Haantjesgedrag

“Ik fiets niet achter vrouwen!” slingert de man nijdig naar mijn hoofd als ik hem voorbij rijd. Nou, moet hij toch weten? Maar, oké als hij het zo graag wil: ga er voorbij dan joh, maar wel voortmaken én doorrijden hè. Hup! Zie het als een extra kans.

 

Toegegeven: de man doet zijn uiterste best; ik ben onder de indruk. Alleen is zijn wil vele malen sterker dan zijn benen. Hij kan er ook niks aan doen. Als mooi-weer-fietser leg je het nu eenmaal af tegen zoveel-mogelijk-fietsers. Dat heeft niets met man/vrouw verhoudingen te maken. Maar hij ziet het als een imagoschending, vindt zichzelf een bink en wil voorop rijden. Helaas: ik ga er alsnog voorbij. Hij vloekt, hij tiert. Zielig. Hij spuugt naar me. Wat een goor lef!  

 

Even overweeg ik hem aan te spreken op zijn vulgair gedrag, maar stel dat hij brutaal terugpraat dan zijn de poppen pas goed aan het dansen. Bovendien is de bink niet de slimste, want hij vergeet dat we tegenwind hebben, dus zijn eigen de rochel waait naar hem terug. “Moeilijk hè, fietsen en spugen?”kan ik niet na laten te zeggen. Best beleefd, toch?

 

 

 

Anderhalf uur later fiets ik Vianen binnen en rijd stante pede naar de kroeg met terras. Verrek, daar zit de rochelman. Hoe komt hij hier zo snel? Pech dat ik geen pokerface heb, want nu ziet hij mijn verbazing. “Ik woon hier vlakbij,”zegt hij vriendelijk. “Mijn fiets heb ik op de autodrager staan.” Hij  knikt poeslief naar me. Ja nu hoeft het niet meer, aardig doen. Eerst schelden en naar mijn hoofd spugen en nu gezellig doen. Ik ben geen labiel weekdier. Ik ga zo ver mogelijk bij hem uit de buurt zitten. Hij snapt de bedoeling.  

 

De bediening is ontzettend verschillend: een prettig pratende man met een welwillend woord voor iedereen en een zure mevrouw. Bij de eerste bestel ik koffie met gebak. Voordat ik er erg in heb is het allebei op en loop ik naar binnen om te betalen. De dame staat achter de tap. Ik vraag om een stempeltje voor mijn toerboekje. Mevrouw is niet zo welwillend.

“Waar is dat dan voor?” Argwanend blikt ze me in de ogen.

“Als bewijs dat ik hier op de fiets geweest ben.”

“Waar woon je.” Ze vraagt het niet, ze eist antwoord.  

“In K.”

Ze kijkt me aan alsof ze ieder moment kan gaan vragen waar mijn auto staat.

“Waar staat je auto!”

“Die staat thuis voor de deur; ik heb echt het hele stuk gefietst.”

“En dat moet ik geloven?”

Nee mevrouw, maar krijg ik wel dat stempeltje alstublieft?” Zó, dat geduld Kakel!

“Hoe weet ik dat ik daar geen last mee krijg?”

In één keer – BAM! – is mijn geduld weg.

“Bent u altijd zo vrolijk of alleen vandaag?” vraag ik vriendelijk.

Als ik nu die dame was dan toonde ik karakter en zou ik zeggen: stop dat stempeltje maar in een gat waar de zon nooit schijnt. De dame doet dat dus ook. Logisch.

 

Meteen daarna beent ze nijdig weg. “Ik moet nog betalen,” roep ik tegen haar rug. Nou ja, ik moet toch nog naar het toilet. Dan ga ik daar toch lekker de wc-rol afrollen, mijn handen in dat te kleine fonteintje wassen en heel de spiegel onderspetteren. 

 

Na mijn toiletbezoek staat de vriendelijke man  binnen en houdt ongevraagd het stempeltje omhoog. Afdruk in mijn boekje, klaar! “Dank u wel. En ik wil nog betalen,”zeg ik. “Dat is al voor u gedaan,”zegt hij.  “Wat zegt u?” vraag ik verbaasd. “Dat is al voor u gedaan. Die meneer in de hoek – die met dat fietsshirt –  heeft dat voor u gedaan.”

Nou zeg… mijn kluts valt op dek. “Oh…nou…eh bedankt voor de stempel,”stamel ik, en stap naar buiten. Sjeetje, ik ben er gewoon beduusd van. Fluim heeft natuurlijk spijt gekregen van zijn asociale gedrag. De gulle gever is inmiddels verdwenen; zijn terrasstoel is leeg.  

 

Onderweg zit ik toch een beetje met dat gebakje in mijn maag, maar gelukkig niet met het toilet, wanat dat heb ik onberispelijk achtergelaten!

  

Kakel ziet ze vliegen

Onderweg richting boerengehucht Achterbroek waaien de vliegen me als zwarte wolken tegemoet. Bah, van die kleintjes die overal in gaan zitten. Ik sputter tegen; het helpt niet. Ik wapper wild met mijn handen; vruchteloos. In Lopik durf ik amper adem te halen, in Benschop hoest ik vliegjes en in Uitweg proest ik vliegjes. Op de Viaanse brug gaat het een stuk beter want daar waait de wind alle vliegjes weg. Poeh, eindelijk rust.

  

Aan de overkant van de Lek – met uitzicht op de uiterwaarden –  eet ik mijn boterham. Er waait een vlieg op, jakkes. Gek word ik van die krengen. Ik stap op en probeer het later nog eens in Ameide. Oh ja, kijk dáár, een prachtplek, met uitzicht op buitelende kieviten! Wat denk je? Krioelt het van de koeienvlaaien vol strontvliegen. Misschien dat ze op de vlucht slaan als ik mijn schoenen uittrek? Blijf dromen, Kakel. Ik  zie het niet meer zitten. De vliegen mij wel.

 

In Goudriaan fiets ik heel onhandig met mijn hoofd schuin naar beneden, ondertussen loerend naar tegenliggers. In Ottoland stap ik af. Door mijn dichtgeknepen wimpers tuur ik omhoog naar mevrouw ooievaar die daar elk jaar braaf op de kerk zit te broeden. Ik kan haar niet zien. Jammer dat ze niet even haar kontje optilt, maar ja, dan krijgen haar eitjes het koud. Ik hoop voor haar dat er daarboven net zoveel vliegen zijn als hier beneden. Hoeft ze alleen maar haar snavel open te houden en zwermen ze zo haar keelgat in.

 

Vanaf Bleskensgraaf laat het geluk me in de steek: ladingen vliegjes waaien mijn helm in en tot overmaat van ramp achtervolgt een dikke bromvlieg me. Een menselijke bromvlieg weliswaar, maar daarom niet minder irritant. Hij heeft zich nijdig vastgebeten in mijn achterwiel.

 

Nieuw-Lekkerland is een drama. Overal zijn boeren aan het gieren, de mestsproeiers draaien overuren. De vliegjes ook. De fietser achter me haakt af, maar een andere vlieg in mijn helm neemt zijn plaats in. Bzzz, pok, pok. Vliegjes jeuken in mijn ogen en kriebelen in mijn neus.

 

In Kinderdijk houd ik mijn lippen stijfdicht. Hallelujah: de pont ligt er. Ik rijd erop, wurm me tussen de Italiaans campers door en ga links naast een andere fietser staan. Hij kijkt me  aan met een ‘kijk mij eens een killer zijn-blik’. Pfff, over bromvliegen gesproken…

“Ik wil er langs,”zegt hij. “Sorry?” vraag ik, terwijl ik ondertussen een tranend oog vliegvrij probeer te vegen. “Ik Wil Er Langs!” Dat toontje van die man. Zo praat Kindlief van 14 niet eens meer tegen me. “Ik Wil Daar Staan.” Hij wijst naar links van mij. “Ik ben snelverkeer, ziet u!” Joh toch; ik schrik ervan!

En ja, links van mij kan hij tweetiende seconde eerder door de hefboom. Ik ben geen eerzuchtig type maar nu giert de prestatiedrang in mij hoogtij.

 

Ik gluur voorzichtig tussen zijn benen door naar zijn verzet. Slechts met grote moeite kan ik een grijns onderdrukken: hij staat groot voor, en klein achter geschakeld. Dit wordt naar grote waarschijnlijkheid voor hem een wandeletappe. In zijn haast om als eerste beneden de pont op te komen, is hij vergeten vooruit te denken èn te schakelen. Klassiek geval.

 

Tuurlijk mag hij links staan. Ik maak een royaal gebaar: uitslovers eerst. Hij gunt me een minzaam knikje. Toch prettig zo’n middelbare vrouw die haar plaats kent. Deze meneer is geen bromvlieg, besluit ik, maar een ééndagsvlieg. Eentje met een beperkt bioritme, namelijk die van een ochtendvlieg. En het is nu ver in de in de namiddag.

 

De man met de stoere look neemt zijn plaats in. Hij staat te popelen en trommelt met zijn vingers op zijn borst. Mijn kuiten kriebelen net zo hard als dat vliegje in mijn ene oog. De bomen zwaaien opzij.  Zelfverzekerd zet hij aan. Ik wacht drie tellen en ze de achtervolging in.

Kijk hem eens harken, zie ik tevree. Ik rijd ‘m voorbij. “Je kan beter gaan lopen joh, straks val je om,”adviseer ik. In plaats van mij dankbaar te zijn voor deze gratis tip, vloekt hij stevig en schakelt. Kkgggg ketting eraf. Hij worstelt en komt lopend boven. Ik keur ‘m geen blik meer waardig en peuter het vliegje uit mijn oog. Eindelijk.

 

Twee vliegen in één klap!

 

Sjans

Vandaag had ik sjans!

Ja, da’s ff schrikken, hè? Nee, ik heb geen borreltje op. Ik kon het zelf ook amper geloven,joh. Ik stap ergens in the middel of nowhere van de fiets voor een boterham, en komen ze met z’n drieën tegelijk op me toesnellen. Ik denk dat het vast niet om mij gaat, maar om mijn boterhammen. Maar een hapje brood delen met de eerste de beste? Ik dacht het niet.

 

Hmm, lusten ze soms kaakjes? Daarvan wil ik best delen. Kijk eens, jij wat, jij wat en jij ook wat. Wat denk je? Blieven ze geen Sultana, de verwende loeders. Eentje komt er brutaal dichterbij. Ik houd zijn kraaloogjes en snaveltje goed in de gaten, want hij kijkt verlekkerd naar mijn voorband. “Pas op, want ik ga met alle plezier bovenop je zitten!”waarschuw ik, maar ik ben veel te voorbarig; hij gedraagt zich voorbeeldig.

 

Toen besefte ik het: ze vinden mij gewoon leuk! Het streelde me. Sjans met drie rode hanen. Nou, mijn dag is weer goed! Vol jolijt fiets ik terug naar huis langs de Vlist, Haastrecht, Stolwijk en Berkenwoude.  Er is onderweg zoveel moois te zien; laat ik eens met de ogen van een toerist kijken. Ik stap af (zo!) om foto’s te maken; best leuk, bewijsmateriaal vergaren.

 

Vol goede moed kruip ik thuis achter de computer. Knal! Foto’s erop. Loopt het toch ietwat uit op een teleurstelling. Mijn fotogenieke kant blijkt niet voldoende ontwikkeld. Ik weet wel hoe het komt: ik wil teveel, te snel in een te korte tijd…

 

Herkent iemand dat?

 

 

 

Snottebel

 

In de Loet zit een meneer op een bankje.  Zijn fiets staat een beetje schuin geparkeerd. Het hoofd van de man hangt voorover op zijn borst. Zo zeg, wat een bofferd! Die man doet lekker een middagdut, terwijl ik iemand ken, die in bed nauwelijks een oog dichtdoet.  

 

Ik fiets door. Een paar meter verderop denk ik: wat nou als ie géén dut doet, maar dat hem iets is overkomen? Een hartaanval ofzo? Lees ik straks in de krant: ‘meneer overleden na hartaanval, doordat argeloze voorbijgangers dachten dat hij in slaap was gevallen.’

 

Ik fiets terug. Eerst maar eens kijken of ie slaapt. Ik kuch. Geen reactie. KUCHE UCHE!! Geen reactie. Een stapje dichterbij dan maar. “Meneer, is alles goed met u?” Stilte. “MENEER  IS  ALLES  GOED  MET  U?!” Zijn hoofd schiet met een ruk overeind. Even kijkt hij mij gedesoriënteerd aan. Dan kijkt hij geïrriteerd. “Rot op, idioot. Krijg de vinkentering. Laat me met rust!” Ja, da’s ook een vorm van communiceren. Onaardige mensen; hoe ga je ermee om? En hem had ik willen (laten) reanimeren? Nou, ik ga maar weer.

 

Hé! Krijg nou tandjes! Zijn fiets staat niet op slot… Oh, wat een buitenkans, wat een uitdaging! Deze gelegenheid kan ik toch niet onbenut laten? Ik kijk naar de vinkenman; hij slaapt alweer. Ik aarzel. De verleiding is ENORM, om het fietssleuteltje uit het slot te halen, en achteloos in een braamstruik te gooien. Zijn verdiende loon… Zal ik…?

 

Nee, ik doe het niet, toch niet mijn stijl. Dankzij mijn rechtvaardigheidsgevoel  kan de man straks op zijn eigen fiets naar huis rijden. Besefte hij maar, welk noodlot hem net nog boven zijn hoofd hing.

 

Oooohh, maar wacht eens even…(hoor ik daar een zacht sadistisch lachje in mezelf?)  Wat ik óók kan doen is… snot aan zijn fietsbel smeren! Haha, ik vind dit zo’n origineel idee van mezelf dat ik er helemaal vrolijk van word. Mijn irritatie is opslag verdwenen. Laat de snotteBEL dan ook maar zitten.

 

Terwijl ik naar huis fiets, vraag ik me af of ik de volgende keer weer een ‘hulpbehoevende’ man zal helpen. Misschien als zijn fiets niet op slot staat en er een bel op zit? Aan de andere kant: wie mij onnodig wakker maakt, zoekt óók ruzie!

De groenteboer

 

Je hebt mensen, je kent ze nauwelijks, en toch denk je: jou mot ik niet. Is dat aardig? Nee, maar denk eens na, jij kent ook vast wel zo iemand (dit is om mezelf iets minder schuldig te voelen.)

 

Zo mot ik de groenteboer op de markt niet. Ik kom er zelden, maar als ik er kom erger ik me blauw aan die man. Hij is lomp en onbehouwen, vooral tegen oudere dames. Wat hij zegt? Nou, bijvoorbeeld: “Zo, omaatje jij hebt ook vooraan gestaan met het uitdelen van de zeiloren.” Of: “Dag huissloofje.” Zó’n man. Een enge man. Ik krijg er kromme tenen en een dwars gevoel van.

 

Kennelijk moet de groenteboer mij net zo min, want hij heeft me nog nooit geholpen (Jakkes, wat een wóórd! Nog niet eerder gemerkt dat daar zo’n onfrisse bijsmaak aan kleeft.)

 

Dan, je raadt het al, knikt de baas himself mij toe. Dat belooft wat, denk ik nog, terwijl ik hoop dat deze eerste keer ook meteen de laatste keer wordt.

 

“Zeg het maar mevrouwTJE.” Kijk, dat vind ik al niet zo’n beste openingszin, maar alla, het is vrijdag en ik heb vannacht geslapen, dus: laat maar. Ik begin met ‘neutrale’ groente en fruit, maar ja, ik wil ook een komkommer.

Als laatste zeg ik: “En een komkommer.”

“Wat gaat het mevrouwTJE doen met de komkommer?”

“Ik weet niet wat uw vrouw ermee doet, maar wij eten ‘m op thuis.”

“Ik heb geen vrouw.”

“Dat verbaast mij niks.”

Hij verslikt zich. Het personeel deed zijn uiterste best niet te lachen.

“Dat was ‘t,” zeg ik snel.

Hij leek opgelucht. Hij kuchte zwaaiend met een wijsvinger, en knierpte: “U help ik niet meer.”

Ha! Mensen, hij zei u!

 

Naast me trok een oudere dame mij aan mijn mouw. “Mevrouw, zegt u even dat hij mij ook niet meer mag helpen.” Ik hoefde niets te zeggen. De boer was nog bezig met hoofdrekenen; hij knikte slechts.

 Ik heb nog nooit zó gemakkelijk mijn zin gekregen!

 

Achter de Rododendrons

Ken je ze: Rododendrons? Die fijne, betrouwbaar winterharde heesters. Je kunt echt op ze rekenen; ze stáán ervoor! En ze zijn enorm ‘blikdicht’. Je voelt zeker al aan je water waar ik heen wil?

 

Wat doe je met je fiets als je gaat wildplassen? In ieder geval: nóóit eenzaam en alleen tegen een paal of hek zetten, dat is geheid vragen om problemen. Want? Iedereen die voorbij komt en de fiets ziet staan, denkt: hé, een fiets, leuk, vanwieissie?, de eigenaar doet zeker een plas, eens kijken waar hij staat (zij zit). Ze loeren in de rondte, tot ze tevreden een gekleurd stuk textiel door een struik zien schemeren. Missie volbracht. Voor de kijker dan, hè!

 

Terug naar de Rododendron. Plasplekken ken ik als mijn naadje broekzak. Elk nuttig adres onderweg, koester ik. Ik heb één speciaal adres waar ik praktisch het alleenrecht op heb, want vlak bij de struik staat een bordje: ‘verboden voor onbevoegden’. Uiteraard ben ik onbevoegd, maar tijdens het plassen voel ik daar niks van. Nee, ik plas niet in iemands achtertuin, zó brutaal ben ik nu ook weer niet (alhoewel…). Het bordje staat bij de ingang van een natuurterrein, met kilometers plat weiland erachter.

 

Kom ik vandaag bij mijn vast plek: staat daar een heel charmante mevrouw. Naast haar fiets. Oh, een vrouw. Heeft ze een lekke band? Hmm. Nee. Wat doet zij hier? Ehm. Wat nou? Tussen nu en de eerste 25 kilometer weet ik geen geschikte locatie. Da’s best lang ophouden, hoor, op zo’n bonkend zadel.

 

Ik wacht. Pompiedompiedom.

 

Ik probeer de deftige dame een beetje weg te kijken. Daar geneer ik me voor, want ik vind het erg onaardig van mezelf. Bovendien stond zij er eerder dan ik. Maar op een ‘luisteraar’ naar mijn klaterend beekje zit ik ook niet te wachten. Wat ga ik doen? Het is nu, of nooit…

 

NU! Ik til mijn fiets op (doorns en lekke banden), en verdwijn achter de Rododendron.

 

IEIEWKK!!

 

Ik weet waarom de deftige dame niet weggaat! Haar man is drukdoende met een grote boodschap. Naast zijn fiets. “Stoor ik?”vraag ik. Maar dat is van de schrik. Het antwoord wacht ik niet af. Als een haas draai ik me om en ‘hol’ weg.

 

Met een knalrood hoofd kom ik achter de bosjes vandaan. “Sorry,” zei ik tegen de deftige dame.  

 

Van mijn plas zie ik af.

 

 

Effies naar Strijen

“Heej! Jaap! Eindelijk,”zeg ik hijgend als een molenpaard. “Pfff, ik rijd al vanaf Kinderdijk achter jullie, waar is de brand?” Voldaan gegrinnik door vier mannen in clubshirts. De ouwetjes doen het nog goed, constateren ze vol vreugde. Ik zie Jaap, Joep, en Henk. De vierde man ken ik niet. Blijkt ook een Henk te zijn. “Hé Kakel, fiets je met ons mee?” “Waar gaan jullie heen?” “Oh, effies naar Strijen.” “Hoeveel kilometers is dat?” ”120 ofzo.” “Ja,  goed, maar dan heb ik niet voldoende eten bij me.” “Joh, dan overvallen we wel onderweg een SRV-wagen.” “Okeej.”

 

De route is prachtig. Binnendoor naar Wijngaarden, de Hollandse Biesbosch, Kop van ’t Land. Joep rijdt op een splinternieuwe fiets. Jaap steekt er voortdurend de gek mee.

 

Waarover praten wij, die vijf daar op de fiets? Over de Tour, de Giro, Lance,  (klein)kinderen, werk (“wat doe jouw man ook weer, Kakel?” “Heel hard werken.” “Sjeez, je bent nog net zo irritant als altijd.” “Dankje.”), over de huishuidbeurs (grapje), Job Cohen, wegwerkzaamheden, kortom: alles.

 

“Stop, een SRV’man!” gil ik opgetogen. Ik koop een banaan en een ½ liter slagroomvla. De heren kopen toetjes in een potje. Ik zeg niks.“Heeft u er een lepeltje bij?”vraagt Henk. “Nee meneer,”zegt de SRV’man.” “Ook niet zo’n klein plat ding? “Nee, ook niet, sorry.” “Hahaha, natuurlijk niet!” ik sla Henk enthousiast op de schouder. Al het ingeslagen eten verhuist tijdelijk naar   de rugzakken van onze shirts.

 

Onder grote hilariteit rijdt Joep lek op zijn nieuwe fiets. “Niemand mag ‘m helpen,” zegt Jaap. “want Joep helpt zelf nooit een ander, bang als hij is voor vieze handjes. Laat hem maar lekker z’n gang gaan.” Wij gedragen ons zoals het echte vrienden betaamt en gaan op ons gemak tegen een grasdijk aanhangen. Jaap vertelt over Joep. “Wat denk je? Koopt die man een nieuwe fiets van 7000 euries, maar een pomp kopen? Ho maar!” Als het nieuwe binnenbandje in de buitenband zit, gaat Joop er eens goed voor zitten. Hij wil weleens zien waarmee Joep lucht in dat ventieltje blaast. Joep pakt achteloos een capsule uit zijn achterzak en zet die op het ventiel. “WAT!”brult Jaap, “hebbie een capsule met lucht voor in de bandjes? Nou weet ik waarom ik heel de tijd poeplucht ruik, je bent een kakgozer, man!” Joep grijnst breeduit.

 

Tijd voor toetjes. Henk trekt het cellofaan van zijn potje, stopt zijn wijsvinger erin, peutert er een klodder uit en als de klodder bijna bij zijn mond is valt ie op Henks broek. Hij haalt ’t van zijn broek, plof, op de grond. Tweede poging. Nog voor z’n vinger goed en wel uit het potje omhoog komt, glijdt de klodder alweer terug het potje in. Derde poging. Gaat heel goed, totdat Jaap Henks arm een duw geeft: weer niets in zijn mond.

Henk zet het potje tegen zijn lippen: er komt niets uit. Ik pis bijna in mijn broek van het lachen. “Hou op, Kakel, anders drink ik jouw toetje op!” Hoe de heren tóch nog hun toetje binnenkregen zal ik je besparen.

 

“Mevrouw heeft u uw benen in de Omo gewassen? Ze zien zo wit,”roept Jaap naar een langsfietsende mevrouw in rok. Ze rijdt snel door. “Oh, mevrouw! Uw benen zien net zo bruin als Fred, mijn witte muis!”doet Henk een duit in het zakje. “Houd daar eens mee op,joh,”zeg ik. Uiteraard is dat tegen dovemansoren gezegd. Nou, ik ga ff ergens anders hangen, want hier hoor ik niet bij. “Onopgevoede scharminkels,”roep ik. “Nietes, we zijn vanmiddag op schoolreis en dan mag het. Thuis mogen we ook al niks. Begin jij nou ook al?””Ja!”

 

Henk laat een boer, zó hard! “Keleune,”zeg ik, “hebbie niks gebroken?” Een mevrouw die langsfietst hoort het en giert het uit. Tijdelijk zijn de witte benen vergeten.

 

’t Is weer tijd om te vertrekken. We stuiven alle vijf een andere kant op voor een sanitaire stop. Best lastig op een kaarsrecht grasdijk. Ik krijg de dichtste struik voor mij alleen. Zo zijn ze nou ook wel weer.

 

Na Dirksland en de Heinenoordtunnel komt de Brienenoordbrug in zicht. Op de laatste stuif ik als een bos vlooien omhoog, want dat is het voordeel van mijn gebrek aan gewicht. Ik rijd een ‘gast’ op een MTB voorbij. De berijder probeert me achteruit te trekken aan mijn zadelpen. Knarsetandend haal ik uit in een reflex. Geen resultaat. Ik fiets door. De MTB’er probeer het een tweede keer. Ineens fiets Jaap naast me. Hij dwingt de fietser naar rechts, zodat de man tegen een ijzeren pilaar rijdt. “Doen we ff normaal!”zegt Jaap “een beetje die arme vrouw lastigvallen?” Arme vrouw, ík? “Hallo Jaap…!” Afwerend handgebaar. Tegen de fietser: “Jij fiets nu verder.” Dat wil hij maar als te graag! “Nee,”zegt Jaap, “díe kant ga je op.” “Dat is de verkeerde kant, ik moet naar Capelle!” “Niks mee te maken, jij gaat DIE kant op.” Tja… met Jaap maakt niemand graag ruzie, want hij is op zijn zachtst gezegd nogal in de breedte gegroeid. En hij kijkt er woest bij.

 

Weer een brug verder, doen we tien kleine negertjes, maar dan met zijn vijven. Eenzaam fiets ik naar huis. Wat een stilte, mensen! Vrouwen hebben misschien de naam, maar sjonge, wat kunnen die kerels kakelen!

 

Nog snel even langs de slager. “Waar ben je geweest?”vraagt hij. “Eh… Strijen,”zeg ik. “Oh joh, daar heb ik nog een nicht wonen!” Ach hemel, als ze maar geen heel erg witte benen heeft dan!

Toertocht Grand Depart

Ta-ta-ta-ta (bazuingeschal) 

 

Ik heb mijn inschrijving ‘binnen’ voor de Toertocht Grand Depart voor donderdag 1 juli in Rotterdam.

Er worden delen van zowel de proloog als de eerste etappe van de Tour de France 2010 gefietst.

 

De Tourstart mag dan aan mijn neusje voorbij gaan, op deze fietskans is voor mij! Ik geneer me wel een beetje voor de korte afstand waarvoor ik me heb opgegeven, namelijk 70 km. Maar ach, op de fiets heen en terug naar de start, kom ik aan de 110 denk ik.

 

De volgende dag gaan we op vakantie, en dan moet ik wel alle schone onderbroeken van heel de familie ingepakt hebben (èn de konijnen uit logeren gebracht, het gas uitgezet…) 

 

IK GA! OOK ALS HET REGENT, HAGELT, NAT SNEEUWT, WHATEVER!!

Als je iemand met startnummer 03410 voorbij ziet flitsen, dan ben ik dat!

Toevallige ontmoeting

Mevrouw…, mevrouw!”

Ik kijk achterom. Heeft deze meneer het tegen mij? Ja, moet wel, ik zie niemand anders. “Mevrouw, mag ik u wat vragen?” Ja hoor, meneer.” “Was u hier toevallig kortgeleden ook?”“Ja,” antwoord ik.

“Bent u toen gevallen?” “Ja…,”zeg ik aarzelend. Waar gaat dit gesprek naartoe?  

Het zit zo: mijn vrouw was er ook bij, ze waren met nog veel meer fietsers, maar ziet u, iedereen was erg geschrokken… en… “
Hij houdt zijn hoed ineens stevig met twee handen op zijn hoofd gedrukt, want het waait bij vlagen stevig.

“Maar,” vervolgt hij, “de meeste fietsers van die groep zijn min of meer visueel gehandicapt. De begeleiders, nou ja, die kunnen wel goed zien natuurlijk. Die begeleiders zeiden heel de tijd: jullie motten doorrijden, niet kijken, doorrijden, niet afstappen. Want dat is voor hun het moeilijkst, ziet u? Pas toen ze terugwaren in het dorpshuis, hoorden ze dat er een mevrouw gevallen was. Iemand met een helm (ach hemel, en met een grote kakel, denk ik meteen), een geel jekje – net als nu – en met een klein spiegeltje op haar bril. Dat is een apart …dingetje, mevrouw.  Mijn vrouw was erg geschrokken van de auto – een rode, niet? – die ineens gas gaf. De bestuurder reed niet zoals het hoort…Hoe gaat het met u?”

Ik ben sprakeloos. Al die tijd ben ik alleen maar boos geweest, nee teleurgesteld, dat alle fietsers doorreden terwijl ik nog een geplette kat van de weg pluk. Daar begreep ik helemaal niks van. Terwijl ik meestal degene ben die NIET zegt: hou ouder hoe gekker, maar: hoe ouder hoe liever. En na die valpartij (b)leek dat ineens niet meer te kloppen. Veranderd van gedachten door één lullig akkefietje.  Alleen maar aan mezelf gedacht. Ik schaam me. “Nou ja… ,”hakkel ik, “dat valt erg mee hoor! Ik fiets alweer. Hoe is het met uw vrouw? Was zij erbij als begeleidster of…?” 

“Nee,nee, helaas niet. Ze heeft vreselijk de bibbers; voorlopig durft ze niet meer te fietsen. Schaamt zich dat iedereen moest doorrijden.” ”Meneer, niemand hoeft zich schuldig te voelen, want een boer op een tractor heeft me geholpen.” “Oh, is dat zo?” “Ja, echt. Maar, kunnen ze op de fiets geen gekleurde hesjes gaan dragen? Dat automobilisten…” “Nee, nee,”valt hij me in de reden, “dat is ’t nou juist, níemand wil opva….”

De man grijpt weer met twee handen naar zijn hoed. Te laat, want de wind heeft ‘m opgepakt. We kijken de hoed na, die via via in de sloot belandt.

Ik kan er net niet bij, mijn armen zijn tekort. Er komt een ritsje jeugd aan. “Wattisser meneer?” “Mijn hoed. In de sloot.” Eén jongen trekt zijn schoenen en sokken uit, en sjort zijn beide broekspijpen omhoog. Kijk, Kakel, zó doe je dat! Binnen drie tellen heeft hij de hoed te pakken. “Alstublieft, meneer. Hij is wel nat.” “Ach jongen. Bedankt! Bedankt! Wat zal je moeder zeggen van je natte broek enzo?” “Oh, als het is om iemand te helpen, mogen mijn kleren wel vies worden.” Wat heb je toch fijne moeders!

Allemaal tegelijk stappen we weer op onze fietsen. Eén weg, twee totaal verschillende dagen. Ik schud mijn hoofd. Wel heel toevallig dat ik deze meneer hier op heel toevallig dezelfde weg tegenkom. Maar ja, toeval… daar geloof ik nou net niet in! 

Pak me dan!

“Bella? Bel-la, zit je stuk?”

Hiewp hieuwp ik zit vast.

“Ik dacht dat je er zelf wel uit kon komen.”

Hoe dan, baasje? Er prikt iets heel stevigs in mijn kont.

“Dat is de knop van de CV.”

Hang die maar aan de kapstok. Waar blééf je nou zolang? Was je weer weg op je tweewieler?

“Nee, ik ben nijverig in de huishouding bezig!”

Nou ja, nijverig… Pak me dan! Pak me dan!

“Zul je niet spartelen?”

Nee!

Stevig grijp ik Bella beet in haar bontkraag, til haar een meter kaarsrecht omhoog, en zet haar op de grond. Zij spartelt niet één keer… Ik denk: nou, die verdwijnt stampvoetend onder het lage tafeltje. Maar nee, zij strekt zich langgerekt uit voor de nephaard. Daarna doet zij een lange dut.