Gipsgedrag

 

Het gips is een blok aan Mans been. Daardoor komt hij volkomen tot rust.

Hij wel.

 

“Wil je wat drinken?” vraag ik. “Ja graag. Wil je dan ook meteen de zonnebrand meenemen? En heb je iets te lezen voor me? Oh, weet jij of er nog van die lekkere chocoladekaakjes zijn?”

 

Nou, je voelt ‘m al, hè? De rest van het huishouden kan wel dag met zijn handje zeggen tegen de rust. Nu vraagt Joris Goedbloed nooit veel voor zichzelf, dus dragen Kind en ik  alles met plezier voor ‘m aan. Desnoods de rest van het jaar.

 

Afijn, na twee dagen lijkt me de rest van het jaar toch wat aan de lange kant. Man niet; die krijgt de smaak te pakken. Wel handig, denkt hij, dat ‘managen’ op de zaak. Nu kan hij dezelfde delegeerhouding thuis toepassen. “Wacht maar,” dreig ik, “als je straks LOOPgips hebt, dan zul jij nog eens wat beleven.” Joris lacht alleen maar. Terwijl hij nog zo beloofd had om chagrijnig te worden…

 

Lief brengt zijn dagen voornamelijk door op het terras. Nu hij toch alle tijd en niets beters te doen heeft, bestudeert hij aandachtig het plaatselijk en vrouwelijk schoon dat overdag langs hem heen flaneert. ’s Ochtends begeven alle moeders met kroost zich langzaam vanuit het dal heuvelopwaarts. Kijk eens naar de bilpartijen van die dames! Wat een kolossale achterwerken, en heb je die big boobies al gezien?

 

“Kijk je wel uit dat je ogen niet uit hun kastjes rollen, Joris? Wil je misschien een schoteltje?”

“Nee, zo gaat het goed, hoor.”

 

Op het hoogste punt van de heuvel aan gekomen, waaieren moeders en nageslacht uiteen. In de namiddag hergroeperen zij zich, en wisselen waarschijnlijk de laatste roddels uit. Het zijn me een stel rumoerige typen! Regelmatig klinkt het geluid van een kreunende tennisspeelster op Wimbledon.

 

Plots is het met alle activiteiten gedaan en keert de rust weer. Dan willen alle dames nog maar één ding: alles rustig herkauwen.

 

Mooi hè, dikbilkoeien?  Joris kan er úren naar kijken.

   

Bella het beest

Bella het Beest

Ik spoel even terug naar de vakantie.

TRING! We hebben een beller!
‘Hallo, met Mirjam.’
“Ha Schone zus. Die Bella is een mooie, hoor!’
‘Ja! Hoe gaat het met d’r?’
‘Nou, zegt Zwager nonchalant: ‘ze ligt languit naast me!’
‘Wat?’ stamel ik. Languit naast ‘m? Hoe kan dat nou? Amper vijf dagen zijn wij uit Bella’s oog, en dan ook al uit haar hart?
Zich van geen kwaad bewust wrijft Schoonbroer het er nog wat in: ‘Als ze al niet geaaid wordt, vráágt ze er om. Ze loopt bedelend rondjes en maakt bromgeluidjes…echt bizar!’

Ja, vertel mij wat…de overloopster. Ik begin al spijt te krijgen van mijn advies aan de Konijnenopvang om Bella’s kattenbak (die zij als toilet gebruikt) op een strategische locatie neer te zetten.
‘Eh… hoe zit het met haar toiletfouten?’ informeer ik vergenoegd, wetend dat zij ritsen keutels náást de bak produceert.
‘Ach, wat maken die paar droge keuteltjes uit? En wat jij zei, hè, over bananen, ze doet inderdaad alles voor een hapje; ze spring gewoon bij me op schoot! Oh, oh, wat een beest!’ 

Nee, nou wordt ie helemaal mooi! Er komt een heel lelijk woord voor Bella in me op: het begint met een S en eindigt op loerie.
‘Nou joh,’ besluit Zwager. Geniet nog van de vakantie, wij zorgen wel voor de konijnen.’
‘Hartelijk dank,’ zeg ik, ‘ik zal het niet snel vergeten.’

Bella’s overloopgedrag irriteert me. Met veel plezier zou ik haar ergens aan een boom binden, maar dan bijt ze vast het touw door. Ineens gaat me een lichtje op voor een gepaste straf: Bella moet dringend op dieet. Steeds was ik te zwak haar lieflijke blik te weerstaan, maar zodra ik terugkom van vakantie zal het genoegen geheel aan mijn kant zijn!

Maar stel nou eens dat een konijn een geheugen heeft van slechts drie of vier dagen? Dan kan Bella er dus niets aan doen. Hmpf.

Thuis besluit ik de proef op de som te nemen. Terwijl de Konijnenopvang van de koffie nipt, loop  ik naar de keuken om Bella’s geheugen te testen. Ik open de koelkast, trek de groentelade eruit en beweeg een plastic zakje. Het ritselt. Doorgaans een “snacktijdteken” voor een altijd hongerig konijn. En wie komt daar aangesjeesd met de snelheid van een kruisraket? Bella het Beest.

Met een geheugen van welgeteld… 15 dagen! Het harteloze loeder. 

Rijles

Met Man zijn voet is serieus iets aan de hand en vereist een medisch oog. Telefonisch maak ik een afspraak met een plaatselijke huisarts. En hoe gaat Man naar die arts? Niet lopend, nee, nee, want dat kan hij niet. Met de auto dus. Iemand moet dan wel achter het stuur van Mans auto – een Prius -kruipen. Dat is niet Man zelf. Ook niet Kind. Blijft er één persoon over en ik kan haar met mij neus aanwijzen als ik voor de spiegel sta.

 

“Kijk,”wijst Man, terwijl hij de sleutel in het contact duwt, “met je linkervoet haal je de handrem er af, dan je voet op de rem, op ‘start’ drukken, de versnelling in ‘d’ zetten, en klaar is Kees. Nou, Kees mag dan klaar zijn; ik moet nog beginnen. Ik heb altijd alleen maar náást het stuur van de Prius gezeten, pfff, Spaans benauwd krijg ik het opeens. Wedden dat straks het zweet op mijn rug staat?  Ik fiets nog liever 14% omhoog, da’s stukken minder vermoeiend.

 

Achteruit uitparkeren gaat goed, vooruit rijden ook, daarna zonder schade parkeren voor de deur van de dokter. “Naar het ziekenhuis voor een foto,”zegt de man, in ruil voor een hand contanten (!) Zonder ongelukken haalt de Prius het ziekenhuis. Een brutaal mens heeft de halve wereld en ik parkeer de auto op een invalidenparkeerplaats.( Trouwens… wat scheelt het?) “Als er bij terugkomst een bom op zit, vreet ik die gewoon op,”zeg ik stoerder dan ik me voel.

 

Wij melden ons bij de ‘Urgence’ en 5 min later al zet Man hinkend de achtervolging in op een verpleegster die rap achter twee klapdeuren verdwijnt.

 

Kind en ik wachten.

 

Drie kwartier later komt dezelfde verpleegster op me afstappen en duwt me een bruine envelop in mijn handen. “Alstublieft,” zegt ze opgewekt. “Bedankt,”zeg ik. Krijg ik mijn man nog terug?” “Voila!”zegt ze, wijzend naar de klapdeuren. Ik zie niks. Oh wacht… langzaam gaan de deuren open. Daar komt Lief aangehinkt. Van verbazing ga ik rechtop staan. “Wat hebben ze nóu met je gedaan?”vraag ik. Mijn mond valt open. Zijn rechterbeen zit van zijn tenen tot zijn knie in het gips en hij draagt in elke hand een kruk.  

 

Asjemenou!

 

Hij mag niet op zijn voet staan. Huh, komt dat even goed uit, hij wíl ’t niet eens! Wel moet hij elke dag een spuit. “Misschien dat jij dat kan doen?”zegt hij tegen mij. “In je bil,”vraag ik hoopvol. “Nee, in een rol babyvet in mijn buik. En over 8 á 10 dagen kan dit gips eraf en mag ik loopgips.” “Nou,”zeg ik, “dan zit er in ieder geval vooruitgang in. Sjonge, net gips gekregen en meteen iets om naar uit te kijken!” zeg ik opgewekt. “Jij ook, mam,”zegt Kind. “Ikke? Hoezo?” “Ja, nu moet jij ons terug naar huis rijden.”

 

Amai…

 

 

Sterretjes

Ik trap me volledig het schompes. Bijna zie ik sterretjes van vermoeidheid. Komt er dan nooit een eind aan deze beklimming? Puffend, zuchtend en zwetend pas ik het ritme van de pedalen aan aan mijn ademhaling. Oh, mijn bovenbenen, ze willen niet meer. Hou op, hou op! roepen ze. Mijn knieën hebben er ook duidelijk genoeg van. Alleen mijn hoofd wil nog door. Drie uur geleden vond ik die hellingen nog heerlijk, maar deze ene bij Fourneau St Michel is net een beklimming teveel.

 

Ken je die stemmen in je hoofd? Zie het als een prestigeslag tussen mij en mezelf.

Stop dan even voor een plas, Kakel. Nee, ik stap niet af.

Ja, maar voor een plasje mag je best ff van de fiets af. Ik hóef niet eens te plassen!

Niemand weet toch dat je stopte voor een nepwildplas? Ja maar ikzelf wel!

 

Hoe lang gaat die weg nog omhoog? En waar zijn die bordjes met een stijgingspercentage als je ze nodig hebt? Mijn hart hamert zowat mijn borstkas uit. Mijn bovenbenen klappen bijna uit elkaar. Ineens besef ik dat ik geen al te intelligente indruk maak met mijn mond ver open, mijn tong die  op mijn hielen hangt en mijn zwabberende gang over het asfalt. Ik heb niet eens meer de energie om een irritante vlieg een oplawaai te verkopen. Wacht maar krent, denk ik, in de afdaling ben je nergens meer. Bijna boven, nog een stukje vals plat en ja hoor, ik heb het gered!

 

Ik neem de laatste slok uit mijn bidon. Mijn tong is zo droog als mijn schoenzolen, waarschijnlijk omdat ie al die tijd op mijn hielen heeft gehangen.

 

Aan de overkant van de weg staat een bord. Zou het percentage erop staan? Ja! 14% “Amen,”zeg ik tevreden en zie om in verbazing. Dat heb ik toch maar ff geflikt. Ik heb uitzicht op een akker met wuivende halmen, huizen in het dal; koeien met het formaat van mieren,een kapelletjes langs de kant van de weg.

 

Dit is mijn HOOGTEpunt van de dag; het pure Fietserslevengevoel.

 

Volkomen voldaan laat ik me in de diept vallen. Leve de uitvinder van de remblokjes!

Slippertje

Periode: zomervakantie

Locatie: omgeving La Roche en Ardenne, Belgie

 

Manlief heeft een slippertje gemaak. Alhoewel, slipperTJE…

Hij stapt tijdens een wandeling van een muurtje van 30 cm op een oneffen ondergrond en hoort tweemaal:  kgggKRAK! Kermend laat hij zich op één knie zakken. Au!…au!…au!  In luttele seconden groeit een bult ter grootte van een tennisbal aan zijn enkel. Gatsie!

 

Het prettig noodlot wil – of is het de voorzienigheid?- dat we naast kabbelend water staan. “Snel!,”zeg ik, “hang je voet in dat beekje!” Moeizaam strompelt Man naar het verkoelende water en laat zijn bezeerde voet erin zakken. Ahh, lekker, lekker! Maar hoelang kan hij hier in het blussende water blijven staan? Man, Kind en ik kijken elkaar betekenisvol aan, want het is minstens 6 km lopen naar onze auto in La Roche. In het water verdwijnt de tennisbal, maar wordt de voet rondom een heel stuk dikker. Past die voet nog in zijn schoen maat 44?

 

De routebeschrijving ondertussen, belooft echt iets voor man om naar uit te kijken: ‘u volgt een halfverhard pad steil omhoog’. Man klemt zijn lippen op elkaar, en propt zijn voet in zijn schoen. Ertegenaan maar. Ik zoek en vind een stok. Lief sleept zich omhoog. Bovenaan lezen wij: ‘Na 1500 m bereikt u de eerste huizen van het gehucht Beausaint,’. Helaas, de werkelijkheid komt niet overeen met de beschrijving. Lopen wij verkeerd of is dit bos sinds het verschijnen van het routeboek onnatuurlijk hard gegroeid? Wij lopen en lopen…

 

Dan, half verscholen onder het groen staat een bordje. Als wij linksaf slaan is het nog  16,5 km naar La Roche en als wij recht-zo-die-gaat doorlopen slechts 10,5 km. Ahhh! Man krijgt terplekke een hartverzakking gevolgd door een shock. Zó ver nog?! Heremijntijd…  

 

Wat nu? Denk, denk. Omkeren, teruglopen naar de beek en vanaf daar de asfaltweg volgen. Nu blijkt dat naar beneden strompelen voor Man nog pijnlijker is dan omhoog; bovendien is het pad ongelijkpad. Bij het beekje aangekomen verkeert Man in deerniswekkende staat. Hij is al niet zo’n prater, maar nu komt er helemaal geen geluid meer uit. Zijn gezicht daarentegen spreekt boekdelen.

 

Het is al 17.30 uur. Tijd om actie te ondernemen. Ik zie daar een huis en een mevrouw. Zij weet het nog niet, maar zij gaat zometeen voor ons een taxi bellen. “Madamme!”roep ik en hol naar haar toe, “madamme, wilt u alstublieft een taxi voor ons uit La Roche laten komen?” “Mais non,”zegt ze, “want die zijn er niet”. Amai, met deze praktische kant heb ik geen rekening gehouden. Maar… mevrouw heeft echter wel een engel van een man en hij wil ons wel naar La Roche brengen.

 

Stilgevallen na zo’n vriendelijk aanbod, stappen wij in zijn auto. “Waar staat uw auto?”vraagt de man vriendelijk. “Bij de kroeg,”zeg ik. Vragende blik via de achteruitkijkspiegel. “Welke kroeg?”wil hij weten. “Taverne á l’Amité,”zeg ik. Zo, zo, dat komt er rap uit, zie ik hem denken, is deze vrouw soms een drankorgel? nou, reken maar van yes. “Dat is het beginpunt van de wandelroute,” probeer ik duidelijk te maken. De bestuurder lijkt gerustgesteld. Een manke vreemde en een dranklustige vrouw (plus een roodharig kind) is tenslotte wel erg veel voor op één dag.

 

“Courage,”wenst hij Man toe bij het uitstappen, en wég rijdt hij alweer, terwijl ik hem nog had willen overladen met bedankjes. Lief hijst zich moeizaam achter het stuur. Zijn voet is paars en zijn gezicht wit. Gas geven doet de cruise control, maar Mans voet doet zo’n pijn dat hij amper kan remmen. Wonder boven wonder bereiken wij ongedeerd ons vakantieadres.

 

‘s Avonds laten wij alles nog eens de revue passeren en zijn oprecht geroerd door de hulp van vreemden. Voor ‘onze chauffeur’ was het misschien een klein stukje, maar voor ons een héél eind. Zoveel vriendelijkheid doet  een mens toch goed!

Le Grand Départ

Ik spoel even een stukje terug:

De tourtocht Le Grand Départ – op donderdag 1 juli jl. – was één groot sportief feest!

De dag kan niet beter beginnen: ik heb zowaar geslapen vannacht en spring enthousiast met beide benen uit bed. AU! mijn heup. Nou ja, afgezien daarvan wordt het vandaag MIJN dag. Ondanks m’n dwarse heup ga ik op de fiets naar de Kuip en niet met de auto.

In het stadion krijg ik mijn shirt en startnummer – inclusief veiligheidsspeldjes – uitgereikt. Terwijl muziek door de speakers schalt, wordt op de tribunes een striptease uitgevoerd. “Het A-team!” zegt een fietser opgewonden tegen mij, wijzend naar voetballers in het veld. “Interessant,” zeg ik, in de hoop dat het ook zo klinkt, maar ik vrees het ergste.

Verzamelen voor de start bij een grote, ronde plastic boog van Amstel bier. Ik sta vooraan! Rijen en rijen fietsers scharen zich achter me.Om half twaalf precies wordt er in het Surinaams afgeteld en go! go! go! want haast is geboden. Haast? Nee joh, niet echt, maar iedereen is zo eager om op de fiets te stappen en de pedalen rond te draaien.

Een lang lint fietsers slingert zich over de dijk van Ridderkerk, en Hendrik Ido Ambacht naar Dordrecht. Daar is de eerste verzorgingspost, maar na nog geen 30 km fietsen vind ik het te vroeg om af te stappen, dus deze post sla ik over.

Aanhaken achter een ander groepje. De zon schijnt, iedereen praat tegen iedereen. Ik kijk onderweg mijn ogen uit naar heel veel prachtige fietsen: Van Rossum, Bull, Colnago, en Pinarello. En dúre ertussen, niet normaal gewoon. Jaloers? Nee joh.

Met een bloedgang sjees ik door de Heinenoordtunnel naar beneden. Ik durf niet te kijken hoe hard ik rijd en verdring de gedachte aan een klapband. Niet bijster snugger om hard te rijden, bedenk ik me, want nu heb ik korter profijt van de heerlijk koele tunnelbuis. Gelukkig mag ik aan het eind weer 7% omhoog fietsen.  Sjonge jonge, wat heb ik last van mijn linkerheup. Fietsen zal ik, dus eet ik nog maar een Ibrufen op.

De verzorgingspost in de buurt van Strijen is werkelijk van alle gemakken voorzien: watertanks, kant-en-klare sportdrank, bananen, appels, sportgels en… portable toiletten; ook fijn. Weer verder kris-kras door Oud Beijerland. Overal staan vrijwilligers als levende pijlen langs de weg. Man, vrouw, dik, dun, wit, zwart, jong, oud. Ze houden de kruispunten op slot zodat wij fietsers – ha! – voorrang krijgen.

Veel te snel fiets ik alweer door de Heinenoordtunnel naar Barendrecht (fotograaf, smile!), met de officiele finish in Ahoy. Daar worden alle fietsers welkom geheten door een spreker die praat alsof hij terplekke de Tour de France verslaat.

Iedereen fietst op eigen houtje terug naar de Kuip en de Brienenoord. Bovenop de brug doe ik een buitengewoon fijne ontdekking: de pijn in mijn heup is volslagen verdwenen. Als bij toverslag. Ra, ra, hoe kan dat? (Misschien meer trainen?)

Voor m’n huisdeur staat er 113 km op de teller met een fietstijd van 3:54:59. Het was lekker; ik had de tocht voor geen goud willen missen!