Jong geleerd…

 

‘Mama, ik moet zo nodig.’ Het is te zien. Met een zwaar gefronst gezicht en twee handjes tussen haar benen, staat ze in de ik-moet-zo-nodig-plassenhouding. Toiletten genoeg om in het winkelcentrum haar sluisje open te zetten, maar daar wringt ‘m nou net de schoen: Kind heeft een allergie voor vreemde wc’s. Een keer ging ze op een zelfreinigende bril zitten die halverwege haar plassessie zichzelf begon te verschonen, en sindsdien vertikt Kakeltje-in-de-dop het op een onbekende pot plaats te nemen.   

 

Moet zij dat hele eind in de auto haar plas ophouden? ‘Wat nou als de brug opengaat, mam?’vraagt ze op een toon van iemand die in tijdnood verkeert. Vijf jaar en ze weet precies hoe ze me aan moet pakken. Gevoelig voor haar argument mag ze de bosjes in. Daar staan een paar heel mooie, heeft zij al gezien. ‘Wel wachten tot er niemand aankomt, hè?’ zegt ze op samenzweerderige toon. Zoals gewoonlijk maakt zij van de nood weer een deugd, noem het een aanleg voor een avontuurlijke missie.

 

Ik mag als eerste de struiken in, want spinnen… alleen al van het idee gaat ze hoesten en hoe houd je dan je plas op? Benauwd loert ze om zich heen. ‘Kijk maar naar beneden,’ zegt ik, ‘straks stap je in een hondenhoop. ‘Dit is wel ver genoeg,’ commandeert de doorluchtige hoogheid als ze een geschikte locatie ziet. Ze hurkt neer. ‘Voetjes uit elkaar,’ dirigeer ik, ‘en houd je broek goed naar achteren.’ Ze knikt.

 

Ingespannen tuurt ze naar de grond. ‘Oh mam, kijk daar…een paddenstoel! Daar kan je een foto van nemen,’ roept ze verheugd. ‘Plassen,’ zeg ik; ik sta hier niet voor mijn lol kromgebogen in de bosjes. 

 

Het lukt niet. ‘Moet jij ook niet toevallig?’informeert ze belangstellend. Spijtig schud ik nee. We wachten. ‘Hèhè, daar komt het,’ zegt ze opgelucht. Aandachtig bestudeert ze hoe haar plasje wordt opgezogen door  de grond. Zo aandachtig dat ze naar achteren valt en met haar blote billen in haar plasje terechtkomt. Met een zakdoek veeg ik de houtsnippers van haar billen. Terwijl ze gebukt staat om haar kleding omhoog te hijsen, valt ze voorover. Twee handjes breken net op tijd haar val, maar ze valt wel precies middenin haar eigen plasje. ‘In de auto liggen vochtige doekjes,’ zegt ze hulpvaardig. Hand in hand (!) lopen we terug naar de auto, zij in een uitgelaten stemming en met blozende wangetjes. ‘Maar goed dat ik niet op een vreemde wc ben gaat zitten,hè mam,’ zegt ze praktisch, ‘je weet maar nooit wie erop heeft gezeten.’

 

Hoge nood

Eerst wilde ik een boek over mijn verblijf in het SKZ schrijven, maar daar zou toch niemand vrolijk van worden, ikzelf al helegaar niet. Toen dacht ik aan een fietsboek, over lange ritten met aparte mensen onderweg, maar vanaf vandaag ben ik er uit: het wordt een boek over een vrouw die altijd en overal moet plassen. Dat is verreweg het spannendst. Want waar kan een keurige vrouw met hoge nood ongezien haar corrigerende ondergoed fietstriootje laten zakken? Dus goede plasplekken? Ik koester ze. Vandaag was ik weer bij zo’n plaats en ’t was nodig, hoor!   

 

Hink, over het kreupelhout
Stap, over hondendrollen (wat een berg zeg, vast van een Deense Dog)
Sprong, over het kreupelhout

 

Dan laat ik mijn plas varen… Goh, wat zit ik hier fijn ongezien vanaf beide kanten van de weg. Beter kan ik het werkelijk niet treffen. Okeej, daar staat een huis, maar ik heb daar nog nooit een teken van leven, laat staan een mensch gezien.
Sooow, hè, hè, da’s lekker. Klaar.
Hansopje omhoog en sprong, stap, hink, terug naar de fiets. Hé, er staat een man bij mijn fiets. Wat moet die man? Zo te zien wacht hij ergens op. Moet dat per se naast mijn fiets?

‘Dag meneer.’
Hij zegt niets terug. Wel trekt hij een gezicht alsof heel de Krimpenerwaard van hem is. Uitslover. En wat kijkt hij streng. Zo streng als de bovenmeester vroeger naar me keek, als ik teveel had zitten kletsen in de klas. Vooral een keer in het bijzonder keek hij boos. Dat was nadat ik voor straf op de gang moest gaan staan, maar van nijd naar huis gelopen was. Dat had ik beter niet kunnen doen, want stressen dat ze op school deden, ze dachten dat ik door iemand was meegenomen. Zo te zien zou deze meneer het helemaal niet erg vinden als ik door iemand werd meegenomen.
De man schraapt zijn keel.

 

‘Mevrouw… dit stuk land is van mij…van daar (hij wijst naar de horizon) tot daar (hij wijst achter mij) tot daar (hij wijst naar zijn huis.) Hij spettert terwijl hij praat en ik vind dat niet fris. Ik staar naar zijn aardappelneus die langzaamaan roder en roder wordt.
‘Mevrouw… ik heb al verschillende keren gezien dat u hier gaat zitten…eh…zitten… urineren en dat neem ik u ten zeerste kwalijk! Wilt u dat voortaan niet meer doen?’
Djiezes, heeft hij mij hier elke keer zien zitten? OMG! Ik word overvallen door een immense haast. ‘Sorry meneer,’ mompel ik, ‘ik zal ‘t ècht nooit meer doen.’ Nee. liever nog plas ik de volgende keer op schrikdraad. Verkrampt van schaamte spring ik op m’n rijwiel. Vier  kilometer verder dringt een gedachte zich aan me op, zó plotseling, dat ik op slag stop met trappen. Wel snotver, ik ben me daar gediscrimineerd, en niet zo’n beetje ook! Bergen hondendrollen lagen daar in de berm. Echt niet van een of twee keertjes hoor; die Deense dog draait daar dagelijks zijn bolussen. En over mijn wildplasje ging die man staan zeiken!

 

Het eerste wat ik zou doen als ik een man was? Loeihard tegen een boom piesen. Desnoods tegen de wind in.