Beter tien in de lucht…

Zonlicht valt royaal door de hoge ramen naar binnen. Das nou ook jammer, komt er iemand tussen mij het voorjaarszonnetje in staan. Zonder op te kijken, schuif ik gehurkt iets opzij, om plaats te maken voor de andere boekenzoeker. Die verroert geen vin en blijft roerloos achter me staan. Mijn nekharen beginnen te kriebelen. Ik kijk op… Hij weer. Wat heb ik in mijn vorige leven gedaan dat ik dit verdien? Hij ziet er verdraaid zelfgenoegzaam uit en geeft me een vette knipoog. ‘Hallo,’zegt hij slijmerig. De groeten, brom ik in mezelf en keer de man mijn fotogenieke rug toe. Kakel, Kakel, waar zijn je goede manieren gebleven? Gesmolten in de zon.

Hebbes! Uit de kast grijp ik Kinds gereserveerde boek. Langzaam kom ik overeind. ‘Ben je bang voor me?’ vraagt hij voldaan. Bang? Ja, ontzettend. Van mijn lage bloeddruk dan; als ik daar niet op let, begint alles te draaien. We staan oog in oog. Op zijn gemak bekijkt hij me van top tot teen; met zijn armen over elkaar. Daar krijg ik het een beetje warm van. Hij heeft een flinke baard laten staan, en zijn wenkbrauwen groeien naadloos in elkaar over. Én hij verspert het  gangpad. Wil ik weg, dan moet dat in z’n achteruit. Das niet de kaas van je brood laten eten, maar het eraf laten vallen. Hij zal zo wel over zijn vogeltje beginnen, vrees ik.

‘Ik heb een héél bijzonder vogeltje,’ zegt hij.
‘Ben je gek, de halve wereld loopt met zo’n exemplaar,’ zeg ik relativerend.
‘Maar ik heb nog geen nestje…’ zegt hij op klagende toon. Nou, hij heeft haar genoeg anders.
‘Je hebt toch twee handen, dan maak je daar een nestje mee. Daarna leg je er paaseitjes in. Laat me met rust!’ zeg ik. Van mij hoeft ie niets te verwachten; een opblaaspop heeft meer te bieden.

‘Mag ik erlangs?’vraag ik.
Hij doet een stap dichterbij.
Ik word een beetje boos. Ik stop m’n hand in m’n jaszak en voel het vertrouwde attribuut. Voorzichtig haal ik het grendeltje eraf, haal m’m hand uit de jaszak en houdt ‘m omhoog, vlak voor de vieze man z’n gezicht. ‘Moet er hier nog iets gesnoeid worden?’ vraag ik, waarna ik de schaar laat zakken tot boven zijn gordel. Soms heb ik een soort valsheid in me, dat wil je niet weten.
Vol ontzetting staart de vieze vogelaar naar de snoeischaar mijn hand. De knipbeweging die ik met de schaar maak, ziet er zo ernstig gemeend uit dat het een marteling is voor zijn ogen. Mijn advies: zorg dat het daarbij blijft. Dat mijn tong scherper is dan de snoeischaar doet nu niet ter zake.

‘Laat me met rust!, zeg ik, nijdig met de snoeischaar wijzend naar de uitgang. ‘Ga thuis een jaar achter je potplanten zitten, ofzo.’ Hij geeft het op en loopt als een geslagen hond met zijn vogeltje zijn staart tussen zijn benen naar de uitgang. Ik stop de snoeischaar terug in mijn jaszak. Hé, er zit nog iets in… ‘Wacht!’roep ik, ‘ik heb nog iets voor je.’ Met een uitdrukking van wantrouwen draait hij zich om. Ik overhandig de man één blauw paaseitje; gekregen van de Straatkrant verkoper. Meteen na de gulle gift krijg ik spijt. Spijt als haar op mijn tanden, dat ik dat pure chocolade-eitje niet meer in m’n eigen mond kan laten smelten..

Een nieuwe fiets

Manlief wilde een nieuwe fiets. Doen! zei ik, en vol geestdrift voegde ik eraan toe: ‘krijg je ‘m van mij voor je verjaardag!’ Blij als ik was dat Joris ook eens een ander cadeau wist te verzinnen dan sokken, drop, en een Karweibon.

Nou, hij wilde wel een fiets, maar dus niet van mij. Huh? Ik snapte er niks van. Hoe kon hij mijn geweldige aanbod afslaan? Zelf weiger ik nooit een cadeau. ‘Ik wil ‘t,’ zei ik. Hij zei nee. Ik hield voet bij stuk. Hij zei nee. Ik deed lief, dwars, onschuldig, nukkig, ongezellig, bevallig… Hij zei nee. Maar als ik hem een fiets wil geven, hè, dan ZAL ik hem ook een fiets geven! Desnóóds een driewieler.

(PLOINK! Eensklaps sprong er een luikje open in mijn hoofd. Oh…een driewieler zoals Broertjelief  vroega had. Met een rood laadbakje erachter. Oh boy, wat was ik daar jaloers op. In die kiepbak gooide hij heel stoer zware stenen en  joekels van knikkers, want die maakten zo fijn veel kabaal tijdens het fietsen. Op de driewieler was hij in de binnentuin de schrik van de buurt. Die stadstuin was weinig meer dan een ommuurd onnozel stuk grond tussen twee lange huizenrijen in, met wat hoge bomen, een grasveld en een enkele “geluksvogel” die een bloementuintje had.   

Broertje wilde de wereld buiten de tuin ontdekken, maar daar was onze moeder nog niet aan toe. Op een kwade middag sjeesde hij hard door de binnentuinbocht. De knikkers kaatsten door de laadbak en het grind spatte woest in de rondte. Ik keek toe hoe hij met een kromgebogen rug zijn benen onder zijn gatje vandaan trapte. Plots was een boom de weg op komen lopen. Broertje maakte een sliding naar rechts en reed een privétuintje binnen. Hij reed recht op het bloembed met afrikaantjes in die onmiddellijk allemaal geliquideerd werden. Met een doffe dreun belandde de coureur tussen de begonia’s. Tsssk, afrikaantjes en begonia’s… Daar trekt zelfs een fatsoenlijke geit zijn neus voor  op. Flauw genoeg dacht de eigenaar daar anders over.   

Ik had alles gezien, maar zou daar thuis  niets over zeggen. Zo zit ik niet in elkaar. Als grote zus was ik juist een enorme steun voor mijn broertje. Tenminste… als ik een rondje op zijn fiets mocht rijden. Ik ging namelijk gebukt onder het loodzware gemis van een fiets. Maar nee, het  mocht niet van ‘m. Dan vroeg mijn broertje er toch zeker zelf om?    

Na die slopende rit (!) zat het thuis goed fout. Mijn moeder zwaaide de scepter met haar pantoffel en ontplofte zowat. Broertje brulde en ik was een ondankbaar meisje, want had ik geen prachtige plaspop? Ja, een plaspop…zonder plassertje. Terwijl de dokter nog wel een fobie voor poppen bij me geconstateerd had…)

 Ojee, sorry, dat ik zo afdwaalde.

Waar had ik het ook alweer over? Oh ja, ik ging Man een fiets in zijn maag splitsen. Ik toog naar de winkel en bestelde een herenfiets.
‘Doe die maar,’zei ik tegen de verkoper.
‘Neemt u ‘m zo mee, of zal ik ‘m voor u inpakken?’
‘Inpakken? Ja leuk! Eenmaal jarig keek Manlief er niet eens vreemd van op dat ik – zij ’t op een originele manier – tóch mijn zin had weten door te drijven.

En toen…kwam de eerste héérlijke lentedag. Krachtig scheen het blije zonnetje door de vers gezeemde ramen bij Huize Kakelbont naar binnen. Óp Man zijn nieuwe fiets. Van chocola. Die smolt. Nee, ik had ‘m daar niet “per ongeluk” neergezet of de fiets in de magnetron gezet. Bah, dat jij daar aan denkt…een dergelijke gedachte zou niet eens in mij opkomen!  Zo ben ik niet. Ik zou gewoon het plastic eraf rukken en ongehinderd de lekkerste brok chocola naar binnen proppen. Afijn, dat heb ik uiteraard alsnog gedaan.

Had Man maar een echte fiets van me willen hebben.

Op de foto

Ik moest op de foto, tenminste, als ik mijn rijbewijs wilde houden, en dat wil ik. Dus hop! naar de fotoshop. Van tevoren de boel gepimpt: flinke overdosis wallencrème, haren fatsoenlijk, wat oogschaduw hier en een veeg mascara daar. Nog wat rouge voor een blos? Nah.

 Veel artiesten willen met hun mooiste kant gefotografeerd worden, bijv. de linker- of rechterkant van hun gezicht. Uiteraard heb ik dat ook. Bij mij doet vooral de achterkant het erg goed op foto’s. Net zoals bier doodslaat in een plastic bekertje, sla ik dood zodra iemand een fototoestel op me richt. Echt. Mijn familie kan erover meepraten. Flirten met de camera? Not!  Wat enorm in mijn voordeel werkte bij de rijbewijspasfoto, was dat ik er niet lachend op hoefde komen te staan. Ik mócht er niet eens lachend op staan. Fluitje van een cent met mijn ochtendgezicht. Om twee uur ’s middags.

In de fotowinkel viel ik letterlijk en figuurlijk de pasfotokamer binnen. De eigenaresse had haar twee koeien van honden meegenomen. ‘t Zijn beste beesten die geen kat kwaad; ze lagen alleen hopeloos in de weg. Ze hebben ook nog dezelfde schutkleur als het groezelige tapijt op de winkelvloer  waardoor ik één van de acht hondenpoten over het oog zag. Bijna zette ik mijn voet er bovenop. Bliksemsnel trok ik tijdig mijn voet weg. De eigenaar van de poot sprong desondanks toch gealarmeerd overeind. Onhandig botste ik tegen het hondenlijf en raakte uit balans. De schande van de val bleef enigszins  binnen de perken doordat ik op beide knieën landde in plaats van languit gestrekt. Helaas nam hond nummer twee van de gelegenheid gebruik om uitvoerig mijn kruis te besnuffelen. Je begrijpt: de elegantie was weer ver te zoeken. Gelachen dat we ze hebben. De rouge die ik eerder nodig dacht te hebben, bleek inderdaad geheel overbodig.

Ik mocht op het pianokrukje komen zitten. ‘Kijk,’zei ik, ‘als ik nou mijn wangen met twee vingers strak naar achter trek, in de richting van mijn oren (ik had thuis uitgebreid geoefend), dan kan ik er met de juiste belichting best nog mee door. Mag dat?’vroeg ik. ‘Eh…nee, althans niet voor je rijbewijs,’sprak ze fotomevrouw tactisch. Ze liet er vriendelijk op volgen: ‘Weet je zeker dat je met dat haar op de foto wil?’ ‘Hé, hoezo…??’ ’Kijk maar even in de spiegel, daar hangt ie.’ Ik stond op. Arggg, ik begreep wat ze bedoelde. Al mijn wilde haren waren buiten op de fiets tot leven gekomen en hadden er een uitbundige coupe van gemaakt. Had de fotografe me niet gered, dan had ik als Catweazle op de foto gegaan. Denk je eens in, zó vernederend.

Pianokrukje. Ik klaar. Fotografe klaar… Kwam onverwacht de hond waar ik de net nog mijn nek over brak een lik aan mijn hand geven; dat kriebelde, ik lachte  klick!  De hond werd weggestuurd. Opnieuw wij allebei klaar. Sprong er een knoop van de broek van de fotografe (nee, ik verzin dit niet), ik proestte  klick! Ze kunnen tegenwoordig alles shoppen op een foto, maar omhoog krullende lippen krijgen ze niet omlaag.

Met een ijzeren wil, samengeknepen lippen en een gepantserde blik kwam ik uiteindelijk toch nog met een doodgravergezicht op de foto. Het was nu slechts een kwestie van tijd: zes minuten om precies te zijn. ‘Moet je nog boodschappen doen?’vroeg de fotografe. ‘Nee,’zei ik, ‘maar ik loop buiten wel ff een rondje.’ Na dat eerste rondje was het fotoapparaat nog niet opgestart. Hij wilde niet. Na het tweede rondje nog steeds niet. Na nog meer van dergelijke rondjes streek ik duizelig op het pianokrukje neer. Het apparaat bleek defect. De fotomevrouw begreep er zelf ook niks van. Ze had mijn foto in de ontwikkelaar gestopt en acuut had het apparaat dienst geweigerd. Héél vreemd, ja. Of ik morgen even terug kon komen? Kijk, als ik dát nou van tevoren geweten had, had ik in één keer welgemikt chagrijnig op de foto gestaan. Lachen naar het vogeltje? Mij niet gezien!

Houd de dief!

 

Heb jij dat nou ook? Dat je boodschappen haalt, ze thuis alles opeten en je in no-time weer een nieuwe lading kan inslaan? Ik dus wel. Normaal gesproken doe ik de boodschappen alsof het een bliksemactie betreft. Ik ken de route langs de schappen, grijp op de tast de gewenste producten en gooi ze in mijn karretje. Best efficiënt.Vandaag was ik hetzelfde van plan. Wat dénk je? Hebben ze bij Appie Heijn de indeling van de schappen weer veranderd. Je zóu ze toch? vriendelijk vragen waar dat goed voor is.  

Na de nodige inspanning had ik meeste inkopen gedaan, toen ik werd overvallen door een enorme haast om bij de gevulde koeken te komen. Waar o waar lagen de versafgebakken gevulde koeken? Die zijn zó verschrikkelijk lekker. Als ze geen verse gevulde koeken hebben, ga ík naar huis!

Daar! Tussen de appelflappen tel ik welgeteld één pak met vier dikke gevulde koeken. Eén pak maar…? Wat zijn nou vier koeken als er thuis een puber los rondloopt? Wat is dit voor huishoudelijk wanbeleid? Onder het mom: beter iets dan niets griste ik hebberig het pak weg en plantte het pontificaal als een kroonjuweel bovenop de zak met aardappels.

Snel wierp ik een deskundige blik op mijn boodschappenlijstje en zag dat ik een rode kool vergeten was. Ik liet de kar ff staan en spoedde me naar de groenteafdeling. Toen ik terugkwam kreeg ik van razernij klotsende oksels: mijn gevulde koeken waren weg!

Waar waren mijn lekkernijen gebleven? Grrr, ik wist ’t zeker: uit mijn karretje gevist! De gedachte aan een bierreclame drong zich aan me op: Ons bier. An-me-hoela, ik voelde me de rechtmatige eigenaar van die koeken. Reageer bedachtzaam, zei ik tot mezelf, dat was toch kortgeleden mijn goede voornemen? Jammer dan, niet vandaag, volgende keer beter. Niemand de deur uit! Als een bezetene racete ik door de zaak. Telkens een blik werpend in de karretjes van medeklanten. Maar, denk jiji vast,  er zijn toch massa’s andere lekkere koeken? Ja das waar, maar ’t is net als met mannen: er loopt genoeg leuks rond, maar jij wilt alleen maar die ene.

Tenslotte moest ik de waarheid onder ogen zien: zonder koeken naar huis. Ik wist op voorhand dat het thuis geen lange relaxmiddag zou worden. Teleurgesteld leegde ik de winkelkar op de kassaband.
Ah! Mijn hemel…wat lag daar tussen de grapefruits,  broccoli en zakken pasta? Het pak koeken…Deze juffrouw van middelbare leeftijd had slecht uit haar doppen gekeken en elke andere klant gemakshalve aangezien voor “winkeldief.” Alleen omdat zij zelf zo klunzig was. Nou ja, zand(gebak) erover.