Snoep vooraf, geschenken toe

 

December 2009:

Manlief heeft niet bijster veel respect voor de Goedheiligman. Nooit weet hij een cadeautje aan Sint te vragen, en als meneer dan toch een pakje krijgt, gaat hij eerst uitgebreid zitten voelen om vervolgens te raden wat erin zit. Tijd voor een klein maar vooral léuk lesje.

 

Het heerlijk middagje is gekomen en op het gastadres worden wij warm onthaalt. Blijkbaar was ieder familielid errug zoet geweest want een berg snoepgoed mensen, niet normaal. Nee, ons hoort niemand klagen, hoogstens de tandarts. De Goedheiligman laat zakken vol pakjes achter op de stoep dus alleen maar blije gezichten. 

 

Ha! Een pakje voor Man. Da’s geinig, denkt hij, geef dat maar eens hier. Hij pakt het aan en schudt ermee. Niets. Hij voelt en tast… Wat kan daar nou in zitten? Ja, je weet het niet, hè? Nee, haha. Zijn grijns is zo breed dat zijn mondhoeken bijna zijn oorlellen raken. Met een ruk scheurt hij het papier eraf, ziet een houten kistje in zijn handen en ruikt argwaan. Hij loert naar Opa. Man tuurt in het kistje en kan zijn  ogen niet geloven: pantoffels. Ook  toevallig dat Sint weet dat zijn huidige paar een aantal luchtgaten heeft. Maar het zijn geen gewone toffels, er zitten bloemen op! Onder grote hilariteit trekt hij ze aan.

 

Is meneer net van verbazing bekomen, dient het volgende cadeautje zich aan. Op het pakje staat: Voorzichtig, breekbaar! Oh nee toch, het rammelt… Onthutst kijkt hij naar het doosje. Toch maar uitpakken… Een grote grijns. Joris laat de inhoud zien: een briefje van tien, verstopt in een zakje met restanten van een kapotgeslagen terracottapotje.

 

Kortom: Sinterklaas is goed bezig geweest. Nadat alle pakjes uitgepakt waren, hadden we geen kind meer aan de kids. En aan de boekenlezers van ’t gezelschap, was goed te zien dat ze nauwelijks konden wachten om kopje-onder te gaan in hun nieuwe boek.

 

Van zijn toffels heeft Man veel plezier. Eén bloem viel er na drie weken spontaan af en de tweede werd in een vlaag van verstandsverbijstering door Bella eraf gesnoept (en uitgespuugd…) 

(H)Erkenning

 

Locatie: op school.

Vak: techniekles.

Wat? Beoordeling van de cadeaudoosjes.

Kindlief wacht geduldig op haar beurt. De leraar loopt de tafeltjes langs, bestudeert de  doosjes en deelt de punten uit. ‘Hier gaat een ½ punt af, want je bent vergeten de vouwlijntjes te tekenen.’ Oeps, Kind ook! Snel tekent ze alsnog de lijntjes in haar doosje.

‘Jij hebt iets in het doosje gedaan, daarvoor krijg je een ½ puntje extra.’ Joepie, bij haar zitten er pepermuntjes in zij heeft de eerste punt reeds binnen! De leraar komt dichterbij. Als laatste is Kind aan de beurt. ‘Waarom heb jij je doosje niet gemaakt van het blauwe karton?’ vraagt de leraar.  ‘Nou… eh.. wij hebben een huiskonijn en die heeft er een hap uitgenomen.’

De hele klas hangt kromgebogen van het lachen over de tafeltjes. Zo’n geweldige smoes horen ze zelden.  ‘Nee, het is geen smoes!’ zegt Kind (hierbij trekt ze hoogstwaarschijnlijk een pruillip.) ‘Het is waar,’ zegt ze, ‘Bella is soms een loeder.’ Voor ’t gemak is ze  even vergeten dat ze haar konijn meestal een poepie, drollo, of liefie noemt. Is ook niet cool natuurlijk.

‘Als Bella d’r hok in moet, gaat ze altijd onder het lage tafelfje zitten, en als je d’r wilt pakken, begint ze te grommen.’ Nu is het feest helemaal compleet in de klas. Een grommend konijn, whoeaaa!

Maar dan… De leraar gaat er eens goed voor staan, kucht en zegt: ‘Zo’n konijn heb ik ook… Ja! En bij ons duikt ie grommend achter de kast en niemand die ‘m nog te pakken krijgt. Echt! Je cadeaudoosje ziet er prima uit, …vouwlijntjes, pepermuntjes erin… Ik geef je een 9.” De klas houdt stomverbaasd zijn mond. Glunderend neemt Kind het cijfer in ontvangst: het hoogste van de klas! Onbegrijpelijk…  

Ondanks of dankzij Bella?

 

Uit angst voor wraak liep Bella heel de week incognito door ons haar huis…

Flutcadeaudoosje

Kind komt uit school: of ik haar met het cadeaudoosje wil helpen. Een opdracht voor het vak Techniek en morgen moet het af. Lekker ding! Drie weken geleden is ze eraan begonnen en nu laat ze het op de laatste dag aankomen. Maar dit is niet het uitgelezen moment om het daarover te hebben. Haar papieren ontwerp moet op het meegekregen blauwe karton getekend worden en daarna uitgeknipt en versierd. Zij gaat aan de slag en ik de deur uit. Bij terugkomst zit Kind zwaar in de stress: de kartonnen mal is hartstikke scheef en het blauwe karton is op. In sneltreinvaart ziet ze een mooi cijfer verdampen. Wat kan het leven toch hard zijn…

‘Ik heb nog karton,’zeg ik, ‘‘t is alleen lila.’ Oh, maar das niet erg. Samen tekenen wij de “uitleg” op het karton. Pietje Precies als ze is, rekent ze alles op de millimeter nauwkeurig  uit en ik zet de streepjes. Na ruim een uur, kan het doosje uitgeknipt worden en daarna hebben wij wel pauze met wat lekkers verdiend. Hé, hoort Bella ergens een zakje kraken? Vanuit de keuken komt ze verheugd aangesprint, neemt een  snoekduik op het doosje en… HAP!… zet haar tanden erin. Een blauw stukje karton wordt kleiner en kleiner, en verdwijnt tenslotte in z’n geheel tussen haar tanden naar binnen. ‘Nee!’roept Kind onthutst, ‘nee!’

Je hebt geen snorharen nodig om de stemming in huis te peilen en Bella verdwijnt geraffineerd onder het lage tafeltje. Oww, als Kind dat konijn in haar hánden krijgt… Maar als ze nu één vinger onder het tafeltje steekt , wordt meteen haar vingernagel geknipt. Van onmacht rollen tranen over Kinds wang.

Vooruit, geen getalm: overnieuw. Zij tekent, ik knip, weer een uur later: klaar. Oh sjit, is ze vergeten de lijmstrookjes aan het ontwerp te tekenen. Ter plekke rol ik bijna van de bank. Dan het allerlaatste restje karton. Het is nú of nooit. We nemen korte metten, niks millimeterwerk. Zucht, ein-de-lijk is onze missie volbracht. Terwijl ik het eten in de pan gooi, versiert zij het doosje. ‘Oh wee,’ roep ik vanuit de keuken, ‘als die leraar je morgen niet minimaal een eh… 8 geeft,dan ga ik ‘m bellen!’

Voor de verandering is Kind het helemaal met me eens.

 

Hier zet Bella haar tanden in de Allerhande (er staan ook zulke lekkere recepten in…)

Pleidooi voor Felix

 

In deze welvarende tijd kun je het je nauwelijks nog voorstellen, maar ik ken een tweedejaars rechtenstudente met een bescheiden verjaardagswens. Ze vraagt geen BlackBerry, geen UGGS, geen bling bling, maar iets wat stukken goedkoper is. Dat houdt niet automatisch in dat haar wens makkelijk te vervullen is.

 

Mevrouw wil namelijk een konijn. Geen gewoon konijn, maar eentje met hangoren, die knikken zodra ze de grond raken. Het liefst een Bella look-a-like. Da’s geen probleem zou je denken, maar wat als je nog bij je ouders woont, en je vader faliekant tegen is? Bovendien houdt Pa voet bij stuk en pareert elke opmerking:

 

We hebben al een konijn, Sammie.  Ja, nou, en? Die heeft geen hangoren.

Het wordt winter. Kan ik  er wat aan doen dat ik  in de winter  jarig ben?

Het andere hok tocht als de neten en is zo lek als een mandje. Dan koopt jij  toch een nieuw?

Mag hij haar er even aan helpen herinneren wie elke week het konijnenhok schoonmaakt? Ai, daar heeft de aankomend juriste even geen bijdehand antwoord op. Nuffig trekt ze haar neusje op.

 

Oh, elke keer als ze naar haar werk gaat, ziet ze ‘haar’ konijntje zitten en de blik in zijn reebruine ogen is onweerstaanbaar. Ze heeft al een naam voor hem, en het idee dat iemand anders ‘m koopt…grrr!  

 

Ze dolt wat met Pa die binnenkort jarig is. Zij weet zó’n leuk cadeautje voor ‘m! Eentje dat hij beslist niet kan weigeren. Ze heeft een foto van de hangoor gemaakt en stuurt haar vader een alleraardigst mailtje: “Wanneer kom je me halen? Ik wacht op je! Felix xxx.” Maar nee, zij krijgt geen voet tussen de spijlen van het konijnenhok. Vriendlief is wijs en kiest geen partij.

 

Haar vaders verjaardag breekt aan en na het gezamenlijk diner zal zij hem het cadeau overhandigen. Even wachten nog, hihi, de doos staat in de garage.

 

Met blosjes van opwinding stapt ze weer binnen. In haar handen een doos waarvan de inhoud druk beweegt. Pa blikt haar nijdig aan. “Ik wáárschuw je…,”begint hij bij voorbaat. Triomfantelijk duwt zij hem de doos in de handen. “Alsjeblieft… en nog vele jaren.” De familie zit erbij en kijkt ernaar.

 

De doos beweegt op en neer. Voorzichtig maakt Pa de deksel open en gluurt naar binnen. Ze zal toch niet…  Hij lacht… wat een grap! Iedereen springt overeind en loert in de doos: daarin zit good old Sammie, die niets begrijpt van alle commotie. De grap is geslaagd. Sammie mag terug naar zijn hok met een extra stukje groen. Voorlopig krijgt hij geen concurrentie…

 

…toch?… Nou ja, ze heeft nog een paar weken…

 

 

 

Fijn en jammer

Lief en ik op de uitslag van het slaaponderzoek. We hopen dat het onderzoek iets heeft opgeleverd, want welke alternatieven ik al geprobeerd heb, dat wil je niet weten.

 

Oh, wel?  

 

 

Ik ging eens naar Amsterdam. Onder het motto: wat je ver haalt is lekker ging ik aldaar naar een Tibetaanse arts. Van tevoren had ik instructies ontvangen: vanaf de dag vóór de afspraak geen vruchtensap drinken (nou en?) en geen koffie (WAT? Geen koffie? Da’s mijn benzine!) Want, beide drankjes verkleuren de urine. Ik werd verzocht een ochtendplas mee te nemen. In een ruime hoeveelheid (peace of cake, mensen!) en in een goed doorzichtig potje. Over het opvangen moeten we het maar niet hebben.    

Eenmaal binnen bij de Tibetaanse arts, een aimabal man,  kon ik mijn ogen nauwelijks geloven. Hij ging er eens goed voor zitten en bestudeerde met aandacht mijn plasje. Telkens schudde hij het potje en telde de belletjes (?!) Ook de kleur van mijn urine had zijn volledige aandacht. Zelf had ik mijn plas nog nooit zo bekeken. Tenslotte verbrak hij de stilte, en vroeg: ‘At what time did you pee?’ Hallo, dacht ik, gaan we persoonlijk worden, maar ik zei netjes: ‘Om 7 uur.’ En had ik vóór 7 uur ook nog geplast, en zo ja, hoe laat? ‘Om 5 uur, dokter’ zei ik. Hij voelde nog eens 5 minuten lang mijn beide polsen en keek me diep in de ogen.

 

Dat was dat.

 

Ik kreeg twee verschillende kruidenpillen van hem mee, genoeg voor twee maanden. Nou, hoe ze smaakten, dat wil je niet weten. (NOT!) De ene pil zag eruit als een konijnenkeutel (formaat Vlaamse reus)en de andere als een geitenkeutel. De pillen waren zo ongelofelijk knoerhard dat ik ze eerst in kokend water moest laten ‘trekken’ vóór ze platgestampt geschikt waren voor consumptie. Alle pillen vrat ik op. Ja, ik had ze betaald, dus opeten zou ik ze! Hoe ik ook mijn best deed, ik ging er niet ietsiepietsiee beter van slapen. Voor de zekereheid ben ik nog wel twee keer teruggeweest (vasthoudend typje),  maar slapen: ho maar. 

 

Terwijl het zo simpel is. Ik wil alleen maar een “Sonja-Barend-pil”. Een pil waar je lekker van gaat slapen, en morgen gezond weer van opstaat. Als mensen heen en weer naar de maan kunnen vliegen, moet zo’n pil toch te produceren zijn? Zou de neuroloog vandaag zo’n dergelijke toverpil hebben?

 

Terug naar de wachtkamer. Ik hoor mijn naam. Vol verwachting klopt ons hart en Lief en ik nemen plaats in de spreekkamer. Er volgt een kort inleidend gesprek. De neurologe bevestigt mijn slaapklachten: inslapen duurt lang, en eenmaal in slaap word ik na  anderhalf uur wakker en is de slaap ‘op’. ‘En daardoor,’ zegt zij, ‘heeft u een tekort aan REMslaap. Vandaar de vermoeidheid, en dat maakt dat de patiënte (ze knikt naar mij) zich een zombie voelt.’ Huh, ja, vertel mij wat. 

 

Maar wel fijn dat we nu de oorzaak weten!’ zeg ik opgetogen.  ‘En wat  gaan wij aan de REM-slaap doen?’ vraag ik. Ik kan niet wachten op het antwoord en houd mijn adem in. Nou, da’s een beetje het probleem,’zegt de neurologe, ik zou er wel graag iets aan willen doen, maar ik kán er niets aan doen. Er bestaan geen pillen voor.’ Zó jammer… Ik schraapte mijn keel.

 

Sterk spul hè, Fisthermen’s friend?

Waardevol afscheid

 

“Zie je ertegenop?”vraag ik aan hem. Ik kijk naar zijn gezicht dat scherp wordt afgetekend door het zonlicht. Het stoplicht springt op groen en hij geeft een flinke dot gas, want hij wil de BMW eruit rijden. “Ach,”zegt hij, en haalt zijn schouders op, “ik heb niet zoveel moeite met dergelijke dingen.” Hij zegt het nonchalant. Te nonchalant? Of wil ik dat het nonchalant klinkt? Dat is in elk geval beter dan onverschillig zijn, en onverschilligheid kan ik me niet voorstellen.

 

Hij zwijgt. Ik zwijg. Dat kan als je broer en zus bent.

 

Bij de ingang van het flat bellen we ons naar binnen en pakken de lift naar de achtste verdieping. Mijn spanning stijgt in overeenstemming met de hoogte van de lift.

 

We bellen aan. Ik zucht. Oom doet open. “Hallo! Kom binnen.” Binnen zien we haar zitten op de bank. Een uitgeblust mensje dat toch probeert te lachen. Smak. Smak. “Hoe gaat het?” Stomme vraag, want het gaat niet en overgaan zal het ook niet meer.   

 

Broer en ik zijn zo’n beetje samen met onze zieke tante en haar gezin opgegroeid.  Haar kinderen waren voor ons eerder onze zus en broer dan nicht en neef.

 

Tante knikt ons bemoedigend toe. Wij krijgen koffie en tante vertelt. Over de pijn, het onderzoek, de uitslag van het onderzoek, de paniek en de verslagenheid bij de kinderen en kleinkinderen. Over nachtelijke bezoeken naar de apotheek voor morfinepleisters.  

 

Ze ziet er desondanks verzorgd uit, tot in de puntjes; zoals altijd. Steekt het lichamelijk verval daardoor sterker af? We praten met elkaar en durven zelfs nog wat lachen. 

 

Het gesprek vermoeit haar. Voor Broer en mij het sein om weg te gaan. Hij staat op uit de stoel, gaat met zijn grote lijf voorzichtig naast Tante zitten en slaat zijn twee lange armen stevig om haar heen. Hij snikt en knuffelt haar met rode ogen. Ja, ja, leer mij deze stoere vent kennen.

 

We vertrekken met pijn in ons hart. Nog stiller dan op de heenweg.

 

Gisteravond, woensdag 10 november is ze in haar slaap overleden.

 

Uitkijkpost

 De spreeuwen eten onze laatste druiven op:

In kleine troepen komen ze aanvliegen. Ze stationeren zich op de pergolala en leilindes, van waaruit ze de kat uit de boom gaan zitten kijken. Die zit op het dak van het tuinhuisje, maar dit terzijde.

Verlekkerd loeren ze naar de laatste druiven. Welles, nietes, welles…Ze willen wel, maar ze durven niet. Af en toe doet een spreeuw met lef een dappere poging, maar bedenkt zich meteen weer. Nietes…welles… Plots vliegen ze allemaal tegelijk op, vliegen een kort  rondje, en storten zich blind en vol overgave tussen de druiventrossen.

 

Ruziemakend springen ze op de druivenranken heen en weer. Opzouten, dit is mijn tros! Zo bang als ze de straks nog waren, zo brutaal zijn ze nu. Sommige spreeuwen zijn zo gulzig dat ze de druiven niet weggewerkt  krijgen en er kokhalzend mee in hun bek blijven zitten. Maar lekker dat ze het vinden!

 

Zo snel als ze gekomen zijn, zwermen ze ook weer weg. Even is het rustig, tot de volgende troep zich aandient. De druiven gaan erin als koek. Gelukkig zijn wij geen krenten…

  

 De compilatie is van Kind! Bedankt xxx

Het nieuwe vest

‘Kijk eens,’zegt Vriendin, die met de deur in mijn huis valt, ‘dit heb ik net gekocht!’ Opgewonden graait ze in een tas en haalt er een fleurig stuk textiel uit, dat een een lang en zwierig vest blijkt te zijn. Vriendin trekt het aan en loopt er showend mee door de kamer. Moet je buiten dat grauwe, muizenissige novemberweer eens zien. Dit felgekleurde vest kleurt tenminste je dag. Ik word er vrolijk en begerig van. Alles voor de heb, oh boy!

‘Er zijn er maar twee van, hè?’ zegt Vriendin, ‘en bijbestellen kan niet,’vervolgt ze met een veelbetekende blik. Sjonge, dat wakkert de hebzucht pas goed aan. ‘Wat erg!’ zeg ik, ‘dan hangt er nu nog maar één in de winkel, en die wordt vast snel verkocht, want wie wil dit vest nou niet?’ ‘Pfff, dat  valt knap tegen, hoor,’ zegt Vriendin, ‘want het hele dorp vindt ‘m geweldig, maar niemand die ‘m durft te dragen. Huh, nou ja, ík wel natuurlijk,’ vervolgt ze.

‘En ik, en ik!’zeg ik. ‘Wat kost ie?’ Vriendin laat me het prijskaartje zien. Zó, wat een smerige afzetterij! Kunnen ze wel, zo kort na de creditcrisis?

Ik moet er eerst maar even een nachtje over slapen. 

De volgende dag ga ik kijken. Kijken is passen. Passen is kopen. Veel geld armer maar een geweldig vest rijker, verlaat ik de winkel . En zeg nou zelf: wat heb ik  aan geld op de bank? Dat staat toch maar te verdorren op m’n rekening. Rente? Tsssk, zó onbelangrijk.

In mijn nopjes over de aankoop hang ik het nieuwe kledingstuk thuis op een hanger aan de kast zodat het goed opvalt. Ha, daar is Man! Hij werpt één blik op mijn nieuwe aanwinst en vraagt: ‘Wat hangt daar nou?’
‘Dat, mijn schat, is nou een vest.’
‘Heb jij die gekocht?`
`Nee, verdonkeremaant, nou goed. Je mag best enthousiast doen, hoor!`
`Wat een lelijk ding. Meer iets voor tante Alie.’
Gekweld kijk ik hem aan. ‘Dus als ik ‘m draag, kom je op straat niet naast me lopen?’ vraag ik.  Nee, inderdaad, dat heb ik heel goed gezien. 

Misschien, dacht ik toen, misschien wordt het toch eens tijd om met Man mee te gaan naar een party op het werk. Altijd Meestal druk ik mijn snor, maar ik voel dat het moment voor verandering is aangebroken. De hoogste tijd om mee gaan naar de borrel bij de presentatie van de kwartaalcijfers;  een bank-banketfeest; of desnoods het Sinterklaasfeest.

En ik weet al wat ik aantrek…

Ondergrondse koeien

De tijd raast voorbij. Om haar nog enigszins bij te kunnen houden, stap je in een automobiel en scheur je stevig door. Dan wil je beslist niet wachten tot een kudde koeien de weg overgestoken is. Koeien veroorzaken razendsnel een traffic jam, zeker als het om een kudde van 200 exemplaren gaat. Die beesten kennen totáál geen haast, zelfs niet als ze op weg zijn naar de melkrobot in de warme stal. Moderne boeren en boerinnen zitten de koeien flink op de hielen: vort! vort! doorlopen! dat weiland uit!

Behalve dat de meisjes liters melk maken, zijn het ook enorme kanjers in het produceren van flatsen. Om het mestoverschot op de openbare weg en de traffic jam in te dammen, heeft een boer baai ons in ’t durp een ondergrondse doorgang voor zijn koeien gemaakt. Ze steken dus de weg niet over, nee, ze lopen eronderdoor. Als boer zijnde wil je tenslotte de buren, burgers en buitenlui zo lang mogelijk te vriend houden. 

De locatie van de ondergrondse ken ik goed, maar ik was altijd net te laat, of veel te vroeg (en te ongeduldig om te wachten) als de dames er doorheen sjokten. Totdat ze vlak voor mijn ogen aan kwamen lopen. Op hun dooie akkertje slenterden ze in een lang lint achter de billen van hun voorgangster aan. Scheurden achteloos links en rechts polletjes gras af.

Zei ik nou 200 koeien? Da’s niet correct, want ‘t zijn er slechts 198. Twee hoogbejaarde runderen zijn zo uitgekookt als de bliksem; zij houden niet van regen en koude poten. Ze willen warm en droog staan; zelluf bepalen wanneer ze naar de melkrobot gaan; voer vreten wanneer het hún uitkomt; bij jeuk hun knokige derrières tegen een ronddraaiende borstel aanschurken. Nee, dat gehobbel over Gods akkers is aan deze dames niet besteed. “Ze kunnen die grote afstanden ook niet meer afleggen, “legt de boerin mij uit, “en ze hebben dui-zen-den liters melk gegeven in de afgelopen twintig jaar! Ach, ze zijn gewoon met pensioen. Moet kunnen toch?”

Ik ben het loeiend met haar eens.