Goedertierenheid

goedertierenheid

Mijn moeder wilde dat mijn broertje en ik naar een christelijke lagere school zouden gaan. Dat vond mijn vader best zolang thuis maar nergens over gesproken werd, want hij is belijdend atheist.
De Bijbelse verhalen gingen erin als roze koeken en eens per week een psalm of gezang uit het hoofd opdreunen was ook zo gebeurd.
Verder voelden m’n broertje en ik weinig van het geloof en hadden we een leuke tijd op school.

Naar de Zondagsschool gaan, ging ons een stapje te ver. Het hield ons van de straat en daar speelden we het liefst. Mijn vader vond ons zielig en vanaf die tijd mochten we “thuisblijven.”
Het kerstfeest met na afloop een cadeautje pikten we op de valreep nog even mee. Ik kreeg een boek. De titel luidde: “Het geheim van moeder Amboe.” Het verhaal ging over een arme bosnegerin (die mocht je toen nog zo noemen) met een botje door haar neus die in een grote zwarte ketel stond te roeren, en een geheim zou ontdekken dat haar leven zou veranderen. Ik las, en las, en las en werd teleurgesteld als een kleuter die een lolly met azijnsmaak krijgt: Moeder Amboe ontdekte het geloof.

Met het ouder worden, werden de lessen stichtelijker. God werd steeds meer iemand waarvoor we moesten oppassen.
In de vijfde klas hadden we juffrouw Koolen. Haar haar en ogen waren net zo zwart als haar achternaam. Zij vertelde dat God ál je fouten zag. Bijvoorbeeld wanneer je ruzie maakte met je broertje of je tong achter de melkboer zijn rug uitstak. God kon door het dak van de school heen kijken. Hij hoorde alles en wist zelfs wat je dacht. Dat laatste vond ik stuitend. Ik had nog nooit enig teken van Gods aanwezigheid opgemerkt en hij woonde zo’n beetje in mijn hoofd! Toen ik ernaar vroeg, zei de juf dat wanneer ik God niet tegen me kon horen praten, dat mijn eigen schuld was.

Ik vond het ook niet eerlijk dat Judas een duivelse man genoemd werd. Hij verraadde Jezus wel, maar God wist dat dat zou gebeuren en greep niet in. Dan was hij het er toch mee eens? Dus deed Judas iets wat God wilde en niet iets wat niet mocht.
Nadat ik die gedachte hardop had uitgesproken, had juffrouw Koolen het liefst ook door een brandende braamstruik tot mij gesproken. Ze noemde mij Sodom en Gomorra ineen. Ik zou nooit een goede, volgzame Ruth worden. En het zou een wonder zijn als ik ooit nog door Gods genade en goedertierenheid zou worden aangeraakt. Ik geloof dat ik toen met een smak van mijn toch al wankele geloof ben gevallen.

Toevalligerwijs verhuisden wij diezelfde maand van de grote stad naar een boerengat en daar gingen m’n broertje en ik naar een openbare school.
Dát was pas een zegen.

Ben jij gelovig opgevoed en heb je er (n)iets mee?

Mieren, ijsthee en vriendschap

IJsthee

IJverig marcheerde een kolonne mieren naar de gemorste hagelslag op het polka-dot-zeil. Een tweede trok een lang spoor naar een openstaand keukenkastje waar ze samenklitte om de strooppot.
Alle keren dat ik bij mijn Amerikaanse vriendinnetje een boterham at, trof ik ditzelfde tafereel aan. Schoonmaken had bij haar thuis geen enkele prioriteit en regels waren er nauwelijks.

Ik wist niet wat ik meemaakte. Haar wereld was een roze suikerspin vergeleken met het  strak geordende en brandschone manier van leven bij ons thuis. Ik kreeg er een losgeslagen vrijbuitergevoel van. Tot dan toe dacht ik dat je zwaar ziek werd als je je handen niet waste voor je ging eten.

We waren veertien en dansen op muziek van Hair. We mochten koppeltje duikelen op haar moeders waterbed, mais poppen in een pannetje en chips bakken in de frituurpan. De verkleedkist stond midden in de woonkamer, de kat had vlooien en sliep op bed, en op het toilet staken ze na het poepen een lucifer af.
Ze deden niet aan chic de friemel. Ondergoed draaiden ze binnenstebuiten, strijken was hen onbekend en wie een schoon bed wilde, moest het zelf verschonen, want daar kwam mam niet aan toe. De specialiteit van het huis was ijsthee. Je liet thee koud worden. Je deed er fruit en kaneel in, zette het in de koelkast en serveerde het met ijsblokjes.

Linda’s ouders waren gescheiden. Haar vader woonde in Amerika en haar moeder was maatschappelijk werkster. Iedere werkdag treinde ze heen en weer naar Amsterdam. ’s Avonds viel ze moe het huis binnen en ging ergens in een hoekje zitten mediteren. De rest van het gezin deed maar wat: huiswerk maken, tv kijken, of muziek luisteren.

Op school kwijlden alle meiden op haar oudere broer. Ze had ook nog een jonger broertje en zusje. Kregen ze ruzie, dan schakelden ze over op Engels, maar hoe erg de onenigheid ook was, ze gingen niet de deur uit zonder het goed te maken.

Linda droeg rustig een paarse lange boek onder een klaproosrode trui. Of oranje op groen.
‘Dat vloekt,’ zeiden kinderen uit de klas.
‘Dan kijk je toch de andere op?’ stelde Linda voor en stak haar tong uit. Ze had een riant gevoel van eigenwaarde. Ik kon zóveel van haar leren.

Het mooiste feest kan nooit lang duren: Linda verhuisde naar Amsterdam.
Op school was er niemand meer die het voor me opnam…
Mijn moeder heeft altijd een beetje neergekeken op mijn vriendin omdat ze uit een “vuil huishouden” kwam. Wat zou ik graag weer met Linda in contact komen. Dan zou ik haar bedanken. Want vriendschap weegt zwaarder dan een handvol mieren op de derde verdieping van een flat.

Hebben jullie nog contact met jeugdvrienden of – vriendinnen?

Kleine wasjes, grote wasjes

handwringer

Mijn moeders trots stond wegens plaatsgebrek niet in huis, maar tweehoog achter op ons balkon. Een enorme joekel van een wasautomaat, waar mijn vader een houten bekisting omheen timmerde, zodat het apparaat de echte Hollandse winters kon trotseren. Tevreden draaide mijn moeder kleine en grote wasjes in haar wasmachien.

In mijn kinderogen was dat apparaat maar een saaie doos. Nee, dan dat ding dat er naast stond: een handwringer! Je stopte een natte lap wasgoed tussen twee rollers, draaide aan een grote hendel en al het water stroomde eruit. Als je niet uitkeek, liep het water in een stroompje langs je arm naar beneden en via je benen zo je schoenen in. Maar ja, ik mocht er alleen maar naar kijken en aankomen niet. Je begrijpt: die droger móest en zou ik uitproberen.

Eindelijk: toen mijn moeder stond  te kletsen met een buurvrouw, glipte ik het balkon op. Nee hè, zag ik mijn kans schoon, viel er niets te wringen… Nergens wasgoed of een vieze, oude dweil te zien.
Oh, maar wacht eens, daar hingen mijn moeders rubberen sophandschoenen. Gretig graaide ik er eentje van de drooglijn en hield ‘m tegen de rollers van de wringer.
Het draaien viel nog best tegen; ik had allebei mijn handen nodig om dat ding op gang te krijgen.

Vreemd, wat zag die handschoen er raar uit. Opzwellen, niet normaal! Maar nu ik eenmaal aan het wringer was, zou ik blijven draaien ook. Steeds groter en boller werd de handschoen totdat hij PANG! uit elkaar knalde. Eén blauw stukje vinger bleef slap tussen de rollers hangen.
Van schrik zette ik het op een brullen. Mijn moeder gooide met een ruk de deur open en aanschouwde wat voor vreselijks ik had gedaan. Ik kreeg een pak voor mijn broek en moest voor straf op mijn ijskoude kamertje gaan zitten.
Ik mo-hocht ook nooi-hooit wat.

Wat me tevreden stemde, was dat mijn broertje, de arme stakker, ook niets mocht. Op een mooie dag deed hij zijn uiterste best op hetzelfde balkon onze zinken vuilnisemmer in de brand te steken. Hij was er na veel moeite eindelijk in geslaagd dat ding flink aan het walmen te krijgen, toen mijn moeder onraad rook en polshoogte kwam nemen.
Nou, de afdruk van mijn moeders pantoffel staat NU nog op mijn broer zijn billen. Terwijl die degelijke vuilnisbak amper wilde branden en alleen maar wat lullig rookte. Dat hoefde mijn moeder toch niet zo op te blazen? Maar mijn broer heeft het in ieder geval geprobeerd, dat pakt niemand hem meer af!

Zoete herinneringen

In Rotterdam zat vlak bij school de sigarenzaak van Stuit.
Buiten hingen verschillende automaten met sigaretten.
Binnen zat meneer Stuit op een kruk achter zijn toonbank gelijk een vorst op een troon. Hij beheerde het walhalla voor de jeugd.
100-plussers herinneren het zich vast nog: duimdrop, zoute rijen, zoethout, salmiakknotsen, zwart-wit staven, limonadepoeder, schuimblokken, trekdrop, Belga’s, toverballen, borsthoning, spekkies…

Het was rennen als de bel voor de pauze klonk, want de “openbare stinksigaren” werden op hetzelfde tijdstip losgelaten en iedereen wilde als eerste bij de feestelijke winkel aankomen.
Onderweg had je al bedacht wat je wilde kopen, want je stuiver kon je maar één keer uitgeven.

Ik vond al het snoepgoed lekker, maar met name met één soort deed je lekker lang.
Meestal zei ik dan ook tegen meneer Stuit: ‘Eén pakje Bazooka’s alstublieft.’
Ik schoof mijn stuiver naar de oude man, hij deed het glazen deksel van zijn toonbank open en pakte mijn felbegeerde snoepgoed.

Zodra je de verpakking openscheurde kwam de zoete lucht je tegemoet. De kauwgom stond stijf van de roze kleurstof maar dat gaf niet want de medische wetenschap had het nog niet voor ongezond verklaard.
Het zat verpakt in een vettig papiertje waarop aan de binnenkant een piepklein stripverhaaltje van Bazooka Joe stond.

Je moest flink door kauwen om de bonk soepel te krijgen en dan kon je er gigantische bellen mee blazen. Had je zo’n grote bel gefabriceerd en liet je ‘m klappen dan zat je gezicht van kin tot kruin onder de roze gom.
Aan het eind van je pauze stopte je je bonk in het stripverhaal en in je broekzak.

Kon je thuis moeilijk afscheid nemen van je roze stopverf dan kon je hem laten overnachten in een glas water.

Dankzij Dick Swaab weten we dat (kauwgom) kauwen goed voor de hersenen is, want het houdt ze in beweging.
Zijn mijn stuivers tóch nog goed terecht gekomen.

Wat was jouw favoriete snoepgoed?

Bazooka Joe

Prijs je rijk

schooltuintje

Broertje en ik waren in onze jeugd in Rotterdam rijke kinderen. Hij mocht dan geen elektrisch treintje hebben, en ik niet naar judo-les, wij hadden iets onbetaalbaars: een schooltuintje. Het was onze kans om onbekommerd smoezelig en smerig te worden, want onze moeder – nauwe verwante van Mevrouw Helderder – hield niet van vieze kinderen.

In ons schooltuintje mochten we minuscule zaadjes in regeltjes friemelen. Om te beginnen de beginletter van je voornaam. De Sterrekers groeide als een tierelier; we vonden het alleen niet te eten.
‘Lekker op een boterham met kaas,’ probeerde onze groenteleraar nog, maar broertje en ik wisten wel beter: er gaat niets boven boterhammen met chocoladepasta. De radijsjes konden ons ook gestolen worden, want die prikten op ons tongetje.

Zaaien en opkweken is zwaar werk: het kost kilo’s geduld. Toch gingen we zorgeloos door het leven.
Leuk dat het schoffelen en harken was! En we mochten alles water geven met de gieter. Dus ook de voeten van onze vriendjes. Het plezier droop er van af.

Als alles goed verzorgd was, ging het hek weer op slot. Gelukkig maar, stel je voor dat je rode kool net rijp was, of je een kneiter van een bloemkool had, en er ging een ander mee vandoor. Niet dat we gecharmeerd waren van ongeacht welke soort kool…
Andijvie bliefden we ook niet. Eigenlijk hielden broertje en ik sowieso niet van gezond eten, en dus zaten we met die niet gegeten groente in ons maag.
De oplossing was nabij: mijn broertje beschikte al jong over een levendige handelsgeest. Wij zouden een wandelende groentekraam gaan beginnen, en rekenden ons nog rijker dan we al waren. Het is er helaas nooit van gekomen: we gingen verhuizen naar het platteland.
Daar waren heel fijne dingen waar je ook vuil van kon worden: weilanden, koeien, sloten en kikkervisjes. Alleen geen schooltuintjes.

Rekel

platenspeler

Op mijn zesde verjaardag kwam ik in het rijke bezit van een platenspeler. Zeer tot ongenoegen van mijn Broertje, want hij had ‘m liever gekregen.
Ik draaide vooral singletjes. Daar moest ik voor sparen, en om dat leed te compenseren, kreeg ik er enkele van ooms en tantes. Puur omdat ze er zelf vanaf wilden, hoor. Zo kreeg ik een kinderkoor dat: “Hoor daar zingt de nachtegaal…” zong. Je reinste kindermishandeling!

Broertje kreeg ook plaatjes en die draaide hij dan op mijn pick-upje.
Een nummer dat we vijftig tinten grijs hebben gedraaid was: “Huilen is voor jou te laat” van Corry en de Rekels. Tot mijn Broertje het zo zat was, zijn ieniemienie zakmes pakte en een kras op het vinyl maakte. Daardoor bleef de plaat op hetzelfde punt hangen en zong Conny steeds alleen het woord “huilen,” waarbij ze een snik in haar stem had. Zo hadden Broertje en ik Corry nog nooit horen zingen; we vonden het beslist een verbetering.

Omdat Broertje en ik altijd net een verschillend plaatje wilden draaien, en niet op onze beurt konden  wachten, zorgde dat voor een dagelijkse oorlogvoering. Ten einde raad kochten mijn ouders voor hem ook maar een platenspelertje.
Toen begon het gedonder pas goed, want hij en ik wilden qua geluid boven elkaar uitkomen.

Omdat zakgeld dun gezaaid was, bleven we alles doen om aan gratis platen te komen.
Onze Oma had een lieve buurvrouw die ons wel een pleziertje wilde doen. Zij gaf ons lp’s van Tante Leen en Johnnie Jordaan. Dat trok ons Rotterdamse hart niet. Broertje en ik besloten ze als sjoelschijven te gebruiken. Over het gladde zeil van de gang in het bejaardenhuis, schoven we het vinyl onder de deuren door.
Tot Broertje een beter idee kreeg: “Kom mee naar buiten, dan gaan we ze daar als frisbees door de bosjes scheren!”
Ik geef het toe: het was ondankbaar, maar buurvrouws: “Veel plezier” was in elk geval niet tegen dovemansoren gezegd.

Rocking Billy

Mijn moeder ging tot voor kort zingend en dansend door het leven. Niks mis met zo’n vrolijk mens, zeker niet in je jeugd, maar het heeft zijn nadelen. Buiten zingen en dansen voerde mijn moeder ook hartstochtelijk “acts” op. Eén voorbeeld zal ik geven; de rest zal ik je besparen.

Zodra het nummer van Ria Valk thuis op de transistorradio voorbij kwam, werden mijn broertje en ik wagenziek. Het zweet brak ons uit, gevolgd door immense wanhoop, omdat wij wisten wat komen ging. Drie, vier minuten radio, daar konden we ons nog doorheen slepen. We brulden: ‘Oh nee!’ en stopen vingers in onze oren, maar het was al te laat. Het liedje bleef de rest van de dag in ons hoofd rondzingen. En dan moest het ergste nog komen: moeders optreden.

Ze deed de bovenste knoopjes van haar bloes los (degelijke vrouwen droegen die in die tijd), gebruikte een haarborstel als microfoon en zong uit volle borsten:
“Hou je echt nog van mij, Rocking Billy?
Of is nu al je liefde voorbij-ij?
Heus ik twijfel nou toch wel een be-ee-tju-u,
’t Is zo eenzaam op de boerderij, jieieie-haa!”
Tijdens het zingen maakte ze danspasjes, klapte in haar handen en zwaaide vrolijk naar mijn broertje.
‘Kom op! Leuk doen!’ spoorde ze ons aan.
Broertje en ik wilden maar één ding: een veilig heenkomen zoeken. Stakkers als we waren, durfden we de woonkamer pas te ontvluchten als moeders act over was.

Of ik wil of niet, de rest van mijn leven zit ik met Billie opgescheept. Te pas en Te onpas plopt het liedje op in mijn hoofd: op de fiets, in de rij voor een kassa, tijdens het strijken, het koken… Het is zo erg dat Lief zelfs het refrein kan meezingen…

Ria Valk - Rocking Billy

Pang, pang, pang!

Pang, pang, pang!

Luidkeels christelijke liederen zingend trekt hij door de straat. De buurt glimlacht: daar heb je dat keurige kereltje weer dat de voering uit zijn keel zingt. Zie die blonde haren en lieve snoet: dat ventje komt ech wel goed terecht.

Na het drinken van een glaasje ranja en het verorberen van een spekkie, voltrekt zich thuis een verandering: hij wil ten strijde trekken. Hij mag dan de trots hebben van een ridder, met een slap speelgoedzwaard is het slecht vechten, dus grijpt hij zijn pistool, en richt het uit op mij: pang, pang, pang! Broertje vindt het van zichzelf ook een rotstreek, maar ik sta nou eenmaal het dichtst bij ‘m in de buurt.

Binnen een poep en een zucht is de woonkamer vergeven van de kruitdampen. Mijn moeder – die ons met een soort derde oog in de gaten houdt – heeft er onmiddellijk genoeg van. Reinheid, rust en regelmaat, staan hoog aangeschreven in haar opvoeding.
‘Ga jij maar buitenspelen,’ zegt ze tegen m’n broertje.

Broertje gespt zijn holster om, zet zijn cowboyhoed op en loopt knallend door het trappenhuis.
‘Zeker weer dat schorriemorrie van boven,’ zeggen de keurige bewoners van ons portiek. Ze snappen niet dat voorbeeldige ouders zulke losgeslagen kinderen kunnen hebben. Alleen omdat broertje een keer de zinken vuilnisemmer op ons balkon in brand heeft gestoken, en met een “geleende” hengel van een buurman is wezen vissen. Hij heeft het beide maar één keertje gedaan, maar heeft het al twintig keer moeten horen. Zó kinderachtig.

Buiten ronselt hij zoveel mogelijk buurjongetjes voor zijn missie. Hij hoopt dat er een vrijwilliger tussen zit die indiaan wil zijn, en bereid is zich neer te laten schieten door zijn klappertjespistool. Mijn broertje is voor niemand bang.
In ieder geval niet overdag.
’s Nachts was een ander verhaal. Dan riep hij angstig in zijn droom: ‘Papa! Ze doet het weer: Mirjam pakt mijn pistool af!’
Zoete herinneringen… Had een drone maar privéopnamen gemaakt.

Keverliefde

Kever 20-94-DK

Mijn vaders eerste auto was een Kever, en die stond groen te stralen voor ons portiek in Rotterdam.
Een hele fijne auto: stond je op de treeplank wanneer de motor draaide, dan schudde je verrukkelijk heen en weer. 

Al was de Kever weinig groter dan een koffiemolen, gingen we een dag naar zee, dan pasten toch al onze spullen erin. En als de buitenlucht Broeah en mij teveel  was geworden, gingen we kop aan kont op de achterbank liggen slapen.

Toen wij groter groeiden, zei mijn vader op een dag dat we aan een grotere auto toe waren. Broeah en ik wisten dat de tijd van afscheid nemen van de Kever aangebroken was, en dat ging ons aan ons hart.
‘Heerlijk juist een grote auto,’ acteerde mijn moeder opgewekt. Haar stem klonk echter alsof ze bang was wroeging te krijgen. 

De Kever werd verkocht aan een “verwende jonge kerel.”  Behalve verwend,  bleek hij geen incasseringsvermogen en een ultrakort lontje te hebben.
Wij woonden inmiddels op de negende verdieping van een flat, en in de diepte zag Broeah ons oude karretje door de straat racen. Verheugd wees hij naar beneden. Wij keken belangstellend toe hoe onze groene ex een parkeervak in wilde draaien, maar een andere auto hem net voor was. De Jonge Kerel reed achteruit, gaf gas en reed met geweld tegen de geparkeerde auto aan. 

Mijn moeder kon een huivering niet onderdrukken. We hadden al die jaren goed voor ons autootje gezorgd: op tijd zijn natje en droogje in de garage en zijn buitenkant gewreven tot-ie blonk. En nu was dit onze dank! Volmondig wenste ze de Jonge Kerel een hoofd toe dat spoedig kaal zou worden van de schurft. 

Van auto’s heb ik nooit verstand willen krijgen, maar dat pok-pok-pok geluid herken ik uit duizenden, en dat eerste nummerbord vergeet ik nooit. 

 

Schijtmus

musje

Aangeslagen ligt het vogeltje op de veranda. Het musje is net tegen het raam gevlogen, en hyperventilerend staan broertje en ik er omheen. Snikkend, en met de stem drie volumestreepjes hoger, vragen we aan onze moeder: ‘Lee-hee-heeft-ie nog?’

Wij scharen ons nog wat dichter om het vogeltje. Hij beweegt niet.
‘Dood,’ zegt mijn moeder. Ze houdt niet van ingewikkeld. Waarom moeilijk doen als je het kort en krachtig zeggen kan? Voor de zekerheid blaast ze tegen de veertjes. Onverwacht beweegt er een pootje.

Wat nu? Beetpakken? Lekker fris, denkt mijn moeder, maar ze zegt het niet.
Waar laat je zo’n diertje als je het niet te vondeling kan leggen in een nest?  Wacht…het conducteurspetje van broertje ligt voor het grijpen.

Er zit weinig leven in het musje. Mijn moeder heeft een papje gemaakt van brood met melk, en probeert dat met een lucifertje in het bekkie te wurmen, maar het beestje reageert niet. Kort gezegd is-ie maar goed in één ding: hij heeft het hele petje onder gescheten. De bodem is één wit plakkaat.

Twee uur en talloze gebeden later krijg ik twee kwartjes voor de tram.
Het petje met het musje houd ik vast zoals een angstige bejaarde een tasje beethoudt.

Bellen hoeft niet, want bij de dierenarts staat de deur open. Aarzelend wandel ik naar binnen. Er zijn maar weinig mensen. Als de dierenarts me ziet, tovert hij een glimlach op zijn gezicht, en spreekt de geruststellende woorden: ‘Ah…een musje, leg ‘m daar maar neer, dan kijk ik er straks naar.’ Met tegenzin neem ik afscheid.

Ik probeer mezelf moed in te spreken, maar er is één gedachte die zich steeds aan me opdringt: wie gaat dat betalen? Of zou de dierenarts het uit goedheid doen? Ik ben er niet helemaal gerust op.

Ik weet niet hoe het met het musje is afgelopen; wel dat het fout is gegaan met het  conducteurspetje. Broertje is nooit helemaal over het verlies heen gekomen. Misschien dat hij daarom later een tijd machinist is geweest: om het leed te compenseren.