Dertig!

Vol bewondering en verwondering las ik al die stukjes van die Bloggers op dat net. Verbaasd, dat ze elke week genoeg meemaakten om over te schrijven. En dan vaak ook nog van die leuke stukjes. Heremetijd, waar haalden ze al die verhalen toch vandaan? Hebben ze zo’n opwindend leven, veel fantasie, ritsen kinderen of grote duimen misschien? Ik zou ook zo graag bij die Bloggers willen horen, maar hoe kom je daarbij? En ik maak haast nooit wat mee. Waar haal ik dan inspiratie vandaan? Ik had het al bijna opgegeven voordat ik er goed en wel aan begonnen was.

En nu? Vandaag pletter ik bijna van verbazing achter mijn toetsenbord vandaan. Kijk nou, echt, heus, het staat hier: ik heb al 30 stukjes geschreven! Miljaar! Wie had dat kunnen (be)denken. Of ze allemaal even leuk zijn, laat ik in het midden. Maar ze stáán er wel!

Ik geef toe, soms heb ik meer transpiratie dan inspiratie. Maar evenzo struikel ik vaak over mijn eigen woorden op het toetsenbord. Het is geen plicht, dat schrijven, want ik wil nou eenmaal nooit wat ik moet. Ook geen slaafje van mijn eigen blog zijn dus.

Enne… ’t houdt me van de straat!

Weggepest

1. Weggepest

Voor een 14-jarige heb ik nog nooit een belangrijke beslissing hoeven nemen.
Maar vandaag heb ik er één genomen, die invloed zal hebben op de rest van mijn leven.

Mijn ouders zijn naar hun werk. ’s Ochtends om 7 uur gaan ze al de deur uit. Dan hebben ze Marco en mij wakker gemaakt en een beker thee voor ons neergezet inclusief een gesmeerde boterham.

Thuis zit ik, in de keuken. Ik zou al lang op de fiets naar school moeten zitten, maar ik durf niet. De radio staat aan en ik hoor een nummer uit de film van Ennio Morricone. Ik heb geen jankmuziek nodig om te huilen. Ik huil toch wel. Ik blader in een boek dat ik geleend heb van de bieb. Het heet: opgravingen uit het veen. Wat zou ik zelf graag dood willen zijn. Dat is echt helemaal niet erg of eng. Het is net alsof je slaapt, je merkt er helemaal niks van.

Ik snuit mijn neus, pak de fiets en rijd naar mijn favoriete tante. Zij is niet echt een tante van me. Maar zij en mijn moeder zijn al hun hele leven vriendin van elkaar. Ze woont vlakbij, werkt niet -zoals mijn moeder – en ze is meestal thuis. En ze maakt áltijd tijd voor me.

Ik klop op haar keukendeur.
“Kom binnen, griet,” zegt ze tegen me. Ik krijg een zoen en een schouderklop.
“Zal ik een lekker bakkie koffie voor je zetten?”
Ik knik. Ik weet zeker dat ze ziet dat ik gehuild heb.
Ze geeft me koffie en een stuk van haar wereldberoemde zelfgebakken boterkoek.
Hoeveel keer ik hier al in nood bij haar heb gezeten, weet ik niet meer.
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Hoeft ook niet; ze weet alles al.

Ze heeft al veel telaatbriefjes voor me geschreven; voor alle keren dat ik in plaats van naar school, naar haar toe gefietst ben. En voor de keren dat ik ziek, zwak of misselijk was.

“Zo gaat het niet langer,” zegt ze. “Weet je wat,” gaat ze verder “ik schrijf een briefje voor school, en dan ga je het vandaag nog even proberen. Vanavond zal ik papa en mama bellen, hoe we dit op kunnen gaan lossen.” Ik was er al bang voor dat ik naar school zou moeten, maar ik ben het wel met haar eens.
Ik krijg nog een stuk boterkoek voor onderweg, het telaatbriefje en dan fiets ik weg.

Lief dagboek
Tante Gre weet dat ik dood wil. Ik heb haar de twee doosjes aspirientjes laten zien die ik ervoor gekocht heb. “Denk erom”, zei ze tegen me, “denk erom dat je dat niet doet! Dat zijn die pestkinderen niet waard! Als je het echt wilt gaan doen en er is niemand thuis, dan kom je naar mij, hoor je me? Dan pak ik de mattenklopper, laat jij mij zien waar die lamstralen wonen, en dan ga ik ze een pak op hun sodemieter geven! Beloof me, dat je het niet doet! Dat je naar mij komt!”.Ik heb het haar beloofd. Ik vind het heerlijk dat ze het voor me opneemt. Zij zegt en doet dingen, die andere mensen niet durven. Omdat dat niet hoort. Ze zouden het vast en zeker niet netjes vinden als ze tante Gre zulke woorden als ‘sodemieter’ zouden horen zeggen. Net alsof je daardoor een slecht mens bent. Maar dat is tante Gre niet! Haar kan het niets schelen. Zij zegt gewoon waar ze zin in heeft. Later wil ik dat ook gaan doen.

Op school wacht ik tot de bel is gegaan, want dan hebben mijn klasgenoten minder tijd om wat tegen me te zeggen. Als ik bijna het lokaal voor Frans les binnenloop- waar ik les heb -, spuugt Erwin in het voorbijgaan een zuurtje in mijn haar. Ik voel hoe het plakt. In de klas probeer ik het eruit te halen, maar dat maakt de klit alleen maar groter.
“Wat zit er in je haar?”, vraagt de lerares.
“Een zuurtje,” zeg ik.
“Zuurtjes moet je ook niet in je haar smeren, die moet je in je mond stoppen.”
Iedereen in de klas draait zich naar me om. Ze lachen me uit. Ik bloos. De juf is de enige die niet weet hoe dat kleffe ding in mijn haar terecht is gekomen.

Na Frans, vraagt Erwin in de gang of ik mijn huiswerk voor biologie gemaakt heb. Ik knik. Ik durf hem niet aan te kijken.
“Mag ik het even zien?”
Waarom vraagt hij dat? Misschien, als ik hem ergens mee kan helpen, doet ie straks aardig tegen me. Ik pak mijn schrift en sla het open op de juiste bladzijde. Hij leest het even, scheurt dan de bladzijden eruit, gooit mijn schrift op grond en geeft me zo’n harde duw dat ik tegen de kapstok val. Het liefst zou ik het schrift én de kapstok in zijn mond proppen, maar dat durf en kan ik niet. In plaats daarvan pak ik mijn tas, mijn jas en zoek mijn fietssleutel. Nu is het genoeg geweest.

Mijn belangrijkste beslissing heb ik zojuist genomen.
Ik heb me nog nooit eerder zo hopeloos en zo vastberaden gevoeld als nu.

Na Franse les ben ik weggelopen. Heel gewoon. Je voelt er niets van. Ik liep door school. En in plaats van dat ik het biologielokaal binnenstapte omdat ik er les had, liep ik er gewoon langs. Toen ik langs de conciërge liep, zei hij tegen mij:”Hé, ga je alweer weg? Je bent er net! Blijf nog even joh, dan mag je me helpen de planten water te geven.” Ik zei niets maar zwaaide naar hem. Hij was altijd aardig tegen me geweest en ik zou hem nooit meer terugzien.

Het regende, maar ik trok mijn jas niet aan. In plaats daarvan propte ik ‘m onder een oksel. Eén mouw sleepte door een plas, precies langs een bonk kauwgom. Waarom weet ik dat nog? Toen pakte ik mijn fiets en reed naar huis. Onderweg viel mijn schooltas nog van de fiets. En toen ik de Tiendweg overstak, reed er auto zo hard voorbij door de plassen, dat ik een hele lading over me heen kreeg. Het kon me allemaal niks meer schelen. Niks! Want ik heb mijn besluit genomen.

Als ik thuis kom, is Smoky blij me te zien. Ik ook dat ik haar weer zie! Ik geef haar voorzichtig een dikke knuffel en doe haar halsband om. Ze heeft nog verband om haar buik zitten, want ze is pas geopereerd. Nu gaat het gelukkig alweer beter met haar.

Beneden in de hal van ons flat, kom ik Tony tegen. Hij woont op de 4e verdieping. Dat is zo’n pokkenjong, pestetter en dierenbeul. Haalt altijd vogelnestjes leeg en pest kleine kindjes. Zó iemand dus. Ik ben als de dood voor ‘m. Hij komt me tegemoet lopen. Ik schijt bijna in mijn broek van angst, want ik kan geen kant op. Al die tijd loop ik gewoon te huilen. De snottebellen komen uit mijn neus. Ik vouw ze af aan de mouw van mijn jas; wat kan mij het schelen. Tony maakt een rotopmerking tegen me en lacht me uit.

Net als we langs elkaar lopen, geeft ie zomaar Smoky een trap! Ze jankt. Ik vind het zo erg. Ik ben nog nooit ZO boos geweest! Ik ben ineens niet meer bang, alleen maar heel boos. Ik zal ‘m! Ik trek zo hard mogelijk aan zijn haar. Hij slaat me een bloedneus, maar dat maakte me alleen maar nog bozer. Ik geef hem een hele harde duw en hij valt met zijn hoofd tegen de liftdeur aan, precies tegen het ijzeren handvat. Zo, lekker. Als hij omhoog komt, stoot ik per ongeluk met mijn elleboog in zijn gezicht. Krijgt hij ook een bloedneus. Misschien denkt hij wel dat ik het expres heb gedaan. Daarna wil ik niet meer verder vechten. Het gaf best een fijn gevoel, maar nu is het genoeg. Even was ik van niemand bang. Kun ik dat gevoel maar bij me houden, dat ik van niemand bang ben.

Als ik uit de lift stap en op de galerij loop, zie ik mama van de andere kant aan komen lopen. De bushalte is aan die kant van het flat. Ik ben blij dat ik haar zie. Ze ziet mijn bloedneus en pakt snel een zakdoekje uit haar tas. Ze veegt mijn neus schoon. Ze ziet de klit in mijn haar zitten. Vragend kijkt ze me aan. “Meissie, wat heb je nou toch in de je haar zitten?” Ik hoef er geen moeite voor te doen, de tranen rollen uit zichzelf uit mijn ogen. Ze geeft me een stevige pakkerd. “Hebben die rotjongens dat weer gedaan?” Ik knik. “Dat moet ophouden,” zegt ze. Dat vind ik nou ook.

Ik heb haar nog niets verteld van mijn plan om nooit meer terug naar die school te gaan. Als ik het niet durf te zeggen, schrijf ik het wel op een briefje en geef ik dat aan papa en mama. Binnen knipt mama het zuurtje uit mijn haar.

“Heb je misschien zin om iets leuks te doen vanmiddag? Iets bakken misschien? Of heb je huiswerk?” Huiswerk? Ik heb nooit meer huiswerk, maar ja, dat weet zij dus nog niet. Ik schud mijn hoofd. “Iets bakken dan maar?”zegt ze. “Haal jij dan nog wat boodschappen voor me? Dan ga je na het bakken lekker douchen, kun je meteen je haren wassen en trek je vast je pyjama aan. Kun je een beetje op tijd naar bed vanavond, want je hebt vannacht weer zo liggen spoken.” Ik vind alles best, wanat ik ga toch nooit meer terug naar die school.

Lief dagboek

Nadat ik dus ruzie met Tony had gemaakt, mocht ik van mama cake bakken. Eerst ben ik nog boodschappen voor haar wezen doen. We vonden de cake alle vier erg lekker. Nee, vijf, want Smoky heeft er ook nog van gegeten. Papa heeft gezegd dat ik morgen niet naar school hoef, want hij gaat me ziek melden. Ik heb een briefje op het kussen bij papa gelegd. Daarop staat dat ik nooit meer terug naar school ga. En dat daar niet over valt te praten. Punt. Uit. Hij heeft me net een slaappilletje gegeven. Fijn dat ik morgen thuis blijf.

Wat daarna gebeurd is, kan ik me niet meer herinneren. Heeft mijn vader de huisarts gebeld? Of mijn psychiater in het SKZ? Ik heb er werkelijk geen idee van. Alles schreef ik op in mijn dagboek. Wat ik at, hoeveel scheten ik op mijn kamer liet, maar toen er echt dingen gingen gebeuren, bleven de bladzijden schreeuwend leeg.

Dat weet ik trouwens pas sinds kort, dat die pagina’s leeg zijn. Meer dan dertig jaar heb ik al mijn dagboeken bewaard. Stapels heb ik ervan. Braaf overal mee naartoe verhuist. Sindsdien hebben al die dagboeken liggen verdrogen op de vliering. Natuurlijk zou ik aan mijn ouders kunnen vragen hoe alles daarna verlopen is. Die zullen het ongetwijfeld nog wel weten. Maar ik houd het maar zoals het nu is. Het is goed zo. Ik kan er prima mee leven.

)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(

Dierbaar

Mijn Kind; ze is me zo dierbaar, en ze is zo lief. Thuis uit school zit ze boven op haar kamer keyboard te spelen.  Ik heb een dip en sta te janken in de keuken. Geeft niks, ze hoort me toch niet want ze heeft haar koptelefoon op. Denk ik.

Ineens staat ze voor m’n neus: “Heeej…wat is er met jou? Heb je slecht geslapen?”

Ik knik. Knikken is genoeg. Ze geeft me een knuffel en een zoen.  

“Mam, het spelen gaat goed, joh. Wil je een stukje horen?”

“Ja, reken maar,”zeg ik.

Gestoken als door een bos vlooien stuift Kindlief de trap al op. Ik zet de achtervolging in.  

Zij gaat op de grond voor haar keyboard zitten en ik laat me met een enorme plof op haar zitzak vallen. Zo, wij zijn er klaar voor. Zij speelt en ik luister. Ze speelt het beginstuk van ‘Clocks van Coldplay’ en daarna de titelsong van ‘de Titanic’ en als grapje sluit ze vrolijk af met de ‘weddingmars’. Ik applaudisseer, en terecht, want het klonk verdraaid goed!

Dat zij zichzelf in zo’n korte tijd, zoveel muziek heeft leren spelen, en nog wel met twee handen. Wat zit er toch veel talent in haar puberlijf, of denk ik dat alleen omdat ik haar moeder ben? Ik krijg geen tijd hierover na te denken, want overeind springend vraagt ze: ”Wil je koffie, ja? Dan ga ik het zetten en dan drinken we het hier op, ja?” Ze stuitert van enthousiasme.

Ik lach breeduit, “Ja joh, leuk en gezellig!”

Zij is dan al halverwege de trap, op weg naar de keuken. Ik hoor hoe ze in de weer is met kopjes en bekers, de koelkast die open en dicht gaat, een vallende koektrommel, het geluid van de Senseo…

Ineens betrap ik mezelf erop dat ik glimlachend op Kinds zitzak zit, wachtend op koffie, koekjes, maar  toch vooral op haar. Wat heb ik eigenlijk weinig nodig om gelukkig te zijn. Of is het nou juist veel? Ik weet ’t niet. In elk geval: geen dag met Kind is dezelfde, dus tel uit die winst! Ik zucht tevreden. Mijn kind, zo dierbaar en zó lief. Of had ik dat al gezegd?

 

Uitglijder

Vanochtend had ik weer wat, typisch iets voor mij.

Toch maar goed dat ik uit anoniem oogpunt niet mijn volledige doopnaam op het web vermeld.

Ik was de douche in gestrompeld en kleedde me uit om me te gaan wassen aan de wasbak. Tot zover nog niks aan de hand. Daarna ging ik zo’n beetje naakt nog snel een plasje doen. Toen ik van plan was de wc door te drukken (trekken is er niet meer bij, hè?),  werd ik afgeleid door mijn voet. Aha, wat zag mijn oog? Sjonge zeg, mijn harde eeltknobbel, jeetje die is gegroeid!  Nog ff en hij is net zo groot als mijn hele teen! Daar moest ik hoognodig iets aan doen.

 

Ik pakte de eeltschaaf om meteen korte metten met dat eelt te maken. Vanwege gebruiksgemak zet ik mijn voet altijd op de wc-bril.

Helaas… mijn voet raakte in de slip, gleed uit en belandde in het watergat van de wc, waar mijn nog warme plasje in lag. Yak! Ik schudde de druppels van mijn voet en wist niet hoe snel ik ‘m onder de kraan van de wasbak moest houden. Met een van viezigheid vertrokken gezicht, bedacht ik dat ik de net gelukkig geen grote boodschap had gedaan!

Groetjes Mirjam Kakelbont

The day after

Zondag, de dag na de ‘party’, was ook fijn. Uitgeslapen en veel koffie gedronken. Bella was blij dat ze uit haar hokje kon en rende frivool rondjes om de tafel, zachte bromgeluidjes makend en na elk rondje poepte ze een keuteltje. Kind heeft dertien  knikkertjes opgeruimd!  Na het eten van groene, strekte Bella zich vergenoegd uit op het kleed. Wat een goed begin van een konijnendag! 

Buiten was het prutweer. Er viel sneeuw die twijfelde of ze zou blijven liggen. Hardnekkig als anders trokken wij er toch op uit. Om ons binnen te houden, is meer nodig, huh!

Wij zaten wel een beetje met al het gebak dat we over hadden in ons maag, want waar laat je zoiets? We lieten ons niet kennen en begonnen keurig zoals het hoort met het eten van een stuk taart op een schoteltje. Daarna keken we elkaar aan en holden naar de keuken waar we elkaar zowat verdrongen rond de gebaksdozen. Gretig snoepten we alle lekkere bovenkantjes ervan af: eerst de chocolaatjes, toen de vruchtenjes en de slagroom…We bleven eten tot we niet meer kónden. Pfff, ik plofte er bijna van, zó lekker. 

Toen zaten we zo vol dat we elkaar twee uur later afvroegen: kunnen wij vandaag nog wel warm eten? Nou ja, als je maar lang genoeg wacht, komt de trek vanzelf.

Veel te snel was de zondag al weer om. We hadden nog massa’s andere dingen willen doen, maar ja, time flies when you’re having fun.

Verjaardag

 

 

 

 

 

 

Sjonge, wat ben ik blij dat ik gisteren (zaterdag) mijn verjaardag heb gevierd. Ik moet er niet aan denken dat ik er vanaf had gezien, want ik heb een caDOOS (alleen door ingewijden te begrijpen) gekregen, het is echt niet gewoon zoals ik verwend ben!

Een zelfgemaakte kaart van Nichtlief met een eeuwig bloeiende blauwe bloem, zo jong en het is al alsof zij mijn smaak kent!

Ik heb een bedlichtje gekregen dat precies bij mij past, want het heeft (net als ik dus) een gebruiksaanwijzing die er niet bij zat. Gelukkig heeft mijn Broer er een kritische en technische blik op geworpen en nu werpt dat ding toch licht op de zaak.

Van de jeugd een heuse Trollbeadskraal gekregen. Je kunt wel merken wat zij doen in hun vrije tijd:  werken, ha!  en daar pluk ik de vruchten van.

Voorts een prachtige muts voor koude dagen. Kun je je iets flatteuzers voorstellen als ik die opzet?

De plaatselijke bloemenzaak kon een uur eerder sluiten, want familie had aldaar massaal bloemen en ander moois ingekocht.

En er hing een sfeertje in huis… Behalve door de visite, kwam dat ook doordat de lichtjes zo leuk brandden in het Franse huisje; de oh’s en ah’s waren dan ook niet van de lucht.  En ik heb ik kipjes gekregen om erin te zetten. Waar een Blog al niet goed voor is.  

Het is eigenlijk teveel om op te noemen, maar, alla, ik ben baas op eigen Blog, dus plek zat.

Manlief snurkte vannacht aan één stuk door, maar niets mocht de pret drukken: ik lach heel tevreden wakker!

IPhones

I Phones zijn hartstikke handige apparaten. Wat je er allemaal mee kunt doen: bellen, sms’en, foto’s opslaan, internetten en mailen (handig als je als Man eigenlijk geen tijd hebt met de vrouwtjes naar een musical te gaan, dan kun je ‘de rust’ benutten om de binnengekomen mailtjes van ’t werk te lezen). En dat alles in één apparaat! Op één  voorwaarde: hij moet ’t wel doen. 

Manlief heeft het zo druk op de zaak dat Kind en ik niet meer op ‘m wachten met avondeten. ’t Is sneu, en we hebben ’t liever anders, maar ’t went ook. 

Kind krijg wel rond 6 uur hevige aandrang haar Pa ff te bellen en da’s wel zo handig, want dan hoor ik direct hoelang Man nog  bezig is, of dat hij al bijna in zijn bolide stapt. Eenmaal ingestapt is de afspraak, dat hij op tien minuten rijden van thuis, even belt en zegt: “Nog tien minuten.”Dan schiet ik als keurige huisvrouw direct overeind en kook braaf nieuwe spaghetti of braad een vers stukje vlees, zodat ie geen opgewarmde sliertjes of slap lapje hoeft te eten. Dan kan de Heer des huizes thuis bovendien meteen aanschuiven en eten. Dankzij de telefoon. Werkelijk enorm praktisch zo’n apparaat. Als ie ’t DOET dan hè? 

Nu is de Phone  van Man een maandagochtendmodel. Hij toog reeds vele malen naar de helpdesk binnen ‘t bedrijf, maar zodra hij daar één voet over de drempel zette, deed ’t apparaat ’t als door een wonder getroffen. Onderweg in de auto dan weer nooit.

Ik kreeg een sik van dat stuk mobiel en had ‘m het liefst in de Kliko gekeild. Vriendelijk vroeg ik Man de Phone aan mij te geven.

“Voor wat?” vroeg hij achterdochtig. Dat is omdat hij mij kent.

“Nou, dan neem ik ’n emmer sop, laat je Phone erin vallen en kun jij op ’t werk zeggen dat je vrouw ‘m in een emmer sop heeft laten vallen. Hoef je ook niet te liegen.” Man vond mijn lumineuze idee maar niks. “Nee, dat is niet mijn stijl,” zei hij met een veelbetekenende blik in mijn richting. “Heb jij soms een beter idee?” vroeg ik?  Hij schudde nee en zuchtte diep.

Mijn man, hij ploeterde voort. Liep telkenmale maar naar die helpdesk. Voorheen als Man niet belde, was ’t nog: geen nieuws, goed nieuws, maar dat was nu steeds maar de vraag. Ik kon er niet meer tegen.

Straks staat mijn Lief met pech langs de weg, of hij voelt zich onwel en wat dan? Kan hij niemand bereiken! Dus: weg met die K.U.T.(Kwalitatief Uitermate Teleurstellende) telefoon.

Ik ben toen heeel boos geworden en heb ergens mee gedreigd. Ik zeg niet waarmee, er zijn tenslotte grenzen, maar Lief had wel heel snel een nieuwe Iphone. Van het werk dan hè, net als de vorige.

En nu gaat mijn man weer bereikbaar door het leven.  Ik ben helemaal in mijn nopjes. Manlief en Kind ook!

Geboortekaartje

Er was eens…

Lang, laaaang geleden – de late Middeleeuwen zo’n beetje – stuurden twee  mensen dit kaartje naar familie, vrienden en kennissen met de mededeling dat zij ‘verblijd waren met de geboorte van een dochter’. En dat kind ben ikke. Dus ja, vandaag is mijn verjaardaag… (dankje, dankje). Het gezin was pas compleet toen er tweeënhalf jaar later een ontdeugend jongetje geboren werd. En wij leven al aardig lang en best gelukkig…

IJslandse paarden

Pontificaal rijden ze mij tegemoet op de Tiendweg.  Zowel de drie IJslandse paarden als hun berijders zijn de winter goed doorgekomen: uitgebuikte paarden en ruiters met een Bourgondische borstomvang. Met zijn drieën naast elkaar nemen ze de hele weg in beslag. Veel ruimte als hardloopster heb ik niet nodig, zeker niet met mijn model, maar zelfs dat kleine beetje lijkt me niet gegund. De ruiters kijken over me heen. Ze zien me niet en willen me ook niet zien. Lekker is dat. Met één stapje opzij ben ik anders al tevreden. Ze hoeven de weg niet voor me vrij te maken als ware ik de koningin.

Eén keer heb ik noodgedwongen mijn toevlucht in de berm gezocht, door eenzelfde stel op IJslandse paarden. De grond was ongelijkmatig, waardoor ik zwikte en mijn knie verdraaide. Twee weken later kon ik nog niet normaal lopen. Je begrijpt dat ik er weinig voor voel om tussen de sneeuwresten en de modder te gaan lopen. Maar hoe maak je ruimte voor jezelf tussen drie van zulke brede paardenlijven?

Zelfverzekerd stappen de ruiters op me af, hun blik nog steeds op oneindig. Ik wikkel het koord met sleutels dat ik om mijn rechterhand gewikkeld heb los, en begin er boven mijn hoofd nonchalant mee in de rondte te zwaaien. Ik mik hoog en in de richting van de berijder, want het paard kan er tenslotte niets aan doen dat ie alsmaar rechtdoor blijft lopen. Als de ruiter de sleutels wil ontwijken, zal hij het paard toch een stap opzij moeten laten doen.

Getergd kijkt hij me aan. Waar haal ik het gore lef vandaan om als een barbaarse wilde met die sleutels door de lucht te maaien, daar waar hij net zo fijn met zijn edele viervoeter aan het rijden is? Getergd of niet, haastig maant hij zijn paard van de wegkant naar het midden van de weg.  Nou, zo moeilijk was dat nou toch ook weer niet?

Tien meter verder moet ik met de hink-stap-sprong een berg met paardenvijgen ontwijken. Alsof mijn schoenen al niet vies genoeg zijn!

Nieuwe schaatsen

Sinds Manlief twee dagen geleden nieuwe schaatsen heeft gekocht, dooit het buiten als een tierelier.

Vorig jaar wilde Man al nieuwe schaatsen, maar ja, als je van ver vóór tot ver ná sluitingstijd werkt, probeer jij maar eens een geschikt nieuw paar te vinden. Het viel sowieso niet mee zijn oude schaatsen te vervangen, want die hebben na dertig jaar zo’n beetje het model van zijn voet aangenomen.  

Toen, op een zaterdag een jaar geleden, holde Man nog net ff voor sluitingstijd de plaatselijke schoenwinkel binnen. Daarbij ging hij niet lichtzinnig te werk, want wapperend in zijn hand had hij een papiertje, met daarop een overzicht van de nieuwste schaatsmodellen, gepresenteerd door de ANWB. In de winkel aanschouwde hij de moderne, keiharde, omhulsels, en zag er niet tussen staan wat hij wilde hebben. Hij sprak een verkoopster aan, en wees op het papiertje.  Ze schudden nee. Dat model was ‘landelijk uitverkocht en zéker de grote maten’.  Daarbij had ze een taxerende blik naar beneden geworpen, richting Mans voeten. Voor de vorm pastte hij nog wat andere modellen, maar die zaten ‘voor geen meter’. Man heeft namelijk wat moeilijke voeten (beter dan een moeilijke vrouw, oh…) waardoor niet alle schaatsen zomaar geschikt zijn.

Dus krabbelde hij vorige jaar winter als vanouds over het bevroren water van de Krimpenerwaard op z’n ouwe jongens.

Maar zie hier, tatata!, na het tijdig bezien van een lijst met nieuwe schaatsmodellen, heeft hij het enige juiste paar er tussenuit weten te pikken en via internet besteld. Met een softsell binnenschoen moest dat gaan lukken. Wel een beetje gokken naar de juiste maat. En dat voor een risicomanager, mensen!

Maar, ze passen perfect. Alleen, ja, nu dooit ’t dus als een tierelier. Soms zit ’t mee…