‘Bloeiende’ kip

 

Nou, Myra, de werkbeschrijving van de ‘kip op bloeiend nest’ staat op ‘bloemschikken’.  Veel suc6!

Anderen die van bloemschikken houden, kunnen uiteraard ook aan de slag. (Waar wacht je nog op?)

Parkeren is ook een kunst

 

Nee hè! Kom ik terug van boodschappen doen, wat zie ik? Heeft een niet zo heel snugger iemand zijn/haar auto dusdanig naast de mijne gezet, dat ik niet normaal mijn auto in kan. Wil ik vandaag nog achter het stuur kruipen, dan zal dat via de passagierskant moeten. Ik zal ’t nog sterker vertellen: de buurauto staat zó schuin geparkeerd dat ik niet eens achteruit kan wegrijden! 

 

Mopperend dump ik de volle boodschappentassen achterin. Ik loop naar de passagierskant en net als ik wil instappen, komt er een meneer aanlopen. Oh, had ik al gezegd dat de verkeerd geparkeerde doos een Mercedes is? Bij deze. Meneer maakt wilde handgebaren en zegt dat ik asociaal ben om mijn auto zo neer te zetten. Ik asociaal? Pardon, meneer de vermaledijde, ik sta keurig in mijn vak! En voor iemand die op een invalideparkeerplaats staat, kunt u behoorlijk goed lopen! Maar ik gedraag me netjes en zeg: “Uw auto staat zo klem geparkeerd dat ik niet eens normaal kan instappen en achteruit kan rijden!”

 

Wat denk jij, vrouw? Jij bent stuk tuig en asociaal. Ik heb mijn expres zo geparkeerd omdat jij asociaal stond. En jij bent jaloers op mijn grote auto.”

 

Jaloers? Op een auto? Tsss… Snel stap ik mijn blauwe bolide. Straks zakt de broek nog van m’n kont. Ik voel een woede opborrelen, de stoom komt al bijna uit m’n oren. Maar mooi dat ik niet van plan ben me in een ordinaire scheldpartij te storten.

 

De man tikt op mijn raam. “Wat moet je?” vraag ik. Hij maakt een draaibeweging met zijn hand, dat ik mijn raampje naar beneden moet doen. Ja, aan m’n hoela! De vreselijke beledigingen en dodelijke ziektes die hij naar mijn hoofd slingert, versta ik zo ook wel.

 

Ineens bedenk ik me. Er schiet me iets netjes te binnen wat deze meneer vast niet kan gebruiken. Een heel klein stukje draai ik het raam open. Ik heb zijn aandacht. Ik kijk ‘m aan en moet me beheersen niet te gaan grijnzen. Ik knik vriendelijk naar hem en zeg welgemeend: “Krijg een zweer op je jongeheer!” De man zijn mond valt open van verbazing. Ik geef gas, rijd een stuk over de stoep en binnen drie tellen is de man uit mijn gezichtsveld verdwenen.

Zelfbeheersing is anders óók een kunst!

 

Vréémde bananen

Hè, kijk nou! Wat zien die bananen er vreemd uit op de mand! Is daar nou van gegeten? Met schil en al? Ja, daar lijkt ’t wel op. Maar door wie dan?

Zou Kind hongerig zijn geweest vanochtend? Nee, joh. Stel dat zij na haar ontbijt nog trek zou hebben gehad, dan had zij iets lekkers gepakt, een plak ontbijtkoek of zo. Niet iets gezonds. Verse groenten en fruit eet ze alleen na stevig aandringen. Stel je voor dat ze een allergische reactie krijgt van al die vitamines…

Wat dan? Zouden we muizen hebben? Wel flinke jongens, zeg, jeminee! Moet je kíjken hoeveel ervan gegeten is! Denk, denk… wie is er in dit huis gek op banaan? Hm… aha, er gaat een zacht lichtje branden. Ik krijg een vaag vermoeden wie de dader is: iemand met een grote snor, veel lichaamshaar en een beginnend buikje.

Precies: Bella.

Nog maar netgeleden,  – toen ik lekker de keuken aan het soppen was – zag ik de kamerdeur op een kier staan. O jee, waar is Bella? Die loopt immers los. Ik kijken, komt mevrouw net aangehuppeld uit het halletje. Zag ik dat nou goed, likte ze verlekkerd haar lippen af? Bella kijkt mij aan en knippert verleidelijk met haar lange konijnenwimpers. Nah, ik heb het me vast maar verbeeld. Wat heeft zij nou voor kwaad in de zin? “Kom maar naar binnen, Bella.” Voor de zekerheid deed ik wel de deur achter haar kontje dicht.

Maar ja, wist ik veel, toen was het kwaad dus al geschied; had mevrouw lekker van ónze bananen zitten snoepen!

’t Is ook wel een beetje vreemde plaats, bananen op een mand in het halletje. Ik geef het grif toe: geen alledaagse plek voor fruit. Maar als de koelkast vol is, moet een mens wat, nietwaar? En net deze ene keer (ja, heus!) was de rieten mand vol, en heb ik de bananen er bovenop gelegd. Stom hè?

Voor ’t geval iemand zich zorgen maakt omtrent de lichamelijke conditie van ons huiskonijn, zal ik ff een fotootje van Bella erbij zetten.  Nou, zoals je ziet: van een winterslaap was geen sprake want Mevrouw heeft rondbuikig de winter doorstaan! ’t Wordt misschien zelfs wel tijd voor een dieet…

Geen Joepie

“Goedemorgen. Gisteren heb ik een aangereden poes bij u gebracht. Hoe gaat het met haar?”  

“Helaas, mevrouw, ik heb geen goed nieuws. De dierenarts heeft de poes in moeten laten slapen. Het heupgewricht en een poot waren verbrijzeld. Niets meer aan te doen. De dierenarts vroeg wel of ik u nog een keer wilde bedanken dat u de poes bij ons heeft gebracht. Anders had ze langs de kant van de weg een langzame dood gestorven. Hopelijk is dat een beetje een troost voor u?”

“Wel een schrale,”zeg ik.

“Ja, wij vinden het ook jammer, hoor.” Ze zegt het een beetje sussend. Ik bedank haar en hang op.

 

Ik denk aan de stoere man. “Ik weet al hoe ik de poes ga noemen” zei ie gisteren in de auto. “Hoe dan?” vroeg ik nieuwsgierig. “Joep.”  “Joep? Nou, leuke naam wel voor een…uh…poes.”

Ja, maar ’t is de afkorting van een vreugdekreet.” Niet begrijpend had ik ‘m aangekeken. “Van… Joe-pie!”  Ik moest lachen om zijn enthousiasme. Ja, de stoere man is vast nog teleurgestelder dan ik.

 

Peinzend zoek ik de juiste woorden voor mijn sms’je aan Kind. Zou ze genoegen nemen met: ‘helaas’. Nee. Uitgesloten. In gedachten zie ik haar tijdens de les al opspringen, tegen de docent zeggen dat ze ogenblikkelijk haar moeder moet bellen en dat het ‘levensbelangrijk’ is. En tegen mij zal ze zeggen hoe ik het in mijn hoofd haal, om haar zo weinig informatie te geven!

Ik zucht. Peinzend verzin ik verder.

Aangereden poes

 

 

Dit is zo vreselijk! Het is dat ik in de auto zit, anders had ik mijn ogen stijfdicht geknepen. De auto voor me heeft net een kat aangereden. De bestuurder rijdt een stukje vooruit,kijkt in z’n spiegel… en met afgrijzen zie ik dat hij gas geeft. Hij rijdt door! Wat een gemakzuchtige lafaard. Tranen van onmacht prikken in mijn ogen. Niet janken, zeg ik nijdig in mezelf, doé iets!

 

De kat ligt midden op de weg. Hij probeert op te staan, maar z’n achterlijft blijft slap liggen. Ik laat m’n auto midden op de dijk staan, wetend dat het verkeer binnen een mum van tijd muurvast zal staan, maar het kan me geen reet schelen. Ik grijp een kleed uit de achterbak, pak m’n mobiel en bel de dierenarts. Ik loop dichter naar de kat toe. Maar ik ben bang voor de aanblik. Ik stel het kijken nog even uit, maar zie wel dat het een Cypertje is.

 

“Dierenpraktijk.”  “Goedemiddag,”zeg ik, “iemand heeft een kat aangereden… en is doorgereden.  Mag ik ‘m naar u toe brengen?” “Kunt u zien hoe ie eraan toe is?”

Oh shoot, grote gruwel. Ik durf nog steeds niet te kijken, maar nu moet ik wel. Ik kijk. Jasses. Ik slik.  “Euh…nou…zijn kaak is stuk (waarom zeg ik ‘stuk’, raar woord om te gebruiken), en zijn achterpoten… liggen raar.” Mijn stem klinkt onvast.  “Breng de kat maar zo snel mogelijk, dan roep ik in de tussentijd een collega op voor een eventuele operatie.” Ik verbreek de verbinding. Nu pas valt het me op dat er een meneer naast me staat.  Zo klein is ie anders niet. Hij ziet er groot en stoer uit, een echte rocker, in een t-shirt;  zúlke armen, beide voorzien van een tattoo-keurmerk.

 

Mevrouw,” zegt ie vriendelijk,“zal ik u effe naar de dierenarts heen en weer rijden?”

 “Dank u wel, meneer, maar het lukt wel” “Tuurlijk, meissie. Maar als jij nou de kat op schoot neemt, dan breng ik je,oké?” “Graag,”zeg ik. Van mevrouw naar meissie, binnen vijf minuten. Ik parkeer mijn auto en loop terug naar de kat. De moed zinkt me in de schoenen als ik het weerloze hoopje ellende zie; arm beest.

 

Er wordt flink getoeterd en dat irriteert de stoere man. Hij loopt in de richting van de voorste auto’s en maakt een gebaar van: zoek je ruzie, kóm maar! De herrie verstomt. Voorzichtig pak ik de kat op; een hand onder zijn koppie en de andere onder zijn achterlijf. Hij mauwt klagelijk. De stoere man rijdt zijn auto dichterbij. Ik stap in.

 

Bij de praktijk staat een dierenarts ons op te wachten. Hij wenkt ons om hem te volgen. Binnen leg ik de kat met kleed en al op de behandeltafel neer. “Is degene die ‘m heeft aangereden nou doorgereden?”vraagt de arts. “Ja,”zeggen de rocker en ik tegelijkertijd. “Onvoorstelbaar,”zegt de dierenarts. We kijken naar de kat en zijn het  ontroerend met hem eens.  

 

“Redt ie ‘t?”vraag ik. “Durf ik niet te zeggen. Eerst geef ik iets tegen de pijn.” De dierenarts rommelt wat tussen flessen en potje en spuit de kat iets in. “Zo, laat eens kijken… hij heeft een gebroken kaak… een gebroken achterpoot… ’t is een poes, zie ik. Ik hoop niet dat haar rug beschadigd is. Zodra de verdoving werkt, onderzoek ik haar verder en daarna ga ik foto’s maken. “Mag ik bellen hoe ’t met haar gaat?” vraag ik. “Ja, natuurlijk. Altijd. Kunt u het beste morgenochtend bellen.

 

Met lege handen lopen we terug naar de auto. We zwijgen. In de auto komen mijn tranen alsnog. Bij gebrek aan een zakdoek haal ik luidruchtig mijn neus op. De stoere man geeft me een schouderklop. Ongetwijfeld opbeurend bedoelt, maar hij slaat zowat door me heen. “Bedankt dat je gestopt ben,” zeg ik. “Ik had niet veel keus, hè? Jij blokkeerde heel de weg.” “Graag gedaan,”zeg ik. Hij grinnikt. “Als jij niet gestopt was, had ik ‘t gedaan, hoor. Mijn vriendin en ik hebben vier katten; er kan er nog wel eentje bij. Zodra ’t kan, neem ik ‘t beestje mee naar huis.” Wat fijn, zo’n stoere man met een hart. Hij stopt bij m’n auto en ik bedank ‘m. “Tot ziens.” “Jooo.”

 

De rastaman

                                                    

                                                    

juni 2009

Heerlijk! Jammie, jammie: een hoorntje Australisch ijs eten met een klodder slagroom er bovenop. Kindlief en ik zitten op een bankje in de Lijnbaan, met uitzicht op een plantenbak. De zon schijnt, de lucht is blauw. Ik staar wat voor me uit, genietend van m’n ijsje.

Vanuit de verte zie ik een Rastaman aan komen wiebelen; zo stoned als een garnaal, met dreadlocks en gehaakte muts. Swingend op zijn inwendige ‘beat’. Ja, en ik alles maar downloaden. Hij zal toch niet…jawel, als ik het niet dacht! Uitgerekend bij ‘ons’ bloemenperk blijft hij staan. Ergens in mijn lijf zit een  magneet die genante situaties aantrekt. Kon ik dat kreng maar deleten.

 

Rasta begint aandachtig de afrikaantjes te bekijken. Daarna kijkt hij naar mij. Hij pakt een afrikaantje beet en plukt ‘t af. Bijna verliest hij zijn evenwicht. Kind schrikt ervan. Gul biedt  hij mij het bloemetje aan. Ik knijp mijn neus dicht, want ik vind die dingen ronduit stinken. Uitvoerig ruikt Rastaman aan de bloem. Bijna het complete bloemetje verdwijnt in zijn neusgat. Hoe diep hij ook snuift en inhaleert, kennelijk kan hij er geen vies luchtje aan ontdekken.

Hij plukt er nog eentje af. Royaal wil hij ze allebei in mijn schoot gooien, maar door zijn benevelde toestand, mikt hij niet zuiver en vallen de bloemetjes vlak voor mijn voeten op de grond. Wel zo fris. Ik wil tenslotte geen afrikaantje vastpakken dat bij hem in zijn neusgat heeft gezeten. Aan de andere kant wil ik niet ondankbaar overkomen, dus bedank ik ‘m vriendelijk met een knikje. Zichtbaar tevreden met het behaalde resultaat, komt hij overeind en waggelt weg. Ik slaak een zucht van verlichting.

Kindlief weet niet waar ze het zoeken moet van de lol en een mevrouw op een bankje tegenover het onze, schatert het uit. Ja, vanaf een veilige afstand zou ik daar ook best om kunnen lachen…

Het haasje

Ken je ze? Die leuke en vooral lekkere chocolade paashaasjes? Op het kastje in de hal staat er zo eentje; heeft Kindlief van opa & oma gekregen. Zonde om meteen op te eten, eerst maar eens het mooie er vanaf kijken.

 

Het haasje staat al een week op het kastje, terwijl ie daar uiteraard helemaal niet hoor. Maar zowel Kind als ik zijn te lui om het chocoladebeest in het snoepkastje te zetten. Merkwaardig, niet? We komen er tenslotte voortdurend langs. Als we naar de wc gaan, naar boven of naar buiten willen. Het kastje is smal, hoog, en het wiebelt een beetje (tja, ’t is niet door Aadje m’n paatje gemaakt, dan krijg je dat). Dus gebeurt het ‘wonder’ waarop je bijna kunt wachten: pats! Het haasje valt stuk op de tegels. In wel honderd stukjes… nou ja, in véél stukjes. Wat zónde!

 

Tegelijkertijd ook best handig want juist die stukjes passen zo perfect in ‘t mondje. Ik sta met het kapot gevallen beestje in mijn handen. Hij is van Kind natuurlijk, maar een stukje voorproeven kan toch geen kwaad…? Maar ja, het is net als met de reclame van de nootjes van vroegah: als je er eentje hebt gegeten, moet je je altijd inhouden om niet te gaan graaien… Eén ding is zeker: dit haasje haalt de Pasen niet!

Jiehaaa!!

De zon schijnt en de lucht is blauw. Binnen in huis kan ik de lente bijna ruiken. Ik heb dan ook een enorme zucht naar buitenlucht. Dus hop, hop, op de bike!  Jemig, wat is ’t kkkoud. Ik ben blij dat ik me tot de wenkbrauwen heb ingepakt. Het waait stevig. De vogels deinen zeeziek in de bomen. Maar ik weet het zeker: de lente hangt in de lucht. Jiehaaa!

Vandaag voel ik me een winnaar. Waarvan? Nou, van de winter natuurlijk. Weg met dat seizoen!

Voorbij Schoonhoven rijd ik lek; geeft niks. Achterwiel eruit, ene binnenband eruit, andere erin, oppompen, wiel erin: klaar. Ben ik goed en wel opgestapt, word ik de berm ingereden door een vrachtwagen met oplegger. Op een haar na beland ik in de sloot. Niet voor ’t eerst hier in Cabauw. ’t Is zo’n typisch nauw polderpad waar twee auto’s elkaar niet kunnen passeren. “Ga dan op ’t fietspad langs de provinciale weg rijden,” zegt Manlief altijd. Maar winkelen doe je toch ook niet na sluitingstijd? Ach joh, ik draag een helm en kan zwemmen.

Ik zie de kieviten buitelen. Dikbuikige schapen staan te dromen in de wei in Polsbroek. Een boer scheurt voorbij met de mestkar achter de trekker. De laatste resten uit de poepsproeier zijn voor mij. Waar heb ik het aan verdiend?

De bestuurder van een personenauto heeft net z’n caravan uit de stalling gehaald. Hij ziet mij wel, maar wil me niet zien. Nu beland ik in het grind van een boerenerf. Ik vloek niet. Een paar honderd meter verder staat het verkeer stil in een langgerekte rij. Dezelfde meneer met caravan heeft dringend hulp nodig, want één wiel hangt boven de sloot. Voor de gezelligheid klop ik in het voorbijgaan ff op z’n raampje. Boontje komt om zijn loontje; eikel!

Neuriënd fiets ik dichter naar huis. Mijn hoofd wil nog dagen doorfietsen, mijn benen zeggen: basta!

Bijna thuis, steek ik de provinciale weg over. Wat ik dan zie, is puur moedergeluk: een eend met negen gele bolletjes! Hup,hup, hapt moeder. Ze snavelt het hele span naar de overkant van de weg. Zou het gras daar nou heus groener zijn? Ach, nee, daar zul je ’t hebben: er komt verkeer aan. Een vrachtwagen nog welliefst. Wat nu komt, kan ik absoluut niet aanzien. Platgereden donsbeestje, jasses. Maar kijk wat er gebeurt! Er zit niet zomaar een trucker achter het stuur, maar een Mens! Hij stopt. Grijnzend steek ik mijn beide duimen op. De held grijnst terug.

Mijn winter is definitief voorbij!

 

 

Verkeerde wissel

Oh, oh, er zoiets vreselijks gebeurd! Nee, ’t is niet zo erg als de wissel van Sven, maar wel een klein persoonlijk drama. En ook vanwege een verkeerde wissel.

Ik heb op mijn prachtige fiets een kilometerteller. De batterij is bijna leeg, maar ach, daarvoor hoef ik toch niet perse naar de wielerspecialist die mijn fiets gebouwd heeft, in een dorp verderop?

 

Die is vandaag namelijk gesloten en dan moet ik een dag wachten. En ik wil niet wachten, nee, ik wil nu meteen direct onmiddellijk een nieuwe batterij. Op naar de gewone fietsenmaker alhier. “Heeft u voor mij een nieuwe batterij voor deze teller op een racefiets?” “Tuurlijk,”verzekert hij me, “geen probleem, mevrouw.” 

Even later komt hij terug. “Zo, kijk eens, alstublieft.” De fietsenmaker legt mijn teller op de toonbank en een briefje ernaast waar ‘22.073 km’ op staat. “Dat is dan zes euro, mevrouw.” Ik staar gebiologeerd naar mijn teller. Want wat zie ik? Helemaal niks, oftewel: nul komma nul kilometers. Wat?! Hoe heeft die man dit kunnen doen!? Onthutst kijk ik hem aan. Hij heeft mijn totaal aantal kilometers uitgewist! 

“Ehm…ja, dit briefje is voor uw… eh… persoonlijke administratie. Sorry, ik wist niet precies meer wat de wielomwenteling van een racefiets was, het duurde iets te lang, dus staat de teller nu op nul.” “Had het aan mij gevraagd,” zeg ik, “ik weet dat de wielomwenteling 2133 mm is.”

“Maar zo erg is dat toch niet?” Niet erg? Niet erg? Daar heb ik me bijna vier jaar voor uit de naad gefietst. Door weer en wind over ’s Herenwegen gereden, in binnen- en buitenland. En alles in één seconde weg; mijn fietsverleden zomaar uitgewist. Dit begrijpen alleen fanatieke fietsers. Niet erg?

Snik. Ik ben tijdelijk ontroostbaar.

Dienstverlening?

Het regent, bah! Ik zet m’n fiets tegen de muur, het bordje met de tekst: fietsen om de hoek plaatsen, negerend. Binnen zit een handjevol mensen in de wachterkamer. Voor de balie van de doktersassistentes staat een oudere dame.

“Heeft u al gebeld?”vraag ik haar na een tijdje, gebarend naar de ‘fietsbel’ die op de balie ligt. “Ja,ja,”zegt ze, “al twee keer, hoor.” Een druppel van haar regenkapje rolt op haar bril. Ze leunt zwaar op haar rollater. Misschien heeft ze iets te bescheiden gebeld. Het personeel in de ruimte erachter zit ook zo hard te werken, dat het alles om zich heen vergeet. Twee doktersassistentes drinken thee, een derde zit aan de telefoon, en een vierde zit geheime informatie aan de papierversnipperaar te voeren.

Ik geef een harde mep op de bel. Zo! Dát is schrikken bij de assistentes! De patiënten in de wachtkamer grinniken. Een assistente staat vermoeid op en sjokt naar de balie. Ze kijkt mij aan. Ik wijs naar de dame met de rollater. De oude dame vraagt om haar herhaalrecept. “Wat is uw naam?”  

De assistente zoekt in een kast die vol staat met zakjes, maar dat van de oude dame staat er niet tussen.  “Wanneer heeft u het besteld?”

“Nou …eh…maandag heb ik het lege doosje in de herhaalbak gedaan, dus eh…vier dagen geleden.”  Zuchtend zegt de zoekster: “Ik kijk wel even in de computer. Ze zegt het op een toon, alsof dat werk voor haar eigenlijk te nederig is. Blijkbaar heb je statusverschil bij doktersassistentes.

“Wat was uw naam ook alweer? En uw geboortedatum?” De rollatormevrouw geeft de gewenste informatie. “Oh, ik zie het al,”zegt de assistente. U heeft de medicijnen van de specialist voorgeschreven gekregen. Dat recept mocht twee keer herhaald worden en dat is inmiddels gebeurd. Ik kan u geen nieuwe medicijnen meegeven.”

Gelukkig heeft de vrouw steun aan haar rollater, anders was ze vast voorover gevallen van schrik. “Ja…maar, ik heb die medicijnen nodig hoor!” “Ja, maar ik mag ze u niet geven.” “Hoe moet dat dan, ik kan toch niet zomaar zonder mijn  medicijnen?” “Ik mag ze u nou eenmaal niet geven. Misschien dat u de specialist kunt bellen.” De assistente achter de balie beschouwt hiermee het gesprek als beëindigd  en richt haar blik  op mij. 

Ik negeer haar. “Heeft u binnenkort een afspraak met de specialist?” vraag ik de rollatermevrouw. “Ja, over drie weken”, zegt ze. Ik kijk de assistente aan. “Kunt u deze mevrouw misschien haar medicijnen meegeven om die drie  weken door te komen?” vraag ik haar. ”Waar bemoeit u zich mee?!”zegt ze verontwaardigd.  

Inmiddels hebben zich nieuwe klanten gemeld en is het aantal wachtende om de balie gegroeid. Alle gesprekken in de wachtruimte verstommen. Iedereen kijkt naar mij. Ellendig is dat. Ik krijg een enorm rood hoofd. Van schrik van ik stil.

 

“Waar bemoeit u zich mee?” herhaalt de assistente.

“Nou, als deze mevrouw mijn moeder was, of mijn oma, dan zou ik uw gedrag niet pikken!”

“Hoe dat zo?” 

“Hoe dat zo?!  U heeft toch een baan in de dienstverlening? Zou u deze mevrouw dan niet eens van dienst voorzien?” 

Achter me hoor ik goedkeurend gemompel. “Die mevrouw heeft gelijk,” hoor ik luid en duidelijk achter me zeggen en:  “Je moet hier altijd voor jezelf opkomen, gewoonweg schandalig.” Ik voel me gesterkt.

 

“En hoe zou ik dat dan moeten doen, volgens u? “U kunt het aan een huisarts vragen, de specialist van de mevrouw bellen, of aan uw collega vragen die misschien meer kijk op deze situatie heeft. Oei, oei! wat een enorm valse opmerking van mijn kant! Van alle doktersassistentes werkt zij hier namelijk het langst van allemaal. Nijdig kijkt ze me aan. Pisnijdig kijk ik terug.

 

Een patiënt komt uit de spreekkamer, op de voet gevold door een huisarts. “Alle mensen,”roept de laatste,  “wat een consternatie. Wat is hier aan de hand?” Gelijk paddenstoelen uit de grond, schieten de andere assistentes uit hun hok. Is hun koffiepauze ineens voorbij? Sjonge, wat krijgen ze een haast. “Wie kan ik helpen?” klinkt het vriendelijk.  

De baliemevrouw krijgt het plots heet onder de voeten. Ze stevent op hoge poten naar achteren, komt terug met een doosje en een zakje in haar hand. Stickertje op doosje, doosje in zakje, klaar. Zonder een woord te zeggen, reikt ze de rollaterdame het zakje aan. Zo, was dat nou alles? “Dank u wel, mevrouw,” zegt de dame achter de rollater tegen mij. “Heel graag gedaan,” antwoord ik geheel naar waarheid.

Nu ben ik aan de beurt. Drie tellen later krijg ik mijn medicijnen. Tegelijkertijd met de rollatermevrouw sta ik bij de uitgang. Kan ik nog mooi de deur voor haar openhouden. Met een krom handje geeft ze me een schouderklopje.

Ik kijk haar na, als ze voorzichtig de stoep afhobbelt. Ze had best mijn oma kunnen zijn: bloemetjesjurk onder haar jas, grijs krulhaar, een bril…   

Buiten schijnt de zon. Dat werd tijd!

 

Bedaaankt vorr die bloeoeme!

Zo, hallo zeg! Ik heb me een struik bloemen cadeau gekregen! Voor de verzorging van Lolly, ja,ja.

Lolly is anders maar zó’n klein konijntje hè? (ik maak een kuiltje van m’n twee handen) en die bos bloemen is zóóó (ik maak royaal gebaar met twee armen). De bos ging nog maar net door de deuropening. Eerst vreesde ik, dat ik de regenton uit de tuin als vaas moest gaan gebruiken, maar gelukkig, de bos past klem in een emmer. Kost best veel ruimte op een dressoir, zo’n emmer. Maar ja, de heester kan niet op de grond gezet worden, want dan eet Bella de bloemen op. En net nu wij haar op dieet hebben gezet…

Gulle gevers: beaaankt vorr die bloeoeoeme! Van dat geld hadden jullie gemakkelijk nóg een week op vakantie gekund (suffies!)

 

Oh ja, ik heb begrepen dat ik een volgster heb. Haar naam zal ik niet noemen, maar hij begint met een A. Mevrouw A. Noniem, hartelijk welkom en tot half april, denk ik?

 

Grrroetjes, Mirjam.