Geen drol

 

 

Shoppen met Kind.

Bovenaan haar lijstje staat de ‘Primark’. Daar wil ik ook weleens naar binnen, want als vrouw van de wereld wil ik wel overal over mee kunnen praten. Nou, de Primark is inderdaad een ervaring. Een kruising tussen de 3 dwaze dagen van de Bijenkorf en de Efteling.

 

Strijdlustig loopt Kind voor mij uit DE winkel in; vast van plan het één en ander aan te schaffen. Mensen, wat een vólk binnen! Je moet jezelf gewoon een weg door het winkelend publiek heen banen. Nu kun je dat op zich wel aan mij overlaten. Kind pakt achteloos een canvastas van een rek en kwakt daarin alle dingen die ze leuk vindt. Deze gang van zaken is geheel nieuw voor mij, maar ach, ik stam dan ook uit de Middeleeuwen. “Passen is voor later,” legt ze mij uit.

 

Op de bovenverdieping ziet ze te gekke laarsjes; die wil ze best hebben. Ze passen; die móet ze hebben. “Moeten?” vraag ik. “Nou ja…” Ze kent mijn allergie voor dat woord. In een stille hoek haalt ze alle kleren uit de tas en begint ze met passen. Overal staan vrouwen in hun ondergoed van kleding te wisselen. De ene man kijkt beschamend naar zijn schoenen; een ander weet gewoonweg niet hoe hij het heeft en geeft zijn ogen flink de kost.

 

Ongeveer de helft van Kinds uitgezochte kleren past, en eerlijk = eerlijk: het kost haast geen drol. Dan…hup, naar de kassa! Twee lange rijen tussen ijzeren stangen leiden ons daar naar toe. De Efteling vermeldt er tenminste nog de wachttijd bij. Ik ben in staat alles terug te hangen, maar zij en die laarsjes. Nu ze die in haar handen heeft, kan ze er geen afstand meer van doen.

 

Sneller dan verwacht staan we buiten. Lekker, die frisse lucht. Van opwinding ratelt Kind aan één stuk door. Snel naar Bram Ladage om er wat te eten in te stoppen, dan houdt ze tenminste ff haar mond. Na de patat shoppen we nog verder. Samen staan we in de paskamer van H & M als we allebei de meest vreselijke winden laten. Zo, die broek die ze past is meteen een maatje kleiner. Mijn hemel, wat stopt die Bram in z’n patat? We wapperen met onze handen om de stank te verdrijven.

 

Rijk bezakt komen we thuis. Daar stallen we alles uit: wat veel! Gelukkig ben ik Manlief niet vergeten en heb voor hem ook iets aangeschaft: één hele leesbril bij de HEMA. Plus alle aankoopbonnen. En, hé: ik kook speciaal en alleen voor hem spruitjes! Weet je wel hoeveel die stinken?

 

PS van Kindlief: ik weet niks van die scheten af……

Een mooie dag

Al bij het opstaan gaat het mis: ik stap met mijn verkeerde been uit bed. Zoals gewoonlijk stapt Kindlief vreugdevol uit haar door opa’s handgemaakte prinsessenbed. Gelukkig merkt ze niets van mijn chagrijnige stemming.

Opgewekt – zij iets meer dan ik – stappen we samen op de fiets. Zij op haar K3-fiets en ik op mijn racepaard. Tot school mag zij even mijn helm op. Ik loop samen met haar naar binnen, krijg nog een afscheidsknuffel en zwaai bij het weggaan. Ik zet mijn fietshelm op, wat denk je? Zit mijn velletje ertussen. Lekker gevoel als het wegtrekt. Het komt mijn ongezellige bui niet ten goede. Valt deze dag nog te redden? Als ik iets doe, doe ik het goed. Dat geldt ook voor chagrijnig zijn. Niet dat ik trots ben op mezelf.

Na een uur doet mijn achterwiel bonk-bonk-bonk op de Havenstraat in Schoonhoven: lekke band. Tuurlijk, waarom ook niet? Verbaast me niets op zo’n dag als vandaag. Tien minuten later rijd ik verder. Ik kijk naar de ooievaars in de wei en naar de ‘Zonnebloemboot’ op de Lek, maar al het moois gaat aan mij voorbij. Tachtig kilometers in de buitenlucht rijden, maar zonder iets gezien te hebben. Ik moet nog veel leren.

Weer thuis, loop ik met fiets en al naar binnen, parkeer mijn bolide in de kamer en ga een bakkie koffie zetten. De bel gaat: Kindlief komt thuis. Enthousiast zwaaiend staat ze in de deuropening.

“Kijk, ik heb een tekening voor je gemaakt!” Ik zie een kind met een uitbundige bos bloemen en een mevrouw met gele krullen. Die laatste zal ik zijn. Ze lacht wel, de dame op de tekening; wat een meevaller. Ik krijg een natte zoen van Kind; ze is een beetje verkouden, maar een kniesoor die op een loopneus let. Ik kan nog net voorkomen dat ze haar snottebel aan de mouw van haar jas afveegt.

“Gaan we zo iets leuks doen?” vraagt ze.
Zeg daar maar eens nee tegen.
“Dat is goed,” beloof ik, “maar eerst gaan we smullen.”
Psychologisch vast niet verantwoordt, maar dan smaakt het wel dubbel zo lekker. We eten zelfgekochte cake met zelfgeklopte slagroom, met voor Kind een extra ‘topping’ van hagelslag. Ze lurkt tevreden van haar chocomel en morst royaal een teug op haar bloemetjesjurk. Voorzichtig kijkt ze naar mij of ik iets gezien heb, maar dat heb ik niet.

Ze is goed bezig, want nu ze een klodder slagroom met hagelslag. Snel legt ze haar hand over de klodder en wrijft het geheel geroutineerd in haar jurk. Gelukkig zie ik nog steeds niets.
Ze heeft wel zin om met me te gaan skeeleren, vertelt ze.
“Nou, dan doen we dat toch?” zeg ik.
Ze is blij.
“Moet jij eerst nog douchen?” vraagt ze voorzichtig, bang voor elk naderend uitstel. Ik schud van nee. De boeren zijn buiten aan het gieren, daar valt de lucht van een bezweet mens bij in het niets.

Als we naar buiten stappen, zie ik dat de zon schijnt. Of heeft ie al die tijd al geschenen en heb ik als een blind paard op de fiets gezeten? Dan gaan we, zij met veel beschermde lichaamsdelen. Om haar knieen knellen ze een beetje, maar ze geeft geen krimp. De Tiendweg is pas geasfalteerd, dus we rollen lekker. Bovenop een ‘heuvel’ zegt ze dat ik ‘beneden’ op haar moet wachten. Van haar handen vouwt ze een toeter en zet die voor haar mond. “Zullen we doen wie-komt-er-in-mijn-huisje?” gilt ze. Ik spreid mijn armen zo wijd mogelijk en gil de gewenste kreet van harte. Even later stort ze zich, gillend als een volleerde keukenmeid, in mijn armen.

Mijn dag kan niet meer stuk!

Kleine wasjes, grote wasjes

Mijn moeders trots stond wegens plaatsgebrek niet in huis, maar tweehoog achter op ons  balkon. Een enorme joekel van een wasautomaat, waar mijn vader een houten bekisting omheen timmerde, zodat het apparaat de echte Hollandse winters kon trotseren. Tevreden draaide mijn moeder kleine en grote wasjes in haar wasmachien.

In mijn kinderogen was dat apparaat maar een saaie doos. Nee, dan dat ding dat er naast stond: een handwringer! Je stopte een natte lap wasgoed tussen twee rollers, draaide aan een grote hendel en al het water stroomde eruit. Als je niet uitkeek, liep het water in een stroompje langs je arm naar beneden en via je benen zo je schoenen in. Oh, dat geklieder! Maar ja, ik mocht er alleen maar naar kijken en aankomen niet. Je begrijpt: die droger móest en zou ik uitproberen. Als ik de kans kreeg.

Eindelijk: mijn moeder stond  te kletsen met een buurvrouw, en ik glipte stiekem het balkon op. Nee hè, zag ik mijn kans schoon, viel er niets te wringen… Nergens wasgoed of een vieze, oude dweil te zien. Oh, maar wacht eens, daar hingen mijn moeders rubberen sophandschoenen. Gretig graaide ik er eentje van de drooglijn en hield ‘m tegen de rollers van de wringer. Het draaien viel nog best tegen; ik had allebei mijn handen nodig om dat ding op gang te krijgen.

Vreemd, wat zag die handschoen er raar uit. Opzwellen, niet normaal. Maar nu ik eenmaal aan het wringer was, zou ik blijven draaien ook. Steeds groter en boller werd de handschoen totdat hij PANG! uit elkaar knalde. Eén blauw stukje vinger bleef slap tussen de rollers hangen. Van schrik zette ik het op een brullen. Mijn moeder gooide met een ruk de deur open en aanschouwde  wat voor vreselijks ik had gedaan. Ik kreeg een pak voor mijn broek en moest voor straf op mijn ijskoude kamertje gaan zitten. Ik mo-hocht ook nooi-hooit wat.

Wat me wel tevreden stemde, was dat mijn broer(tje), de arme stakker, ook niets mocht. Op een mooie dag deed hij zijn uiterste best om op hetzelfde balkon onze zinken vuilnisemmer in de brand te steken. Hij was er na veel moeite eindelijk in geslaagd om dat ding flink aan het roken te krijgen, toen mijn moeder onraad rook en polshoogte kwam nemen. Nou, nou, de afdruk van mijn moeders pantoffel staat NU nog op mijn broer zijn billen. Terwijl die degelijke vuilnisbak amper wilde branden en alleen maar wat lullig rookte. Dat hoefde mijn moeder toch niet zo op te blazen? Nou ja, mijn broer heeft het in ieder geval geprobeerd, dat pakt niemand hem meer af.

Enneh…wat betreft die afdruk op zijn billen, dat is so to speak, want over een dergelijk onderwerp wordt door ons uiteraard niet hardop gepraat. Het ligt nogal gevoelig…

Betrapt!

Eindelijk zie ik mijn kans schoon: het huis is aan kant; de beesten verschoond; wat ik wil lezen, ligt binnen handbereik en de eigenaar ervan is niet thuis. Bella ligt uitgestrekt voor de kachel, de regen klettert tegen de ruiten en ik vouw me dubbel in de bank. Zo, hèhè. Dit wilde ik steeds zo graag, maar ik kreeg er gewoon de kans niet voor. Ik blader en lees…

Onverwacht hoor ik kabaal bij de voordeur. Is dat Kind? Nu al? Heeft ze zeker uitval. Drie tellen later weet ik dat zij is: Bam! deur dicht. Bonk! tas op de grond. Kwak! kwak! laarzen ook. Snel sla ik het boek dicht. Waar kan ik dat nou zo snel laten? Ik weet niets beters te verzinnen dan er bovenop te gaan zitten.

 Kind valt met de woonkamerdeur binnen. “Hoi,hoi, gezellie dat je er weer bent,” zeg ik, en ik meen het nog ook. Tintelfris van buiten biedt ze mij haar wang aan voor een zoen. Onderzoekend kijkt ze me aan. “Wat zit jij raar,”zegt ze. “Raar, hoezo raar? Wil je wat drinken,” vraag ik. Hoe moet dat dan in vredesnaam met dat boek waar ik bovenop zit? Kan ze niet even naar de wc gaan? Anders is dat altijd het eerste wat ze doet.

“Wat heb jij daar?” informeert ze, wijzend naar iets rozigs tussen mijn benen. Niet gehinderd door enige gene graait ze naar mijn kruis. Welja, wat voor privacy heb ik vandaag de dag nog in mijn eigen huis? Ik blijf zitten waar ik zit.

“Ik zie het heus wel hoor! Dat is MIJN boek! Ik zie het aan het kaftpapier.” Wijsneuzerig heeft ze een vermoeden in welk boek ik zat te lezen. Ik licht één bil op en zij trekt het boek onder me vandaan. “Aha, dacht ik het niet!” Kind weet al lang wat mijn hobby is, maar dat mijn belangstelling ervoor zo diep zit, dat ik zelfs haar Nederlandse taalboek lees, als ware het een romannetje, gaat haar wel erg ver.

Ik voel me betrapt als een kind met de hand in de snoeppot. Met haar handen in haar zij, kijkt ze me aan met een blik die ik reserveer voor mensen waar ik geen hoge dunk van heb. “Waarom lees jij dit? Jij weet toch alles al!” “Da’s niet waar,”zeg ik “want ik heb net een nieuwe palindroom gelezen en ik heb nooit geweten dat ‘Word’ een programma heeft met synoniemen voor woorden.” Ze kijkt me aan alsof ze spruitjes ruikt. Dat haar eigen moeder, helemaal vrijwillig in haar eigen vrije tijd een leerboek van school leest, jeez, hoe diep kan een mens zinken?

“Ik heb het boek nodig,”zegt ze, “huiswerk.’ Tsss, dan houdt ze het boek toch fijn bij zich. “Oh ja, vrijdag moet ik mijn fictieverslag inleveren op school, wil je me er nog bij helpen?” “Hangt er vanaf,”zeg ik vals. Ze zucht. “Je wilt ’t zeker nog een keer uitlezen, hè?” Ik knik zelfverzekerd. Leergierig zijn is toch geen schande? Zelf loopt ze ervan over.
Nu hebben Kind en ik een deal. Da’s beter voor beiden.

Een nat pak

Is me dat boffen: de buufhond is niet thuis. Hoef ik ook niet bang te zijn voor zijn luidruchtige blaf. Dat beest bezorgt me altijd de bibbers. Nu kan ik – Bella – eens fijn de baas van de buurt zijn! Katten, vreemden: aan de kant want hier komt Bella uit Kakelland. Oh, kijk toch eens, wat een rijkdom: lampionnetjes. Hap, hap, weg, zó lekker! Wat zal ik nu eens gaan doen?

 

Hé, het vogelbadje staat er weer. Snap je nou waar zo’n ding goed voor is? Al die aandacht voor die vliegbeesten. Hier telt maar één beest en dat is ikke, Bella! Is het baasje nergens te zien? Dan kan ik ongezien dat badje eens omduwen. Even flink met mijn welgevormde billen ertegenaan duwen. Duwen…duwen… ja hoor!

 

Aaaahh bah, water, iewk! Daar krijg ik natte pootjes van. Gauw naar binnen toe. Nee zeg, is de deur dicht. Baasje! Baasje! Waar zijn ze als je ze nodig hebt, denk ik altijd maar. Ik ga hard krabbelen aan de deur. Baasje! Ik wil er iiiiinn. Voel die koude wind nou toch waaien over mijn pootjes en natte buik. Ik zit hier een zware verkoudheid op te doen. BAASJE! Hè hè, eindelijk…

 

“Bella, wat heb jij nou weer uitgevreten? Je bent helemaal nat…”

Dat komt door dat flutvogelbadje, denk je dat ik voor de lol zo verzopen ben? Gauw een plekje zoeken bij de kachel met het vlammetje.

“Nee, Bella, ga maar naar de keuken, viespeuk!”

Zie je nou, wat voor leven ik heb? Het is konijnonterend.

De Nachtwacht

In het donker doe ik een ontdekking: ik geef licht. Het kastje voor mijn borst geeft een blauwe gloed en na een snelle handbeweging zie ik een rode streep voor mijn ogen (tsssk, alsof ik daar een vingerhartslagmeter voor nodig…)

Het matras is ijskoud en kraakt bij elke beweging. Wat een kutnest. Ja, sorry hoor, ik kan geen doeltreffender woord bedenken. En ik voel ik me begluurd, want of ik nou door mijn neus of mond adem; hoest, nies of slik; geeuw; krabbel of met mijn ogen knipper: alles wordt geregistreerd. “U doet toch wel uw best om in slaap te vallen, hè…?” had de laborante vanmiddag gevraagd. “…dus dat u wel met uw ogen dicht gaat liggen…” Ze had me daarbij achterdochtig aangekeken alsof slapeloze mensen tuig van de richel zijn. “Elke minuut van uw slaaponderzoek wordt nagegaan,” had ze er waarschuwend aan toegevoegd. Welja, ik doe gewoon of ik thuis ben. Daar slaap ik ook regelmatig met snoeren in mijn onderbroek.

…gaap… een klok tikt… de ambulance komt terug met loeiende sirene… ergens blèrt een infuus… haastige voetstappen op de gang…het gekletter van een po…een patient die op de alarmbel drukt…

Iemand schijnt met een zaklamp op mijn gezicht. Ha, ’t is de nachtwacht.
“Slaapt u nog niet? Het is half twee!”
“Nee.” Zucht. Bibber.
“Wilt u een pil?”
“Een slaappil? Oh ja!”zeg ik begerig.  Ik hoor ‘t verlangen in mijn eigen stem.
“Ach, wat stom van me, die mag niet. U heeft een slaaponderzoek!”
“Ja, maar dat geeft niet, dan neem ik ‘m mee naar huis.”
“Nee, nee, dat mag niet,”zegt ze onverbiddelijk. Flauw mens, mij een beetje blij maken met een dooie mus…
“Heeft u het koud?”
“Ja, verschrikkelijk.”
“Dat komt door het matras. U ligt op een reanimatiebed.”
“Oh…”
“Wilt u een extra deken en wat warme melk?”
“Graag,”zeg ik. Toch wel lief van die flauwerd.

Het wonder geschiedt en ik sudder even weg. Niet voor lang gelukkig! Verkleumd en verstrikt in kabeltjes word ik wakker. Na dit logies met ontbijt mag ik alle toeters en bellen er door dezelfde laborante als gistermiddag eraf laten halen. De zuignapjes maken bij het verwijderen vieze geluiden waar ik heel kinderachtig om moet giechelen. De laborante schudt meewarig haar hoofd. Zittend onder een afzuigkap schrobt ze ruim een half uur lang mijn hoofdhuid schoon, waarbij ze niet kijkt op een decilitertje aceton meer of minder.

Als alles eraf is, ren ik met spoed naar het cafetaria voor koffie. Klanten in de koffiecorner werpen me een argwanende blik toe. Vermoedelijk verwarren ze de acetonlucht met alcoholgebruik en mijn ontplofte kapsel maakt ook al geen goede indruk. Onderweg in de auto heb ik overal jeuk en ook nog op de vreemdste plaatsen. Wachtend voor een geopende brug, bied ik mijn medeweggebruikers afleiding, door me in allerlei bochten te wringen en me flink te krabben. Lijkt het zo of draait mijn buurman zijn autoraampje iets verder dicht? Mijn haar blijkt thuis totaal onontwarbaar. Voeg daarbij de zwarte wallen onder mijn ogen en je snapt dat Man en Kind blij zijn dat ik er weer ben!

Nu is het alleen nog wachten op de inslag…

Deadline

Eenmaal in het slaapcentrum trek ik mijn pyjama aan, en begint een laborante met het opplakken en vastbinden van allerhande zuignappen, kabeltjes, metertjes, borstbanden, en slangetjes. Ze drukt me op het hart dat dit een kostbaar onderzoek is, waar mensen die pas één jaar slecht slapen niet voor in aanmerking komen. Ik kan haar geruststellen: ik sliep in de vorige eeuw ook al slecht. Deze mededeling doet haar zichtbaar goed.

Het feest begint pas goed als mijn hoofd aan de beurt is. Met behulp van een luchtdrukpomp waar menig fietsenmaker jaloers op is, plakt ze de sensoren stevig vast met klodders lijm. Als ik opper dat Frits Wester sneller klaar zou zijn, blijkt dit niet het geval. Integendeel, Frits kan jaloers zijn op mijn lange haar, want daar kloddert de lijm zo lekker in vast. Ik hoef me absoluut niet ongerust te maken dat de punaises  op mijn hoofd zullen loslaten, want dat lukt slechts met liters aceton. Hoef ik daar in elk geval niet van wakker te liggen.

 

Tevreden met het plakwerk, brengt ze  me door allerlei gangen, verdiepingen en liften naar de afdeling waar ik de nacht mag doorbrengen. Onderweg trek ik veel bekijks. Helaas niet omdat ik zo’n flamboyante verschijning ben.

Met de laborante heb ik een tijd afgesproken waarop ik zal gaan slapen. Of eigenlijk is het meer andersom: ik moest haar beloven niet vóór die tijd in te vallen. Iemand beloven niet in slaap te vallen; waren er maar meer dingen die zo makkelijk zijn.

Het rondsjouwen van alle apparatuur blijkt een vermoeiende bezigheid en ik hang dan ook bijna scheef onder het gewicht van de kastjes die alles registreren. Om een doorgezakte rug te voorkomen, is languit op bed liggen de meest praktische oplossing. Nu ik niet vóór 22.00 uur in slaap mag vallen, word ik op bed lichtelijk ongerust dat ik de gestelde ‘deadline’ niet zal halen. Wat een dilemma. Thuis ook maar eens proberen: verboden in slaap te vallen.

Rechtop in bed zittend met de mp3 op volume 20, haal ik de tijdslimiet. En dan mag ik ein-de-lijk doen waar ik voor gekomen ben: slapen.

Wakker liggen van slapen

 

Niet skrikken!

Ik ga naar het ziekenhuis. ’t Is voor mijn eigen bestwil, want ik krijg een sss sllsssl (ik krijg ’t amper uit mijn toetsenbord) ssslaappponderzoek. 

 

Met zuignappen, kabels, snoertjes, stekkertjes, borstbanden en slangetjes, wordt mijn hartslag, ademhaling, been- arm en oogbewegingen en de hoeveelheid zuurstof in mijn bloed geregistreerd. Alsook mijn hersenactiviteiten. Ja, voel je vrij, lach maar. Dat doen twee niet nader te noemen personen in dit huis ook. Whoehaha. Hersenactiviteiten? Dat moet ik vooral niet opvatten als een compliment. Mag het raam een stukje open?

 

Voor ‘t  onderzoek mag ik dan een nachtje komen ‘slapen’, ik ga er uiteraard een ik-blijf-zo-lang-mogelijk-wakker-nacht van maken. Duimen jullie dat het ’t echt een vreselijke rotnacht wordt, net als thuis, zeg maar, dat zou voor één keertje namelijk heel fijn zijn. 

 

Ik breng ’t misschien ietsiepietsie lollig, maar het is eerder om te janken.

Dus duimen, hè!

De harige griezel

“AHHHH!”

Na een harde, hoge gil vliegt er meteen een deur open, en een vrouw in verregaande staat van ontkleding, rent hysterisch krijsend naar buiten: “Een spin! Een spin! Zooo groot!” Mag ze éven ergens bovenop gaan staan?

Direct de kapsalon in rep en roer. Klanten onder de droogkap leggen hun leesblad weg, want de realiteit is stukken spannender dan alle roddelbladen bij elkaar. Het personeel kijkt elkaar aan. Ze zijn stuk voor stuk reuze nieuwsgierig naar de spin, maar wie o wie heeft er genoeg lef om er te gaan kijken? Bij gebrek aan vrijwilligers trekt de bazin de stoute schoenen aan. Ze loopt naar de ruimte waar de zonnebank staat en blijft in de deuropening staan. Aarzelend. Alsof ze elk moment kan worden besprongen.

“Gatver!”zegt ze, “wat een griezel! Hij heeft zelfs haar op zijn poten. Zo’n griezel heb ik nog nóóit gezien.” Ze staart ernaar en rilt ervan.
“Pak de stofzuiger,” adviseert iemand.
“Sla ‘m dood,”roept een ander.
“Ja, waarmee dan?”
“Je kan er toch bovenop gaan staan!”
“Ja, jasses, dat durf ik niet, hoor.”

Waarom moet dat beest nou weer dood? Een spin doet toch geen vlieg kwaad?  “Als je een glas voor me hebt,”zeg ik “en een stukje karton,dan gooi ik ‘m wel naar buiten.”
Verbaasde blikken. Ongeloof. “Wát? Durf jij dat?”
Een glas over een spin zetten? Nog net. “Nou, oké dan, kijk eens hier, alsjeblieft. Sterkte, hè.”

Ojee stik. Nu ik oog in oog met de spin sta, heb ik spijt. Spijt dat ik me er weer zo nodig mee moet bemoeien. Wie haalt het nou in z’n hoofd om een spin te redden? Zoiets kun je toch moeilijk een nobel streven noemen. Jasses, wat een joekel. Wijdbeens (ja, ja…) sta ik boven de spin, pak het glas en tjakka! in één beweging laat ik het over de spin heen zakken. Helaas, één pootje zit klem en wordt halverwege geamputeerd. Sorry spin. Ik schuif het papiertje tussen het glas en de vloer, en dan als de sódemieter naar buiten.

Halverwege glipt dat harige ding tussen het papier vandaan en loopt mijn arm op. Ik ben op het randje van een appelflauwte, maar kan met uiterste krachtinspanning nog net de spin van me afslaan. “Gatfer-de-gatfer,”zeg ik.

Ik heb meelevend publiek: er wordt gegild, gezucht en gesteund; de stagiaire vlucht het toilet in;  en diverse klanten trekken bliksemsnel hun benen omhoog. Verstandig. De spin rent voor haar leven en zoekt dekking onder een kast met shampoos, gels, en bussen haarlak.

Dat was dat denk ik en ik ga weer zitten. Onder een kast vind ik namelijk wel een goeie paats voor een spin. Maar nee, daar denken de kapsters heel anders over. En niemand die geknipt wil worden met dat achtpotige (nou ja…) geval in de buurt. Dat snap ik toch zeker ook wel? Ja, ho ho, wacht effe, gaan ze mij aan zitten kijken! En ze blijven me aankijken…

Okee…ik geef me gewonnen. “Mag ik een zwabber ofzo?”vraag ik aan de bazin, “en een theedoek?”
Ja, reken maar, ik kan álles krijgen.
“Hier, alsjeblieft, verder red je het wel, hè?”

Met de eerste de beste zwaai komt de spin samen met de zwabber onder de kast vandaan. Gauw gooi ik de handdoek over de spin, maak een prop van de doek en met een snelheid waarvan ik niet wist dat ik die bezit, rén ik naar de buitendeur. Een behulpzame klant houdt ‘m voor me open. Voor de zekerheid zoekt ze wel dekking achter het glas. Buiten pak ik de theedoek vast aan het uiterste puntje, en klop de spin eruit  zo  in de nek van een argeloze voorbijganger. 

De rust keert weer binnen. Of zal ik tegen de mevrouw onder de zonnebank zeggen dat spinnen meestal met zijn tweeën zijn?