Zomerstop

Huizenhoge koorts heb ik: rillingen lopen over mijn rug en tegelijkertijd heb ik kippetjesvel. Het is geen gewone koorts, gele koorts of oranjekoorts, nee, het is fietskoorts. Vanaf morgen staat Rotterdam (drie dagen) op stelten en kan ik eindelijk de tourversie van de Tour de France fietsen; ik heb er zolang naar uitgekeken. Oha ja, en natuurlijk fijn naar de Tour op tv kijken. Voetbal, who cares?

 

 

Vrijdag vertrekken we met de Noorderzon naar het Zuiden voor onze vakantie. ‘Ze’ geven ook nog mooi weer op, dus , amai, wat gaan wij een rottijd tegemoet! Zoals gewoonlijk wordt het een ware volksverhuizing nemen we niet veel mee.

 

Bobo en Bella gaan uit logeren. Hopelijk krijgen we ze na de vakantie wel weer terug. Niet dat we bang zijn dat ze op de barbecue belanden,maar met name Bella heeft nogal een hoog aaibaarheids gehalte (alhoewel ze ook het bloed onder je nagels vandaan kan halen.) 

 

Hier ligt Hare Koninklijke Hoogheid uitgevloerd op het kleed. Vergis je niet: het zijn lange, vermoeiende dagen voor een loslopend konijn. Heel de dag eet ze clematisbloemen, stokrozen- en druivenblad, vingerhoedskruid (oeps!) en petunia’s. Ze keek vreemd op haar konijnenneusje toen er een kikker uit de vrouwenmantel omhoog sprong.  Als ik water uit de regenton wil pakken en zij ligt daar net in de schaduw, nou ja, dan heb ik pech, want zij lag daar het eerst en gaat dus niet opzij. 

 

 

Deze foto is speciaal voor Myra (en andere ex-WestLB’ers). Genomen vanaf Hotel NY tijdens de Tour du Port van afgelopen zondag.

 

Nou mensen, zorg allemaal goed voor jezelf en maak een feest van je vakantie!

 

Bye, bye en zwaai, zwaai!  LATER!

 

Tour du Port

Gisteren – zondag 27 juni – was een heel dubbele dag. Eentje van uitersten. Ik heb heerlijk gefietst en van de helikoptercrash niets gemerkt.

 

*****

Het verzamelpunt van de tocht is de Kuip. Daar hangt al meteen bij binnenkomst een soort legioengevoel tussen alle fietsers onderling. Wat een sfeertje! En dit is nog maar het begin, want na afloop van het fietsen wacht ons een Pasta Party; een Tour de France truck waarin we ons kunnen meten met de echte profs; een optreden van Lee Towers; een dweilorkest; grote tv-schermen met live beelden van het NK Wielrennen en voetbal. Dat belooft nog wat!

 

In het stadion halen we onze benodigdheden voor de fietstocht op: start- en stempelkaart, route en stuurbordje. Vanaf de Kuip fietsen we dwars door de stad naar het World Port Center, het hoofdkwartier van het Havenbedrijf op de Wilhelminakade. Onderweg naar de start is het één grote chaotische bende. Heel veel verkeersopstoppingen en nog meer politie. En werkelijk óveral fietsers. Maximaal 1200 stuks. Als dit de generale repetitie is voor komende donderdag, waarop 10.000 wielertoeristen de ‘Grand Depart’ van de Tour de France gaan rijden (waaronder deze racende reporter) , dan wordt dit een heel leerzame dag voor de politie.  

 

Bij Hotel NY cirkelt de helikopter luid en duidelijk boven ons hoofd. Er speelt een brassband, de zon schijnt en alle fietsers hebben er zin in. De route is imposant. Havenbedrijven kunnen onderweg bezichtigd worden – zoals duikbedrijf Smit – maar fietsers willen maar één ding: fietsen. Langs de ECT overslag, kilometers containers, goederentreinen, cruiseschepen, aanlegsteigers… We passeren Poortugaal, Hoogvliet, Spijkenisse en Heenvliet. Het fietslint lijkt alleen maar langer te worden.

 

Sssslurp, doet het asfalt onder onze wielen. Wat is het heet! Al vóór Brielle zijn de bodems van onze bidons in zicht.

 

Langs de Nieuwe Waterweg blaast de wind ons als een warme fohn in het gezicht en uit elkaar. We stoppen om op achterblijvers te wachten. Vanaf de overkant komt een fotograaf met een camera en lenzen waar je u tegen zegt, aangelopen. Hij klikt en klikt. “Meneer, heeft u misschien water bij u?” vraag ik. “Ja hoor.” We mogen zijn hele fles leegschenken en opdrinken. Ik hoor het van binnen sissen, zó lekker. Dorstige fietsers op de voorgrond en joekels van schepen op de achtergrond; de fotograaf kan er geen genoeg van krijgen.

  

Dan zien wij diverse traumahelikopters overvliegen. “Wat zou er gebeurd zijn?”vragen we aan elkaar.

 

Op de Punt van de Maasvlakte rijden we praktisch de boten van de Stenaline op. Helaas: we zijn verkeerd gereden, omdat er routebordjes weggehaald blijken te zijn. En we hebben die bevoorradingspost juist zo hard nodig! Bij aankomst krijgen we bananen, Snickers, Marsen, energierepen en flesjes drinken. Iedereen vult zijn bidons bij. Wij laten ons in de schaduw op de grond vallen. Naast mij klinkt het geluid van een mobiele telefoon. Er wordt opgenomen. “Of met mij alles goed is?” vraagt de beller,  “ja, hoezo?” …. “Wat? Een helikopter gecrasht? Waar?”… “Dat meen je niet…”  Verbaasd hangt hij op. Tegen ons: “Er is een helikopter van de fietsorganisatie Tour de Port neergestort. Op de Maasvlakte, aan de Noordzeeboulevard. Twee doden: de piloot en iemand van het Havenbedrijf en drie zwaargewonden.”

 

Alle gesprekken verstommen. Het nieuws slaat in als een bom. Velen pakken de I-Phone en zoeken verbinding met internet. Verbijstering alom. Ongeloof. Iemand van de organisatie komt vertellen dat de tocht wordt afgelast, maar ja, zij die onderweg zijn moeten toch nog terug.  We klikken onze schoenen in de pedalen en rijden maar weer verder.  

 

De terugtocht verloopt aanmerkelijk stiller. Een groot aantal fietsers heeft te weinig gedronken en staat met kramp in de benen langs de kant. Het is zoeken naar de route en van rijden door de Botlek worden we ook al niet vrolijker.

 

Bij terugkomst in de Kuip is de verslagenheid groot, vooral onder de medewerkers. Het parkeerterrein biedt een desolate aanblik en het hele stadion is ontruimd: alle kraampjes zijn afgebroken en de trucks verdwenen. Terecht.

 

 

Bedrukt begeeft iedereen zich huiswaarts. Eenmaal thuis lees ik vol ongeloof op teletekst dat er vier mensen door de helikoptercrash om het leven zijn gekomen. Dat een dag die zo leuk begon, zó dramatisch kan eindigen…

Go against (the) Flow

 

Sedert jaren heb ik een abonnement op een tijdschrift, maar nu heb ik trek in een ander blad. Voor het opzeggen van mijn tijdschrift ben ik te laat, maar misschien dat ik het abonnement kan omzetten naar een ander tijdschrift? Ik bel met de uitgever.

“Ja hoor, dan kan. Welk tijdschrift wilt u, mevrouw?” “De Flow alstublieft. Kan ik meteen regelen dat het abonnement over één jaar afloopt?” “Ja hoor, dat kan ook.” “Wilt u mij dat nog bevestigen?” “Eh… nee, mevrouw, dat is niet onze gewoonte.” “Oh… Maar ’t is wel voor maar één jaar, hè?” “Ja, dat voer ik in in de computer.”

Eén jaar later: (je raadt het al zeker?)

Er valt een rekening in de bus voor een nieuw jaar Flow ad 55.00 euro. Ja, anmehoela, zó zijn we niet getrouwd! Ik trek aan de bel en leg uit dat mijn abonnement is verlopen. “Kijk maar in de computer,”zeg ik. “Mevrouw, u kunt het best even een mailtje sturen naar ons serviceteam.” “Oké. Mag ik het e-mailadres? En met wie heb ik gesproken?” ”Met Liesbeth.” “Dank u wel.” Nog dezelfde dag mail ik het serviceteam.

Twee weken later: geen reactie. Ik stuur hetzelfde mailtje nog eens, nu met een leesbevestiging.

Twee weken later: wel de leesbevestiging ontvangen, maar geen antwoord. Kortom: veel team, weinig service. En: Plof! Valt… de nieuwe Flow op de deurmat. Ja zeg, zijn ze nou helemaal door de hitte bevangen. Ik bel.

 “Goedemiddag, u spreekt met Mirjam Kakelbont. Met wie spreek ik? Hoe zegt u?” Shahira A.  Ik vertel van het abonnement, van Liesbeth en de twee onbeantwoorde mailtjes. “Oh, maar ik kan u helpen hoor, mevrouw!”zegt Shahira opgewekt. “Ik geef in de computer aan dat u uw abonnement met ingang van 1 juni 2011 opzegt.” 2011? Is me dat lachen met die Shahira, die kan haar eigen geinlijn wel beginnen. “Nee, per héden,”zeg ik. “Dat kan niet, mevrouw, want u moet het 6 weken van tevoren opzeggen.” “Ja, maar ik heb het 52 weken geleden al opgezegd.” Nou, ze wil het zonder zuchten best nog een keer uitleggen, dat van die 6 weken. Afijn, wij praten heen en weer. Ik krijg er geen speld tussen.

“Mevrouw, Liesbeth heeft me met een kluitje in het riet gestuurd en uw serviceteam houdt zich dood. Mag ik uw chef spreken?” “Maar mevróuw…” (op een toon alsof ik haar een oneerbaar voorstel doe) “dat kan echt niet hoor! “Het is een heel leuk tijdschrift en het abonnement duurt nog maar 8 nummers.” “Dat is 8  nummers teveel,” breng ik er tegenin. Maar nee, op zeer besliste toon geeft Shaira aan dat dit gesprek wat haar betreft nu lang genoeg heeft geduurd en het wenst te beëindigen. Per zo spoedig mogelijk. “Ik zal invoeren dat uw abonnement is opgezegd per 1 juni volgend jaar.” Punt.

 Maar oei, oei, als iemand mij een oor probeert aan te naaien, dan word ik zó dwars!  “Ik stuur de Flow NU meteen retour,”zeg ik, “de rekening doe ik erbij, want die ga ik natuurlijk niet betalen.” “Dat kunt u echt niet doen, hoor.” Ja hoor, nog vóór 17.00 uur doe ik ‘m op de bus. Ik stuur ‘m op ter attentie van u. Mèt de rekening.” “Eh….oh… ik… eh…”  Pauze. Ze denkt na. Dan: “Ik vraag het even voor u na.” “Ja doet u dat mevrouw, ik wacht wel even.”

pompidom

“Mevrouw, daar ben ik weer. Uh… per echt heel hoge uitzondering hoeft u alleen het eerste kwartaal van de Flow nog te betalen.” “Oh…” (Nou ja, dat is na dit nummer plus nog één nummer, dat overleef ik wel.) “Bestaat er een kleine mogelijkheid dat u mij nog een schriftelijke bevestiging stuurt?” vraag ik. “Nee, dat is niet onze…” “… gewoonte. Ik snap het. Nou, tot over zes weken dan,” zeg ik opgewekt. “…zes weken?” klinkt het paniekerig. “Ja, dan bel ik weer, en dan vraag ik naar u.”

Ze neemt niet de moeite gedag te zeggen voordat ze ophangt.

Het goede nieuws is: als ik het tijdschrift uit de verpakking haal, blijkt er een ‘verzamelalbum waar je stickers in kunt plakken’ bij te zitten. Een ‘wereldvrouwenboekje, vol mooie levensverhalen’.

Met op nr 1?

Tada! Tromgeroffel, bazuingeschal: Pippi Langkous! Nou, dat pik ik dan mooi weer ff mee!

 

Beschamend genereus

Lief komt thuis van het werk. Hallo, smak, smak. Hangt jas op. Valt met de deur in huis.

“Ik heb ’t er nog niet met je moeder over gehad…,” zegt hij tegen Kindlief,  “maar… eh… als je op je laatste rapport gemiddeld een 7 staat, en voor geen enkel vak een onvoldoende hebt, mag je kiezen wat je hebben wilt:

A) een nieuwe telefoon met een abonnement van max. 9 euro per maand, of…” “Ha ,”zegt Kind verheugd, “dan heb je al zitten kijken op internet en dat abonnement bestaat dus!” Zij is op voorhand reeds happy.

“…of B)” gaat Man onverstoorbaar verder, “een goedkope laptop.”

 

Kind wordt terplekke knotsknettergek. Anders ik wel, zij het om een heel andere reden. Van die telefoon dat wist ik, maar van die laptop niet. Aaargghhh. Manlief is een Joris Goedbloed. Zijn enige nadeel is zijn grenzeloze gulheid. Waar zijn hart van vol is, loopt zijn portemonnee van over, met name voor Kind. Heb ik hierzo niks meer te vertellen? Straks heb ik een verwend Kind van heb-ik-jou-daar in huis. Ik snap ‘t ook niet: wij trekken altijd één lijn tegenover haar, en nu komt er op klaarlichte dag ineens een laptop uit de lucht vallen.

 

Kind zal het ondertussen worst zijn. “Hoe duur mag die goedkope laptop zijn? En krijg ik er ook internet op?” informeert zij nieuwsgierig. “Hou je erbuiten, Cock,” zeg ik. Ze grijnst, want in gedachten heeft zij de buit al binnen. Op ‘Magister’ (internetsite met persoonlijke inlogcode van school) staan al Kinds cijfers, en die gemiddelde zeven is een eitje. Zessen zijn een doorn in haar oog, om over onvoldoendes maar te zwijgen.

 

Zodra Kind op bed ligt, loop ik naar de keuken en pak wat uit de koelkast en een la. Met mijn handen op mijn rug loop ik naar Lief toe die op de bank zit. “Wat heb jij daar?” vraagt hij achterdochtig.  Tada! In mijn ene hand een appel… en in de andere een schilmesje. Ik geef hem mijn strengste blik. Het enige resultaat is dat meneer zijn uiterste best doet niet in lachen uit te barsen. Ik word een beetje vervelend en probeer de appel in het borstzakje van zijn overhand te proppen. Dat mislukt jammerlijk.  

 

“Een goedkope laptop is even duur als een tweejarig telefoonabonnement,”begint hij. “Tuurlijk,”snuif ik. “´t Kwam zomaar ineens in me op,” klinkt het verontschuldigend, “ ’t was een impuls.” Ahhh… een impúls. Clever Dicky, die Man. Van impulsen kan ik weinig zeggen, want ik handel zo’n beetje louter uit impulsen. Maar een risicomanager die aan impulsen doet? Het moet niet gekker worden. En een laptop… Laat naar je kijken! “Ze heeft heel hard gewerkt hoor,”zegt Man. “Ja, alsof ik er niet bij was, ” werp ik onmiddellijk tegen. “Na de brugklas moest ze een heel jaar Latijn inhalen voor de overstap naar ´t Gym,” praat hij verder, “en ze ging naar een nieuwe klas… enneh… ze zit voor haar huiswerk steeds achter jouw laptop en dat vind jij niet leuk.” Hmm… best lastig zo´n uitgekookte kerel.

 

“Oké, ze hééft ook wel hard gewerkt,” geef ik toe, “…maar een láptop.  Dat is gewoon teveel van het goede,” houd ik vol. “Ach, ik dacht, laat ik ook eens gek doen,” zegt Man. “Hmm…’gek’, goede woordkeus,”complimenteer ik hem. “En nu kan ik niet meer terug natuurlijk,” zegt hij opgewekt. Zie ik daar een scheve grijns? Sjonge jonge…  “Wat geef je volgend jaar dan aan Kind als ze overgaat? En wat als ze geslaagd is?” Want daar ben ik wel ff benieuwd naar. “Nee, nee, ècht, die laptop is een uitzondering.” Hmpf. “Oké,”zucht ik, “maar echt een goedkope dan hè, en géén extra spelletjes ofzo,”beding ik. “Oké,”knikt Man. Ik ben engiszins gerustgesteld. Nou ja, tijdelijk een beetje.

 

Kind krijgt het nog wel druk deze week, want er staan in totaal 13 toetsen op haar programma. Dus ze moet eerst nog ‘knallen’ voordat ze de laptop binnen heeft.  Ik gun haar dat buitensporige cadeau ook wel; dat is het niet. Maar al is mijn moederliefde onvoorwaardelijk, zij kent wel degelijk grenzen!

Lady de loederhond

Een tegemoetkomende fietser schudt me wakker: ‘Mevrouw, u kunt beter teruggaan. Er loopt daar een rothond.’
Ik bedank ‘m met een knikje. Omkeren? Dat doe ik nooit. Ik wil best omfietsen voor een kudde voetbalvandalen of Jan Smit, maar voor een hónd?
Een ouder stel komt verhit aan gefietst. ‘Niet verder fietsen, verderop loopt een vreselijke hond!’
Nu keer ik zeker niet om; die hond wil ik zien!

In plaats van op te letten, verzink ik in prettig gepeins en springt totaal onverwacht in een bocht een grommend monster tevoorschijn. De adrenaline jut me op tot hoge snelheid. Waarom hapt die hond naar mijn kuiten? Daar zit niet eens vet!
Rechts van me staat het hek naar een boerenerf open. In een seconde neem ik een beslissing, rijd langs het hek en smijt het met een zwieper achter me dicht. Ik schuur langs een heg en val stil in het grind. Het ging te snel om mijn voet uit het pedaal te trekken en met een klap kwak ik om. Mijn fiets, denk ik, oh, mijn fiets!

Mijn been heeft de smak opgevangen en mijn fiets blijkt ongeschonden. Ik overzie de schade: een vieze broek, een jaap in mijn knie en een dikke enkel.
AL die tijd staat de hond als een dolgedraaid Duracelkonijn achter het hek te blaffen. Loederhond, foeter ik in mezelf.

‘Geschrokken, mevrouw?’ klinkt een stem achter me.
Met een stuip van schrik draai ik me om en kijk in het grijnzende gezicht van een boerenkinkel. Als hij mijn schrik ziet, lacht hij nog harder.
Lady!’ roept de boer met bulderende stem. Hij opent een klein hek en de hond verdwijnt grommend in een schuur. Grijnzend kijkt de man naar mij. ‘Wilt u een borreltje tegen de schrik?’vraagt hij.
Wat een halve zool! Mij uitlachen, wat denkt-ie wel? Ik draai mijn fiets om en strompel in de richting van het hek. De kinkel houdt het galant voor me open.
Stoer zwaai ik mijn been over de fiets en klik in het pedaal.

Er was iets met die hond wat niet klopte. Maar wat?
Hemel geprezen heeft mijn fiets geen buts. Dát zou pas erg zijn. Kijk ik de rest van de tijd die we samen nog gaan doorbrengen tegen die plek aan, en moet ik telkens aan die loederhond denken, en dat het mijn eigen schuld was…

Ik weet al wat Manliefs commentaar zal zijn. ‘Moest je weer zo nodig de bink uithangen?’
‘Nee, dat was het niet. Het is mijn aangeboren nieuwsgierigheid en die heb ik zelden in de hand…’
Lief zal niet boos worden. Zijn blik zal teleurgesteld zijn en hij zal het H’woord uitspreken. Het H’woord dat denigrerend meisjesachtig eklinkt en een aanstellerige betekenis heeft, bah!

Die hond… wat was er nou toch…
Denk dan eens na! Hoe zag die hond eruit? Nou, bruin, gladharig, en als een groot formaat boxer. Een boxer… Wat zegt oom Kees altijd over boxers? Dat die vroeger bij de politie hebben gezeten. Jottem, dat is het!

Want riep die kinkel niet ‘Lady’?
Ik vind de grap zó leuk, dat ik hardop in de lach schiet. Die hond was geen lady! Want waarom zou mijn oom zeggen dat die hond bij de politie gezeten heeft? Omdat die hond zijn eh… pielum als een pistool zo prominent onderaan zijn buik hangt. Logisch dat die hond één bonk chagrijn is. Ben je een stoere vent en noemen ze je ‘dame’.  Ineens kan dat H’woord me niets meer schelen. Nee, dan Lady, HIJ is pas een Hoogstandje!

Geluksdag

Joepie, ik zit weer in de lift! Een aantal weken was ik best ongenietbaar. Eerst die vermoeidheid en tijdens dat ‘niets doen’ kreeg ik pijn in mijn heup. Serieuze pijn. Oh, straks is ie versleten en moet ik een nieuwe, dacht ik rooskleurig (maar dan anders.) Maar de andere heup begon ook op te spelen. Da’s toch raar, twéé nieuwe heupen? Wat een slecht toeval.

 

Toen ging een knie zeer doen. Dapper doorgaan, moedigde ik mezelf aan, net doen of ik van ijzer ben. En ´willen =  kunnen´, toch? Nou die vlieger ging mooi niet op. Met een steunverband om mijn knie trachtte ik te gaan hardlopen. Nou ja… hard… zeg maar lopen. Het was een hel. Strompelend kwam ik thuis. “Ziet er soepeltjes uit,”zei de postbode. Ik gromde, maar dat was van de pijn. De rest van de middag moest ik bijkomen op de bank. Liggend. Want alleen als ik rechtop stond of languit lag, voelde ik geen centje pijn.

 

Het werd gaandeweg erger: mijn knieën knakten, mijn schouders knikten en mijn rug zakte door. Krakend kwam ik uit bed. Zó jong en dan al ochtendstijfheid? Zou het smeermiddel in mijn gewrichten op zijn? Ik praatte tegen de arts alsof hij de Klaagmuur was. Hij wist meteen de oorzaak: een bijwerking van mijn nieuwe medicijn. Homeopátisch medicijn, hè? Altijd gedacht: baat het niet dan schaadt het niet. Mooi niet dus. Meteen gestopt met dat puntje -puntje -middel en na vier weken is het meeste leed geleden. Alleen die ene heup wil nog niet zo, maar die begon als eerste, dus misschien trekt de pijn daar als laatste weg? Ik zit vol goede heup eh hoop.

 

Zo, hè, hè, nu mijn benen weer doen wat ík wil, trek ik de stoute fietsschoenen aan en stap blijmoedige op mijn racepaard. Was het gras vorige week ook al echt zo groen? De klaprozen heus zo rood? De kieviten buitelen, ik hoor de grút-to, grút-to, zie bermen vol kanariegeel koolzaad en ruik het pas gemaaide gras. Komt het door het mooie weer? Door mijn onvermoeibare benen? Hoe dan ook: ik vlieg door de polder. Mijn grijns wordt alleen maar breder. Zó fijn, ik word er een beetje duizelig van. Vandaag is vast mijn geluksdag.

 

In Noordeloos bezoek ik de bakker en ga in het zonnetje langs het bruggetje mijn appelflap op zitten eten. “Is ie lekker, mevrouw?”vraagt een meneer die met z’n gezin in een klein bootje langs vaart. “Héérlijk,” zeg ik geheel naar waarheid, “ik heb al spijt dat ik er maar eentje heb gekocht.” Hij legt aan en klautert de ka op. Ik wil wijzen waar de bakker zit. “Hoeft niet,”zegt ie grijnzend. Niet veel later staat ie voor mijn neus en geeft me een zakje. “Omdat u ze zo lekker vindt, mevrouw.” Nou zeg! Ik ben aangenaam verrast: van dit soort mannen mogen ze er meer maken. “Bedank,”zeg ik, “maarre… ik krijg toch geen ruzie met uw vrouw, hè?” Die zit te schaterlachen in het bootje. “Nee hoor,”zegt ze, “hij heeft ze daar vannacht zelf staan bakken!”

 

In Ottoland zie ik jonge ooievaartjes. Dat is bijzonder, want de laatste vier jaar hebben de ooievaars alleen maar dode jongen voortgebracht en die werden pontificaal door pa n moe uit het nest gekieperd. Iemand op de grond ruimde ze netjes op.

 

En toen…liet het geluk me een beetje in de steek, want ik kreeg een enorme hond achter me aan. Maar daarover morgen meer!

Soap story

Aandacht, knuffels en bergen lekkers. Daarmee legde Oma ons – haar vijf kleinkinderen- altijd stevig in de watten. We moesten niets en mochten veel: tenten bouwen; ijsjes kopen bij de Jood aan de overkant en verkleedpartijen op zolder.  Je bordje leegeten? Welnee, dat was voor thuis. Bleef er ook meer plek over voor haar verwentoetje. Kortom: zo’n oma!

Veel oudere mensen die ik ken, praten graag over ‘Sunlight zeep’. Ze horen dat ene woord en meteen  beginnen ze gelukzalig te grijnzen en nostalgisch te stralen.

Ik niet.

Vrijwillig – op nu dan na  – zal ik die zeep niet ter sprake brengen. Alleen de gedachte al, doet me gruwen. Dankzij oma. Ze mocht dan nooit boos worden, er was één ding waar ze ogenblikkelijk mee afrekende: lelijke woorden. Geen idee welk vies woord ik toendertijd heb gezegd, maar in haar oren zal het niet fraai geweest zijn. Want ineens stapte Oma kordaat op me af, greep me bij kop en kont en droeg me onder één arm naar de keuken.

Daar pakte ze een blauwe (mijn goeiste kleur) beker, deed er wat water in en zei dat ik een slok in mijn mond moest nemen. Niet begrijpend keek ik haar aan. Oma pakte de Sunlight zeep, brak er een stukje vanaf en propte het tussen mijn – inmiddels – samengeperste lippen naar binnen. “Zo, en nu spoelen,”zei ze, terwijl ze allebei haar handen in haar zij zette en me streng aankeek.

Ik spoelde.

Was het de smerige smaak? Oma’s halsstarrige houding? De teleurstelling van haar optreden? Misschien van alles een beetje. Ik kokhalsde van de zeep. Godzijdank zei oma al snel: “Uitspoegen in de gootsteen!” De nasmaak kan ik me zelfs nú nog herinneren.
Nee, mij hoort niemand het woord Sunlight in de mond nemen, want er zit een luchtje aan!

Boze Buufman

Eindelijk rust. Na een drukke week zitten Buufie en Buufman ’s avonds uitgeteld op de bank. Ineens is het: ‘BAM!’ tegen hun keukenraam. Wel gloeiende, gloeiende… Steeds vaker worden eieren of waterbommen tegen de ruit gegooid, maar nog niet één keer hebben ze de dader kunnen betrappen. Dít is hun kans! Beiden vliegen overeind van de bank. Buufie holt naar het keukenraam en Buufman snelt knarsetandend naar de voordeur. Hij rukt ‘m open…

 

…en ziet de buurjongen van de hoek de kuierlatten nemen. Buufman bedenkt zich geen moment, trekt onmiddellijk de spurt aan en zet de achtervolging in.  Buufie zou er het liefst ook hard achteraan rennen, maar twee volwassen achtervolgers op één snotaap van 12 is wat veel.   

 

Snotaap ‘Niels’ holt zo hard zijn benen hem kunnen dragen naar zijn huis. In plaats van de voordeur te gebruiken, wurmt hij zich tussen de coniferen van de achtertuin door. Ondanks de formidabele afmetingen van Buufman springt hij elegant tussen dezelfde coniferen door, Niels achterna.  De bommenwerper was zich nog niet van zijn achtervolging bewust, en krijgt de schrik van zijn leven als hij zich omdraait. Hij gilt van schrik. Daar staat zomaar ineens een grote boom in de tuin staan! Eentje die er eerder nog niet stond. Dat klopt; die boom is Buufman. Niels vader stormt naar buiten; bezorgd en nieuwsgierig, waar zijn zoon zo van geschrokken is. 

 

Rap rolt Niels bekentenis eruit. Na het horen van de woorden ‘waterbom’ en ‘keukenraam’ concludeert dat hij – de vader – hem – de buurman  – beter te vriend kan houden. Met z’n drieën lopen ze naar het huis waar het water onder het keukenraam ligt op te drogen en het zakje in de heg isi gewaaid. Pa verontschuldigt zich zoals het hoort. Zoon scheldt pa uit, zoals ’t niet hoort. Dat doet maar, denkt Buufman, die jeugd ook van tegenwoordig.

 

“Opruimen” commandeert pa tegen zijn zoon “en daarna je excuses aanbieden.” Beide buurmannen praten zich nader tot elkaar praten. Mocht er al sprake zijn van enig probleem tussen hen, dan verdampt dat nu samen met het water van het bommetje. Zoon smeert ‘m stiekem naar huis; opruimen doet z’n vader maar, vindt hij. Als de buurmannen bijna vriendschappelijk – “nog een prettige avond!” “Ja jij ook!”- uit elkaar gaan, is het verhaal nog niet ten einde.

 

Integendeel, nu begint het pas! Op hoge poten, op teenslippers en met het laatste model zonnebril, komt Niels moeder aanstappen. Al van grote afstand foetert ze tegen haar man: “Wat denk je wel?! Nielsje is zich rot geschrokken! Dat kind is helemaal overstuur, en dat is jouw schuld. Jij moet het voor je kind opnemen!” Razend en scheldend trekt ze haar hele register open. Waren haar woorden waterbommen geweest, dan had pa nu soppend in zijn schoenen gestaan. Onverschrokken brult moe verder. Pa schaamt zich voor zijn vrouw en blijkt de wijste.   Hij zegt dat hij het er buiten op straat niet meer over wil hebben, draait zich om, en laat zijn vrouw scheldend achter. Korte tijd later stapt Pa in zijn auto en rijdt er in hoge snelheid vandoor.

 

Baaldag

‘Opzij, opzij, opzij,

Maak plaats, maak plaats, maak plaats,

Wij hebben ongelofelijke haast’.

 

De afgelopen dagen scheuren trekkers overal door de Krimpenerwaard. En dat hebben we geweten ook. Met veel machtsvertoon rijden ze breed over het midden van de weg en ze wijken nergens voor.  Want wie krijgt ze klein? Helemaal niemand. En is het ene weiland gedaan? Dan denderen ze voort naar het volgende. Want boeren hebben het zó druk, druk, druk.

 

De boer ploegt niet alleen, nee, hij hooit ook. Steeds maar weer. Voordat van gras hooi gemaakt kan worden dat kant en klaar kan worden opgeslagen, moet er wel een partij werk verricht worden, waar  de boer bovendien vijf dagen droog weer voor nodig heeft. Dus vijf dagen lang, scheuren boeren van grasland naar grasland.

 

Eerst wordt eerst het gras gemaaid, maar dat wist je al. Daarna wordt er drie achtereenvolgende dagen het gras één maal geschud (klinkt als een doktersrecept). Als laatste komt de baalwagen eraan te pas. Keurig wordt baal na baal opgeslagen. Sommige balen worden van ondoordringbaar plastic voorzien, andere worden ouderwets opgeslagen onder de hooikap. Enkele boeren graven een diepe kuil op het land waar het hooi in wordt gekieperd en afgedekt met plastic. Dit is het ‘ingekuild gras’. Wat veel werk allemaal, hè? Maar ach, dat gebeurt toch machinaal.

 

Ho ho, wacht eens even! Wat zie ik daar? Ik stap van de fiets, want ik wil het wel zeker weten. Moet ik terug naar de brillenzaak voor nieuwe glazen of…

 

 

 

 

 

Nee hoor, het is echt waar! Kijk dan! Anno 2010 zou je dat toch niet meer verwachten? Is dit  niet een beetje gedateerd?

En de boer… hij hooide voort.

Reepje rubber

 

PANG! Een luide knal en met een donderend geraas dendert een grote tractor langs me heen. Mijn achterwiel slipt onder me vandaan en als door een wonder beland ik niet onder een groot wiel maar tussen een berg margrieten in de greppel. Keleune, mijn hart klopt tegen mijn huig! Geschrokken maar geheel intact klauter ik van de fiets. Wat een knal was dat, zeg! Dat klonk als een donderslag. ’t Is echter geen bliksem, maar een klapband. 

 

Ik haal het achterwiel uit mijn fiets en staar er verbijsterd naar. Jéétje, wat een joekel van een gat zit er in dat canvas. Die band is volledig naar de gallemiezen. Hoe kom ik daarmee thuis? Nou…niet? De dichtstbijzijnde fietswinkel is ehm… zes kilometer lopen. Ja doei, ik ga niet dat hele eind naast m’n fiets lopen. Bovendien ben ik al in het rijke bezit van een nieuwe buitenband. Thuis…

 

Ik hang mijn fiets een stukje verderop aan een boom en ga aan de slag. Binnenband eruit, nieuwe erin en pompen. Hoe ik ook mijn best doe, ik krijg maar niet genoeg lucht in de band. Een kwikstaartje hipt nieuwsgierig dichterbij. Zou er iets met mijn ventiel zijn? Ik trek ’t eruit. PPFFffft doet de band. Wég kwikstaartje. Niets te zien aan dat ventiel, maar ja daar heb ik ook nog nooit een studie van gemaakt. Ventiel er weer in, pompen. Nee hoor, het lukt niet. Jasses, wat nou?

 

Moet Ik Een Man Om Hulp Vragen? In de verte ontwaar ik een wielrenner (ik gebruik die term losjes). “Heb je hulp nodig,”vraagt ie, nog voordat ik mijn mond open heb hoeven doen. “Ja, graag,”zeg ik (zó, zou Man zeggen, dat wil je anders nooit.) Verwachtingsvol zie ik hoe Meneer de Wielrenner zijn spierballen laat rollen. Hij heeft er zichtbaar moeite mee; wat mij iets tevreden stemt. Hij pompt en pompt… Geniepig piept een bobbel binnenband door het canvas van de buitenband heen. Hmm.

 

“Dat wordt lopen naar de fietsenmaker in Oudewater,”zegt de krachtpatser. “Ja… neehee,”zeg ik. Eigenwijs hè? Ik pak een smal reepje van een verlept stukje binnenband uit mijn zadeltasje, en bind het om de buitenband en de velg. Knoop erin. Nou? Bedenkelijk kijken we elkaar aan. Hij pompt de band nog wat harder op; het knoopje blijft zitten. Het lukt! “Toch wel slim,”zegt meneer de wielrenner, wijzend naar het reepje rubber met knoopje. Ik word er bijna verlegen van. “Heb ik niet zelf verzonnen, hoor,” beken ik. “maar gelezen in een boek van Frank van Rijn.” Aaah… ja,” hij knikt bij het horen van de naam van Neerlands bekendste wereldfietser; blijken wij zomaar een ‘gemeenschappelijke kennis’ te hebben. 

 

“Die fietsenmaker haal je wel,”zegt hij overtuigd. Inderdaad! Ik red het niet alleen tot aan de fietsenmaker, maar zelfs tot aan mijn eigen voordeur! Wat een reepje rubber al niet kan doen!

 

Zie je nou dat je je nooit te snel voor één gat moet laten vangen?