Fietskoffer

 

Langs het fietspad staat een heel dikke boom. Als ik daarachter vandaan kom, zie ik in een flits een groepje wielrenners voorbij schieten. Geloof ’t of niet: ik herken níet de persoon die erop zit, maar wèl zijn fiets: een rode Bianchi. (Beetje vreemd wel hè?) Keihard gil ik: “HENK!!” Er wordt gekeken en het groepje stopt. “Sjesus, het is Kakel,”hoor ik een bekende stem zeggen. Grijnzend kom ik met fiets en al tevoorschijn. “Allemensen, moest je weer, ja? Ouwe z..kerd,” zegt Jaap met een big smile.

 

“Ik wou dat Joop ook eens ging plassen. Heel de weg moet ik dat gez..k al van hem aanhoren,”vervolgt hij. “Ga jij niet bijna op vakantie?” vraag ik aan Joop. “Dát had je nou net níet moeten zeggen,” waarschuwt  Jaap. “Hoezo, mag z’n fiets niet mee?” “Nee,” zegt Joop mokkend, mijn nieuwe fiets mag niet mee IN de nieuwe caravan; hij moet achterop!” “Dan mag ie toch mee,” zeg ik, “je vrouw is gewoon zuinig.” Joop vliegt me bijna naar de strot. “Ja, en ik ben zuinig op mijn nieuwe fiets!” bijt hij me toe. “Koop je toch een fietskoffer?” zeg ik.  “Een fietskoffer,” schampert Joop.  “Ja, je weet wel, je haalt je wielen uit je fiets, draait je stuur een slag en je stopt je frame in de koffer. Rits dicht. Klaar. Kan zo in de caravan. Wielen kunnen er ook in of anders onder je bed. Zelfs jij kan het.”

 

“’Ja, joh!” zegt Jaap enthousiast. “Koop zo’n koffer! Je hebt toch geld zat. Ik ben je vriend geworden vanwege je vele geld, Joop, niet omdat ik je zo’n gezellige gozer vind.” “Dat ik daar zelf niet opgekomen ben, wat stom!”zegt Joop treurig. “Ach, je blik werd vertroebeld door je emoties,” zegt  Jaap gevoelvol. Ik rol met m’n ogen. “Ik heb nog maar één week om die koffer te kopen.” “Rijden we toch ff langs Plieger?”stel ik voor. “We zijn toch in de buurt.” Jaap gooit het in de groep en alle tien gaan akkoord. Bijna blaast de harde zijwind ons het kanaal van Meerkerk in en al onze  jasjes flapperen. De gratis koffie met koek en een stempel liggen al op ons te wachten in ’s lands   wereldberoemde fietsenzaak.

 

“Er staat er maar eentje,”zegt Joop beteuterd. “Wou je je oude fiets ook meenemen?”vraagt Jaap. “Nee, maar ik heb geen pinpas bij me.” “Hierzo. Loop ff naar Gerrit en laat dat ding wegzetten. Hoe wou je ‘m trouwens meenemen als je ‘m wel betaalt. Je bent toch op de fiets?” Hup, koffer wordt apart gezet. Joop straalt als een grootgrondbezitter. “Je kan ook de fiets achterop je caravan binden en Jaap in die koffer douwen,”zegt Gerrit gevat. “Hohoho mannetje!” 

 

In Vianen trakteer Joop ons op softijs, om zijn koffer te vieren. “Weet je vrouw ’t al?”vraagt Bob vals. “Gewoon je tong uitsteken, Joop,”adviseer ik. “Nee, nee, niet die middelvinger omhoog!” Toch doen hè, slap aftreksel. We waaien bijna van het plein af. Net doen of dat leuk is; tien stoere Hollandse jongens, wie doet ze wat? Theo ziet bijna blauw van de kou. “Hier,”zeg ik, “ik heb nog ’n windbreker in m’n achterzak zitten.” Vier handen willen Theo’s ijsje wel ff voor hem vasthouden. Alle vier de eigenaren ervan denken, oh die andere hand pakt dat ijsje vast.  Kledder, dahag ijsje. Nee, Theo hoeft geen nieuw.

  

Een meneer loopt langs; hij trekt met zijn linkerbeen. Naast hem aan de riem loopt een hondje dat mank loopt met zijn rechterachterpootje. Bob wil iets zeggen. “Je láát ‘t,” sis ik. Misprijzend kijkt hij me aan. “Normaal doet Mirjam wel aardig hoor, “ legt Jaap uit, “maar ze is nogal…euhm onrechtgevoelig.” Nietes, ze is gewoon een softie,”vindt Bob. “Wacht maar,”dreig ik, “tot jij een mank pootje krijgt. Zet ik met veel plezier jouw fiets te koop op internet.” “Watje,” plaagt Bob.

 

Ook al willen we ’t liever niet, toch blijven onze ogen aan die meneer met dat hondje kleven. Het diertje draait een bolus. Als ie dat gedaan heeft, waait een windvlaag een leeg bierblikje in zijn richting. Daar schrikt het beest zo van, dat hij op zijn manke pootje probeert te staan en omvalt. Zó, in z’n eigen drol. Sorry, maar dat is teveel voor een mens. Ik gier het uit, zij het enigszins gedempt. “Gewoon hard lachen. Die man hoort ’t toch niet, want hij heeft de wind tegen,” buldert Joop. Het is onderbroekenlol van de bovenste plank. Gerrit doet het manke hondje na en we schateren het uit. Het baasje zoekt in zijn jas- en broekzakken vermoedelijk naar een zakdoek, maar kan niets geschikts vinden. “Veeg die hond toch af aan een stoeptegel,”zegt Bob. “Nou ja,”zeg ik, “waar is je gevoel voor dierenliefde? Hup, trek je shirt uit en veeg dat hondje schoon.” zeg ik tegen Bob.” “Oh, lekker en daarna?” “Trek je ‘m gewoon weer aan. Het verschil ruik je toch niet bij jou.” ‘Zo…ho…o…o!”roept Jaap, als ie Bobs boze hoofd ziet, “dat is vals, zeg! Hi hi, dat ‘softie’ zat haar nog dwars. Eigen schuld.”

“Kom,”zegt Theo verkleumd, “we gaan.” Lachend stappen we weer op. Nou ja, Bob iets minder dan de rest. Maar dat hondje zal ons nog lang blijven heugen.