maakt drukke gebaren en lacht veelvuldig. Geen idee waar ze het over heeft, maar ik lach van harte mee. Ik wijs naar de stoffen hoofddoek op haar hoofd. Even onderbreekt ze haar stortvloed, knikt ja, ja, ja, en slaat me op mijn schouder.
Ineens ben ik op mijn bestemming en mag eruit. De dame zwaait me na alsof ik een goeie bekende van haar ben. Met overgave zwaai ik terug. Toch nog een goed begin van de dag!

Zakenmeneer

Robert Redford

Kijk ‘m daar staat in z’n driedelig kostuum en met zijn gepoetste schoenen in de drek. Hij moest mij zo nodig voorbij razen in zijn blinkende auto, en het is dat ik me niet in de berm liet drukken, anders had hij dat met plezier gedaan. Eerst kleefde hij op de provinciale weg aan mijn bumper. Dat was totdat ik op de rem trapte. Toen hij me later op de polderweg inhaalde, liet hij me een gemanicuurde vinger zien.

Ik moest lachen want ik weet iets wat hij niet weet: deze weg is eigendom van het Zuid-Hollands Landschap, wordt gaandeweg smaller en loopt uiteindelijke dood. Nu blokkeer ik met mijn auto de zijne.
Zo te zien is de zakenmeneer hard aan een kop koffie toe.

‘Ik…eh…ben te vroeg rechtsaf geslagen, denk ik,’ zegt hij. Nou, ik weet ’t wel zeker. Verontwaardig voegt hij eraan toe: ‘Deze weg loopt dood, en ik heb nergens een bord gezien.’ Tja, dat is omdat hier alleen boeren en buitenlui komen. ‘Mag ik er even langs?’ Zijn vraag klinkt als een bevel. Onnozel doe ik een paar passen opzij. ‘Met de áuto bedoel ik.’

Hij wordt afgeleid door een naderende tractor, en ziet het scenario al voor zich: straks staat hij hier bij zonsondergang nog. Hij vindt alles dodelijk oppervlakkig: waar je ook kijkt, zie je alleen maar weilanden, koeien en vogels. Gelukkig voor hem draait de trekker een weiland in.

Ik loop naar een hek, klap het open, en rijdt mijn auto een stukje de wei in. Hij gebaart dat ik verder moet rijden zodat hij kan keren.
‘Dat kan niet,’ zeg ik, ‘Weidevogelbeheer heeft alle nesten gemarkeerd. Kijk, daar ligt een gruttonest.’
‘O,’ zegt-ie en loopt een stukje dichterbij. ‘Waarom doen ze dat?’
‘Anders ziet de boer bij het maaien de nesten niet, of de koeien gaan er met hun poten bovenop staan.’ Hij vindt het maar een rare gang van zaken: zoveel werk voor een handvol vogels.

Zonder veel te zeggen, hangen we over de reling van het hek. Het valt me nu pas op dat hij wat wegheeft van Robert Redford. ‘Wat is het hier rustig, hè?’ zegt-ie en hij haalt diep adem. Een tijd zeggen we niets. 

Dan gaat hij weer. Uit zijn passen lijkt de haast verdwenen.
‘Fijne dag verder,’ groet ik beleefd. Als ie wegrijdt, steekt ie weer een vinger naar me omhoog. Deze keer is het zijn duim. 

Grutto 

Baggerpumps

nieuwe schoenen

Vandaag ga ik een toeristisch rondje met fototoestel fietsen. Voor de afwisseling ga ik me eens als een nette mevrouw kleden. Ik trek mijn kekke driekwart broek en een elegant shirt aan. Hierna slaat de twijfel toe: zal ik mijn nieuwe schoenen aantrekken, ja of nee? Ja, want die maken het geheel af. Nee, want voor de eeuwige plasserd in mij is dat zeer onhandig: ik spetter onderweg gerust m’n broek en schoenen nat. In gedachten hoor ik Man al zeggen: doe ‘t nou nie-hiet, dat is de goden verzoeken!

Maar ja, daardoor is het juist dubbel aantrekkelijk…Ik faal voor de gehoorzaamheidstest en stap in ’t nieuw, waarbij ik mezelf plechtig beloof goed uit te zullen kijken waar ik mijn voeten schoenen neerzet.

Het foto’s maken gaat…mwah. Ik zit meer te suffen dan om me heen te kijken, waardoor ik de  leuke plaatjes pas zie, als ik ze voorbijrijd, en moet omkeren voor een foto.
Na een uurtje moet ik dringend een wildplas doen, en zie een geschikte locatie: eentje achter dichte begroeiing, en klem naast een vennetje. Hoe idyllisch! De plas is zo gedaan, ja en zonder morsen! Oh…ineens springt er een kikker op een lelieblad. Die zal me een foto opleveren…

De kwaker heeft me gezien. Ik verdenk ‘m ervan dat-ie wacht tot ‘t fototoestel precies goed staat, om net vóór het afdrukken de plomp in te springen. Maar als ik héél voorzichtig en langzaam doe…Voetje voor voetje schuifel ik in gehurkte toestand dichterbij. Dit wordt een práchtplaatje… nog wat dichterbij, nog ietsje meer… en dan zakt mijn linkervoet door de derrie. Ik trek mijn voet succesvol omhoog, maar heel jammer dat mijn linkerschoen achterblijft. Om niet voor niets Mans agressie op mijn hals te halen, druk ik nog snel op de afdrukknop. Uiteraard hipt tegelijkertijd het kikkertje van het blad, floepens de sloot in. Ik durf te zweren dat ie me nog uitkwaakt ook. Vanaf vandaag ben ik niet meer principieel tegen het eten van kikkerbillen.

Na deze mislukking is de lol eraf. Thuis doe ik mijn uiterste best alle drab van mijn nieuwe schoen te schrapen. O, o, o, hoe vertel ik het mijn Man? Nou niet. Elk getrouwd stel heeft toch geheimen voor elkander? Sommigen houden er zelfs minaars/minnaressen op na. Wat is dan een sterk vervuilde schoen? 

Pippi met vleugels

Pippi

‘Kijk eens,’ zegt Vriendin, ‘deze is voor jou,’ en ze geeft Kind een lange vinger. Het kleine mevrouwtje Kakelbont pakt ‘m stevig vast, verkruimelt de onderste helft, en gooit het restant achteloos over haar schouder. Manieren, manieren, ho maar! Als moeder mag je niet lachen, want wanneer je zo’n stukje geteisem van drie niet aanpakt, lukt het je de rest van je leven niet meer.

Vriendin denkt daar anders over, en vraagt gierend van de lach: ‘denk je dat ze dat nog een keer doet?’
Net zo charmant als drie tellen daarvoor pakt Kind het lekkers aan, en werpt het lukraak over haar schouder. ‘Ik wil die,’ wijst ze naar een tompoes. Geef toe: ze heeft smaak.

Ik prik een stukje tompoes op mijn vork en houd het Kind voor. ‘Zellef doen,’ zegt ze. Nee, van de vork. ‘Zellef Doen!’ gilt ze. Nou, dan niks. Nijdig geeft ze met haar platte hand een mep bovenop de gebakjes. Meteen zet ze het op een lopen, en gaat uit zichzelf op de gang staan. Zonder klokkijken, toch weten hoe laat het is.

De rest van de middag valt niets in goede aarde. Ze loeit als een sirene, en krijst ze zo hard dat ik ‘t liefst een slagroomsoesje in d’r mond zou willen stoppen.
Er is hoop: ze pakt mijn tas, kiept ‘m in een hoek van de kamer om, en gaat de inhoud zitten bekijken. Hèhè, eindelijk rust…
Ze is zo stil dat we haar een beetje vergeten. Totdat Vriendin terloops een blik in Kinds richting werpt. Ze begint te láchen, te gillen gewoon.

Ik kijk waar zij naar kijkt: Kind heeft een maandverbandje als een joekel van een pleister op haar wang, en een gedeelte over haar oog geplakt.
‘Hahaha!’ gilt vriendin, ‘Always comfort met vleugels! Dat kind is toch net Pippi!’
Je begrijpt dat we de volgende keer weer even welkom waren…

 

Malle

een brief van Malle

Hij had haar genaaid en nu wilde ze zoenen ook. Hij op vakantie gaan, en over haar een brief met klachten achterlaten bij de onderdirecteur. En dat terwijl hij – Malle – niet eens haar chef was, maar simpelweg alles deed om hogerop te komen. Met zijn blauwe suede veterschoenen, uitgestrekte smoel en ingebouwde arrogantie, marcheerde hij in volle galop over iedereen heen. Zij moest vooral komen als hij haar riep.

Die laatste zin stond vast niet in de brief, maar wat precies wel? Ze wachtte haar kans op een rustig moment af, en glipte Malle’s afdeling op. Ze pakte de diskette, stopte die in het kontje van de afdelings-pc en sloeg de brief op. Hij was beveiligd met een wachtwoord, maar een vriend had daar wel een programmaatje voor.

De letters op het beeldscherm staarden haar venijnig aan. Malle wond er geen doekjes om: ze was hem niet voldoende ter wille; ze deed werk waar ze te duur voor was; en in geval van nood deed ze zowel inputwerk als de controle erop, wat een risico voor de bank was. Wat hem echter het meest stak, was dat ze hem Malle Rinus noemde, in plaats van Marinus.

Die nacht sliep ze slecht. De brief had haar veranderd in een naar gerechtigheid hunkerende vrouw. Ze zou ‘m krijgen! De brief moest werken als een boemerang, zodat elke collega kon lezen hoe achterbaks Malle was.
Pas tegen de ochtend viel ze in slaap, maar toen had ze haar plan gesmeed.

Ze vroeg een collega die te vertrouwen was, haar plan ten uitvoer te brengen. Voor haar arbeidscontract was het beter tijdelijk niet in de buurt te zijn. Ze wilde Malle op zijn eerste werkdag een koude douche geven, en haar collega werkte daar van harte aan mee.
Voor dag en dauw legde hij de brief in de kopieermachine, toetste het getal tweehonderd in, en het apparaat deed de rest. Klaar met printen, pakte hij de stapel kopieen en legde ze ondersteboven terug in de papierbak. Hij legde zijn hand op de kopieerplaat, toetste op “afdrukken” en bekeek tevreden de voor- en achterkant van het vel papier. Nu was het een kwestie van wachten tot de pleuris uitbrak.
Op een stoeltje in de zon, kreeg zij het verlossende telefoontje. Ze gniffelde. Haar stemming was opperbest.

Dit is een waar gebeurd verhaal. Ik weet het zeker, want die vrouw op dat stoeltje in de zon, was ik.

Okeej, een beetje uitleg:
De brief werd 200 x gekopieerd en de kopieen teruggelegd in de papierbak. Iedereen – van elke verdieping en afdeling – die een kopietje kwam maken, kreeg ongemerkt op de achterkant van zijn kopie, de brief van Malle in handen. Het duurde even totdat de eerste dat doorkreeg, die geloofde zijn eigen ogen niet, en seinde direct andere collega’s in. Iedereen heeft op deze manier de brief kunnen lezen. Een koekje van eigen deeg dus!

Visserslatijn

Na het bekijken van Gjerts hut, stapten Man, Kind en ik in Gjerts bootje, roeiden naar het midden van zijn (!) meer en smeten ’s mans hengels met haak in het water. Nog een heel gedoe om die haakjes niet in elkaars lip te gooien. We visten uren, maar bijten? Ho maar. In het begin vonden we dat niet erg, het ging om de intentie. Daarna probeerden we de vissen te lokken door heerlijkheden in het water te smijten, maar ze zwommen er niet in. Voor iemand met weinig geduld heb ik knap lang achter het net zitten vissen.

De lunch gebruikten we op het droge. Alsof de vissen daar op gewacht hadden. De ene na de andere sprong uit het water omhoog. Niet eentje, niet twee, maar met tientallen tegelijk. Ik zat me te verbijten op m’n boterham, dat stuk koudbloedige geteisem.  Ze vroegen er gewoon om om vermoord te worden.

Eenmaal de hengels weer uit, waren ze nergens meer te bekennen. Ineens werd mijn hart vervuld door een diep medelijden voor Gjert. Maakte hij dit elke keer tijdens zijn vismissie mee? Geen wonder dat de man een geweer had: om die provocerende vissen mee dood te schieten. De man had mijn compassie.

’s Middags deden we inkopen in een regionale supermarkt, en daar lag een blote vis in de vriezer. Ik trommelde Man en Kind op, duwde ze de diepgevroren vis in de kladden, pakte het fototoestel  – even lachen! – en klaar. Eind goed, al goed.

zó'n vis!

 

De luxe van eenvoud

Noorse hut

Jaren geleden waren wij in Noorwegen. O, Noorwegen…! De gedachte doet me watertanden en vult me met heimwee: tuimelaars in de baai, dagenlang in de buitenlucht banjeren zonder iemand tegen te komen, frambozen eten in het bos, schemeren tot half twaalf…En hutten.

Gjert – van wie we ons vakantiehuis huurden – hield van hutten.  Dat kwam goed uit, want hutjes doen het bij Lief en mij ook goed. Vroeger al droomden we erover: er moest een Noorse houtkachel in staan, waar je zelf bomen voor moest omhakken, want zelfgehakt hout brandt het warmst. Bovendien moest dat ding flink walmen, want waar het stinkt is het warm.

Gjert gaf ons de sleutel van een van zijn hutjes, en zei beschaamd dat het om een bijzonder eenvoudig onderkomen ging. “Geen stromend water, gas of elektra. Plassen en poepen moet in het buitenhok.’

Gewaarschuwd stapten we zijn vissershut binnen en vielen flauw van begeerte. Er stond weinig in. Het was een hut vol eenvoud. Een hoogslaper in de nok, een bankje, een houtkachel, een padvindersketel, kaarsen, lucifers, zout en dikke dekens. Plus een rommelhok met bijlen, messen, hamers, hakblokken, touw en een geweer.  Een geweer…? Wat moest Gjert, een man met zeehondenogen, nou met een geweer?
De weinig attributen in het hutje, maakte wat het leven heerlijk overzichtelijk.  Je kon niks, want er was niks. Het had iets vredigs en probleemloos.

In ons kwam de gulzigheid naar boven. Joris en ik keken elkaar aan en wisten dat wij bij thuiskomst ons tuinhuisje zouden ontdoen van alle fratsen, en het gingen verbouwen tot een kopie van Gjerts hut. Een naam had ik snel bedacht: “Wildemanshut.”

Bij thuiskomst liepen we tegen allerlei praktische bezwaren op. We voelen ons een stel schijtzakken en lafbekken.
De eenvoud lonkt nog steeds…

Spijbelen

‘Mama, zullen we samen paddenstoelen gaan kijken in het bos?’
‘We kunnen woensdagmiddag gaan,’ stel ik voor, ‘dan heb je geen school.’
Voor iemand die net zelfstandig veters kan strikken, schudt Roosje-in-de-knop met een ijzeren hardnekkigheid nee. Ze gebaart dat ik moet bukken en fluistert iets in mijn oor.
Ik ben verbluft. Waar moet dat heen met dat kind?
‘Dat kun jij foto’s maken,’ merkt ze nog geraffineerd op. Ik begin over regels en hoe het heurt, maar halverwege haper ik. Eigenlijk vind ik haar voorstel meer dan plezierig. Blinkt het leven niet genoeg uit in idiote regeltjes?

De volgende ochtend bel ik school dat Kind niet komt.
‘Ze is verkouden,’zeg ik. Zo jok ik zonder te liegen, want ze heeft vannacht liggen blaffen als een zeehond.

Met een rugzak vol versnaperingen en papieren zakdoekjes, rijden we langs school het dorp uit. Roos ligt dubbelgevouwen tussen de voor- en achterbank, waar ze giechelt van pret, en bibbert van angst om ontdekt te worden.

Het Kralingse Bos is een explosie van herfstkleuren. Het belangrijkste bezoeken we het eerst en dat is het houten klimdorp, gevolgd door de kinderboerderij en het hertenkamp. We banjeren avontuurlijk door het bos en bewonderen heel wat paddenstoelen. Kind snottert en snuit, maar vindt het een feestje. Minstens tien keer zegt ze: ‘Gezellig hè?’

Aan het eind van de middag doet Kind een bijzondere ontdekking.
‘Mama, kom eens gauw! Hier liggen allemaal vingertjes…’ Zwijgend wijst ze naar een plekje op de grond te midden van een hoopje bladeren.
’Ohh…’ zeg ik aangenaam verrast, en maak foto na foto.

Dan is het tijd om naar huis te gaan. Op de terugweg rijden we opnieuw langs school, maar ditmaal hoeft Roosje-in-de-knop zich niet te verstoppen, want ze ligt afgepeigerd te ronken op de achterbank.
Als ik haar de volgende dag van school haal, wenkt de juf me.

‘Hebben jullie gisteren zo’n leuke dag gehad?’ informeert ze ondeugend. Ik geef het volmondig toe, want met deze mogelijkheid had ik al rekening gehouden.
‘Ze was er zo vol van, dat ze het niet voor zich kon houden,’ zegt juf op een toon alsof het haar spijt.
‘Maar hoe zit het nou met die vingers…?’ Aan jufs vieze gezicht te zien, heeft Kind gepassioneerd over haar ontdekking verteld.
Ik leg uit dat we een inktviszwam gezien hebben. Een paddenstoel met tentakels als een echte inktvis, maar die kind nukkig vingertjes bleef noemen.
Juf knikt opgelucht.
‘Ik zal jullie uitje niet doorvertellen aan m’n collega’s hoor,’ zegt ze, ‘kunnen jullie het nog een keertje overdoen.’