Rotjeugd

Ik heb een rotjeugd gehad. Dat kwam omdat ik leed onder het schrijnend gebrek van een rijwiel. Mijn neefje had een skelter, mijn broertje een driewieler en ik had niks. Nou ja, een plaspop die ik wilde afstaan voor adoptie, maar waar geen poppenmoeder voor te vinden was.

Omdat ik toch wilde fietsen, sleurde ik mijn broertje van zijn driewielertje. Ver buiten mijn moeders gehoorafstand, want hij kon brullen! Helaas kwam ik met mijn knieen tegen het stuur, dus ik janken, en mijn broertje blij. Zijn kinderhand was toen nog snel gevuld.

Vindingrijk als mijn ouders waren, mocht ik elke woensdagmiddag een fietsje huren bij de “rijwielhersteller.” De man plukte een fiets uit het rek en het rijwiel was voor een heel uur van mij. Regen gooide roet in het eten. Hoe stug ik volhield dat ik mijn rode lakjasje, zuidwester en kaplaarsjes zou aantrekken, mijn moeder was niet te vermurwen: ik mocht niet fietsen wanneer het regende.
“Dan ging je lief zitten tekenen,’ vertelt mijn moeder trots op feestjes en partijen, want ja, als kind was ik “zó’n lief meisje.”

Tijd voor het grovere fietswerk werd het na een bezoek aan mijn tandarts. Mijn tandarts ja. Hij zei: ‘Je knarst in je slaap (ha! toen sliep ik nog…) Zijn advies luidde: ‘Neem een vriendje of ga sporten.’ Een vriendje, dacht ik, wat moet ik dáár nou weer mee? De hoogste tijd voor een racefiets.

Zomaar kreeg ik een vriendje. Hij vond fietsen een mannensport, en besliste dat ik voortaan met hem mee zou gaan naar tennis. De fiets bleef, het vriendje heb ik van de hand gedaan. Van schrik ben ik wel vier jaar vrijgezel gebleven.

Jaren later (vier dus) regende het dagenlang pijpenstelen. Helemaal chagrijnig werd ik ervan.
‘Ga alsjeblieft fietsen!’ zei mijn Vriend. Dat heb ik gedaan, en ik ben nooit meer bij Joris weggegaan. 

blij dat ik rij...

Floris

‘Weet je nog, Mirjam, dat je verliefd was en met ‘m wilde trouwen?’ Een regelmatig terugkerende vraag van mijn moeder op verjaardagsvisites. Meestal zeg ik iets van: ‘Ik krijg de kans niet om het te vergeten,’ maar okeej, voor deze éne keer zal ik het ridderlijk toegeven, maar op voorwaarde dat ik er daarna nooit meer één woord over wil horen!

Zes was ik, of misschien al een beetje zeven, toen ik met mijn kleine meisjesbillen op het puntje van onze blauw met gele bank ging zitten, met mijn gezicht vastgeklonken aan de televisie. Zodra de muziek aanzwol, draaide mijn verliefde hart overuren, en werd ik overweldigd door een niet te omschrijven gevoel van blijdschap. Oh…de blonde ridder die zulke stoere dingen deed, in een kasteel woonde en kon vechten als de beste. Dát was precies de man waar ik naar op zoek was. Ik wist wat mij te doen stond: ik ging mijn vrijer een uitnodiging sturen met me te trouwen. Wat mij betreft hoefden we alleen de datum nog te prikken.

In de tv-serie was Floris een beetje verloofd met Ada. Dat ze me niet lekker. Ik zag al op afstand dat ze dom was, en mooi was ze ook niet met haar pinnige, zwarte ogen. Ze droeg stomme kleren en op haar kop stond een lelijk soort roeptoeter. Haar enige rol was wuffig zwaaien met een zakdoek. Mijn eerste daad als Mevrouw Floris zou het verbannen van dat stomme wicht zijn.

Na het posten van mijn liefdesbrief deed de postbode er wéken over mij een antwoord te bezorgen. Toen ik dat eindelijk kreeg, rukte ik de envelop stuk, en werd teleurgesteld tot op mijn bot: er zat welgeteld één zwart/wit foto in. Niet eentje van mijn beminde alleen, nee, alle spelers uit de serie stonden er op. Ook Ada. Ik schudde nog met de envelop, maar er zat zelfs geen briefje van Floris in dat-ie op me zou wachten tot ik oud genoeg was met hem te trouwen. Mijn hart was gebroken. Tot overmaat van ramp was de tv-serie afgelopen, en uitzending gemist bestond nog niet. Ik vermoed dat ik toen hysterisch heb staan gillen.

Driewieler

Broertjelief had vroegah een driewielertje. Een echte, met een laadbakje erachter. Oh boy, wat was ik daar jaloers op. In die kiepbak gooide hij stoer zware stenen en  grote knikkers, want die maakten onder het rijden zo  lekker veel herrie. Op de driewieler maakte hij de  binnentuin onveilig. Die stadstuin was weinig meer dan een onnozel stuk grond tussen twee lange huizenrijen, waar en een enkele “geluksvogel” een klein tuintje had. Eromheen stond een hoge muur.

Broertje wilde de wereld buiten de tuin ontdekken, maar daar was onze moeder nog niet aan toe. Op een kwade middag sjeesde hij hard door de binnentuinbocht. De knikkers rolden woest door de laadbak en het grind spatte in het rond. Ik keek toe hoe hij zijn benen uit zijn lijf reed  met een kromgebogen rug. Plots was een boom de weg op komen lopen. Broertje maakte een sliding naar rechts, reed een privétuintje binnen waar terstond alle afrikaantjes geliquideerd werden en met een doffe dreun belandde de berijder tussen de begonia’s. Tsssk, afrikaantjes en begonia’s. Daar trekt zelfs een fatsoenlijke geit zijn neus voor  op. Maar ja, de eigenaar dacht daar anders over.

Ik had alles gezien, maar zou daar thuis  niets over zeggen. Zo zat ik als grote zus niet in elkaar.  Tenminste… als ik een rondje op Broertjes fiets mocht rijden. Ik leed namelijk enorm onder het schrijnend gebrek van een rijwiel. Maar nee, het mocht niet. Dan vroeg mijn broertje er toch zeker zelf om.

Na die slopende rit zwaaide mijn moeder thuis de scepter met haar pantoffel en ontplofte zowat. Broertje brulde en ik was een vreselijk ondankbaar meisje, want had ik geen prachtige plaspop? Ja, een plaspop. Zonder plassertje. En dat terwijl de dokter bij mij een fobie voor poppen had vastgesteld…

Kleine wasjes, grote wasjes…

Mijn moeders trots stond wegens plaatsgebrek niet in huis, maar tweehoog achter op ons  balkon. Een enorme joekel van een wasautomaat, waar mijn vader een houten bekisting omheen timmerde, zodat het apparaat de echte Hollandse winters kon trotseren. Tevreden draaide mijn moeder kleine en grote wasjes in haar wasmachien.

In mijn kinderogen was dat apparaat maar een saaie doos. Nee, dan dat ding dat er naast stond: een handwringer! Je stopte een natte lap wasgoed tussen twee rollers, draaide aan een grote hendel en al het water stroomde eruit. Als je niet uitkeek, liep het water in een stroompje langs je arm naar beneden en via je benen zo je schoenen in. Oh, dat geklieder! Maar ja, ik mocht er alleen maar naar kijken en aankomen niet. Je begrijpt: die droger móest en zou ik uitproberen. Als ik de kans kreeg.

Eindelijk: mijn moeder stond  te kletsen met een buurvrouw, en ik glipte stiekem het balkon op. Nee hè, zag ik mijn kans schoon, viel er niets te wringen… Nergens wasgoed of een vieze, oude dweil te zien. Oh, maar wacht eens, daar hingen mijn moeders rubberen sophandschoenen. Gretig graaide ik er eentje van de drooglijn en hield ‘m tegen de rollers van de wringer. Het draaien viel nog best tegen; ik had allebei mijn handen nodig om dat ding op gang te krijgen.

Vreemd, wat zag die handschoen er raar uit. Opzwellen, niet normaal. Maar nu ik eenmaal aan het wringer was, zou ik blijven draaien ook. Steeds groter en boller werd de handschoen totdat hij PANG! uit elkaar knalde. Eén blauw stukje vinger bleef slap tussen de rollers hangen. Van schrik zette ik het op een brullen. Mijn moeder gooide met een ruk de deur open en aanschouwde  wat voor vreselijks ik had gedaan. Ik kreeg een pak voor mijn broek en moest voor straf op mijn ijskoude kamertje gaan zitten. Ik mo-hocht ook nooi-hooit wat.

Wat me wel tevreden stemde, was dat mijn broer(tje), de arme stakker, ook niets mocht. Op een mooie dag deed hij zijn uiterste best op hetzelfde balkon onze zinken vuilnisemmer in de brand te steken. Hij was er na veel moeite eindelijk in geslaagd om dat ding flink aan het walmen te krijgen, toen mijn moeder onraad rook en polshoogte kwam nemen. Nou, nou, de afdruk van mijn moeders pantoffel staat NU nog op mijn broer zijn billen. Terwijl die degelijke vuilnisbak amper wilde branden en alleen maar wat lullig rookte. Dat hoefde mijn moeder toch niet zo op te blazen? Nou ja, mijn broer heeft het in ieder geval geprobeerd, dat pakt niemand hem meer af.

Enneh…wat betreft die afdruk op zijn billen, dat is so to speak, want over een dergelijk onderwerp wordt door ons uiteraard niet hardop gepraat. Het ligt nogal gevoelig…

Springtouw met vuurwerk

Ik hou ontzettend van vieze woorden. Als kind al. Had ik net anderhalve meter springtouw gekocht bij “Het Goedkope Zeephuis” dan vierde ik dat door het zingen van een zelfbedacht vies liedje tijdens het springen.

Bleef het daar maar bij.
Bij ons door de straat reed een SRV-wagen. Was de buurvrouw niet thuis, dan zette de SRV-man  haar tas in ons portiek neer. Moe geworden van ‘t springen, huppelde ik naar binnen  en gluurde in  de  boodschappentas. Op de flessen met merklimonade zaten kleurige labels, die ik niet kon sparen, want wij dronken alleen gazeuselimonade. In buurvrouws tas stonden vijf flessen. Vijf! Met vijf labels! Stuk voor stuk sprookjesachtig mooi. Over de plaatjes van Paulus de Boskabouter zaten glimmertjes en als je een label in het licht hield, bewoog het figuurtje. Kijk toch eens…de heks Eucalypta zat erbij! Mijn moeder deed haar vaak na. Dan ging ze krom staan, hield haar armen hekserig in de lucht en dan sprak ze met griezelstem: ‘In het diiieeepe donk’re bos, waar spinnen en padden wonen…’ Voordat ze bij “padden” was, liepen bij mijn vader de rillingen al over zijn rug, en stonden zijn haren recht overeind, zelfs die in zijn neus. Ik zou Eucalypta best mee wilen nemen. Niemand die wist dat ik hier stond, niemand die zag dat ik er een label  afhaalde. Of twee, of…Ik haalde alle labels eraf was er verguld mee. Totdat de buurvrouw ’s avonds verhaal kwam halen, of liever gezegd: haar vijf labels. Dat chagrijnige egoistisch rotmens,

 

Het wordt erger.
Ik had ook een klein broertje, een ondernemend ventje dat geen vlieg kwaad deed. Okeej, op die ene keer na dat hij de vuilnisbak in de brand stak, maar dat is toch niet iets om je als ouders voor te schamen? Hij ging naar school, zat op judo en had een druk sociaal leven. Dan moet je èrgens je rust pakken en hij deed dat door te vissen. Met een kromme bamboestok en een stukje henneptouw gooide hij op woensdagmiddag zijn hengeltje uit. Triest maar waar: NOOIT had hij beet. Op een dag zag hij door het gaas in de kelderbox van de buurman, een pracht van een hengel staan. Eentje met een dobber en een molentje erop. Met die hengel kon hij zeker de hele singel leegvissen. De keus was niet moeilijk. Hij pakte zijn sleutel en stak hem in buurmans kelderslot. De goden waren hem goedgezind want het slot klikte meteen open. Alleen kreeg hij de deur niet meer op slot gedraaid, maar dat was een kleinigheid; in ons portiek woonden zuiver eerlijke mensen.

’s Avonds bonkte iemand op onze deur. Het was de buurman. De goede man (hij heette Snoek…) vroeg op een toon van diepe verachting of mijn broertje soms zijn hengel gestolen had? Gestolen? Néé, hij had ‘m geleend, hij stond allang weer in buurmans kelder, daar hoefde de man niet zo opgewonden over te doen!

Kan het nog erger?
Jazeker. Buurmans boze woorden hadden mijn broertje gekwetst en dat stak. Toen hij ‘s ochtends thuis kwam van school, zag hij in buurmans kelder vuurwerk liggen. Wijzer geworden, maakte hij niet de deur met een sleutel open, maar schoof hij met een latje rotje voor rotje onder de deur door. Het liep gesmeerd. Met afsteken moest hij wachten tot ’s middags na schooltijd. Heel de tijd brandde het vuurwerk in zijn broekzak. De middag leek eeuwig te duren maar eindelijk was het zover. Zijn plezier ging in rook op want met één ding had broertjelief geen rekening gehouden: harde knallen trekken enorm de aandacht. Zeker bij de buurman die knorrepottend achter zijn geraniums zat. Het portiek sprak vreselijk schande van ons schorriemorrie. Ze begrepen het niet: zulke voorbeeldige ouders en dan van die losgeslagen kinderen. Voor de buurt liep het goed af, want wij verhuisden naar “buiten” waar het stikte van de boerenslootjes. Maar nergens heeft mijn broer zo fijn gevist als met buurmans hengel in hartje Rotterdam.

Kriebelkrengen

Iedereen heeft wel een klein jeugdtrauma. Weet je wat de mijne is? Kriebelmaillots. Als klein meisje had ik gloeiend de pest aan die dingen. Ze jeukten gruwelijk en ook nog de hele dag door. Vroeger was alles beter? Vergeet ‘t! De kwaliteit van de maillots was om te schreien. Zonder dat ik er iets aan kon doen, vielen er vanzelf gaten in. Dat maakte mijn moeder pisnijdig: eerst ’s ochtends gezeur dat ik die rotkousen niet aan wilde trekken, en daarna gezever omdat zij de gaten erin moest stoppen.

Ook fijn: werd een maillot te klein dan hing het kruis halverwege mijn knieen. Geeft nix, zei mijn moeder, dat ziet niemand. Bleef ik dan met datzelfde kruis aan het prikkeldraad boven het schoolhek hangen, dan kwam er een loeier van een gat in. Hoe ik het in hemelsnaam voor elkaar kreeg precies in het kruis een gat te vallen? Oh man, mijn maillot zakte ervan af.

Was het dragen van een maillot al een slijtageslag, daar kwam nog de ellende bij dat ik er iets meisjesachtigs overheen moest dragen. Een rok, een overgooier of een jurk. Hartstikke ongeschikte kledingstukken voor wie in bomen en over hekken wilde klimmen. En die kleren pasten voor geen meter bij de rol die ik samen met drie vriendinnen uit een boek speelde. Met elkaar deden de avonturen van “de vijf” van Edith Blyton na, en ik was Georgina. In haar kon ik me uitleven, want net als zij wilde ik liever ook een jongen zijn, maar dankzij mijn veel te nette kleren ging mijn rollenspel naar de gloria. Zeuren bij mijn moeder hielp niet. Ik moest “lief doen” en me “netjes gedragen” anders zou ik nooit een “deftige dame” worden. Nee, vertel mij wat.

Sluw bedacht ik dat panty’s de oplossing waren. Mijn moeder zei dat ik daar razendsnel ladders in zou krijgen. Ik wist wel niet wat een ladder was, maar ik dacht toch: eerst zien en dan geloven. Maar als je moeder geen panty’s voor je koopt…Teneinde raad zette ik ‘panty’ op mijn verjaardagslijstje en ja hoor, ik kreeg een paar van Omalief. Helaas kreeg mijn moeder gelijk: in no-time kreeg ik knollen in mijn nylons.

Nog steeds gaf ik me niet gewonnen. Ik besloot voortaan die kriebeldingen onderweg naar school om de hoek van de straat uit te trekken, en ze pas op de terugweg weer aan te doen. Alleen hebben moeders alles door, hè? Zulke schone kousen na een hele dag school? Nergens een beschadigingen erin….Hoe kwam dat? wilde ze weten.

Toen zag ik nog maar één oplossing: zo snel mogelijk groter groeien en kleedgeld krijgen. Om pany’s te kopen? Néé, spijkerbroeken. Díe zijn pas handig! Tenminste: als je de juiste maat weet tenminste!

Kleine wasjes, grote wasjes

Mijn moeders trots stond wegens plaatsgebrek niet in huis, maar tweehoog achter op ons  balkon. Een enorme joekel van een wasautomaat, waar mijn vader een houten bekisting omheen timmerde, zodat het apparaat de echte Hollandse winters kon trotseren. Tevreden draaide mijn moeder kleine en grote wasjes in haar wasmachien.

In mijn kinderogen was dat apparaat maar een saaie doos. Nee, dan dat ding dat er naast stond: een handwringer! Je stopte een natte lap wasgoed tussen twee rollers, draaide aan een grote hendel en al het water stroomde eruit. Als je niet uitkeek, liep het water in een stroompje langs je arm naar beneden en via je benen zo je schoenen in. Oh, dat geklieder! Maar ja, ik mocht er alleen maar naar kijken en aankomen niet. Je begrijpt: die droger móest en zou ik uitproberen. Als ik de kans kreeg.

Eindelijk: mijn moeder stond  te kletsen met een buurvrouw, en ik glipte stiekem het balkon op. Nee hè, zag ik mijn kans schoon, viel er niets te wringen… Nergens wasgoed of een vieze, oude dweil te zien. Oh, maar wacht eens, daar hingen mijn moeders rubberen sophandschoenen. Gretig graaide ik er eentje van de drooglijn en hield ‘m tegen de rollers van de wringer. Het draaien viel nog best tegen; ik had allebei mijn handen nodig om dat ding op gang te krijgen.

Vreemd, wat zag die handschoen er raar uit. Opzwellen, niet normaal. Maar nu ik eenmaal aan het wringer was, zou ik blijven draaien ook. Steeds groter en boller werd de handschoen totdat hij PANG! uit elkaar knalde. Eén blauw stukje vinger bleef slap tussen de rollers hangen. Van schrik zette ik het op een brullen. Mijn moeder gooide met een ruk de deur open en aanschouwde  wat voor vreselijks ik had gedaan. Ik kreeg een pak voor mijn broek en moest voor straf op mijn ijskoude kamertje gaan zitten. Ik mo-hocht ook nooi-hooit wat.

Wat me wel tevreden stemde, was dat mijn broer(tje), de arme stakker, ook niets mocht. Op een mooie dag deed hij zijn uiterste best om op hetzelfde balkon onze zinken vuilnisemmer in de brand te steken. Hij was er na veel moeite eindelijk in geslaagd om dat ding flink aan het roken te krijgen, toen mijn moeder onraad rook en polshoogte kwam nemen. Nou, nou, de afdruk van mijn moeders pantoffel staat NU nog op mijn broer zijn billen. Terwijl die degelijke vuilnisbak amper wilde branden en alleen maar wat lullig rookte. Dat hoefde mijn moeder toch niet zo op te blazen? Nou ja, mijn broer heeft het in ieder geval geprobeerd, dat pakt niemand hem meer af.

Enneh…wat betreft die afdruk op zijn billen, dat is so to speak, want over een dergelijk onderwerp wordt door ons uiteraard niet hardop gepraat. Het ligt nogal gevoelig…

Soap story

Aandacht, knuffels en bergen lekkers. Daarmee legde Oma ons – haar vijf kleinkinderen- altijd stevig in de watten. We moesten niets en mochten veel: tenten bouwen; ijsjes kopen bij de Jood aan de overkant en verkleedpartijen op zolder.  Je bordje leegeten? Welnee, dat was voor thuis. Bleef er ook meer plek over voor haar verwentoetje. Kortom: zo’n oma!

Veel oudere mensen die ik ken, praten graag over ‘Sunlight zeep’. Ze horen dat ene woord en meteen  beginnen ze gelukzalig te grijnzen en nostalgisch te stralen.

Ik niet.

Vrijwillig – op nu dan na  – zal ik die zeep niet ter sprake brengen. Alleen de gedachte al, doet me gruwen. Dankzij oma. Ze mocht dan nooit boos worden, er was één ding waar ze ogenblikkelijk mee afrekende: lelijke woorden. Geen idee welk vies woord ik toendertijd heb gezegd, maar in haar oren zal het niet fraai geweest zijn. Want ineens stapte Oma kordaat op me af, greep me bij kop en kont en droeg me onder één arm naar de keuken.

Daar pakte ze een blauwe (mijn goeiste kleur) beker, deed er wat water in en zei dat ik een slok in mijn mond moest nemen. Niet begrijpend keek ik haar aan. Oma pakte de Sunlight zeep, brak er een stukje vanaf en propte het tussen mijn – inmiddels – samengeperste lippen naar binnen. “Zo, en nu spoelen,”zei ze, terwijl ze allebei haar handen in haar zij zette en me streng aankeek.

Ik spoelde.

Was het de smerige smaak? Oma’s halsstarrige houding? De teleurstelling van haar optreden? Misschien van alles een beetje. Ik kokhalsde van de zeep. Godzijdank zei oma al snel: “Uitspoegen in de gootsteen!” De nasmaak kan ik me zelfs nú nog herinneren.
Nee, mij hoort niemand het woord Sunlight in de mond nemen, want er zit een luchtje aan!