Over de rooie

 

Het gebeurt in de vakantie.

 

De deur van het winkeltje gaat open en er stapt een mevrouw binnen. Net op dat moment vis ik een jurkje uit een rek met kleding, en onderga een aanval van koopzucht. Het jurkje is zó hemelsblauw, het kan niet anders of het heeft hier al die tijd op mij liggen  wachten. Sjonge, kijk toch eens, wat een juweeltje en voor zó weinig! 

 

Er ontstaat een gesprek in mijn hoofd. In mij wonen namelijk nog meer ikjes. Het zal je verbazen, maar ik heb ook een verstandig ikje (een heel kleintje maar, hoor).  Sjemig, Kakel, wat moet jij nou met een júrk? Voel eens effe aan je voorhoofd, want laten we wel wezen, een júrk… die draag je nooit! Nee, want een jurk tocht. Je kan er nog zulke blikdichte panty’s onder en vesten over dragen, het blijft een tochtige lap. En de laatste keer dat jij een jurk droeg, was dat niet achttien jaar geleden?

 

Ja, maar dit is niet ècht een jurk. Ik kan er toch zo’n geval onder dragen, een legging? Oh, zo’n broek die ze in de winkel een 7/8 model noemen? Zo’n ding dat bij jou altijd net over de knie valt omdat je benen een heel eind naar boven door lopen? Ja maar, wat zal Lief dit leuk vinden! Zou je denken? Volgens mij schrikt hij zich eerder te pletter. Nou en? Ik wil ‘m, ik wil ‘m, ik wil ‘m! Punt. Hopelijk is de maat goed, want hij hing eenzaam en verlaten tussen de rest van de jurkjes.

  

Een mevrouw met wel vier, vijf, zes jurkjes over haar arm, loopt naar me toe en zegt:“Pardon, waar heeft u dat jurkje vandaan?” Althans ik vermoed dat ze dat vraagt, want ze spreekt Frans en mijn kennis daarin is minimaal. “Plus,”zeg ik, met een handgebaar van: jammer, maar helaas, dit is de enige.

 

Zou ze het jurkje even mogen bekijken? Kijken? Ja hoor. Maar met de ogen dan hè, niet met de handjes. Haar hand met duur gemanicuurde nagels, probeert het hangertje uit de mijne te trekken, maar ik houd het stevig vast. De mevrouw draait zich om naar de verkoopster, en vraagt iets. Op dat moment ben ik afgeleid, de dame madam rukt het jurkje uit mijn handen en verdwijnt er mee in het pashokje. Met een ruk trekt ze het gordijn dicht.

  

Wat een lef, zeg! Is ze nou helemaal van de pot gerukt? Ik loop naar het gordijn en ruk het met dezelfde snelheid weer open. De madam slaakt een gil. “Joh, stel je eigen niet zo aan,”zeg ik, en ruk de blauwe jurk van het haakje en loop naar de verkoopster. Die jurk zal ik hebben ook! Al is de maat niet goed en moet ik er thuis de glazen mee afdrogen, Hij Is Van Mij.

  

Ik pak mijn pinpas uit m’n portemonnee. Nee, zegt de verkoopster, ik kan hier niet pinnen, alleen contant betalen. Daar aan de overkant, wijst ze, kan ik geld opnemen. Oké, dan doe ik dat. De verkoopster stopt de jurk in een plastic tasje en legt het onder de toonbank.

 

Ik loop naar de betaalautomaat, wacht tot ik aan de beurt ben (dat is mijn goedopgevoede ikje), neem geld op, steek weer over en word bijna ondersteboven  gereden door een rode auto. Een Ferrari. Ik ben totaal niet autogevoelig, maar deze auto herken ik. De persoon achter het stuur heeft iets vaag bekends, maar wat? 

 

Terug in de winkel loop ik naar de verkoopster achter de toonbank en geef haar het biljet. “Plus,”zegt ze. Plu? Hoezo plu? Oh…plus? Heeft ze het jurkje niet meer? Non. Hoe kan dat dan? Wát! Verkocht? Echt waar?

 

Aan die… ah…nu valt het kwartje… Aan die bekakte badmuts in de Ferrari, natuurlijk. Ik moet me beheersen om niet te gaan schreeuwen. Verkocht aan die kakmadam, zeker omdat ik maar een luizig toeristje ben, hè? De verkoopster zegt dat ze nog wel genoeg andere leuke jurkjes heeft. Ja aan me hoela, veeg daar maar je mond aan af. Ik wens haar een afzichtelijke bult toe van hard werken en verlaat de winkel.

 

Stel, dat jij nu in België bent, en je ziet een blonde troela in een hemelsblauw jurkje voorbij scheuren in een vreselijk lelijke, rooie Ferrari, dan weet je dat ze MIJN jurkje aan heeft! Het inhalige, achterbakse, grofstoffelijke,verwende pestloeder.

 

Zo, lekker, dat is eruit.      

 

 

 

 

 

PATS!

 

Als we één ding van Bella hebben geleerd, is het wel om van haar achterpoten af te blijven. Hoe groot de verleiding ook is, niet aaien, niet vastpakken, niet eronder kietelen, want ze verdwijnt gegarandeerd PATS! PATS! stampvoetend uit zicht. Slechts als ze iets ruikt wat haar konijnenneusje behaagt, zet ze haar arrogantie opzij, maar zodra het lekkers op is, is de nijd terug en gaat mevrouw er wederom brommend vandoor. Wij trappen er nog in ook, en ontzien haar achterpoten als ware het Heilige Koeien.

 

Tijd voor revanche.

 

Met een onverwacht snelle beweging, tilt Kind Bella op aan haar royale nekvel, en zet haar in een kartonnen doos. Snel, de kleppen dichtdoen, want voor je ’t weet, springt ze eruit. Ja hoor, mevrouw heeft het in de gaten en gedraagt zich als een wildebeest. Hihih, te laat!  Ik help Kind bij het instappen in de auto. Eerst de gordel om, en daarna de gevaarlijk wiebelende doos op schoot. Bella probeert tevergeefs haar tanden in een stuk karton te zetten. Geniepig lachend kijken Kind en ik elkaar aan, en vol verwachting rijden we naar het dorp.

 

“Kom maar, dan nemen we haar mee naar achteren,” zegt de mevrouw waar we de afspraak mee hebben gemaakt. Zij gaat Kind en mij voor naar een klein kamertje, waar ze zelf op een bank gaat zitten met allebei haar benen op een stoel. “Ik ben er klaar voor!” zegt ze opgewekt.

 

Dit is het sein.

 

Kind maakt de doos open, haalt Bella er met een welgemikte greep uit en plant haar bij de mevrouw op schoot. Wild kronkelend beweegt Bella zich in de meest onmogelijke bochten. Mens, blijf met je handen van mijn poten!  lijkt ze te willen zeggen.

De mevrouw echter is totaal niet onder de indruk en houdt Bella’s poten stevig in bedwang. Er kan er maar één de baas zijn en dat is NIET Bella. Het wachten is op het moment dat Bella het ook weet.  Eindelijk staakt ze haar wilde geworstel en blijft ze stil op haar rug liggen. Zwaar hijgend ondergaat Bella de behandeling. Boven haar witte buikje, staan haar twee voorpootjes rechtovereind van stress en schrik. Die hebben zojuist een beurt gehad.

 

Kind en ik stoten elkaar aan: nu komt het!

 

De pedicure pakt beide achterpoten van Bella in één hand en zet er de schaar in. Knip, knip, doet het tangetje. Tik, tik, doen de nageltjes op de grond. Bella doet niets. Helemaal niets. Amechtig hijgend laat ze alles over zich heenkomen. Als de klus geklaard is, laat ze zich gewillig in de doos tillen.

 

Zodra ze thuis uit de doos mag, zet ze er meteen de sokken in, want geen minuut langer wil ze in onze nabijheid zijn. Wild met haar achterpoten in de lucht trappend, zet ze koers naar de tuindeur. Getergd verschanst ze zich in de tuin onder de lavendelstruik.  Als het later begint te regenen, komt ze mokkend naar binnen en gaat in haar hok liggen. Met haar rug naar ons toe. Dat wel.

 

Welgelegen

Vandaag dreigt weer een dag te worden waar geen sodemieter aan is. Na de zoveelste slapeloze nacht,  loop ik rond met het gezicht van een oorwurm. Van stil op een stoel zitten, knapt dit opgewonden standje niet op, en van in de keuken zitten al helemáál niet, nee, nee, want daar hangt een bak met geraniums voor het raam. Afleiding zoeken in muziek helpt, weet ik. Ik schuif de CD ‘Barcelona’ van Montserrat Caballé & Freddie Mercury in de speler, zet nummer 2, 6 en 7 op repeat en brul luidkeels mee. Zo zeg, dat lucht lekker op! Bella denkt daar anders over en holt geschrokken naar buiten.

Wat zal ik nu eens gaan doen?Ik kan toch moeilijk iemand gaan vervelen in deze staat van stemming. Verandering van omgeving, dát is wat ik nodig heb. Plots krijg ik een ingeving. Ik pak mijn mobiel, verstuur een sms’je en krijg prompt antwoord terug: ja, goedkeuring!

Met een beker versgezette Senso in mijn hand loop ik het ene huis uit, en het andere huis in. Ik raap de post van de mat, en sla  allebei de tuindeuren open. Ik  neem plaats in een tuinstoel. Dit is precies wat ik nodig heb.

Wat valt hier veel te zien! Een schele, halve man; een Noorse houtkachel; een luizenvanger; een vijver met twee nieuwsgierige Schillies;  fruitbomen; een  geheimzinnig aandoende spiegel; een spuuglelijk masker; een ‘antieke’ Griekse vaas, lantarens; lampionnetjes; prachtige witte Annabellen; fleurig glaswerk…

Tegen de schutting hoor ik een schurend geluid. Een lange tak met bladeren en bloemen wordt met een ruk tussen de planken van de schutting door getrokken. Ik sta op en gluur langs het hek om een glimp op te vangen. Als ik het niet dacht: Bella! Vind je ’t gek dat ze niet afvalt? Ze eet van twee walletjes!

Ik ga weer zitten en zucht tevreden, neem nog een slok koffie en leun achterover in de stoel. Het is hier paradijselijk. Twee tuinen naast elkaar, maar wat een hemelsbreed verschil. Wonen naast je vriendin): ik kan het iedereen aanbevelen!

 

Kleine dingen

Je slaapt al weken niet. Je hebt de kleur van een dooie grijze muis, je hebt  uitgezakt haar en staat in de zeurmodus. Niks is leuk en alles teveel.  En zomaar vanuit het niets, is daar een goede nacht. Van pure uitputting, maar who cares, hij ís er. Een nieuwe dag met een nieuw geluid, en ik heb er zin in!

Zin in internet, stukjes schrijven en blogjes lezen van favoriete sites. Ik zie hoe goed de lampionnetjes het doen in de tuin. Mijn vingers jeuken om er een krans van te maken. Wat zijn de druiven verkleurd! En de ramen kunnen wel een soppie gebruiken. Onkruid? Heb ik niet gezien, ik kijk ergens anders naar.

Neuriënd eet ik een banaan. Hé, denkt Bella, ruik ik banaan? Ze trekt een sprintje en klimt bedelend bij me op schoot. Drie tellen later zit ze ongegeneerd te smakken. Héérlijk vindt ze ‘t. ’t Liefst zou ze de schil ook nog opvreten.

Geheel onverwacht krijg ik visite in de tuin. Al weken heb ik haar niet gezien, maar ineens is ze er weer: onze ‘eigen’ merel. Middenin de stromende regen en in het uiterste topje van onze conifeer, zingt zij haar hoogste lied.

Het zijn de kleine dingen die het doen!

Simpele dingen: 

Wat simpele dingen,

een vogel, een bloem,

het geluid van de golven,

een aai en een zoen.

 

Een simpel gebaar,

een arm om je heen,

geeft je het gevoel

je bent niet alleen.

 

Mooie akkoorden,

wat stilte, wat rust,

een mens die je liefheeft,

een mond die je kust.

 

De geur van de lente

de smaak van de zee,

lieve gedachten,

draag die met je mee!

Vieze circel

 

Och, och, wat was ik moe. Niet een béétje moe of gewoon moe, nee, hóndsmoe. De afgelopen weken heb ik nauwelijks geslapen; elke ochtend kwam ik versleten uit bed. Normaal gesproken kan ik mijn eigen gedachten nauwelijks bijhouden, maar nu hing er een dikke mist in mijn hoofd. Al mijn energie was op en mijn batterijen leeg. Nogal wiedes dat het leven zwaar op me drukte.

’s Ochtends wilde ik met beide benen tegelijk uit bed stappen (dus vooral niet met het verkéérde), en meteen voelde ik nattigheid. Wat lag daar nou op mijn bed? Water? Maar Lief en ik hebben toch geen waterbed? Waar kwam de lekkage dan vandaan? Toen begreep ik het: het waren druppels. Ze rolden uit mijn ogen.

In de douche was ik zo stom om in de spiegel. Jemig, een lijk in de maneschijn heeft nog meer kleur dan ik. Toen ik Kind wakker maakte, probeerde ik enig positief enthousiasme aan de dag te leggen, maar zij doorzag mij. Ze gaf me een knuffel, en nog één. Vanaf de fiets zwaaide ze me een kushand toe. Het afscheid viel zwaar, ook al was het maar voor één schooldag lang.

Binnen voelde ik iets warms en zachts tegen mijn benen. Ik bukte en voelde een koppie met twee lange flappers tegen mijn hand duwen. Bella! Liefje toch, wat voel ik? Je vachtje is een beetje nat. Heb je in de regen gelopen? Maar nee, buiten was het droog. Oh, het kwam door mij! Ja, stom hè? Ach, het was gewoon een dag van overtrekkende huilbuien, neerslachtige gedachten en een binnenshuis hangende depressie. Had ik maar een huisje op mijn rug. Dan rolde ik me daarin op en deed ik het deurtje dicht. Een winterslaap? Ik dróóm ervan.

En ik vond nix leuk. Helemaal niks. En da’s weinig hoor! Lezen vond ik niet leuk, bladeren in een tijdschrift niet, internetten en Bolpuntcommen niet, schrijven niet, en let op, hou je vast: fietsen ook niet!

Maar kon ik dan niet probéren iets leuk te vinden? Nee, dat ging niet. Ik wilde wel flink zijn, maar de dip was sterker. Omdat ik zo moe was. Ik wilde slapen, maar ik kón niet slapen. Janken deed ik wel, ook al wilde ik dat nou net weer niet. Ik was gewoon geen baas over mezelf en ik wil altijd, overal, onbetwist de baas zijn. Minimaal over mijzelf.