Los in het Klimbos

Vrijdag is mijn geluksdag, want ik mag met twee lefmeisjes op stap. Kind en Nichtje zitten stuiterend en giebelend in de hoogste versnelling op de achterbank. Vlakbij het Klimbos in Apeldoorn blijken de meisjes aanleg voor gillende keukenmeiden te hebben. TA-TU! TA-TU! er moet onmiddellijk per direct NU gestopt worden, want er zit een levensgevaarlijke wesp in de auto. Over elkaar struikelend tuimelen ze naar buiten. Als blijkt dat de wesp zelf al van schrik de pleitgang heeft genomen, kunnen we de reis hervatten.

 

Eenmaal in het klimpark krijgen we een klimgordel aangereikt, compleet met haken en een tockelhouder. Het touw onder mijn kont trek ik zo strak mogelijk: heb ik ook eens billen!

 

 

Na de verplichte instructie worden we losgelaten. De meiden schieten als atleten uit de startblokken en als de stofwolken zijn opgetrokken, zie ik ze bij de paarse route staan. Daar bakkeleien ze wie er ‘eersie’ mag zijn. “Zal ik dan maar voorgaan?”bied ik aan.  Ja, voel eens ff aan je voorhoofd! Bliksemsnel gooien ze het op een akkoordje: bij deze mag Nicht als eerste, en bij de volgende Kind. Nicht klautert omhoog en maakt boven op het platform van gekkigheid een vreugdedansje. Kind volgt op de voet.

 

Samen gaan de dames los in het Klimbos: ze klimmen, kruipen, sjezen met skateboarden,  zwaaien met touwen, zwieren over kabelbanen, lopen over platte houten ladders en hijsen zich omhoog in netten. De gespen klikken de bomen kraken. Oh, ’t is ZO leuk

 

“Zullen we even wat drinken?” vraag ik na het afleggen van het tweede, groene parcours. Nou, alleen als het echt moet, want het gaat van hun klimtijd af, hè? Ik dring aan. In no-time drinken ze hun flesje leeg. Hup, daar gaan ze alweer. Op naar de blauwe route.

 

Halverwege het blauw blijven de lefmeisjes steken: voor één keertje mag ik als eerste. Ach, wat lief, denk ik. Schrijf ik ‘lief’? Dat moet zijn ‘uitgekookt’. Ik zie een smal latje aan twee  touwen hangen. Ik hoef er alleen maar op te gaan staan; de kabel doet de rest. De dames kijken me aan: waar wacht ik nog op? Ik zet één voet op de schommel en aarzel. “Ga nou maar gewoon, je kan toch niet vallen,”zegt Kind tactvol. Ik voel de adrenaline stromen en denk aan een citaat van Loesje: leven is het meervoud van lef.

 Ik ga.

Jemig, wat eng…

Joepie, wat leuk!   

 

Ik onderdruk de neiging om mezelf op de borst te roffel en een oerkreet te slaken. Ah..me Tarzan en daar aan de overkant staan Jane & Jane. Dit is nog eens wat anders dan saai! “Kom!”gil ik naar de overkant, het is leu-heuk!” Kind heeft zo haar twijfels en zegt gul tegen haar jongere Nichtje: “Jij mag nu voor, hoor.” Zij volgt zo rap dat ik niet eens de kans krijg om foto’s te maken. “Jeempie,”zeg ik, “jij bent nog sneller dan het licht!” Ze straalt als de zon.

 

Oh, wat hebben de Jane’s het naar hun zin.

 

Totdat halverwege de rode route de stress toeslaat. Als ik nou ff eerst ga, kijken zij wel hoe het moet. Oké…Over losse, wiebelende balken moet ik naar de overkant. Eergens in het midden val ik spontaan in een spagaat. Mijn hart slaat een slag over: zo moet het dus niet! Na mij is het Kinds beurt. Ik moedig haar aan en schreeuw adviezen. Het huilen staat haar nader dan het lachen.

 

Veilig geland gooit ze zich spontaan in mijn armen. Nu Nicht nog. Maar het touw wiebelt zo. En het is zo hoog! “Niet naar beneden kijken!”gilt Kind,“nog twee passen en dan ben je op de helft!” Ach, ik zie traantjes bij Nicht; ze biggelen over haar wang. Dapper worstelt ze door en met een gepantserde blik haalt ze de overkant. Oh, die opluchting dat ze het gehaald heeft… “Ik kan wel zien dat je naar Groep 8 gaat,”zeg ik en klop haar op de rug. “Wat komt hierna?”vraagt ze. “Het skateboard,zeg ik.” “Oh, eitje!”

 

Het parcours ná het skateboard bederft pas goed de pret. Halverwege hangt een meisje vast in een u-vormig touw. Haar vader kan praten als brugman, maar zij durft niet meer verder. Alle platforms lopen vol. Iedereen kijkt naar het jammerende meisje. Gelukkig komt er hulp: een instructeur klimt als een aap in de boom en helpt haar abseilend naar beneden.   

 

“Eh… wij willen niet door die lusjes,”zeggen de lefmeisjes zacht. “Dan pakken we na het skateboard toch de ladder naar beneden,”zeg ik. “Het is trouwens de hoogste tijd om naar huis te gaan.”

 

Eenmaal op de vaste grond vloeit het lef weer terug in de Jane’s.

“Weet je hoe hóóg we hebben geklommen?”stoten ze elkaar aan.

“Nou joh, wel 10 of 12 meter toevallig!”

”En zag jij nog dat ik op die ene schommel sneller ging dan het licht?”

“Ja tuurlijk, en ik was helemaal niet bang, hè, in dat net, en die grotere meiden wel!”

 

Op de terugweg in de auto heb ik geen kind aan ze: vóór we op de snelweg rijden, liggen ze al in katzwijm zeil. Tja, ondanks hun dappere gedrag blijven het lefmeisjes van 11 en 14 jaar…