Effies naar de garage

De voordeurbel gaat in een ritme dat Kind en mij bekend in de oren klinkt. We kijken naar de klok en denken allebei hetzelfde: is dat de heer des huizes die op de stoep staat? Om 17.00 uur? Op een doordeweekse dag? Dat ik dit nog mag meemaken. Kind holt naar de deur, rukt ‘m open en even later stapt Man de kamer binnen.

‘Alles goed?’vraag ik.

 Jahaha, hij snapt wat ik bedoel. Een tikkeltje nonchalant zegt hij: ‘’Oh, ik ben net ff naar de garage geweest.’

‘Kapot lampje?’vraag ik.

‘Nee,’zegt hij.  

‘Wattahan?’vraag ik.

Joris zegt niks. Hij staat daar alleen maar wat breeduit te grijnzen. Ik moedig hem aan wat te zeggen, en ja, hij heeft heus mijn aandacht! Met een lach, waarbij zijn mondhoeken bijna zijn oorlellen raken, zegt hij: Nou…eh…we hebben een nieuwe auto gekocht!’ Hallucineer ik…? Nee… hij zei het echt. Ik moet mezelf aan de stoel vastklampen. Deze stille-wateren-man, deze risicoMANager die niet over tien nachten ijs gaat, heeft zojuist een nieuw rijdend mobiel aangeschaft? Waar is de tijd gebleven dat we enkel en alleen voor de juiste kleur naar de dealer in Raamsdonkveer reden? Ik kijk Joris aan, met een aan ontzetting grenzende verbazing maar ook omdat Man me nog steeds weet te verrassen.   

 

‘En welke is het geworden?’vraag ik, alsof ik van één of ander mogelijk model op de hoogte was, of van een kleur. Niets van dat al. Joris zegt ondertussen niets. Hij staat daar maar te stralen van triomf. Over een andere boeg dan maar: ‘Welke kleur heb ík uitgezocht?’ Niets. Weer die stilte…

‘MAN!! Ik zit hier bijna te ontsporen.’ Hij schatert het uit, waarbij ik helemaal tot achterin zijn keel kijken.

‘Een rode Prius en we krijgen ‘m in maart,’klinkt het likkebaardend.

‘Krijgen?’wat een aparte woordkeus. ‘Heeft de verkoper jouw, uche uche,  onze bestelling ook  ingevoerd in de computer?’

 

Vijf jaar geleden toen we onze huidige Prius bestelden, vergat een verkoopmedewerker onze bestelling in de computer in te  voeren. Twee maanden later belde de medewerker op.  Ha! dacht Joris vol vuur, de nieuwe auto is er! Helaas, hij had  een” teleurstellende mededeling” voor ons. Man maakte een geintje en vroeg of de boot, waarin onze auto vervoerd werd, soms gezonken was. Nou, nee, dat niet,  maar eh… de auto had wel de boot gemist. Hij stond er namelijk  niet op. Konden we twee maanden langer wachten of genoegen nemen met een andere kleur. Maar ditmaal is ’t goed gegaan en is de bestelling verstuurd.

 

‘Hmm…,’ zeg ik peinzend tegen Joris, ‘…een nieuwe Prius… Ik heb nú al zin om er zelf een stukje in te rijden. Voor ’t geval je weer rare dingen van plan bent in de vakantie. Mans grijns wordt meteen ietsje minder breed. Dan vermant hij zich, en zegt: ‘Dat is goed, hoor.’ Erachteraan denkt hij: dat is pure bluf; dat doet ze toch niet. Dénkt hij!

 

Open Huis 2011

Kind heeft zich samen met EEN schoolvriend (graag correcte interpretatie van het woord ‘EEN’) opgegeven voor de rondleiding van “Open Huis” op school. Zij – van de Krimpenerwaard dus – gaan mensen vertellen hoe zwaar en vermoeiend het leven van een middelbare scholier is. Maar als een kind dan toch naar een school moet, dan maar beter de juiste kiezen, en daar is er in de verre omtrek maar een van. Precies: hun school!

 

De, pardon EEN schoolvriend die in ’t zelfde dorp als ons woont, rijdt gemakshalve mee naar school. Voor de duidelijkheid: zij en hij zitten samen achterin, maar dat is slechts alleen en volkomen uit praktisch oogpunt. Onderweg is het devies als ouder: je kaken stijf op elkaar klemmen, en zo min mogelijk laten merken dat je aanwezig bent. En áls je aanwezig bent, dan alleen lichamelijk. Op deze manier vang je de meest dingen op.

 

Uiteraard is het de bedoeling dat zij straks louter positieve dingen moeten vertellen over school. Dat zal wis en waarachtig niet meevallen, maar in principe willen ze wel een poging te wagen. Op de achterbank nemen ze alvast de verschillende onderwerpen en strategieën door. Zie het als een mini groepsproject:

 

‘Hebben ze de vloer in de was gezet. Dat doen ze anders nooit!’

‘Nee, lekker, laten ze dat in de grote vakantie doen, hebben wij er ook eens jol op school’.

‘En dat bord, zag je dat?, dat wij niet op de wasvloer mochten lopen? Iedereen deed het toch’.

‘Ja, wat denk je, als ze dat bord niet neerzetten en er valt iemand op zijn plaat, dan komt ie never nooit meer naar onze school’.

‘Gaat ie toch naar de concurrent’.

‘Hallo, wij hèbben geen concurrent. Het dichtstbijzijnde gymnasium is in Rotterdam’.

‘Oh ja, das waar ook. Die jongens daar dragen van die rare vestjes, spencers of zo? Heeft mijn moeder gezegd. Zien er echt niet uit die dingen’.

 

Het volgende project bestaat uit een rollenspel. Eén stelt zogenaamd als een groep 8’er een vraag. De ander geeft antwoord.

 

Krijgen jullie veel huiswerk?’ ‘Huiswerk? bijna nooit… de eerste week na de grote vakantie’.

‘Wat vind jij de leukste les?‘ ‘De lessen die uitvallen, by far!’

‘Doen jullie ook excursies?’ ‘Ja! Héél leuk, excursies. Als je je door de verplichte lectuur voorafgaand aan het uitstapje hebt doorgeworsteld, én je op de dag zelf twéé musea hebt afgewerkt. Daarna wordt het pas echt leuk: hollen naar Starbucks’. 

‘Scheikunde, is dat nou niet moeilijk? Met die gasbrander enzo?’ ‘Nou ja, zolang dat ding uitstaat is er niks aan ’t handje’. (Kind knikt stoer mee, maar ik weet uit zeer betrouwbare bron dat ze dat ding afgrijselijk vindt. Dit uiteraard alleen tussen jou en mij.)

 

Kun je het als geïnteresseerde eigenlijk wel goed doen?

‘Sjonge, klaagt Kind, vorig jaar hè, waren er bij een rondleiding die ik gaf drie mensen en die wilden echt álles weten. Alles. Duurde wel een uur, joh, das ook niet normaal.’ Er wordt hevig nee geschud op de achterbank. ‘Echt niet normaal,’voegt hij er voor de duidelijkheid nog aan toe. ‘En in het biologielokaal, waar die dode gefileerde vis altijd ligt, en die schapenogen, liep een mevrouw en die vroeg aan mij: ‘zijn die echt?’ en toen ik ‘ja’ zei, ging ze bijna over haar nek. En wat nou als ik ‘nee’ had gezegd? Had ze ‘t dan wel fris gevonden? Snap jij dat nou?’

‘Niks gewend, joh!’

‘Nee, echt niet’.  

‘Nee, dan ik. Vorig jaar waren er mensen en die bleven voor elk klaslokaal staan. Ze wilden nergens naar binnen. Echt nergens. En als ik wat vertelde, knikten ze  alleen maar. Vroeger verder helemaal niks. Zó naaiend. Oh, en een ander iemand vroeg hoe groot de kluisjes op school precies zijn. Nou, weet ik veel. ‘Vierkant’, zei ik toen. Wat denk je? Wilden ze exact de juiste afmeting weten. Das toch stom? Iets van ’30 bij 30’, heb ik maar gezegd. Was die gast van plan zijn huisdier mee naar school te nemen?’

‘Moet wel een nachtdier zijn dan’, zegt Kind gevat.

 

Gisteravond na de rondleiding, kwam Kind moe en versleten om half 10 thuis. Ging nog snel ff Engelse woordjes leren voor een toets, en daarna als de sodemieter naar bed.

 

Het leukste van de hele rondleiding van haar? Dat zij vier speciale personen mocht rondleiden. ‘Het was een klein feestje!’zei Kind. En het meest positieve van de hele school? Nou zijzelf natuurlijk. Zij, nee WIJ maken het positief. Maar verder zijn ze niet trots op hun school of zo. Maar ze schamen zich er ook niet voor!

Verslaafd

Ik heb een absolute verslaving. Op het gulzige en maniakale af.

Roken? Zesentwintig jaar geleden mee gestopt.
Drank? Zit ik niet om verlegen.
Koffie? Lekker, maar niet noodzakelijk.
Chocola? Ik kan zonder.

Maar deze ene speciale verslaving overtreft alle andere: schriften. Waar ik ook ben, ik móet een schrift kopen.

Man en Kind hoef ik niet langer wijs te maken dat ik nooit genoeg schriften heb. Terwijl er een stuk of twintig in de kast liggen, wil ik er nog meer bij hebben. Doe nou maar  – spreek ik mezelf bemoedigend toe – als ik in een winkel weer een geschikt exemplaar tegenkom. Andere mensen sparen diamanten ringen, tassen, slangenleren laarzen of gouden horloges. Zeg nou zelf, daarbij valt een collectie schriften toch in het niet?

Bovendien, als ik weer een prachtig schrift zie liggen waarvan ik moet watertanden, verheug ik me niet alleen op de aankoop, maar word ik overvallen door een enorm geluksgevoel. Mijn ultieme wens op schriftgebied is een exemplaar met het formaat van het Boek van Sinterklaas. Helaas ben ik dat nog nergens tegengekomen en het klinkt ook zo genant om er in een winkel om te vragen.

Wat is er zo leuk aan schriften? Niet gehinderd door dit digitale tijdperk schrijf ik alle teksten die schrijf met pen ouderwets op papier. Tussendoor plak en klieder ik ze vol met inspirerende plaatjes, foto’s, titels van nog te lezen boeken, krantenknipsels, wat lavendel uit de tuin voor het zomergevoel, droedels, mandala’s, gekke invallen, briefjes van Roos, kliederverfwerkjes…Al dat geplak gaat uiteraard ten koste van het uiterlijk. Sommige schriften worden tweemaal zo dik. Andere vallen zelfs van ellende bijna uit elkaar. Een muffig lintje of stevig stuk elastiek biedt enig houvast.

Tegenwoordig ben ik kieskeurig. Ik neem geen genoegen meer met een schrift van inferieure kwaliteit maar louter nog gebonden exemplaren. Liefst vuistdik en in knalkleuren. Blauw mag ook, maar met minder neem ik geen genoegen. Wanneer ik later in een hutje tussen de mussen woon, kan ik mijn leven teruglezen in mijn schriften.

Verbaas me: wat is de jouwe? Je mag ook Anoniem Bekennen!

De pot is leeg…

 

 

Een hele rits spreeuwen strijkt hutjemutje neer op de pergola. Luid kakelend wachten ze NIET netjes hun beurt af. Allemaal tegelijk willen ze hun gespikkelde buikjes rond eten. De brutaalste het eerst uiteraard. Hele taferelen spelen zich af in de tuin: wilde achtervolgingen; elkaar vechtend in de veren vliegen en maar bekvechten. Ze dragen zich als gajus van de bovenste plant.     

 

Behalve eentje dan. Eén spreeuw houdt zich afzijdig van het geruzie van de rest. Terwijl zijn kornuiten gretig hun snavels in de pindakaas boren, zit hij stilletjes in elkaar gedoken op de heg.

 

Hij ziet toe hoe zijn sterkste soortgenoten hun snavels met pindakaas met nootjes vullen, en het goedje vliegensvlug achterover sloegen. Voor kauwen is geen tijd, want de lekkerbek wordt direct van het huisje gemept: ‘Vlieg op jij! Nu is ‘t mijn beurt, smerige inhaal! De volgevreten spreeuwen verdwijnen naar de conifeer om uit te buiken. Goeie plek, maar Niet in het bovenste topje, sukkels!

 

De stille ziet het gebeuren en wacht lijdzaam af.

 

Een doorsnee pot is zo geplunderd door een stel destructieve meeuwen. Niet alleen de pot raakt leger, ook onze tuin.  

 

Is de kans van de stille nu gekomen? Hij verzamelt zijn moed bijeen…zal hij…? ‘Kom op, zet je vleugels eronder! moedig ik ‘m binnenshuis aan. Aarzelend komt hij dichterbij. Hiphip, over de heg. Hophop, op het dak van het huisje. Hij likt verlekkerd zijn snaveltje af. Nerveus loert hij in het rond. Geen vogel te bekennen. Het gebrek aan concurrenten doet hem goed. Dapper landt hij voor de ingang. Hij steekt zijn kop schuchter naar binnen en… ahh, nee… ’t is niet waar. De teleurstelling is van meters aftand van zijn snavel te lezen: de pot is leeg! Soldaat gemaakt door zijn makkers. Die makkers hebben er wel een vakkundige bende van gemaakt en de stille stort zich vol overgave op de restjes. Veel is ’t niet. Hij kijkt wanhopig nog  één laatste keer in de pot… nee hoor, he-le-maal leeg, net als zijn buikje.

Hij kan alleen maar hopen: dat vele laatste spreeuwen ook de eerste zijn.

 

 

Nog een foto als bewijsvoering dat de pot is leeg gevreten door puntige vogelsnavels en niet is leeg gesnaaid door een gulzige Hulk… 

Het eetfeest

‘Echt iets voor jou,’ zegt Vriendin, ‘zodra je het ziet, wil je ’t hebben, inhalig en hebberig als jij bent.’ ‘Dankje,’zeg ik. ‘My pleasure,’ zegt zij. ‘Weet ik, ik  ken jouw pleasures toch. Maar wattizzer zo bijzonder aan dat eethuisje?’ ‘Nou, ’t is niet veel meer dan een houder voor een pot pindakaas, en die pot vreten de vogels leeg. ’t Is één groot feest voor ze. Echt joh, ze schelden elkaar de tuin uit.’

 

Vriendin heeft het ontwerp van het huisje gezien in een blad. In welk blad wil ik weten, want ja, inderdaad, zo’n eethuisje wil ik ook. Of anders kan ‘m ook googelen natuurlijk en dat laat ik daarna de tekening zien aan De Man Die Met Zijn Handen Maakt, Wat Zijn Ogen Zien. 

 

De voordeur belt. Verrek, das ook toevallig: het is Aadje mijn Paatje. De Man met de gouden handjes. Ik ben in staat om ‘m naar binnen te sleuren. Hij krijgt bij ons altijd een VIP-behandeling. ‘Kom erin!’ zeg ik.  ‘Dankje, alles goed? Hé, dag C., gezellig, ben jij er ook?’  

 

Handig dat mijn vader er is! Kan vriendin meteen uitleggen wat de bedoeling van het eethuisje is. Zij praat met handgebaren. Hij luistert. Ik verdwijn naar de keuken voor de catering. Na de eerste kop koffie zie ik een bouwplan  verschijnen in m’n vaders hoofd. Tegen de tijd dat hij de deur uitgaat, heeft hij in stilte berekend hoeveel hout hij nodig heeft, wat  hij zelf nog in voorraad heeft en hoeveel er aangeschaft moet worden. Neuriënd, als altijd, stapt hij in z’n auto. ‘Het huisje heeft geen haast, hoor,’roep ik hem voor de vierde keer na. Hij wimpelt de opmerking weg; dat maakt hij toevallig zelf wel uit.   

 

Vier dagen later staat hij voor de deur en kijkt me triomfantelijk aan. Want in zijn handen…houdt hij het kant en klare vogelhuis vast. Inclusief een pot pindakaas. ‘Zo snel?’zeg ik, ‘dat méén je toch niet?’ Jawel dus. We zoeken samen een strategische locatie in de tuin, en Aadje mept het huisje stevig in de grond. Dus, lady’s and gentlemen, I proudly present: het pindakaashuisje.

 

 

Nu is het wachten op de eerste klant. Alleen… de vogeltjes vliegen niet zo hard. Misschien moeten ze het huisje eerst opnemen in hun aanvliegroute. Anders kan ik altijd nog aan Aadje  vragen of hij een bordje voor me wil maken: voor pindakaas: linksaf!