Syb de Noor

Nicht E. wordt nog steeds elke ochtend wakker met een kater. Je-weet-wel, vanwege Moos. Eigenlijk wilde Nicht twéé Moosjes, maar daar thuis stak iemand daar een stokje voor. Eén ding is zeker: over   een week wordt meneer de Kater persoonlijk bij E. thuis afgeleverd. De fokker wil namelijk weten waar Moos terechtkomt. No problemo.

 

Op Valentijnsdag is er bij Nicht E. zoiets naars voorgevallen. Man P. bekende schoorvoetend dat hij geen valentijnscadeau voor haar had gekocht. Zo triest, zo sneu! Of zij misschien heel toevallig per ongeluk  een cadeautje ofzo wist?

‘Ja!,’sprak E. vurig, ‘ik weet iets.’

‘Zeg het mij en het zal je gegeven worden,’sprak P,

E. wees een foto aan. ‘Kijk,’zei ze, ‘deez wil ik zó graag.’ P. knikte, slikte en één telefoontje was voldoende: hij was er nog! Nicht straalde hitte uit van blijdschap en sinds een week woont Syb de Noor(se Boskat) bij hun in huis!

 

(Toen ik dit aan Manlief vertelde, zei hij: ‘Die vrouwen zijn ook allemaal hetzelfde: zo geraffineerd als de pest.’ Is dat nou aardig om zoiets te zeggen? Kind en ik vonden van niet en wij wilden een daad stellen dus maakten wij  samen  de schaal met slagroom soldaat.  Zo. Lekker. Maar dit terzijde.)

 

Syb is een poeslief katertje dat direct vriendschap sloot met de bejaarde kat Whoopie. Na één dag liep de Noor in huis rond alsof het hele pand van hem was. Dat gedrag schijnt vaker voor te komen bij katten. Meneer ligt het liefst languit gestrekt op de bank. Dusdanig dat niemand links noch rechts van ‘m kan zitten. Maar dat geeft niks joh; zijn baasjes gaan wel op de grond tégen de bank zitten.

 

En toen, zomaar ineens was Sybje ziek. E. & P. maakten zich ongerust, want de Noor lijkt wel een kerel met al dat haar, maar onder zijn velletje zitten alleen maar botjes en nog geen enkel laagje vlees. Verontrust belden zij de dierenarts. Ze mochten meteen komen. P. gaf in de auto zoveel gas dat de kattenmand met Syb bijna op de hoedenplank werd gelanceerd.   

 

Het zag er ff somber uit voor Siepie, maar hij haalt ‘t. Om weer op krachten te komen doet de Noor veel dutjes. Hopelijk niet op de bank…

De vieze vogelaar

Stijf van de stress stuiter ik de bieb uit. Buiten blijf ik als aan de grond vastgeplakt staan. Het is oranje en het zit op de schutting. Dat kán toch niet? Sinds wanneer zie ik ze nu ook al vliegen? Maar twee zintuigen die een loopje met me nemen is zelfs voor mij uitzonderlijk. Ik sta oog in oog met een oranje kanarie. Echt! En hij heeft nog een leuk fluitje over zich ook.

 

Zeg maar dag met je handje tegen het vogeltje, want buiten heeft ie a: niets te eten en b: vannacht gaat het vriezen. Wel sneu. Hij zit zo vlakbij.. zal ik proberen ‘m te vangen? Ja hallo, dat lukt toch niet, dat beest vliegt meteen weg. Maar ik kan ’t toch probéren? Moet ik niet te lang wachten…Ik laat mijn tas op de grond vallen, en loop voorzichtig naar het vogeltje. Bijna ben ik bij hem…bijna…. Floepens, mis! Hij is gevlogen. Wel heb ik een gat in mijn hand door een roestige spijker (weer eens wat anders dan een gat in mijn hand tijdens het shoppen.)

 

Een mij tegemoetkomende meneer heeft het oranje zangtalent ook gespot. Het beestje is een stukje verder gevlogen en lokt de man en mij achter zich aan. Meer dan kijken naar het kanariepietje kunnen we niet. ‘Misschien staat er ergens een deur van een volière open,’zegt de man tegen mij. ‘Kijk daar staat er eentje.’ Hij kijkt mij aan, zo van: regel jij dat even. Alsjeblieft. Oké dan. Soms ben ik de rotste niet.

 

Ik trommel een mevrouw met twee keffende hondjes uit huis. ‘Nee, ’t is niet mijn kanarie, ik heb alleen gele. Wacht ik ga een vangnet pakken.’ De kanarie vliegt verder en zit nu op het stuur van een kinderfietsje. De man loopt naar ’t vogeltje. ‘Misschien wil ie op mijn vinger komen zitten,’zegt hij. Nou…als ik dat vogeltje was… De man ziet eruit als een sjappie, met ontploft haar, en een onverzorgd uiterlijk. ‘Kunnen we niet beter op het vangnet wachten?’opper ik. Mijn idee wordt lauwtjes ontvangen. De oranje fladderaar vliegt een hoge boom in. Einde verhaal.

 

Teruglopend naar mijn fiets, word ik achtervolgd door de spotter, die me een poeslieve blik toewerpt. Zou  hij verlegen zitten om een praatje? Hij knikt naar me op een manier, zoals mensen die een geheim delen elkaar begroeten. ‘Hallo,’zegt hij en raakt mijn hand aan. Das wel míjn hand, denk ik. Hij vertelt op blijde toon: ‘Ik heb ook een vogeltje. Een heel bijzónder vogeltje.’ Er bekruipt me een gevoel van lichte verwarring en onpasselijkheid. Wat heb ik nou weer aan mijn fiets hangen? De man vertelt verder en raakt mijn arm aan. ‘Mijn vogeltje houdt ook van vrijheid,’ zegt hij met glimmende ogen. Oh moeder Maria, denk ik, als hij het nu maar niet over zijn privévogeltje zonder veren gaat hebben…

 

‘Mijn vogeltje wil er elke dag een paar keer uit.’ De man kijkt naar beneden in de richting van zijn (s)navel. Of ik wil of niet, ik kijk met hem mee. Zal hij een standvogel of een trekvogeltje hebben? Ik houd het voorlopig op het kleinste vogeltje van Nederland: het winterkoninkje. Zeker gezien deze kou. De man zet een gezicht naar me op alsof hij een buitengewoon fijne verrassing voor me heeft en doet een stapje dichter naar mij toe. Hij raakt mijn schouder aan en zegt vurig: ‘Mijn vogeltje is op zoek naar een nestje…’ Sjezus, straks doet hij zijn gulp open…Dank je de koekoek, van die aanblik blijf ik liever verschoond.

 

 

‘Wil je je vogeltje de rest van je leven nog blijven gebruiken?’zeg ik dreigend, ‘dan zou ik ‘m maar in m’n broek laten zitten als ik jou was.’ Met een deerniswekkende blik kijkt hij me aan. Interesseert zijn vogeltje mij dan helemaal niets? Nee, geen fluit. ‘En nou opzouten, anders rijd ik gewoon over je heen!’ In luttele seconden is deze vrije vogel om de bocht verdwenen. 

Herrie in de bieb

 

Met een heidens kabaal maak ik mijn entree. Jemig, slaat dat systeem ook al op tilt als ik naar binnen wil? De Biebdames die zojuist nog van een kort relaxmoment zaten te genieten, staan al rechtovereind naast hun stoel. Eén blik in de richting van de beveiligingspoortjes zegt ze meer dan genoeg: oh nee, daar heb je háár weer! Ze zien het bij voorbaat niet meer zitten. Zo’n haast als de laatste keer hadden om bij me te komen, zo traag zijn ze nu. De dames wisselen blikken van verstandverhouding. Eén gaat de theekopjes afwassen, nummer twee duikt in een boekenkast. 

 

‘Goedemiddag,’zegt nummer drie tegen me. Nou ja, dat meent ze niet echt, natuurlijk. Met enige achterdocht kijkt ze toe welke boeken ik inlever via de computer. Een biografie van Desmond Tutu, check. Een bladerblad, check. En de  trtrtrthriller “The templar legacy”, die niet checkt. In plaats daarvan klinkt er het geluid van een schoolbel en verschijnt er een rood vlak op de computer. Alleen een trilfunctie ontbreekt nog. Zonder waarschuwing wordt het computerscherm zwart. De medewerkster kijkt me aan alsof ik een wonder heb verricht. Een catastrofaal wonder.   

 

Zij drukt op enter. Op ‘t scherm gebeurt niets. Nog eens enter, weer niets. Control, alt, del, doe ik. ‘Nee!’roept ze in paniek. Maar voila, laat het ook eens meezitten: het oude scherm keert terug. Goed hè? De medewerkster maakt een blazend geluid alsof ze zojuist aan de dood is ontsnapt. ‘Neem een stoel van uzelf,’bied ik aan. Gelukkig, ze kan nog lachen. Het boek is niet over tijd… niet door mij achterover gedrukt… niet gereserveerd… niet van een andere bieb…tsja…Het raadselboek draag ik aan haar over. Sterker nog: ze mag het houden.

 

Je kan veel van me zeggen, maar niet dat het mij aan doorzettingsvermogen ontbreekt. Ik zoek en vind nieuwe boeken en het scannen achter de computer lukt zonder fratsen. Dan komt het onvermijdelijke. Zwaarmoedig kijk ik naar de beveiligingspoortjes. En naar het hoge wit gekalkte plafond. Hmm…het moet te doen zijn, peins ik. Zo onopvallend mogelijk gluur ik in de richting van de biebdames: ze zijn druk bezig en letten niet op mij.

 

Dit is mijn kans. Zachtjes loop ik op de poortjes af. De plastic zak met boeken stevig in twee handen. Voetje voor voetje kom ik dichterbij de uitgang. Nog een laatste blik op de medewerksters…ja, NU! Twee handen zover mogelijk boven mijn hoofd houdend, til ik de boeken één meter boven de poortjes uit.

 

‘Wat bent u aan het doen?’klinkt het streng achter me. Ik schrok m’n eigen de schompes. ‘Ik wil alleen maar naar buiten lopen zonder dat ‘t luchtalarm afgaat,’ zeg ik. ‘Ik schrik me wezeloos van dat geloei. Net of ik iets fouts heb gedaan’. Ik kijk er een beetje gekwetst bij. Dat kan ik best als ik dat wil. ‘Loop eerst maar door de poortjes,’zegt ze nors. Oké, als zij van kolere herrie houdt, moet ze ‘t zelf maar weten.

 

Het geloei van het alarm is niet van de lucht, en wekt ieders belangstelling. Andere bibliotheekbezoekers drommen als ramptoeristen om mij en de BiebMiep heen, blij dat er enige turbulentie in dit slaperige dorp is. Ondertussen ga ik weer over de tong: Zie je, dat is zij van Kakelbont, ze zal weer niks hebben.

 

De BiebMiep bestudeert mijn klantgegevens in de computer. De arme vrouw tuurt zich suf. ‘Ik weet het niet,’zegt ze, ‘alles ziet er normaal uit.’ Behalve u, hoor ik haar denken. Ze is teleurgesteld dat het beveiligingssysteem haar zó in de steek laat. Toch kijkt ze er opvallend lenig tegenaan, want ze zegt: ‘Weet u wat u doet? Loop maar gewoon met die boeken zover mogelijk boven uw hoofd door de poortjes naar buiten.’ 

En dat doe ik. Geruisloos.

Vitamine C

‘Je ziet er al minder verlopen uit dan de vorige keer,’zegt Vriendin. Dankbaar neem ik haar compliment in ontvangst. Want eerlijk = heerlijk. Ik loop achter haar aan naar binnen, want vandaag doe ik ff een bakkie bij haar. Vriendin woont wel/niet in ons dorp. Geen van beiden houden we van vaste afspraken, dus zien we elkaar soms 3 x per week (‘your place or mine?’) en daarna gerust 3 weken niet. Want vrij = blij. 

In de kamer plof ik neer in een stoel; C. loopt naar de keuken voor koffie. Handig: de trommel met boterkoekblokjes staat al hapklaar op tafel. Zonder deksel. Veel te vermoeiend om elke keer die deksel erop en eraf te doen. We eten toch door tot de trommel leeg is, dus waarom extra moeite doen? ‘Je eet toch niet al stiekem van de blokjes, hè?’ informeert Vriendin vanuit de keuken. Ik zeg niks want mijn keurige opvoeding heeft me geleerd niet te praten met volle mond.

In de keuken klinkt een hoop lawaai, gerinkel, veel gemopper en tot slot het geluid van vallend serviesgoed op een plavuizenvloer.
‘Wattizzer stuk?’ vraag ik.
‘Oh…een mok.’
‘Zal ik ff veger en bl…’
‘Nee, jij blijft zitten!’
‘Oké.’ (Ik doe altijd precies wat zij zegt.)
‘Wil je melk in je koffie?’ Niet te geloven. Zij declameert uit het hoofd in vloeibaar Engels met gemak tien minuten de voice over van Discovery Chanel (beroepsdeformatie), maar onthouden wat ik in mijn koffie wil, is er niet bij. ‘Graag,’roep ik, in de hoop dat ’t deze keer blijft hangen.

Billie de Border rekt zich uit en legt zijn hondenkop op mijn knieën. Ik kriebel ‘m zachtjes achter z’n oren. Hij me hemels aan; zijn ogen halfdicht (halfopen voor de optimisten onder ons). Hè hè, daar is C. met de koffie. ’t Werd anders wel tijd. Billie zijgt neer op mijn voeten en reken maar dat hij daar bovenop in slaap valt.

Vriendin grabbelt een blokje boterkoek uit de trommel, gooit ‘m omhoog en vangt ‘m met open mond op. Zo, daar heb ik niet van terug. Zelfs pannenkoeken flikkeren bij mij op de grond als ik ze in de lucht probeer om te keren. Lenigheid baart kunst, dus ik onderneem wel een poging. Mond open, gooien, opvangen… mis. Het blokje valt op de grond en Billie springt overeind en hapt het koekje naar binnen. Op! ‘Billie lay down!’ roept C. Mopperend spring Billie op een bank, legt zijn kop op het kussentje, laat een boer en valt in slaap.

Waarom voel ik me bij Vriendin altijd zo thuis?

Slaapdieet

De wekker blèrt me uit bed. Ik trommel Kind uit haar warme holletje en zorg voor de catering. Kind komt vermoeid in de slaapstand de trap afsjokken. Slechts  met grote moeite krijg ik haar bijtijds de deur uit.

 

Zodra Kind de bocht om is gefietst, gooi ik wat te eten in Bobo’s hok naar binnen en jaag Bella terug haar hok in. Daarna hol ik als de gesmeerde bliksem naar boven. Liefdevol strijk ik mijn rijwiel over haar zadel en zachte bandjes, terwijl de regen tegen de ramen klettert. Héérlijk. Woedende windvlagen blazen tegen Aadjes pindakaashuis. Hoor toch eens hoe fijn de auto’s door de plassen rijden. Dit is by far het perfecte weer… om je nest in te duiken.

 

Want ik slaap!

 

Stap ik uit bed: dan heb ik energie. En ’s middags bèn ik me toch aanspreekbaar. ’s Avonds kook ik ouderwets vers en met een glimlach roer ik in de pannen. Om half 8 staan mijn ogen nog dermate helder open, dat ik er geen satéprikkers tussen hoef te vouwen om het laatste gedeelte van De Wereld Draait Door te zien. En ’s nachts lig ik van mijn “bijslaap”(yak!) niet wakker.

 

Het terug naar bed gaan heeft louter voordelen. Lichamelijk zat ik stuk en geestelijk gezien was het pure armoe. Maar niet langer hangen mijn mondhoeken van chagrijn naar beneden, en mijn kraaienpoten niet meer op kniehoogte. Ik word met terugwerkende kracht gelukkig. En dat is allemaal Vriendins “schuld”. Daarom heb ik Vriendin C omgedoopt in Vitamine C.

 

Kijk, zie je die foto? Dat is mijn fiets: ze doet aan slaap. Net als ik. Altijd al geweten dat onze band ijzersterk (met een vleugje carbon) is.

 

En nu maar knus naar jullie warme nestjes en denk erom: oogjes dicht en snaveltjes toe.

 

Snurk, snurk.

 

 

 

Toets Duits

Oh, de zoete verleiding een tien te halen voor haar Toets Duits! Daar hoeft Kind praktisch niets voor te doen. Alleen maar heel erg vals te spelen. Maar zeg nou zelf, voor een tien… who cares? Zij in ieder geval niet. ‘Ja, of je krijgt een één,’zeg ik, ‘als de docent er achter komt.’ ‘Oh maar dat mens van Duits…’ ‘Die mevrouw van Duits,’verbeter ik. Tss, waar ik me druk om maak, dat is toch hetzelfde? ‘Die komt daar niet achter,’zegt Kind. De tien komt als geroepen, net als voor de rest van haar klas trouwens.

‘Wat zou jij dan doen, hè?,vraagt ze. Ik denk aan die repetitie Engels,hoeveel… 30 jaar geleden? Geen seconde hoefde ik na te denken over de geboden kans. Alle onregelmatige werkwoorden en 6 hoofdstukken met tekst met woordjes leren óf het aanbod van de antwoorden van de opgegeven toets. In plaats van uren blokken, hoefde ik slechts de antwoorden van toets A en B te leren. Dus ik zwijg.

‘Ha! Zie je wel!’ roept Kind triomfantelijk, ‘ik wist ‘t! Jij altijd met je regels. Zelf stoor jij je nergens aan… doet gewoon alles waar je zin in hebt, en ik moet me overal aan houden…’ ‘Leer nou voor de zekerheid maar je Duits, zeg ik, ‘Alles beter dan een één. Weetje wel hoelang het duurt voor je die hebt opgehaald? Doe ’t voor de zekerheid.’ Duh, zekerheid, daar spuugt ze op. Ze stoort zich niet aan mijn goedbedoelde adviezen. Fluitend leert ze versie A en B, met toch voor een eh… minibeetje zekerheid alle naamvallen.

De volgende dag ontvang ik een sms’je, dat Duits “heel goed ging.” Dus die tien heeft ze binnen. Nu heeft ze een toets Grieks. “Wish me luck.”Aansluitend ontvang ik een rij kruisjes. Zit niet tegen.

Weer thuis kijkt ze terug op een geslaagde dag. ‘Dat mens van… die mevrouw van Duits, die had dus écht niks door hè,’zegt ze, ‘die is me een partij dom!’ Een kudde pubers die slimmer is dan een docent wil er bij mij niet, maar oké, zij heeft die tien. ’Wel jammer,’zegt ze, ‘deze kans op zo’n “gratis toets” is helaas eenmalig.’ Ze mijmert in stilte over de rijkdom in haar leven als ze slechts de  antwoorden van de toetsen hoefde te leren. Hoeveel makkelijker haar leven zou zijn…

Maar dan, twee schooldagen later, staat ze met een gezicht als een oorwurm op de stoep. Zoiets vals heeft ze nog nooit meegemaakt. ‘We zijn verraden!, briest ze. Nijdig kwakt ze haar rugtas op de grond. ‘Verraden door iemand uit een andere klas. ‘Ene David’…zijn naam spreekt ze zeer minachtend uit…‘heeft tegen de Duitse docent gezegd dat onze klas de antwoorden van de toets had. Wat een smerige gluiperd die gozer! Hij was natuurlijk jaloers, dat hij de antwoorden níet had, dat rotjong, en nou moeten wij overmorgen de toets overdoen…en dat komt alleen maar door die…die….’ ‘sukkel, hufter, klojo…’ help ik haar. Nou ja, ze is in elk geval blij dat ik ‘t met haar eens ben. ‘Voor de verandering,’laat ze er snel op volgen. Voor de gezelligheid laat ik maar achterwege dat een nieuwe toets maken beter is dan een klassikale één krijgen.

Ze baalt zo vreselijk van deze situatie. Eigenlijk heeft ze er maar één woord voor. Eén woord dat exact de hele lading dekt. Het ergst is nog wel dat ze voor dat ene woord niet eens naar Duitse les had gehoeven. Nee, dat woord kende ze zo ook wel: scheisse!

Geen zuivere koffie

Maandenlang werd ik dagelijks geteisterd door een hongerklop. Een hongerklop kende ik alleen van het sporten. Wanneer je te weinig gegeten en/of gedronken hebt, wordt je lijf zo leeg dat je er beroerd van wordt. Je gaat trillen, wordt slap, krijgt last van concentratieverlies, wazig zien en je gaat hevig beven. Terwijl ik toch heus geen juffershondje ben. Ik heb Luik-Bastenaken-Luik gefietst (265 km. Uitgepeild en toch fout gefietst; ook een vorm van talent), de Amstel Gold Race (175 km) en de Elfstedentocht op 2e Pinksterdag (225 km). Ging allemaal goed. Omdat ik getraind gehad en rugzakken eten en drinken meesleepte.

 

Bij duursport is het de truc te blijven eten, ook als je geen trek hebt. Mechanisch alles naar binnen proppen; daar komt het grof gezegd op neer. Want als je trek of honger krijgt, ben je te laat. Er is slechts één oplossing: gaan zitten, een zoet drankje drinken, en boterhammen met veel jam eten. Dat je ook “gewoon” een hongerklop kunt krijgen, dus zonder te sporten, was mij volslagen onbekend.

 

Ik googlede me suf en stuitte steevast op de term “hypoglycemie.” Bij hypoglycemie is je bloedsuikerspiegel te laag omdat het lichaam teveel insuline aanmaakt. Ofwel: het tegengestelde van suikerziekte. Er bestaan geen pillen voor; er is maar één remedie: een dieet volgen van de hypoglycemievereniging. Niets noppes nada leverde dat dieet mij op. Gék werd ik ervan! Dat koffie een grote invloed op het suikergehalte in je bloed kan hebben, las ik gemakshalve overheen. Ik drink al zo lang koffie…dat kon ’t toch niet zijn? En ’t is zó lekker… Hardnekkig zocht ik verder.  

 

Want als je gezond bent, heb je wel duizend wensen.

Als je ziek ben, heb je er maar één.

 

Lang verhaal kort: ik laste een koffiestop van een week in. Het zou een ware beproeving worden, maar ik concentreerde me keihard op de voordelen. De koffiejunk in mij protesteerde hevig. ‘Toe dan, drink me dan!’ gilde de koffie als ik ’t keukenkastje opendeed. Oh… dat aróma… ‘Drink ‘t dan, drink ‘t dan,’ riep de junk. Ik lachte ‘m uit: ik ben toch sterker dan hij. Helaas beek dat iets te simpel geredeneerd, want na drie koffieloze dagen had ik een migraine waar een olifant u tegen zegt. 

 

De hongerklopklachten werden echter minder. Tel uit je winst. Alleen was de migraine niet te harden. Toen ik geen eten meer kon binnenhouden, zette ik een ouderwets lekker bakkie koffie en met een gelukzalige grijns dronk ik de mok gretig leeg. Ik genoot… Plus: binnen een halfuur was de hoofdpijn weg! 

 

Caffeinevrije koffie levert geen probleem op. De smaak? Hmm, gaat wel. Ik mis toch de…tja…de bíte zeg maar. Om de dagen moet ik een bak “echte koffie doen” tegen een nieuwe aanval van migraine, maar de tussenpozen worden langer.  

 

Nu heb ik “alleen nog maar” last van moeheid. Maar daar komt ook al verbetering in!    

Flutapotheek

Bam! Kind komt thuis. Ze neemt niet de moeite haar jas en laarzen uit te trekken en dendert briesend de kamer binnen. Eén tel later staat ze voor mijn neus.

‘Wat denken ze daar wel niet bij die…die…die flutapotheek? Dat ik nog een kind ben of zo?’ Rookwolken stomen uit haar neus en oren naar buiten.

‘Tizzerdan?’

 

‘Nou, jouw slaappillen…? Ik krijg ze niet mee…dat vinden ze “onverantwoord gedrag”. Tsk!’ In een klap begrijp ik Kinds irritatie. ’t Is dat ik al hoofdpijn heb, anders had ik het van nijd wel gekregen.

Kind bood aan mijn slaappillen voor me op te halen bij de apotheek. Zij kwam er toch langs, zei ze,  op de terugweg van de bieb. ’t Is ook niet dat ik bang ben voor de boze wolf dat Kind het karweitje voor me opknapt. Veel liever was ik zelf gegaan, nieuwsgierig als ik ben naar de gezichten van de assistentes. Maar helaas, ik ben gevloerd door migraine vanwege het afkicken van koffie. Vandaar dus dat ik blij was met Kinds aanbod.

 

Ik bel de apotheek en vraag naar de werkweigeraarster. Toevallig is ze net met iets bezig (das wel heel toevallig ja, dat is ze anders nooit.) Of ik geduld heb? Ikke wel.

‘U werkt toch maar tot 16.00 uur?’ vraag ik liefjes.

‘Normaal gesproken wel,’ zegt ze. Normaal gesproken dan, want bij voorbaat nemen ze daar allemaal een kwartier eerder al de kuierlatten. Geeft niets: in dit geval heb ik dus meer tijd dan zij.

 

Best snel nog krijg ik de desbetreffende assistente aan de telefoon. Poeh poeh, nou en of vindt ze het veel te gevaarlijk en ook zo enorm onverantwoordelijk voor een moeder, om een snotneus van veertien dergelijke pillen op te laten halen. Man, man, man, ze moet er niet aan denken wat er allemaal mis zou kunnen gaan: Kind kan in zeven sloten lopen; ze kan denken dat de medicijnen snoepjes zijn en die zelf opeten of uitdelen aan kleine kindertjes op straat; ze kan het doosje verliezen…  

 

Toen ze klaar was met praten, was het mijn beurt. Ik praatte lang-zaam en zachtjes. Dat laatste uiteraard door de migraine, maar ik voelde gewoon dat zij dacht dat het van pure ingehouden woede was. Ik kon horen hoe ze zich aan de andere kant van de lijn schrap zette. Ik hield het kort. Ik hield het beschaafd. Zelfs voor iemand die op school nog nooit hoger dan een 3 voor rekenen had gehaald, was het haar volkomen duidelijk: dit moest ze nooit meer doen.

 

Kind is niet meer teruggeweest voor de pillen. Het regende… Ik ga vandaag fijn zelf. Kan ik de assistente(s) recht in de ogen kijken.

De herhaalreceptenlijn

 

 

 

 

 

 

 

 

In ons welvarende dorp hebben we een huisartsenpraktijk met apotheek. Als je “er voor gaat” kun je over alles en iedereen iets positiefs verzinnen, maar wat er voor positiefs aan onze apotheek is? Misschien dat Joost ‘t weet, maar ik na 20 jaar nog steeds niet. Uiteraard spreek ik namens de gehele gemeenschap.

 

Hoe werkt de herhaalreceptenlijn? Simpel: je spreekt de medicijnen die je herhaalt wilt hebben, via de telefoon in op een computer, en dan kun je ze (als je geluk hebt) later ophalen. Zo werkt dat bij onze apotheek. Schrijf ik werkt?  Dat moet zijn: werkt niet.

 

De telefoon verzoekt je je naam en geboortedatum in te spreken. Daarna komt de vraag: ‘Dient het medicijn bezorgd te worden?’ Let op: van een alleenstaande die met een zware longontsteking comateus op bed ligt, wordt nog wel verwacht dat hij alle buren uit heel de straat opbelt, tot hij iemand gevonden heeft die zijn medicijnen voor hem wil ophalen. Want de service is er wel, maar het is niet de bedoeling dat er gebruik van wordt gemaakt. Ja, ze zijn daar een beetje gek, ze hebben wel wat beters te doen!

 

Daarna komt hét moment dat je de naam of namen van het medicijn dat je herhaalt wilt hebben, mag inspreken. “U krijgt ruim te tijd. Daarna drukt u op hekje, en wacht u op Piep! Door de Piep! weet u als patiënt dat alles correct in de computer staat.”

 

Misschien ten overvloede: hoor je geen Piep! dan staan je ingesproken medicijnen dus NIET correct op het bandje. Een meneer die vóór mij aan de beurt was in de apotheek en zijn herhaalmedicijnen kwam ophalen, kreeg het haarfijntjes uitgelegd: zijn medicijnen stonden niet in de computer, dus of hij nog een keertje wilde terugbellen. Ze rekende op zijn begrip. Ik verdenk haar ervan dat ze nooit hoger dan een 3 voor rekenen heeft gehaald.

 

Wij als patiënt hebben een luizenleven, maar beseffen ’t alleen niet. Wij hoeven slechts iets in te spreken, terwijl de assistentes alles uit de kast moeten halen om hun werk te doen. Geloof me: die kast is permanent leeg. Dat verklaart de tekst die goed zichtbaar voor iedereen aan de muur in de apotheek hangt: “Laat ons vooral rustig ons werk doen”. Vanzelfsprekend met de nadruk op rust.

 

Toen was het moment daar dat ik bijna door mijn voorraad pillen heen was en ik de herhaalreceptenlijn belde.

 

Om te beginnen spreek ik al-tijd lang-zaam, want ze zijn daar allemaal blond. Op de vraag of het medicijn bezorgd moet worden, zeg ik standaard: ja graag. Omdat ik weet dat ze daar opgewonden van raken. Na het inspreken van mijn lekkere slaappillen, kreeg ik zoals beloofd alle tijd. Ik wachtte… en wachtte… Zolang had ik werkelijk nog nooit gewacht. Wel zeker 5 minuten! Nou ja, die Piep! zou nu wel niet meer komen, daarvan was ik zeker. Ik was een beetje flauw, jolig en balorig. Hopelijk heb jij die momenten ook weleens Wat deed ik? Iets inspreken wat spontaan in mij opkwam. Een flauw klachtendoorkiessysteem. Ik zei: ‘Voor haperende herhaallijnen: kies 1. Voor klantonvriendelijke bediening: kies 2. Voor het stelselmatig niet kunnen terugvinden van herhaalrecepten: kies 3. Heeft u  overjarige medicijnen voor ons museum: kies 4. Voor losers, toets: 5. …en toen hoorde ik dus: Piep!

 

Zo stom. Welke sukkel doet er nou zoiets?

 

Prrrr…

Na een heftig bibliotheekbezoek (…) fiets ik met een lentezonnetje naar huis. Thuis draai ik de buitendeur van slot, wil de deur wil niet open. Kennelijk ligt er iets onder dat klem zit. Zeker en vast een lading plaatselijke krantjes. Flink duwen helpt. Verwacht ik een kudde kranten, ligt er een pakje op de mat. Oh…een pakje. Voor wie, voor wie? Voor mij! Krijg nou niks! Terwijl ik voorlopig nog lang niet jarig ben. Mijn verbazing stijgt met de seconde.

 

Ik laat mijn tas op de grond vallen om me volledig op het pakje te kunnen concentreren. Strak ingepakt voelt het aan als een boek. Met mijn jas nog aan ruk ik het papier eraf. Van verbazing valt mijn mond open. Kijk toch eens hoe prachtig, zo stevig en dan die kleuren! Precies helemaal naar mijn wens. Wat een prachtexemplaar van een schrift. Want dat is het: een schrift, hihi!

 

Maar wie o wie is de gulle gever/ster? Fijn dat er een kaartje bij zit. En zelfs nog een heel lief kaartje. Van verbazing valt mijn mond open. Ik noem geen namen, maar lieve Miepie, hartstikke Bedankt voor je Schrift! Zodra mijn huidige volgeschreven is, begin ik in de jouwe. Beloofd!

Als ik een kat  was, zou ik nu spinnen… pprrrr