Kraamvisite

Kind is zes en we gaan samen op kraamvisite. Vlak voor vertrek , geef ik haar nog wat instructies: “Gedag zeggen en handje geven als je binnenkomt, het cadeautje geven en je jas en schoenen uitdoen. Ze knikt. “Geef de baby maar geen kusje,” zeg ik, “want je bent verkouden en dan zou je de baby aan kunnen steken.” Ze knikt weer.

 

Bij binnenkomst gaat alles goed. Kind geeft het cadeautje en we kijken samen naar de baby in de wieg, die lief ligt te slapen. Daar ben ik blij om, want baby’s hebben een onverklaarbare behoefte om het in mijn nabijheid op een brullen te zetten. Kind ploft wild neer op de bank. Ik kijk haar aan; ze ontwijkt handig mijn blik.

 

De bank is een ouderwets bol model. Als je erop gaat zitten, zakt de bol iets in en hoor je een zucht. Kind zet haar voetjes op de grond, zet zich af, en de zitting veert omhoog, gevolgd door pffft,een zucht. Wip, pffft, wip, pffft.  Ik  vraag vriendelijk of ze daarmee wil ophouden. Ze kijkt  beledigd en uitgebreid om zich heen. “Kijk eens, mama, daar hebben ze nog een woonkamer met een bank. Raar hè?” “Nee joh,”zeg ik, “dit is gewoon een groot huis en in die kamer kan je ook zitten.” “Maar ze hebben dríé klokken” laat ze zich niet van de wijs brengen. Ze zegt het bovendien op een toon van: da’s pas raar. Ik kijk verontschuldigend naar de kersverse moeder. Die schatert van de lach; wat een geluk. “Zóó, mama, kijk ‘ns…twéé tv’s, kijk dan!” Opgewonden wipt Kind weer op en neer. Nou ja, weet de jonge moeder in elk geval hoe het niet moet… Wij proberen een gesprek te voeren en drinken koffie.

 

Kind gaat uit volle borst zitten hoesten. Wel keurig met haar hand voor de mond, maar dit is geen hoesten, maar ordinair aandacht trekken. Vertwijfeld sla ik mijn ogen ten hemel. Dat kind; je zóu d’r toch! “Neem maar een slokje drinken,”zeg ik. Ze gaat op haar knietjes bij de tafel zitten en drinkt haar kindercola. Verlekkerd laat ze een diepe zucht. Zonder morsen eet ze haar beschuitje met muisjes. Dan ontglipt haar een boertje. Wel snotver!

 

“Zeg ‘sorry’ en ga maar even op de gang staan,”zeg ik streng. Ze trekt haar neusje op alsof ze iets heel vies ruikt, zegt ‘sorry’ en verdwijnt uit zicht. De gastvrouw lacht onbedaarlijk. “Je gelooft me zeker niet als ik zeg dat ze dat anders nooit doet?”vraag ik. Indien mogelijk lacht ze nu nog harder. Kindlief zingt op de gang een liedje, gevolgd door nog een boertje.

 

Ik houd het voor gezien. “Sorry,”zeg ik, “zó erg heeft ze zich werkelijk nog nooit gedragen.” ’t Is nog waar ook, maar ja… “Wil je de baby nog een kusje geven?” vraagt de moeder – die blijkbaar niet bang is voor bacillen- lief aan Kind. “Nee, dat mag niet van mijn moeder,”klinkt het vrolijk. “Omdat je verkouden bent,”zeg ik snibbig en bloos tot achter mijn oren. Oww! Straks als ik thuis ben knijp ik Kind overal tot ze blauw ziet, gevolgd door zes weken geen snoep en geen Sesamstraat.

 

Gierend van de lach worden we uitgezwaaid. Kind lacht ook. Nog wel. 

 

Hij en Zij

Oh, haar kan ik wel hebben, denkt hij. Hmm, duur fietsje heeft ze anders wel, nou ja, als je geen fiets-DNA hebt zoals hij, houdt het op. Tegenwoordig denkt iederéén dat hij – zij – kan fietsen. Zelfverzekerd zet hij zijn helm recht.

 

Tss, hem kan ik wel hebben, denkt zij, een fiets met een triple – stakker -, fout geschakeld – sukkel – , boulevardfietser met wappershirt en hoge witte sokken. Zelfverzekerd zet zij haar helm recht. Flikkert het klepje eraf.

 

Slagboom van de pont gaat open én… gassen met die bak. Sjonge, zie hem eens een krachttoer uithalen. ’t Is weer zo ver: groot vóór en klein achter. Ha, hij stapt al af.

 

Zij stapt later vrijwillig af bovenaan een brug voor een blik op de plaatselijke fauna: ganzen met kuikens, een voorbijvarende fuut met jongen op haar rug, visdiefjes, meerkoeten, een grutto op een paal, de ooievaar op het nest…

 

 

Kijk haar daar staan, bovenop die brug. Moet zeker op adem komen? Hij zal wel eens laten zien hoe dat moet. Oké, bij de pont de net ging het niet echt soepel, maar dat was een technische inschattingsfout. Had niets met mannelijke kracht te maken. Hij schakelt. Kkggg, ketting eraf.

Zij is weer opgestapt. Dat wordt prijsschieten want, tata! de boulevardfietser rijdt voor haar. Die gaat zij eens fijn voorbij knallen.  Wind tegen hè? Zijn die mooi-weer-fietsers niet gewend. Oef, dat gaat toch iets minder makkelijk dan ze had verwacht. 

Later zoekt zij een plek om wild te plassen. Niemand te zien? Fiets tegen een dijkhek, helm op ligstuur, gáán. Ze is snel klaar, loopt terug naar haar racepaard. Eenmaal bovenaan rolt haar helm van haar zadel zó de dijk af naar beneden. Knullig holt zij erachteraan.

Zie haar nou weer! Laat echt álles vallen. Net doen of hij haar niet ziet. Hopelijk ziet zij hem wel, met zijn krachtige pedaaltred. Windmee fietsen is zijn specialiteit. Knalhard koers hij haar voorbij.

Rijdt hij nou alweer vóór haar? Hoe kan dat nou? Hmm. Eigenlijk heeft ze geen fut meer om hem in te halen; beetje slappe benen. Laat hem maar gewoon gaan. Toch goed dat ze een kort rondje rijdt. Haar maag vraagt om eten, zij antwoordt met een  boterham.

 

 Een uur later ziet zij hem staan op de dijk. Zijn fiets omgekeerd op de grond en hij vertwijfeld ernaast. Ze stopt en vraagt:“Heb je genoeg materiaal bij je?” Hij maakt een geïrriteerd handgebaar en zegt: “Ik krijg die binnenband niet opgepompt. Elke keer zakt het ventiel weg.”

Zij stapt af. “Je ventiel is te kort,”zegt zij na een taxerende blik. “Huh?” “Dit is een ventiel voor een wiel met platte velgen en jij hebt hoge velgen.” Zie hem eens beteuterd kijken! Heeft er zichtbaar zwaar de pest in dat hij daar zelf niet op is gekomen! Zij schiet in de lach.

Welja, zie haar eens lachen. Hij kan gewoon helemaal achterin haar keel kijken. “Hahaha, sorry,”zegt ze “Ik weet het zo goe-oed omdat ik vorig jaar in de vakantie precies hetzelfde had, haha. Duurde een half uur voordat ik doorhad waardoor ‘t kwam.” Ze veegt nog net de tranen van het lachen niet uit haar ogen. “Heb je nog een ander bandje bij je?” Nee, hij schudt zwijgend zijn hoofd. Zijn mondhoeken zakken  nog verder naar beneden. Toegegeven: zij doet niet moeilijk, pakt een bandje van haarzelf en klaar is Kees.

 

Hij en zij fietsen de laatste honderden meters samen naar de pont. Niet van harte; beslist niet. Op de pont  valt haar spiegeltje op de grond. “Laat je altijd alles vallen?”vraagt hij.” Beledigd kijkt ze hem aan en raapt ‘t spiegeltje op. Koortsachtig zoekt ze in de rugzakken van haar fietsshirt naar haar pontkaart. Verdorie! Waar is dat ding nou? Haar portemonnee is ze ook al vergeten; haar fiets staat verkeerd geschakeld en nou gaat die sukkel stomme vragen stellen. De bemoeial!

 Kijk haar eens getergd kijken. Goedzo. Haar verdiende loon. Had ze hem maar niet zo moeten uitlachen! Dat gaat zomaar niet. De pontbaas komt steeds dichterbij. Wat moet ze nou zeggen? Ze heeft geen geld., geen kaart. Zal zij de bemoeial naast haar vragen om voor haar te betalen? Nee, toch maar niet, dank je de koekoek, ze zwemt nog liever.

“Hier, “zegt hij tegen haar, “je hebt onderweg nog wat laten vallen,” en hij duwt haar een strookje karton in haar hand. Haar pontkaart! “Hoe…waar??” “Toen je je helm achterna holde waaide die weg…” Pisnijdig is ze op ‘m. Had hij die pontkaart niet eerder kunnen geven!  

 

Zij loopt omhoog. Hij fietst. Bovenaan gaat hij linksaf en zij rechtdoor. Dat is maar beter ook!

Barbeknoeien

Onlangs drong het besef tot Manlief door dat hij nog iets miste in ons rijke huwelijksleven, en daar ging hij terstond wat aan doen. Grijnzend kwam hij thuis met de felbegeerde aankoop: een barbecue. Tja, toen begon het (lange wachten) op mooi weer.

 

Pinksteren werd een feest! Geestdriftig zetten Man en Kind samen de barbecue in elkaar met als plan er meteen ‘vakkundig’ de brand in te steken. Maar hoeveel aanmaakblokjes moeten er in? Duurt ‘t geen úren voor zo’n ding behoorlijk brandt? Hup, toch nog maar wat extra blokjes in.  

 

Afijn, brànden dat ding! Om over roken maar te zwijgen. Maar…wel met gevolg dat ik nu ein-de-lijk een foto van Manlief op mijn site kan zetten waar hijzelf volledig achter staat. Alhoewel…‘staat’. ’Zit’ is in dit geval een beter woord.

 

 

Het gevolg van al die rook was wel dat een buurvrouw haastig de was binnenhaalde en daarna snel alle ramen en deuren sloot. Andere buren volgden haar voorbeeld. Wij ook, bang dat de rookmelders binnenshuis af zouden gaan. Over de schutting heen riepen de buur(t)bewoners tegen elkaar: “Die barbecue rookt wel echt héél erg, zeg!” Met dat feit waren wij het volledig eens.

 

Help, dacht ik, dat vlees wordt vast nooit gaar maar wel pikzwart. Het bakken ging echter als een lopend vuurtje. Met smaak aten wij alles op. Manlief trok hardop de bescheiden conclusie dat hij waarschijnlijk voor vuurtje stoken in de wieg is gelegd. Wij dames knikten tevree. Het apparaat (van toch zeker twee tientjes) bleek multifunctioneel te zijn, want later deed hij dienst als terrasverwarming.

 

Toen de rook om ons hoofd was verdwenen, hingen wij onze kleding te luchten. Tevergeefs, want zelfs de volgende dag stonk alles nog een uur in de wind. Maar mensen, wat hebben we gelachen en wat was het lekker. “Volgende weekend weer?”vroeg Kind enthousiast.  

 

We hebben nog meer leuke dingen gedaan in het weekend. Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Deze foto (van een typische Kind-actie) geeft ons Pinksterweekend uitstekend weer:

 

Een loeigoeie ontmoeting

 

Ik klim en klauter bovenop een hek. Nieuwsgierig komen de koeien dichterbij. Steeds een metertje meer. Ze willen weleens weten wie die blauwgeklede spaghettisliert is die bovenop hun hek hangt. Ze snuiven luidruchtig. Tevreden knabbel ik op mijn boterham en koe-keloer naar de koeien. Nog een metertje en dan staan ze voor mijn neus. Stel dat ik nu heel hard nies, dan hollen ze allemaal weg en komen niet meer terug. Niet veel later ben ik omringd door dampende lijven.

 

Een koe snuffelt aan mijn knie; dat kriebelt. Een andere ruikt aan mijn boterham. Opeens….hatsjie! Welja, ze spettert mijn hele boterham onder! Yak! “Heb jij mond- en klauwzeer?”vraag ik, haar diep in de ogen kijkend. De koe knippert loom en onschuldig met haar lange wimpers. Haar buurvrouw begint de hoesten, lekker met haar bek wijd open en natuurlijk in mijn richting. “Hotsjik” zeg ik,en de koeien schieten alle kanten op. Ga maar fijn elkaar aan lopen steken, stelletje onopgevoede sodemieters. De bevuilde boterham gooi ik weg en ik pak een schone uit m’n zakje. Voor de zekerheid wel met mijn hand voor de buit.

 

Een meerkoet werkt zich moeizaam op de kant. Wat een lekker groot hapje ziet hij daar liggen! Hij  rent naar mijn afgedankte boterham alsof het een hoofdprijs is. Maar als een koe van die bacillen verkouden is geworden, hoe beroerd moet een meerkoet dan niet worden?

 

Haastig hol ik naar de boterham en net op tijd gris ik ‘m  voor de snavel van de watervogel weg. Dierenbul! zeggen zijn kraaloogjes tegen me. Hij beseft niet dat ik ‘m van een wisse dood heb gered. Ik geef ‘m wel een stukje schoon brood, hier. Hij eet het niet op, maar hobbelt er mee weg. Nieuwsgierig achtervolg ik hem. Ach gut, hij gaat het aan zijn vrouw en kinderen op het nest geven…

 

Tevreden over mijn goede daad laat ik me fluitend meevoeren op de wind en rijd ik zweetloos naar huis terug. Ik ben blij. Als een kind. Zó heerlijk om weer even te kunnen luchten! Al is het dan maar een heel klein stukje… en op een gewone fiets!  

 

Kinderbijbel

Vandaag is ‘Annie M.G. Schmidt-dag’. Op 20 mei 1911 werd ze geboren in Kapelle, Zeeland. Werd ik eerst nog voorgelezen uit haar wereldberoemde boekjes ‘Jip en Janneke’, toen ik eenmaal zelf kon lezen, zag ik tevens het licht en was niets van Annie meer veilig voor me.

Dit boek kreeg ik toen ik zeven werd. We zijn als het ware samen groot gegroeid, het beest en ik. Als ik stout was en een grote mond kreeg, zei ik  zachtjes in mezelf: later doe ik lekker toch niet wat mijn moeder zegt, want dan komt het goed met me terecht.

Niet tegen mijn Moeder en Kind zeggen, hoor!

 

De regenworm en zijn moeder

Er was een regenworm in Sneek
die altijd naar de sterren keek,
en fluisterde: hoe schoon, hoe schoon!
Zijn moeder zei: Doe toch gewoon,
kijk naar beneden naar de grond,
dat is normaal, dat is gezond,
kijk naar beneden, zoals ik.

En toen? Toen kwam de leeuwerik!
Het wormpje, dat naar boven staarde,
zag hem op tijd en kroop in d’aarde,
maar moe die naar beneden keek,
werd opgegeten (daar in Sneek).

Dus doe nooit wat je moeder zegt,

dan komt het allemaal terecht.

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet

Februari 2009

Mijn bril belemmert mijn uitzicht, wat toch niet de bedoeling van een bril kan zijn. Met mijn handschoen wrijf ik de aanslag weg, wat zo’n 3 minuten beter zicht oplevert. Dit is geen doen (zucht). Is dit nou leuk?  Vraag het later nog eens. Ik wou zo nodig fietsen, nou zál ik fietsen! Mijn bril heb ik nodig om in de verte te kunnen kijken. Door de mist is er geen verte. Af dus dat ding! Ik prop ‘m in de achterzak van m’n gore-texie.. Zonder bril lijkt de mist meteen minder erg. Het voordeel is dat ik niet precies zie waar ik rijd, dus dit zou best eens een verrassingstocht kunnen worden!.

 

In Lopikerkapel is de mist zó dicht, dit kun je onmogelijk genieten van de omgeving noemen. Dichtbij hoor ik plots piepende banden, een harde knal en een enorm geblaat. Komt dat geluid nou van voren of van achteren? Ik gok op de voorkant en fiets verder. Ja hoor, ik zie het al. Een aanrijding: 2 auto’s met blikschade, omgeven door schapen, oud papier en een parasol. Een parasol? Halen ze hier nog heel antiek grof vuil op?

 

De schapen staan tussen en om de auto’s. Het is met recht een kudde, en een chaos vanjewelste. Eén schaap komt op een drafje aanhollen en knalt keihard met z’n kop tegen de voorste auto. Zie ik dat nou goed? Is dit een vergissing of een ram? Een ram! En hij doet het nog een keer! Een aanloopje, kop naar voren en BAM weer in die auto. Ik geloof mijn ogen niet. Waar is die bril? Snel zet ik ‘m op. Verrek die ram doet het wéér! De deuken vliegen gewoon de auto in en een herrie dat het maakt. De ram blikt tevreden in de rondte, en is blijkbaar op zoek naar iets nieuws. Ja, ja, weet je wat, ik ga fijn met mijn fiets aan de zijkant van de weg, tegen het ijzeren tuinhek staan. Je weet tenslotte maar nooit.

 

Alsof de ram daarop heeft gewacht. Hij draait naar mij toe, neemt een aanloop en echt op het aller-allerlaatste moment trek ik m’n voorwiel een meter naar achteren en verdwijnt de ram dwars in het ijzeren hek naast me. Hij sjort en rukt met z’n kop dat het een aard heeft, maar hij blijkt muurvast  te zitten. Keleune zeg, pfff, wat een opluchting! Ik heb er bibberbenen van gekregen. Ik hoor klompen aan komen lopen en uit de mist doemt een oud mannetje op. “WATMOTDATSCHAOPINMIENHEK?” Ja, wist ik het maar. “Hebbie een taangegie bie?”  Watblief? Of ik een tangetje bij me heb? In mijn fietsbroek zeker? En dan die ram losknippen. Ik ben toch niet gek? “Hol dot bejest weg!” commandeert het baasje. Ja, aan me hoela, ik ga er lekker van tussen.“Adrie!Adrie!” Er  komt een dame aangerend; mij keurt ze geen blik waardig. Ze pakt het mannetje bij de arm neemt en sleurt hem ongevraagd achteruit het tuinpad op. Allebei lossen ze op in de mist.

Ik loop naar de auto’s, waar de eigenaren druk staan te schrijven. Ik ben hier duidelijk overbodig en dat bevalt me uitstekend. Voor ik verder ga stop ik nog wel ff mijn bril in m’n achterzak.

 

Door de mist fiets ik langs de Ruige Weide, Hekendorp en Haastrecht. Vlakbij Stolwijk zie ik in de verte vaag wat bewegen. Het heeft Iets bekends, maar wat? Dichterbij komend geloof ik m’n eigen ogen niet: schapen! Zal ik m’n bril toch maar liever even opzetten? Ach nee, ik hoor geblaat en daar heb ik geen bril voor nodig. Waar komen die krengen vandaan?  En hoe krijg je ze terug waar ze vandaan komen?  Ik kan toch niet doorrijden en net doen of ik ze niet gezien heb?  Wat als het hele zooitje straks de provinciale weg oploopt?

 

Maar hoe passeer je heel veel schapen zonder dat ze voor je uit blijven hollen? Ik kom ze niet voorbij.  Dan komt er vanaf de andere kant een brommer aan. Ha, de redding is nabij! Ja, dat had je gedacht. De bestuurder ziet de schapen wel maar wil ze niet zien. Toch kom ik nu wel langs de schapen, want ze zijn banger voor de brommer dan voor mij.  Ze stuiven als gekken alle kanten uit en een schaap glijdt als van een glijbaan, zó de sloot in. Het beest probeert weer op de kant te klimmen, maar glijdt telkens weg. Ineens heeft ie houvast en staat in één spring langs de provinciale weg.

“Blijf staan, sukkel!” zeg ik tegen ‘m. Ja, daar is het schaap echt van onder de indruk. Ik bel aan bij een huis. Niet thuis. Volgende huis. Doet niet open maar ik hoor zaaggeluiden.  Ik ben zo brutaal en loop achterom de tuin in. Een man is de wilgen aan het snoeien. Ik vertel van de schapen. Oh, dat is zo geregeld. Hij propt ze een weiland in en anders belt ie een paar collega’s want hij zit bij de vrijwillige brandweer. Wat een praktische man! Gerustgesteld fiets ik verder.

 

In Stolwijk bij de stoplichten doe ik een reuzenontdekking: vóór me op de grond zie ik wat liggen. Een muntje. Zal ik bukken of… (ik loer in de rondte, niemand te zien) Ik buk. Blijkt het een ouderwetse gulden te zijn. En dat zonder bril! Sjonge, wat heb ik heb vandaag in de dichte mist eigenlijk veel  gezien. Véél meer dan anders!

De Screenkamer

2. De screenkamer

De screenkamer:
Samen met mijn ouders, zit ik in het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. Voor ik opgenomen kan worden, moet ik eerst ik gekeurd worden of ik wel goed fout genoeg ben. Nou ja, zo’n gevoel geeft dat. Ik zal van alle kanten worden bekeken. Ik krijg een gesprek met de hoofdpsychiater, mijn eigen psychiater en mijn ouders erbij.
We zitten in een kamer – de screenkamer – met een paar stoelen. Eén wand is helemaal bedekt met spiegels. Achter die spiegelwand zitten mensen die mij wel kunnen zien, maar ik hen niet. Ze zitten daar omdat ze van mij kunnen leren. Daar wordt les in gegeven, legt de psychiater mij uit.
Zal best. Ik ga toch nooit meer terug naar die rotschool. En zouden ze van die pestkoppen op school niet veel meer kunnen leren dan van mij? Wat kun je nou van een depressief watje zoals ik leren? Ik weet niet meer waar we over gepraat hebben. Aan het eind van het gesprek, lopen we de kamer uit. Er gaat een deur naast de onze open en daar komen zeker 20 mensen uitlopen, die met notitieblokken en zware tassen lopen te sjouwen. Ik durf ze niet aan te kijken. Wat moeten ze wel niet van me denken? Misschien dat ik gek ben?

Lief dagboek
Vanochtend heb ik in de skrienkamer gezeten. Dat is een kamer met een hele grote spiegelwand. Soms hangen er gordijnen over die spiegel, maar toen ik erin zat niet. Papa en mama waren ook bij me en psychiaters. Ik weet niet waar ze over gepraat hebben. Er stond koffie op tafel in een thermosfles. Voor papa en mama werd het ingeschonken, maar mij vergaten ze. Ik durfde het niet voor mezelf in te schenken. Ik heb de hele tijd naar beneden zitten kijken. Naar mijn schoenen en de schoenen van de anderen. De schoenen van mama vond ik het mooist.

)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(*)(

Plattelandsvrouwen

 

Drie weken geleden:

Vóór ons rijdt een lange rij gewone fietsers; allemaal vrouwen. Sjonge, kijk toch eens hoeveel effect al die dames op de mannen hebben! De laatsten rechten hun rug, trekken de shirtjes strak en zetten de zonnebril recht. Hun grijns maakt het áf. Ik mag dan met wat oudere mannen fietsen, het zijn wel heel charmante mannen. Ze worden jolig.

”Zo, dát is lang geleden, dat ik zoveel leuke dames bij elkaar heb gezien,” zegt Jaap vergenoegd. De dames kakelen opgewekt terug. “Oh, echte wielrenners,” roept een mevrouw verbaasd. “Dit is je kans, Jaap,”zeg ik, “geef ze een handtekening.” “Ja, ik ben gekke Gerritje niet.” “Ach meneer, zou u met ons op de foto willen?”vraagt een mevrouw vriendelijk aan hem. “Met mij?” vraagt Jaap ongelovig. Nou zeg! Zijn oogjes beginnen ontdeugend te stralen. Hier staat Jaap en hij is in zijn element.

Meteen wordt het een chaotische bende, want het fietspad wordt geannexeerd en overal fietsen neergestald. Geeft niks, plek zat in de polder. Eén mevrouw verkondigt luid dat ze van het hele groepje wielrenners een foto wil maken. Theo en ik weten niet hoe snel we onze hielen moeten lichten. “Kijk! Er is een vrouw bij!”zegt een dame. Ze wijst naar me alsof ik een circusbezienswaardigheid ben. “Tussen al die mannen, mevrouw?”vraagt ze ongelovig. “Ja, ik heb een omgekeerd harem,”zeg ik. “Ze is stréng,mevrouw, niet normaal!”zegt Jaap met een overtuigende blik, “ik mag van haar nog minder dan van mijn vrouw.” “Logisch toch?”zeg ik.

Een aantal heren heeft wel zin in de fotoshoot en zet de helm af. “Sta ik zo goed?”vraagt Jaap. “Nee,”zegt Henk, “draai je maar om; je achterkant is mooier dan je voorkant.”“Joh, krijg jij fijn het heen en weer,”moppert Jaap. “Zit mijn haar goed?”vraagt Jaap aan niemand in het bijzonder. “Wat ben jij ineens ijdel!”hoont Henk. “Hallo, ik doe het alleen om die dames een plezier te doen!” “Hoe zit mijn haar, Kakel?”vraagt Jaap aan mij. “Vreselijk sloom,” zeg ik. Ja, ik kan echt een enorme steun zijn. “Je neemt haar mee hè”zegt Jaap tegen de dame met het fototoestel in haar hand, “maar de godganse dag vraag je je af waarom.” “Doe een beetje spuug op je haar,”adviseert Theo “en dan je haar met je handen naar achteren kammen.” Jaap likt uitgebreid aan zijn handen en smeer het in zijn haar. “Hier, ik zal er wel even op spugen voor je,”biedt Henk gul aan. “Ben je helemaal besodemieterd!” Jaap springt haastig opzij.

“Scheert u zich? vraagt een mevrouw met appelwangen aan Theo. “Iedere dag,”antwoordt hij voldaan, en haalt de rug van zijn hand over zijn gezicht. “Neeeee! Uw bénen, boedoel ik.” Theo is tijdelijk van slag. “U ziet er wel erg sterk uit,”zegt een andere dame bewonderend tegen Jaap. “Nee,”zeg ik, “hij ís niet sterk, hij ruíkt sterk.” Jaap laat dreigend zijn tanden aan me zien.

“Wat vinden jullie vrouwen hiervan?” “Ach het zijn brave huisvaders hoor,”zeg ik. “Ze bestuderen de menukaart maar gaan altijd naar huis om te eten.” Een mevrouw met stekeltjeshaar verkeert in shock over zoveel onopgevoed gedrag en gaat een eind uit de buurt een zuur appeltje staan eten. “Ik vind het een beetje jammerlijk gezelschap,” hoor ik haar tegen een vriendin zeggen.

Straks gaan we bingoën, roept een dame verheugd. “Oh, ik win nooit wat,”zeg ik, “want ik heb geluk in de liefde.” Ik zeg het zonder te lachen, want ik meen er elk woord van. Goh, dat zou Stekel eens moeten horen, dat zou haar vast goed doen. “Bent u familie van elkaar?” vraagt iemand aan Henk. “Alstublieft niet zeg! Zit ik tijdens verjaardagen ook nog met ze opgescheept!”

“Hoe heet u, meneer?”vraagt een mevrouw aan Theo. “Theo, mevrouw.” “En hoe heet u?”vraagt ze aan mij. “Thea,”lieg ik. Tegelijkertijd ontbloten Theo en ik onze boventanden á la creatief-met-kurk. De dame wil een foto van ons maken, maar er zijn grenzen natuurlijk, en simultaan draaien Theo en ik ons om. Spijtig biecht ik haar even later op dat ik gejokt heb over mijn naam. De fotografe vindt het gelukkig niet erg. “Bent u van de Plattelandsvrouwen?”vraag ik haar. “Ja,”knikt ze,“we gaan naar een zusterorganisatie voor een culturele lezing met aansluitend een bingo.”

“Kom op meiden,”roept Theo tegen de jongens. Dit zorgt voor enige verwarring bij de Plattelandsvrouwen, want die schrikken omdat ze denken dat er van hen iets verwacht wordt. “Nee, nee, geen paniek”maant Theo de gemoederen, “ik heb het tegen de jongens!” Stekel trekt een pruimenmondje. “Hup, op de fiets, jongens!”roept Theo. En tegen een mevrouw naast hem verklaart hij: ”Ik moet voor het avondeten thuis zijn van mijn vrouw en dan moet ik ook eerst nog gedoucht hebben,”somt hij op. “Waar woont u dan?”vraagt de mevrouw geïnteresseerd. “In Capelle,”bekent Theo. “Zó ver?”vraagt ze bewonderend. Opgewonden stemmen. “Zie je die kuiten?”stoot een mevrouw haar buurvrouw aan. “Bij hem is het botox,”zegt Henk, “maar bij mij zijn het spieren. U mag best even voelen, hoor mevrouw.” Stekel boft niet vandaag.

Iedereen stapt weer op de fiets. We worden uitgezwaaid en ‘uitgebeld’ door de dames en we wensen elkaar allemaal nog een prettige dag. Ik zwaai extra naar de fotografe. “Zo, daar zaten leuke wijfies tussen!”zegt Jaap bewonderend. “Ja, maar over ons zeggen ze dat er leuke kerels tussen zaten, hè?” “Ja, maar ik denk niet dat ze jou daarbij in gedachten hebben, Joep.” “Nou,ik heb anders wel mijn buik ingehouden voor de foto’s. Dat staat stukken beter dan jouw dikke pens.” “De eerstvolgende keer dat jij lek rijdt, steek ík geen hand uit.”

“Wat ben jij stil, Kakel,”zegt Jaap ineens tegen mij. “Ja, ehm… het kaarsje gaat uit.” “Het kaarsje uit? Komttatdan?”wil hij weten. “Kweenie,”zeg ik . “Ik fiets wel ff met je mee naar huis,”zegt Jaap. “Hoeft niet joh, ik ben zo thuis.””Toch fiets ik mee.”

Theo gaat er als eerste af. “Dag Thea,”roept ie naar mij. “Doehoei!”roep ik terug. “Thea?vraagt Jaap verbaasd. “Lang verhaal,”zeg ik. “Oh, ik heb immers alle tijd.”

 Later:

“Bedankt voor het meefietsen, Jaap.”

“Graag gedaan, Thea.”

Blaastest

Bof ik even! Ik mag vanwege een blaasonderzoek naar het ziekenhuis voor een echo. De afspraak is wel dat ik met een goedgevulde blaas kom. Ik voldoe zo aan deze eis, dat ik na het parkeren van de auto op springen sta. Ik onderdruk de neiging om (net als bij het fietsen) achter een struik mijn broek te laten zakken. Puur op karakter meld ik me bij de echobalie.

 

Ik tref het, want er zit net een uitstekend gemotiveerde medewerkster achter. Op mijn vraag of de afspraken veel uitlopen, zegt ze toonloos: “Mevrouw (zucht), ik zou het echt niet weten.”

 

Bij de betreffende afdeling zitten tien personen te wachten terwijl ik twee behandelkamers tel. Mmm. Om dweilen te voorkomen, doe ik vast een ienie-mienie-plasje, want de aandrang is huizenhoog. Terug naar de wachtkamer. Ik voel ik me niet zo lekker. Nee joh, dat zijn heus de zenuwen niet!

  

Dan is het mijn beurt. Vriendelijke verpleegkundige. Ze deelt zelfs een compliment uit, dat ik zo’n mooie volle blaas heb. Vertel mij wat! Het onderzoek is een eitje, soms een beetje (erg) duwen op de blaas, maar ik hou vol (weer op karakter hè?) Daarna spreekt zij de verlossende woorden: ”U mag plassen.” Nou, dat is niet tegen dovemansoren gezegd. De wc staat midden in de onderzoeksruimte; dat plast …eh… heel apart. Ik kan je vertellen: vergeleken met mijn plas, stellen de watervallen van Coo niets voor. 

 

Ik zucht eens lekker diep vanuit mijn tenen en tandhak naar een bak koffie. Zal ik die hier drinken of thuis. Ik kies voor thuis. Kind hè?

 

Buiten voel ik me nog steeds een beetje vreemd (wat ik ook enigszins ben). Ik stap in de auto (warm,pff), rij de parkeerplaats af en wacht voor het stoplicht om linksaf te slaan. Groen licht, GO!

Hè? Wat is dit voor rare bocht, denk ik. Wat is ie kort. Anders ie toch veel ruimer? Ik snap er niets van. Waarom kijken de tegenliggers zo raar naar me? Dan…valt het kwartje.

 

Het ligt niet aan die bocht, het ligt aan mij: ik ben te vroeg linksaf geslagen en op de baan van de tegenliggers  terechtgekomen. Ik ben een spookrijdster! Zelfs voor zo’n dwarsligger als ik is dat teveel. Snel gooi ik de auto rechts een grastalud op. Automobilisten die aan komen rijden hebben vrij zicht op mij in de auto, en ik zie hun blik: mevrouwtje heeft een glaasje teveel sherry gedronken. Ja, waar denk je dat ik zo’n volle blaas van heb gekregen?  Ik keer de auto, en zet een gezicht op alsof dit mijn dagelijks werk is, omdat ik binnenkort aan de Parijs-Dakar-rally meedoe. Eenmaal terug op de juiste rijbaan, met alle ramen open,  bedenk ik dat ik toch beter die bak koffie had kunnen bestellen. Ik tril als een juffershondje. Dit was dom van me. Dat moet ik nooit meer doen.