’t Is altijd wat!

De buitenlucht lonkt, of ik wil of niet. Fietsen is zo enorm verslavend. Hmm…verslavend. Is dat wel het goede woord? Met de meeste verslaafden loopt het niet goed af. En is fietsen nou mijn lot of mijn talent? Na zoveel jaren ben ik daar nog steeds niet achter. Terwijl ik toch heel veel aan filosofiets doe onderweg.

 

Vandaag rijd ik  via Gouda en Waddinxveen naar Papekop. Langs het spoor daar moet ik altijd zwaar aan mijn reorB denken. Er rijdt dan ook altijd wel een trein voorbij (kdeng-a-deng).

 

Ik heb een plas aan mijn kont hangen, daar zegt een olifant u tegen. Tja, nog steeds die blaas. Ik krijg er de hik van. Ik zoek een wildplasplek. Dáár, vlak voor dat hek. Tussen mijn fiets en het hek in, laat ik de broek zakken. In zie acht zwart-wit gevlekte meisjes op me af komen lopen. Nou ja, lopen… ze hóllen gewoon! Niet veel later loeren zestien koeienogen nieuwsgierig naar mijn blote billen. Poeh, dat is toch wel …ehm benauwd!

 

 

In de Vlist ligt een man onderuit gezakt op de grond. Zijn fiets hangt scheef tegen een knotwilg. Ik kijk tegen de man z’n achterhoofd aan. “Bent u gevallen?, vraag ik. Hij staart me aan alsof ik van Mars kom: een niet meer zo’n  jonge vrouw (ik moet nog wennen aan het middelbare-leeftijd-etiket), met een fietshelm en een zonnebril met spiegeltje. Het wordt de man allemaal een beetje teveel. Ik snap dat best. Bovendien flatteert fietskleding mij enorm, maar dan anders.

 

“Heeft u pijn?” informeer ik. “Nee, kraamp in mu potte”. Ik maak mijn heuptasje open en haal er een pakje Wickie uit. Een noodvoorraadje voor als mijn bidons leeg gelurkt zijn. “Wilt u wat drinken?”. Hij knikt. Binnen 3 tellen drinkt hij het pakje leeg. Zonder me aan te kijken, reikt hij het omhoog in mijn richting. Ja, hallo, ik ben z’n moeder niet! De prullenbak staat naast hem! De zon schijnt, laat ik nou niet moeilijk doen en zelf het pakje maar weggooien. Wat zal mijn man trots op me zijn als ik ‘m dat vertel. Dat ik zo meegaand geweest ben, bedoel ik.

 

Ik vraag of ik een bekende van hem kan bellen die hem kan komen ophalen met de auto. Ja, zijn buurman, maar daar weet ie het nummer niet van. Nummerinfo biedt uitkomst. Terwijl ik word doorverbonden met de buurman, komen twee mensen op gewone fietsen aanrijden. Ze stoppen. Ik krijg de buurman aan de telefoon; hij belooft meteen te komen. Het echtpaar blijft achter bij de man. Ik fiets voort.  

 

Dichterbij huis, loopt een mevrouw midden op het fietspad.  Een paar meter voor haar loopt een zwarte bouvier aan een berg paardenvijgen te ruiken. Voorzichtig slalom ik tussen de vrouw, de hond en de stront door. Ineens hoor ik de vrouw schreeuwen: “En place! En place!”  Zijn ze samen op Franse les geweest? Ze hadden veel beter naar gehoorzaamheidstraining kunnen gaan, want van achteren zie ik iets zwarts achter me aan komen hollen.

 

In m’n spiegeltje zie ik dat de hond steeds dichterbij komt. Shit, moet ik op mijn tandvlees ook nog een sprintje trekken. De hond is wel een volhouder, maar dan kent hij mij nog niet! Omdat ik zulke enorm sterke en goed getrainde benen heb, laat ik de hond al snel achter me. Of zou het ook iets te maken hebben, met de Bourgondische buikomvang van de hond en zijn uitermate slechte conditie? Zijn tong hangt bijna op de grond. Die zou hij best even in een bakje met water willen hangen, denk ik. Omdat ik al mijn irritatie er onderweg al uitgefietst heb, foeter ik de hondenmevrouw niet uit.

 

Bijna thuis, scheur ik nog even door naar de bakker voor wat lekkers. Eenmaal thuis aan de koffie met gebak – kind ook rijkelijk voorzien natuurlijk- moet ik denken aan het tegeltje dat bij mijn schoonmoeder aan de muur hangt: “ ‘t Is altijd wat.”  Inderdaad, met fietsen is het precies zo.

Kolder in de polder

 

Het is prachtig weer, de zon schijnt, ik MOET fietsen. Ik heb zo’n haast om erop de fiets vandoor te gaan, dat ik na het op slot draaien van de voordeur, tot de ontdekking kom dat ik m’n fiets vergeten ben. Die staat nog binnen! Willen jullie dit alsjeblieft niet verder vertellen?

 

Vlakbij Schoonhoven – een uur en 25 km verder – heb ik enorme plasdrang. Maar waar kan een fatsoenlijke & keurige vrouw haar fietsbroek ongezien laten zakken? Er zitten nog nergens blaadjes aan de bomen. Denk ik eindelijk een plekje gevonden te hebben, zit er een hengelaar. Ein-de-lijk voorbij Polsbroek zie ik mijn kans. ’t Ziet er wel zwart van de bruine kippen. Die hebben zich natuurlijk rot verveeld in de winter, elkaar warm gehouden en flink aan inteelt gedaan.

 

Als ik bijna op het punt sta, komt er een auto aanrijden die aan de wegkant geparkeerd wordt. Er stapt een oud baasje uit. Hij zal hier toch niet gaan staan urineren?   Bijna wil ik al met mijn rug naar hem toe gaan staan, als ik zie dat hij met een plastic zakje loopt te zwaaien. Hij gaat de kippen voeren. Alhoewel: voeren… hij kiept alleen het zakje leeg. Van heinde en verre komen ze aangetok-tokt. Zouden ze het gekund hebben, dan hadden ze me zeker omver gelopen. Misschien heeft de man de kippen hier illegaal gedumpt en wroeging gekregen. Gelukkig gaat de oude baas snel weg en kan ik eindelijk….

 

Verderop, bij de rotonde in Oudewater, heb ik voorrang. Nu moet je altijd afwachten of je die krijgt, maar in dit geval is de bestuurder zeer galant: hij maakt een handgebaar en ik bedank ‘m met een knikje  Precies als ik in het midden ben, geeft hij gas en op een haar na raakt ie mijn fiets. Ik kan best veel hebben, maar als ze aan m’n kind of m’n fiets komen (mijn man kan uitstekend voor zichzelf opkomen), word ik link. De bestuurder hijst zich uit de auto en begint meteen wilde armgebaren te maken. Hij ziet eruit als een heer (jasje-dasje) maar blijkt dat niet te zijn, want hij wenst me niet veel fraais toe. Ik ben degene die me druk zou moeten maken, tenslotte reed hij mij bijna van de sokken! Rustig, zeg ik tegen mezelf, rustig, Zennn. 

 

Als de man heel even zijn mond houdt om naar adem te happen, stel ik hem snel een heel vriendelijke vraag: “U heeft zeker niet veel vrienden?”  Meteen stap ik weer op, tevreden constaterend dat de man z’n armen heeft laten zakken, en dat zijn mond openstaat. Wachtende automobilisten achter hem toeteren ongeduldig, maar dan ben ik al verdwenen. Ik laat mijn dag niet verpesten door zo’n chagrijnige eikelbijter. 

 

Ik moet alweer een plas doen (zucht). Ik heb een hardnekkige blaasontsteking. Ik drink me zuur aan cranberrysap maar met weinig resultaat. Volgens mij moet ik nu onderhand een azijnpisser zijn, maar mijn blaas is er nog steeds niet van onder de indruk. Gelukkig kan ik plassen bij een benzinepomp.

 

Op de terugweg heb ik de wind mee en scheur ik lekker door. Hekendorp, Haastrecht, Gouda, Stolwijk… het gaat allmaal als een speer. Ik heb haast, want zo meteen staat Kindlief voor de duer. Ze wordt “al” bijna 14 en vindt zichzelf erg volwassen, maar elke dag al haar benodigde spullen mee naar school nemen, is nog wat teveel gevraagd. Zo is ze vandaag   haar sleutels vergeten. Maar nog nooit haar fiets…

Uit het oog en…

“Ha Mirjam! Hoe is ie? “ Ha Louise. Ja, ‘t gaat goed hoor,” zeg ik, “en met jou?” Gaat het echt wel goed met je?” informeert Louise met een taxerende blik. “Ja, prima!” dring ik aan.  

 

Hellup, denk ik, Louise, of all people. Ik weet wat ze ziet: na twee slapeloze nachten zie ik er vijf jaar ouder uit en hangen mijn kraaienpoten ter hoogte van mijn knieen. En zij, Louise, altijd opgekalefaterd, dichtgeplamuurd gezicht, gehuld in de nieuwste klederdracht met zwaar gecoiffuurd haar. Zij als elegante verschijning en dan voel ik me nog net niet … eh… nou ja, in erbarmelijke staat.

 

“Hoe gaat het met je dochters?” vraag ik.“ Oh meid, met Lisa gaat het ZO perfect. We weten nog niet of ze haar school afmaakt, ze wordt model trouwens. Had ik je dat al eens verteld? (Ja, alleen maar) Ze is ZO een schoonheid. Ze kan aan elke vinger wel tien jongens krijgen.” “Niet te hopen dat die allemaal tegelijk komen eten dan,” zeg  ik. Louise kan niet lachen om mijn grapje. Misprijzend kijkt ze me aan. Onvermoeibaar praat ze verder. “ In die modellenwereld – een wereld ZO op zich en ZO apart! – telt elk jaar en Lisa …..bla…bla…

 

Hoe gaat het met je jongste dochter? Mandy heet ze toch?”, vraag ik,om het maar over iets anders te hebben. “Ja, goed. En jouw dochter gaat die naar de brugklas?” “Nee joh, die zit al in de tw…” “Komende vrijdag gaat Lisa naar een speciale fotograaf en….bla…modellenbureaus….en die zeggen ook dat Lisa ZO….blabla 

 

Dat mens ratelt als een tierelier. Mijn enthousiasme ontbreekt geheel. Ik heb hier ZO genoeg van. Maar de beleefdheid eist het. Toch? Nou, de groeten! Bruusk onderbreek ik haar. “Joh, ik ga verder, want ik krijg straks visite,” lieg ik. “ Oh, oh, wacht even… ,” Louise rotzooit wat rond in haar tas. “Heeft jouw dochter trouwens nog steeds rood haar?” vraagt ze. Huh? “Ja, natuurlijk,”zeg ik. “Nou ja, ik dacht, misschien heeft ze het geverfd of zo.” “Geverfd! (voel je je wel helemaal lekker?) Joh, dat kind moet nog veertien worden, en het is een hart-stik-ke mooie kleur!”“ Ja, nou ja, mijn Lisa is natuurlijk ZO kieskeurig, want in de modellenwereld zijn ze ZO weg van blond.” 

 

“Mijn Kind heeft anders ZOveel  Brains en is ZO heel sociaal!” (dat ik me ZO naadloos bij een gesprekspartner kan aansluiten zeg, ik wist niet dat ik die gave bezat).  

“Zeg joh, zullen we samen wat afspreken-  ja hè hè, hier heb ik mijn agenda – dat ik een keer naar jou kom? Kunnen we bijkletsen?” “Eh, nee. Lijkt me beter van niet.” “Huh? Waarom niet?” vraagt Louise verbaasd. Haar stem klinkt een octaaf hoger.  “ Nou…eh… wij hebben thuis maar 1 stoel. Doei!”

 

ZO. Ik draai me om en loop ZO weg. Dat gaf me en goed gevoel, zeg, ZO! Wat een aardige, tolerante mevrouw ben ik toch, dat ik me ZO heb ingehouden, niet ordinair ben gaan schelden, en haar niet op haar gezicht heb geslagen. Louise: uit het oog en kkkkggggg ZO van mijn harde schijf!

Hoogslaper

Nou, Kinds hoogslaper heeft een opzetplank tegen het eruit vallen erbij. Met instapstrook boven het laddertje. Beide planken kunnen eraf gehaald worden, zodat het bed makkelijker ververst kan worden. Ja, ja, Aadje mijn paatje is weer inventief bezig geweest. Verder ben ik niet trots op ‘m ofzo. (Opa stond met hout en een enorm schuldgevoel voor de deur, maar die laatste mocht toch echt niet mee naar binnen.)

Violen te koop

“Herman, kijk eens naar deze viooltjes. Zijn ze niet prachtig?”  “Je weet hoe ik over plantjes in potten denk.”  “Ja maar, ik krijg er zo’n voorjaarsgevoel van, van violen.” “Ze moeten water, uitgebloeide bloemetjes eraf…”  “Dat doe ik toch altijd. Jij hoeft er alleen maar naar te kijken.” Zeurtoon: “Mens, hou nou toch op. Eén nachtvorstje en ze benne dood. Weg centen.”  “Voor drie euro zijn we klaar, hoor”

 

 

Hij, op dwingende toon tegen het jonge verkoopstertje: ”Júffrouw, júffrouw! benne deze violen winterhard?” “Eh…nee meneer, het zijn eh gewone violen.” “Dus een nachtvorstje en ze benne dood?” “Misschien dat u de bak een nachtje beschut kunt wegzetten?”vraagt ze vriendelijk. Tegen zijn vrouw: “Zie je ’t nou? Moet je er nog mee gaan slepen ook. ’t Gebeurt niet. Klaar.” Hij wenkt haar: “Kom op, we lopen naar de slijter. Tijd voor mijn borrel. Dat gedraal altijd van jou.”

 

Zij buigt zich vertrouwelijk naar mij voorover en zegt: “Zo is hij niet altijd geweest, hoor.”  Ik knik begrijpend.  “Wat sta je te smoezen met die vrouw? Schiet toch eens op!” 

 

Zij kijkt nog steeds verlangend naar de violen. Ze twijfelt.

 

Ineens recht ze haar rug.  Ze rommelt in haar tas, kijkt met één oog naar haar man, hij kijkt niet, zij pakt iets uit haar tas, weer een blik op haar man, en haastig stopt ze iets in haar jaszak. Ze geeft er zachte klopjes op.  “Oh, Herman! Herman!…ik ben toch zó dom geweest!”verzucht ze luid. Ze zoekt druk in haar tas. “Mijn portemonnee ligt nog thuis…” “Wat! En mijn borrel dan? Verdomme. De winkels gaan zo dicht.”  “Heb jij geld bij je?” vraagt ze zangerig.  Hij, brommerig: “Je weet toch dat ik nooit geld bij me heb. Jij houdt altijd je hand op de knip.”

 

“Nou ja, dan gaan we maar naar huis hè, er zit niks anders op,” zegt ze, blij knipogend naar mij. Opgetogen loopt ze bij haar man vandaan. Zij geen violen, hij geen borrel. Dwars zijn zonder ruziemaken… (In gedachten schenk ik haar het hele assortiment violen).

Vierentwintig maart

Vandaag, veertien jaar geleden stond ik op barsten. Ik had ik een enorme omvang en voelde me een gestrande walvis. De uitgerekende datum was  1 april, maar zelf had ik daar heel andere gedachten over.

Stiekem hoopte ik namelijk op 24 maart te bevallen, de geboortedag van mijn om. Zij was altijd zo’n geweldig lief mens geweest, dat ik het als een cadeautje beschouwde als mijn Kind op die datum zou worden geboren. Als een levende herinnering aan mijn oma. En een weekje eerder bevallen moest toch best kunnen?

Oma’s ‘verjaardag’ brak aan. Heel de dag deed ik mijn uiterste best iets te voelen, wat maar enigszins op een wee leek. ’s Avonds ging ik naar bed, even dik als ik was opgestaan. Ik legde mijn bril – zonder roze gekleurde glazen – op het nachtkastje en viel daarbij nog net niet topzwaar voorover. Ik liet me neerploffen op het opgehoogde bed. Het kraakte onder mijn gewicht; het matrasplastic knisperde. Ik keek op de klok: ik had nog welgeteld 1 uur over om vandaag te bevallen. Toen dacht ik de onnozele woorden: nou, het zal vandaag wel niet meer komen, zeker (Nee, arm, naïef, dom, argeloos gansachtig wicht. Eén uurtje, voel je je wel lekker? Heb je niks opgestoken dan van de pufpufclub?). Ik slaakte een diepe zucht en… was in dromenland! (Ja, ja! Jullie lezen het goed! Zie je wel, dat ik het kan kon)

Kindlief kwam pas toen ze daar zelf zin in had: 1 april. (Ik hád het kunnen weten…)

Achteraf ook maar goed. Kind is een eigen mens, met recht op een eigen geboortedag. En 1 april past zó bij haar manier van leven: een Kind vol jolijt dat vooraan staat bij elk feestje.

Ach, oma’s verjaardag… die datum heb ik niet nodig om me haar te blijven herinneren. Zelfs sommige van jullie kennen haar, al is het dan alleen van naam: Barbara Bos.

Gekneusd Kind 2

Na het ochtendgloren zijn Kinds kneuzingen goed te zien: haar hele linkerkant is beurs, blauw en gekneusd. Dikke wang en hand. Alles doet zeer. Oh, en ze heeft zó’n hoofdpijn. En ze is misselijk, duizelig ook. Ojee, er gaat een knalrood lampje in mijn hoofd branden. Alarm! alarm! gilt het. Kind huilt. Het huishouden in rep en roer. We weten dan Kind hersens heeft, dus ze kunnen best geschud zijn.  

 

Eerst maar een bilpil. 

Gelukkig gaat het daarna wat beter. Ons bruistablet hangt uitgeborreld op de bank. Ze is nog zwaarder gekneusd dan van de wildste waterbaan ooit. Nou, zeg!

 

Ding, dong: Opa staat voor de deur. Samen met een eind hout en een noodoplossing. Hij krijgt een heldenontvangst! Ja, en koffie met koek. 

 

Ik heb natte inlegkruisjes in plastic zakjes in de vriezer gelegd. Na een half uurtje krijgt Kind het eerste ‘zoogcompres’ voor haar gehavende gezicht. Ik geef haar een bemoedigend schouderklopje. “Auww!” jammert ze. “Oh, sorry, je verkeerde schouder (goh, je zult mij maar als moeder hebben). Zal ik als straf een compres  op mijn blote buik leggen?”bied ik aan. Kind lacht niet; doet ook zeer. “Dan kom ik wel heel erg stil naast je zitten. Met mijn handen onder mijn billen, goed?” Ze knikt.

 

Stilte.

 

Pfffrt, blaast ze naast me op de bank. PFFFFRT! Gelukkig. Is er toch nog een lichaamsdeeltje dat ze niet heeft gekneusd!

Gekneusd Kind

BAMM! hoort Man de husby midden in de nacht. Stijf van schrik rent hij uit bed.  Meestal staat hij al naast Kindliefs bed vóór zij een wind heeft kunnen laten, maar vannacht komt hij te laat. 

Ik word wakker van een enórm gehuil. Eerst denk ik dat het de brandweer is. Maar nee, het is Kind. Gauw naar d’r toe! Hmm, zou ze ’n boze droom hebben gehad? Maar nee, ’t is veel erger: ze is uit bed gevallen! Uit Opa’s kunstig gebouwde hoogslaper; zó 1 m 75 de diepte in.

 

Oh, oh, arm Kind. Grote dikke tranen druppen op het zijl. Heb je niks gebroken? Doet alles het nog? Kun je een beetje wapperen met je armen? We voelen en kloppen zachtjes. Kind schreidt. Wonder boven wonder is ze nog heel. Wat een schrik om zo op de grond wakker te worden. Veel knuffels vallen haar ten deel.

 

Toen moest ze toch dat hoge bed weer in… We keken met z’n drieën langs het laddertje de hoogte in. Jeetje zeg, ‘t was net of dat bed in de tussentijd een metertje hoger gegroeid was. Voorzichtig geven we haar een kontje. Kind wordt klemstrak ingestopt door Man.   

“Mag de deur een stukje open?” piept Kind zachtjes. “Ja hoor!”

“En het lampje in de douchecel aan?” “Tuurlijk, liefje.”

 

Je snapt niet hoe ’t kan, na zo’n val-ervaring, maar Kind was gelukkig weer snel in dromenland (zij wel). Manlief trekt been nummer twee binnenbord en snurkt wijdweg (hij wel). Iemand anders in huis niet. Kind had haar nekje wel kunnen breken. Daar moet je toch niet aan denken? Maar ja, dat doe je dus wel…

Blije koe

 

 

Ik heb de voorjaarskriebels. Het jeukt aan alle kanten. Dan is er nog maar één remedie: naar buiten & fietsen!  Zoals altijd tel ik op de fiets mijn zegeningen. Maar vandaag komen er wel heel veel nieuwe bij: 

Lang Leve de Lente !  De dagen worden eindelijk langer én warmer. Nog even en de klok gaat een uur vooruit. Kortom: mijn toekomst zit weer in de lift!

Oh, wat houd ik toch van dit los in de rondte rijden!

Ik voel me een blije koe die de hele winter strak op stal heeft gestaan en vandaag voor het eerst de vrije wei in mag. Hup, uit dat korset! Tijd voor een feestje!

En we gaan nog niet naar huis (nog lange niet, nog lange niet…)

Overnieuw

 

Ze mag me dan dierbaar zijn, soms zou ik Kindlief  met plezier achter het behang willen plakken.  Vandaag is soms.

Chagrijnig staat ze voor de deur. Ze kwakt haar overvolle tas op de gangvloer en steekt  geïrriteerd van wal: “Ik wil nú op muziekles!” Ja, dat ze op muziekles wil, was mij de laatste weken al duidelijk geworden.

“Maar,” help ik haar herinneren “eerst komt theorieles + examen en dán pas kun je een instrument kiezen.” “Nou, das niet waar,” zegt zij “toevallig gaat dat héél anders, hoe precies anders weet ik ff niet, maar niet zoals jij het zegt.”

Ze neemt plaats op de wc en met de deur ver genoeg open, vraagt ze: “Waarom mag ik niet naar muziekles?”  “Omdat jij zelf niet weet wat je wilt. Je wilt op zangles; gitaarles; een uur extra naar dansles; en keybordles. Fijn dat je vader en ik een tijdje geleden op jouw uitdrukkelijk verzoek geen paard voor je hebben gekocht. (‘Ik hoef alleen maar een paard, verders niks!!’) want nu rijd je niet eens meer paard! Ik kan jou niet overal je zin in geven.” Nou, zij ziet daar anders het probleem niet zo van in.

Samen met haar grote boodschappenlucht probeert ze mij haar mening op te dringen, een uitzichtloze situatie, zo weet ze. “Als je over een half jaar nog steeds op muziekles wilt, prima, maar dan moet het nog steeds goed gaan op school en ga je een uur sport minderen.”  “Grmpf.” De sfeer in huis gaat er niet op vooruit. De lucht ook niet.

Na haar wc-bezoek wast ze haar handen, spettert alles onder, laat ze zich met een plof op de bank vallen, en deelt mee dat ze best iets te drinken lust. Vermoeid stop ik de rest van haar betoog. “Vandaag heb ik je gemist,” zeg ik, “en nu je thuis bent, vind ik er niks aan.”

“Weet je wat?!” ze veert enthousiast omhoog. “We doen het nog een keer over! Ik ga opnieuw voor de deur staan, ik bel aan en dan doe jij de deur open, net als de net, maar nu doen we gezellie.”

Ik lach geamuseerd.

Drie tellen later staat ze weer voor de deur, drukt op de bel en doe ik open. We vliegen elkaar om de nek. Zo, das beter. Tijd voor koffie en een sappie. Mèt iets lekkers, natuurlijk,want ja,we hebben wat te vieren!