Bella in goede en slechte tijden

KLATS! ritselritsel ieiehh tikketikketik stamp stamp!!

Wat nóu weer?

Sta ik als keurige huissloof boven te strijken, wordt in het toilet beneden de tent afgebroken.

Bella weer natuurlijk, wie anders? Ik dacht dat mevrouw in de tuin liep te drentelen. Is ze sneeky onder het horrengaas door naar binnen geglipt.

 

Holderdebolder loop ik de trap af. Beneden zie ik nattigheid. Zeg maar gerust dat het een bende is.  Bella heeft lekkere trek gekregen en haar tanden in de bos bloemen gezet. Gehuld in cellofaan stond de bos stilletjes te wachten om aan de juiste persoon overhandigd te worden. Die krijgt een afgeknaagd bosje. Hopen dat vriendin dat straks niet al te persoonlijk op zal vatten. Tijdens het verorberen van de bloemen, stortte de vaas om. Overal staan natte pootafdrukken op de vloer. Dat beest steekt ook werkelijk overal dat lange konijnenneusje in. 

 

Waar is dat stuk geteisem nu? Oh, ze hangt het argeloze slachtoffertje uit in de tuin. Verbaast me totaal niet.

 

Twee buurtkatten gluren vanaf het dak van het tuinhuisje naar Bella. Hun staarten zwiepen geïnteresseerd heen en weer. Soms lijken de staarten op vraagtekens. Alsof het afgesproken werk is, springen ze tegelijkertijd van het dak en rennen naar Bella. Die krijgt terplekke een hartverzakking en zet het op een rennen. De katten zetten de achtervolging in.

 

Snel zoek ik een potje met water, want van een plens water hebben katten doorgaans niet veel terug. Als een hijgend hert probeert Bella aan haar belagers te ontkomen. Bij gebrek aan water, jaag ik blaffend (ja, ja!) de katten weg. Ik probeer de tactiek van de buufhond na te apen, door de katten hun vijver in te jagen, maar dat mislukt. Alhoewel, mislukt… het is de buufhond (gelukkig) ook nog nooit gelukt.

 

Mevrouw konijn kiest het hazenpad en rent pijlsnel naar binnen. Maar waar is ze nou toch? Niet in haar hok, niet onder de kast, de tafel of de bank. Waar kan een dik hangbuikkonijn zich nou nog meer verstoppen? Uit de keuken komt gebrom. Maar ook daar zie ik geen Bella.

 

Wacht eens even… Ja, gevonden! In zwaar geshockeerde toestand ligt ze klem tussen de kast en de muur. Met een hartslag van 150 p/m en een briesend neusje. Tjonge, zou ze daar zelf weer tussenuit kunnen kruipen? Ik heb zo mijn bedenkingen. Moet je zien hoe weinig ruimte er is, en de knop van de verwarming zit tegen haar kont. Maar ja, ik heb niet veel trek in een reddingsoperatie van een ziedend konijn. Ik wacht ff tot ze er wat hulpbehoevender uitziet. Bella is namelijk geen konijn om zonder handschoenen aan te pakken. Er staat een kop op. Maar mocht ze er over – zeg – een klein uurtje nog zitten, dan bombardeer ik mezelf tot directeur van het konijnenbevrijdingsfront.  Je hoort (snel) van mij!

 

Gevallen vrouw

Hansworst die ik ben! Ga ik zonder helm de deur uit. Vergeten. Ligt nog boven.  Teruggaan of lamaar? Ken je die stemmen in je hoofd? De meisjesstem zegt: “Ja! Lekker zónder, moet je doen joh, heerlijk ouderwets die wind weer door het haar!” De mevrouwenstem zegt: “Nou ja, als jij dom de dag door wil komen…fine with me, moet je natuurlijk helemaal zelf weten, maar wie geen helm draagt…tja, die heeft kennelijk niks in ’t hoofd zitten wat bescherming nodig heeft. Hmm. Ik  graai mijn oude helm uit de garage en zet die op. Klaar voor vertrek.  

 

Alles gaat heerlijk voorspoedig: een flinke bek wind tegen; koeien blij ik in de wei; jubelende leeuweriken die de tocht veraangenamen. Ik fiets door Oudewater naar de Ruige Weide; een lang smal pad. Er staat een auto te wachten op een uitwijkplaats, want er rijdt een lange sliert fietsers – 2 aan 2 – van de ANBO langs. Kennelijk duurt het de bestuurder te lang. Plots geeft hij gas, de fietsers stuiven verschrikt de berm in en voor ‘t gemak ziet hij mij over het hoofd.

 

Het gebeurt in een onderdeel van een seconden maar – o wonder – voor mij vertraagt de tijd.  

 

Ik zie de Hoeve Alfa & Omega; op mijn kilometerteller staat 55,5; ik denk: ach nee, arme fiets; en: niet op mijn bek vallen want ik heb pas anderhalf jaar gebeugeld; nu val ik… KLATS! Als ik tegen het asfalt kwak, proef ik weer die typische metaalsmaak in mijn mond.

 

De weg is geheel van mij, want de auto is doorgereden, evenals het restant van de fietsers. Een vrouwspersoon vraagt in ’t voorbijrijden nog snel: “Gaat ’t mevrouw?” Misschien denkt ze dat ik een asfalttest doe of is ze bang dat Frans Bauer onverhoeds achter een dikke banaan tevoorschijn springt.

 

De teleurstelling van het doorrijden, voelt pijnlijker dan de smak zelf. In mijn prehistorisch brein heb had ik het mottige vooroordeel dat oude(re) mensen juist zo goed weten hoe alles moet, qua beleefdheid en goede manieren. Helaas…vandaag net even niet. Een tegemoetkomende tractor stopt en een jongmens stapt uit. “Zal ik eerst uw fiets oprapen of uzelf, mevrouw?” Nou, maar goed dat mijn broek samen met mij  langgerekt op de grond ligt, anders was ie afgezakt. Dát zou pas een blamage zijn geweest!

 

Mijn fiets parkeert hij heel beschaafd tegen een boom. Ik heb niets gebroken, hooguit een geknakt ego; opstaan kan ik zelf. Verbijsterd staar ik de weldoener na. Van schrik weet ik niet of ik nog ‘bedankt’ heb gezegd. Ach, nou ja, hij had ook haast natuurlijk! De varkens moeten vast nog vreten en het hooi nog van ’t land. Ik voel me een heel zielig vrouwtje. Je snapt: dat gevoel heb ik alleen na een harde schok. Ik staar naar mijn gele polsbandje van Lance. LIVESTRONG. Was ik bezig met strong te liven? Nee, allesbehalve, ik gedraag me als een watje, bah!

 

Hoe doen de profs, de cracks, dat na een val? Ze staan op, en als ze geluk hebben schiet een dokter vanuit een auto een paar nieten erin en hup,hup, hup, door naar de meet! Vervrouw je, Kakel!  Ik stroom weer vol pit en spring veerkrachtig ( nou ja…) op mijn fiets.

 

Onderweg smijt ik mijn lange overbroek in een afvalbak. Hij plakt door het bloed toch maar viezig aan mijn been vast en bij de knie zit een onherstelbaar groot gat.

 

Thuis, onder de warmwaterstraal van de douche, doen alle schaafplekken pijn. Straks flink veel jodium erop doen, dat zal me leren. Best een lekker gevoel, trouwens, als dat geprik wegtrekt. De linkerkant van mijn lijf is beurs en blauw, maar is blauw niet mijn lievelingskleur? Mijn ribben doen het meest zeer, maar alleen als ik lach of nies, maar ach, dat doe ik vrijwel nooit.

 

PS-1: Mijn fiets is er prachtig vanaf gekomen. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen, dat toen ik opstond, ik het allereerst naar mijn fiets keek. Is dat echte liefde of niet?

PS-2: In mijn helm zit een deukje. Goed hè?

PS-3: Ik heb morgen een verjaardag. Ik twijfel nog of ik een kort rokje zal aantrekken, zodat iedereen goed mijn gehavende been kan zien.

 

Karakteristieke koeien en een dikkerdje

 

 

“Mevrouw, wilt u het touwtje even voor me vasthouden?” vraagt de boerin  vriendelijk. De koeien worden verweid en een dun draadje doet wonderen. Hoe romantisch! Nieuwsgierig vraag ik: “Waarom hebben koeien altijd twee oorbellen in?” “Omdat dat verplicht is, voor ’t geval ze er een kwijtraken,”antwoordt ze. “Kijk, die rooie daar draagt al haar derde paar. Met haar vorige oorbellen heeft ze net zolang tegen een hek staan schuren, tot ze er, met een stuk oor en al, vanaf vielen. Binnenkort heeft ze geen lel meer over.” “Wel een koe met karakter,”zeg ik. “Ja, en met hoorns hè?”zegt de boerin adrem 

Eén koe snuift luidruchtig aan mijn voorwiel. Ze doet haar staart omhoog. Oh nee, ik weet al hoe laat het is. Té laat. De poepspetters vliegen tegen mijn broek. Weg idylle. Het lijkt wel of de melkmeisjes alles hebben opgespaard voor uitgerekend dit heel kleine stukje verharde weg. Staart na staart gaat omhoog. De boerin grijnst verontschuldigend. Shit happens. Oh, en ze wil haar touwtje terug.

En die dan?” vraag ik, wijzend naar een koe die heel binkerig in de wei blijft staan. “Altijd hetzelfde liedje met haar,” zegt de boerin. ”Mevrouw komt pas als ze trek begint te krijgen. Vóór die tijd is ze daar met zes tractoren niet vandaan te slepen.”  Sjonge, mijn respect voor koeien stijgt met de minuut. Alhoewel… bedenkelijk kijk ik naar de lege weg voor me. Leeg qua koeien dan, maar wát een berg flatsen. Ik gooi de fiets over mijn schouder en slalom tussen de verse vlaaien door: dáár trap ik niet in!

Het zonnetje lokt nijvere huisvrouwen naar buiten. Overal versgezeemde ramen,  grind dat wordt aangeharkt, stoepjes die worden geboend. Als vrouw krijg ik daar enorme complexen van. Alhoewel: stoepje schrobben, tsss. De weinig vrienden die wij hebben – ja, sneu hè?-  letten niet op onze stoep (daar heb ik ze op uitgezocht, maar dit schrijf ik in vertrouwen). Ah…ik snuif de agrarische luchten op en krijg een enorm schoolreisjesgevoel.  Oh, oppassen dat dit geen streekroman wordt.

Een kort dikkerdje op een mountainbike (in korte broek,hij wel!) fietst uiterst links van de weg. Ik bel bescheiden, hij kijkt om, en blijft links rijden. Nou, dan toch rechts erlangs. Haal ik ‘m in, probeert ie me een hijs te geven! Uiteraard sla ik op tilt zoals alleen een ouderwetse flipperkast dat nog kan. Charmant steek ik mijn tong uit, ulla! Achterom kijkend zeg ik: “Kóm dan.” Hij presteert niets behalve een hoop gehijg, de stakker.

Om kapsones te voorkomen word ik weinig later ingehaald door de BIK-ploeg. Hun komst dient zich aan met een geluid dat als muziek in mijn oren klinkt: soepel snorrende derailleurs. Even is het alsof ik stilsta, dan sluit ik me bij de achterste aan, heel even maar, want ze rijden 45 km/uur.

Alweer op de terugweg – bijna bij de pont – staat de brug open. In mijn spiegeltje zie ik het korte dikkerdje van ‘t  terras afkomen. Aha, hij heeft afgestoken, de luiwammes. Kijk hem staan, hij waant zich een vedette. Slalommend komt ie steeds dichter mijn kant op. O wee als ie gaat meppen. Ellebogend dringt ie zich vóór mij in het rijtje. Van een afstand lijkt hij best betrouwbaar: kortgeknipt haar en een buikje. Hij kijkt mij aan of ik hem wel goed zie staan, en daarna ‘geeft hij mij de vinger’. Kan die man niet gewoon op een saai kantoor gaan werken?

Brug open: gaan! Het dikkerdje mag van mij wel voor me fietsen, het is toch maar voor kort. Ik gun zo iemand best een Fanta. Hij voelt de hete adem van mij in zijn nek, en daar hoef ik niets voor te doen! Hij fietst, trapt, zwoegt, snuift  en hijgt. Hij rijdt 25…24…23… ja mensen, daar ga ik toch niet achterhangen, straks val ik om. Ik wacht nog éven op de juiste bocht in de dijk (daar waar de meeste windtegen staat) en dan ga ik er als een speer vandoor. Zijn gehijg gaat over in gereutel. Ik kijk achterom. Voelt ie ‘m? Hij voelt ‘m!

Hé de pont ligt er; ik trek een sprint. Gehaald! Ach, wat jammer nou, het dikkerdje is te laat. Gna!gna!

De schildersmossel

 

In mijn spiegeltje zie ik de fietser achter me steeds een stukje dichterbij komen; decimeter voor decimeter. Het hoofd voorover, de  handen onderin de beugels. Hij doet verwoede pogingen het gaatje tussen hem en mij te slechten. Ik wacht op het moment dat hij me voorbij rijdt, maar dat gebeurt niet. Nee, hij gaat tevreden in mijn achterwiel hangen. Bah, een vreemde seigneur aan mijn billen. Daar is deze mevrouw niet van gediend. Ik gooi mijn keurige reputatie niet te grabbel en houd mijn benen stil. Hup, er voorbij jij! Wegwezen!

Chagrijnig rijdt hij langs; zijn benen wijdbeens uit elkaar. Er hangt iets groots geschapens tussen. Ja, zijn buik, hè? We houden het hier wel netjes. Hij gromt. “Gvd, je bent een wijf!” Tsss, hij is beter in vloeken dan in fietsen, en opvoeding heeft ie ook niet gehad.

Twee meter vóór me duikt hij ineens in elkaar en knijpt vol in zijn remmen. Welja! Gaat ie met zijn fiets  dwars op de weg staan, de idioot! Bijna bots ik bovenop hem. Tierend kijkt ie naar mij. Hij is boos. “Stom wijf!” zegt ie, “dat doe je toch niet! Ik zou je een klap op je bek moeten geven!” Ik stuiter van verontwaardiging bijna achterover.

Totale verbijstering bij mij; waar hééft die man het over? Hij briest van nijd; zijn hoofd ziet zo rood en zijn ogen boren zich woendend in de mijne. “Jij gooit wat naar mijn harses!  Ja, jij ja, kijk maar niet zo schijnheilig! Wie doet nou zoiets?” “Nou, ík niet!” zeg ik. “Nee, ze komen uit de lucht vallen, nou goed?” “Oh ja, en waar zou ik mee moeten gooien dan?” wil ik weten.   

Hij wijst naar iets  op de weg. Ik kijk. Aha: een mossel; een schildersmossel.Die heb ík niet gegooid,”zeg ik, “ze komen écht uit de lucht vallen!” De man kijkt me aan met een blik van: mij maak je niks wijs, want ik ben niet van Lotje getikt. Nee, nee, hij blinkt anders ook niet uit in intelligentie.

Ik neem u niet in de maling (al heb ik daar best veel zin in).  Vogels eten die mossels maar krijgen zelf de schelp niet open. Daarom laten ze die vanuit de lucht op iets hards vallen. Kijkkijk! dáár!” wijs ik. We kijken allebei  omhoog naar een kraai met een gevulde bek.  Hij vliegt over het pad en laat de schelp vallen. PATS! de schelp knalt kapot op het fietspad. Dát is nog eens een powerpoint-presentatie.  De kraai  zit naast de schelp en vreet ‘m leeg.  (Zo, Lotje, en nou jij!)  Lotje kijkt ongelovig van de lucht, naar de kraai op de grond, en de kapotte mossel voor zijn voeten. Hij weet zich geen raad.  Hij hakkelt, stamelt, stuntelt en krabt op zijn hoofd.

Schoorvoetend bekent hij schuld. “Mevrouw, echt, het spijt me heel erg. Ik dacht heus dat  u iets naar mijn hoofd gooide (nou, ik heb er anders wel het lef voor, hoor). “Ach, lamaar, het geeft niks,” zeg ik.  Zelf ben ik ook zo impulsief als de pest, dus ja… Lotje reikt mij de hand. Die schud ik.

“Goh, ik moest maar weer eens gaan,”zeg ik. “Mevrouw, nogmaals sorry. U ziet er bij nader inzien (!) best aardig uit. Kan ik u verderop misschien op koffie trakteren?” Dat wijs ik van de hand. Zó’n aardige vrouw ben ik nou ook weer niet! 

Het N’woord

Begin deze week was de inenting tegen baarmoedershalskanker in het nieuws en moest ik denken aan Kindliefs prikken van vorig jaar.

 

Septemer 2009:

Vandaag gaan we Kinds derde en laatste inenting halen in Schoonhoven. Ze ziet er toch weer tegenop. “Wil jij mij afleiden als ik op de prikstoel zit’?” vraagt ze. ‘Tuurlijk wil ik dat. Ze neemt huiswerk mee voor onderweg; dan heeft ze afleiding. “Mag de muziek aan?”vraagt ze, “dan leer ik mijn Latijn makkelijker.”

 

Het rijdt snel aan. Binnen in de sporthal is het druk. Kind ontbloot bibberend een arm en gaat op de stoel zitten. “Kijk, daar heb je Suzanne!” zeg ik enthousiast. “Suus! Waar?” vraagt ze blij. Tsjakka, dat was de prik. Na afloop krijgt ze een boekje mee, nog een sticker plus een pepermuntdoosje. Vijf minuten later zitten we alweer in de auto.

 

Het boekje blijkt ‘hot’. “Oooh! het gaat over tongzoenen,”zegt ze, “…linksom, rechtsom…” hoor ik haar mompelen. “Watte“, vraag ik verbaasd. Geen antwoord. Ze giechelt. “Hihi, het gaat ook over n**ken,” zegt ze. In het boekje wordt alles bij de naam genoemd en geen details worden haar onthouden. Sodebillen, dat boekje wil  ik straks ook even vasthouden! Ik zie dat ze het er wel een beetje warm van krijgt. Geconcentreerd leest ze verder (had ze dat de net ook maar met haar huiswerk gedaan.) Zodra ze het boekje uitheeft, stelt ze  mij achteloos de meest intieme vragen. Nou ja, zeg; pfff, nu krijg ik het warm, zeg maar gerust héét. Zij intussen verblikt of verbloost niet. “

 

De volgende dag. Kindlief komt thuis uit school. Ik schenk een emmer verdunlimonade voor haar in, en geef haar een stroopkoek erbij. “Enneh…”informeer ik voorzichtig, “hebben jullie het onderweg of op  school nog over het boekje gehad?” Welk boekje?”informeert ze. “Ja duh, dát boekje,”zeg ik. “Oh, nee. Nou ja, heel even maar. Dus niet lang ofzo.” “Geen …eh… diepe gesprekken?” peuter in nieuwsgierig verder. “Neuh.” Meer laat ze niet los.Hmm. Da’s nou jammer. Heb ik eens zin om intieme vragen te stellen, is mevrouw niet thuis.