Kleumen op een bankje

Ken je dat gevoel, dat je af en toe treurig wordt van alle toestanden in de wereld? Je kunt er niets aan doen of veranderen, maar krijgt ze wel elke dag op je bordje geserveerd. Via internet, de krant of de tv. Soms wil je daar iets tegenoverstellen, noem het een kwaliteitsmomentje inbouwen. Maar probeer maar eens te verzinnen wát! Nou, zíj gaan het in elk geval proberen.

Het is ochtend; echt nog heel vroeg. Stilletjes zit ze op het witte, houten bankje in de tuin. Daar komt het dienblad met het ontbijt: beschuitjes, hompen ontbijtkoek met roomboter, en sloten koffie om warm te blijven. ‘Loop maar om de vijver heen, hoor! Niet over de plank’, adviseert de zitster. Ja, dat lijkt de draagster zelf ook het beste. Ze ziet geen hand voor ogen, laat staan de vlonder over de vijver.

Buiten is het windstil en donker, alhoewel dat laatste slechts een kwestie van tijd is. Gezusterlijk kruipen ze naast elkaar op ’t bankje en nippen zwijgend van de koffie. ’t Is ook nog een beetje vroeg om te praten. De stilte is juist prettig. Lange tijd staren ze voor zich uit, zonder enige elektronische onderbreking. Hoe vaak maak je dat nog mee?

Ongemerkt schuiven ze dichter naar elkaar toe. De kou trekt van de grond, via hun benen omhoog naar boven. Poeh, ’t is nog een slopende zit op dat harde bankje, maar ze willen het voor elkaar niet weten,. Hadden ze niet nog een kwartier langer in bed kunnen blijven liggen?

Begint het te gloren of is het hun verbeelding omdat ze ‘t zo graag willen? Een eerste merel laat voorzichtig van zich horen ‘Gwutto! gwutto!’ roept de grutto in de polder. De vleermuizen vliegen een laatste rondje door het zwerk en wordt de lucht overtuigend lichter. Ze stoten elkaar aan. ’t Zal nu vast niet lang meer duren! Ze voelen de belofte van de zonsopkomst in de vochtige lucht. Dat de rest van ’t dorp nog slaapt, moeten zijn weten.

Langzaam laat de zon zich zien. Beetje voor beetje klimt ze omhoog tegen een oogverblindend mooie lucht. Ze knipperen met hun ogen. Een Fisterman’s friend-momentje? Nee, het is de dauw die van hu wimpers rolt. De ene merel roept en een ander geeft antwoord. Weldra klinkt het geluid van tientallen vogels.  Is elke zonsopgang zo mooi en hemelsrood? Waarom gaat elke ochtend dit wonder aan hen voorbij?

Ze zien ze hoe de zon steeds hoger klimt tot ze schijnt in volle glorie. Ze zuchten en voelen zich voldaan. Dit helpt écht tegen de onrust in je hoofd. ’t Mag dan koud zijn aan hun kont. ’t Is mieters warm aan hun hart.

Ingesloten

 

Najaar 2009

 

Wat…is het al kwart over twaalf? Om 12 uur sluit deze tent! Hurry, hurry, radio uit, licht ook en als de wiedeweerga pak ik mijn volle tassen vast. Slalommend baan ik me een weg tussen de eikenhouten wandmeubelelen, glasserviezen, kroonluchters en schemerlampen naar de uitgang.

 

Das raar…de buitendeur klemt. Flink die spierballen laten rollen…nóg harder…Vol ongeloof sta ik vastgenageld voor de deur. Hij zit op slot! Die troela is me vergeten en heeft me ingesloten. Zelf is dat donderse mens vast al pleite. Bekijkt me altijd vol achterdocht, alsof ik met flessen drank in bed lig of – erger – een sloddervos uit een vogelvrije kerk ben. Terwijl ik zo ordentelijk als de pest ben. Intern noem ik haar: De Ingetogene. Haar kledingstijl is zó van vorige week maandag; afgewerkt met solide schoenen en vleeskleurige panty’s.

 

Langs zinken teilen, emaille bussen en koekoeksklokken loop ik naar de voordeur van het historische pand, maar die blijkt helaas gebarricadeerd met hoog opgestapelde kasten en vitrines. De net liep ik hier nog gelukzalig rond te dolen. Nu is het meer sneu rond sjokken. Wat nu? Iemand bellen van de Kerkvoogdijwinkel? Ja, maar De Ingetonene is al naar huis. Mannen vol bravoure van de brandweer bellen? Kan altijd nog.

 

Aan de achterkant van de pastorie zijn ramen zat om door naar buiten te klimmen. Ik gluur door de hoge ramen naar beneden en schat de afstand op een meter of drie. Dat wordt eerst mijn tassen het raam uitgooien en er zelf achteraan springen. Bekijk het positief: weer eens wat anders dan sleur. Ik kies het middelste raam, want daar staat een Kliko onder. Errug jammer dat de ramen naar binnen toe opendraaien, want nu moet ik eerst allerhande brocante verhuizen.

 

Voor het open raam klim ik op tafel en smijt de tassen één voor één het raam uit. Zo zeg, dat geeft best een vrijgevochten gevoel. Denk maar niet dat ik de tassen achterlaat, want ik heb er niet voor niets anderhalf uur over gedaan om elk boek uit de overvolle boekenkasten te selecteren. Ik moet er per stuk 1 euro voor betalen en verkoop ze voor minstens het tienvoudige bij Bol punt com. Hoe ik dat weet? Ach…ik weet zóveel (poe poe,maar goed dat het raam al openstaat…)De opbrengst van de boeken is overigens voor Kika. Zelf heb ik alles al.

 

Na de tassen mag ik het raam uit. Ik zet mijn voeten in de opening, draai me om en hengel onhandig met een been naar de Kliko. Sjit…die is leeg en valt om. Dat is natuurlijk om het spannend te houden. Dan maar springen. Een, twee, drie in godsnaam lat ik het raam los en zet me schrap voor de landing. Heelhuids kom ik op de grond terecht. Zo zeg, helemaal van daaraf gesprongen! Dat viel niet eens tegen!   

 

Nou moet ik zeker ook dat raam nog ergens mee dichtduwen? Eens kijken of ze hierzo in die royale tuin nog iets nuttigs hebben. Ja! De notenboom wordt gestut met stokken en daar mag ik er vast wel eentje van lenen. Zo gedacht, zo gedaan. Volgende uitdaging: over het smeedijzeren hek klimmen. De tassen hang ik aan de spijlen en zelf ben ik er in een wip overheen.   

 

In het winkeltje van de Kerkvoogdijwinkel achter het hek, waar ik 39 euro zou moeten betalen, is inderdaad niemand (meer) aanwezig. Eerstvolgende opening: over 2 ½ dag. Goed dat ik geen afwachtend typje ben. Mezelf een breuk sjouwend met de tassen struikel ik in het zicht van de auto over een ongelijke stoeptegel. Word ik van hogerhand gestraft omdat ik de boeken onbetaald meeneem? Omdat gestolen goed toch niet gedijt, spreek ik thuis een voicemailbericht bij de Kerkwinkel in. En De Ingetogene? Daar heb ik nog een heel kistje appels mee te schillen.  

Even voorstellen…

 

Mag ik jullie even voorstellen aan Minnie? Ze woont onder ons (FSC-goedgekeurd) terras en leidt een luizenleven. Gemak dient overduidelijk ook de muis, want ze eet een graantje mee van weggewaaid vogelvoer. Nu maar hopen dat ze geen vrijer kan vinden…

 

 

Baggerpumps

Weet je wat? Vandaag ga ik eens ‘n toeristisch rondje fietsen! Op ’t gemak. Sjesus Kakel, gaat ie wel lekker met je? Die vraag speel ik door aan mijn secondant. Ik ga op Liefs oude fiets, eentje met 21 versnellingen en ik mag van mezelf niet op ’t grote blad. (Ja, dan is ’t wel ernstig, ik geef ’t toe.) Oh ja, en toeristisch wil zeggen: mét fototoestel.

Als ik toch niet ga zweten, kan ik me best eens als een mevrouw kleden. Een mevrouw, vind ik, staat tussen een vrouw en een dame in: niet te slobberig maar ook niet te deftig. Ik trek m’n nieiuwe kekke driekwart broek aan en een elegant shirt. Hierna slaat de twijfel toe: zal ik mijn nieuwe schoenen aantrekken, ja of nee? Ja, want die maken het geheel áf. Nee, omdat ik een eeuwige zeikerd ben, is dat niet handig. Ik wildplas gerust m’n eigen broek of schoenen nat.

In gedachten hoor ik Man heel verstandig  zeggen: doe ‘t nou nie-hiet, dat is de goden verzoeken. Maar ja, daardoor is het juist zo aantrekkelijk… Ik zak  faliekant voor de gehoorzaamheidstest en stap in de nieuwe, waarbij ik mezelf plechtig beloof goed uit te kijken waar ik mijn voeten schoenen neerzet. Kan ik best. Hoe prettig zou het zijn om in mijn trendy outfit een handje bekenden tegen te komen. Die elkaar begripvol aankijken:  fijn dat het met Kakel op oudere leeftijd toch nog goed is gekomen. In elke geval zeg ik: laat de landelijke omgeving maar tot mij komen.

Het gaat fietsen gaat…mwah…niet om een blog over te schrijven. Het tempo hè? Ongemerkt zet ik er steeds de sokken in, waardoor ik de leuke plaatjes pas achteraf zie en moet omkeren om een foto te maken.

Dan voel ik aan mijn water dat ik een wildplas moet doen. Ik zie een uitermate geschikte locatie: geen voorbijgangers mogelijk en achter dichte begroeiing. Plus klem naast een vijvertje. Wat is het hier stil en idyllisch! De plas is zo gedaan, ja en zonder te morsen, hè. Ach kijk…een kikker schrikt zich te pletter van mij en springt in doodsnood op een lelieblad. Zo zeg, dát zal een mooi shot opleveren! (Ik ken iemand met een zwemvijver die dit beeld dagelijks kan beleven, maar vanwege de privacy zal ik zijn naam niet noemen. Zo ben ik dan ook wel weer.)

De groene kwaker heeft mij gezien. Ik verdenk hem er zelfs van dat ie het moment afwacht tot ik het fototoestel precies goed heb, om dan nèt voor de  afdruk in de plomp te springen. Maar als ik nou héél voorzichtig doe…langzaam enzo…moet toch lukken? Voetje voor voetje schuifel ik in gehurkte toestand dichterbij. Oh mensen, dit wordt een prachtplaatje… nog wat dichterbij, nog ietsiepietsie meer…

Sssssllurp, doet mijn linkervoet en van ‘t ene op ‘t andere moment zakt ie weg in de derrie. Met derrie bedoel ik: vieze, plakkerige, zwarte veengrond. Geschrokken druk ik af en met een ruk trek ik m’n linkervoet omhoog. Gaat fantastisch. Alleen jammer dat mijn schoen helemaal alleen achterblijft in de bagger. Yak, zó smerig. Om me niet voor niets Mans agressie op de hals te halen, druk ik nog snel ff op de afdrukknop. Uiteraard hipt het kutkikkertje van het blad, floepens de sloot in. Ik durf te zweren dat ie me nog uitkwaakte ook. Vanaf vandaag ben ik niet meer principieel tegen het eten van kikkerbillen.

Zie je deze geweldige foto? Mooi toch…als je van leliebladeren houdt…Oh, jij hebt daar net zo min belangstelling voor als ik?

Je begrijpt: na deze mislukking is de lol er af. Thuis doe ik mijn uiterste best de drab van mijn nieuwe schoen te schrapen. Oh,oh,oh, hoe vertel ik het mijn Man? Nou niet. Elk getrouwd stel heeft toch geheimen voor elkander? Sommigen houden er zelfs minaars/minnaressen op na. Wat is dan een smerige, vervuilde schoen? Jullie vertrouw ik mijn geheim met een gerust hart toe. Lief leest namelijk nooit mijn blog. Rete-irritant vind ik dat. Wat een geluk hè?

Ik had al wel eerder een andere foto geschoten. Waarom begrijp ik eigenlijk zelf niet, want erg vrolijk word ik er niet van:

Karnemelk met slagroom

’t Is winter en je staat op stal waar het net zo druk is als in een potje met pieren. Samen met je soortgenoten stink je een uur in de wind. Wás er maar wind. De enige winden die in de stal waaien zijn losse flodders, terwijl je juist zo houdt van frisse lucht. En voor een pluk vers Hollands gras doe je een moord.  

 

Je hebt zó genoeg van de rammelende voederketting en je kwijlende buren. Aldoor moet je hoesten van dat droge ingekuilde keleregras en van het mestoverschot onder je poten krijg je tranende ogen. Rita slaat voortdurend haar staart tegen je kop; Liesje heeft een koemelkallergie en niest continu; en je  eksterogen steken vreselijk van het lange staan. Uitgerekend dat je er even bij gaat liggen, doet Martha een plas en spettert je zeiknat. ‘Stom rund! Kan je niet uitkijken?’ ‘Tsssk, alsof jouw waterval schoner is dan die van de rest!’ De irritaties lopen hoog op. Of zie je alles te zwart wit? Eén ding weet je zeker: je hunkert naar een stier…

 

Hoe heet dat ding ook alweer dat bovenin in de lucht hangt en zo op je kop brandt, terwijl je verkoelende slokjes slootwater drinkt? In gedachten schurk je je welgevormde billen tegen het hek. Je loeit eens wat voor de lol. Uiteraard heb je sjans met de stier aan de overkant (‘je kan me toch niet pak-ken’)..oh…buiten zijn is gewoon het áller áller fijnste wat er is.  

 

Zachtjes vallen de eerste voorjaarsstralen door ‘t stalraam naar binnen. Aandachtig volg je de weersverwachtingen op de radio. ’t Kan nu écht niet lang meer duren, hoor! Net als het je toch nog teveel dreigt te worden, gooit de boer de staldeuren open. Eensklaps wordt alles groen en blauw voor je ogen. Het enige wat je nu nog wilt is je poten in de lucht gooien, huppelen, dansen, ravotten, schudden met je uiers… Je krijgt opnieuw tranen in je ogen maar nu is het van de frisse buitenwind.

 

Maar zegt één foto niet meer dan duizend woorden?

 

 

Eén klein nadeeltje voor de boer: de komende twee dagen geven de klotsende uiers door al dat gehuppel alleen maar karnemelk of slagroom. Na die twee dagen zijn de meisjes zo moe geworden het gehol dat alles weer ‘normaal’ wordt.

 

Zaterdag 16 april mochten de koeien van melkvee- en kaasboerderij Schep in Bergambacht voor het eerst naar buiten!

Effies naar Leimuiden

APRIL 2010:

Onderweg knijp ik ‘m al een tijdje, maar het tempo zit er zo lekker in, dat ik geen spelbreker wil zijn. Alsof mijn gebed verhoord wordt, gilt iemand:‘LEK!’ Hiephoi, kan ik eindelijk de bosjes in. ‘Wat…rijd jij nou alweer lek?’ hoor ik Jaap vanachter mijn struikgewas mopperen. ‘Koop toch eens fatsoenlijke spullen…moet je die banden zien, man, het canvas komt er doorheen! Wacht je op de kinderbijslag?’ Zoals altijd wordt ’t slachtoffer materiële bijstand verleend en zitten we vijf minten later weer op onze fietsen.

 

Onze smeekt om vulling en we staan al met een half wiel in de kroeg, als in Leimuiden de bel van de tolbrug klinkt. Met een sneltreinvaart jakkert de ene helft van de groep rap onder de zakkende bomen door en heeft de andere helft het nakijken. ‘Allemaal dubbel gebak bestellen, jongens, dan heeft de groep na ons niks meer!’brult Jaap. De achterblijvers moeten ’t tenslotte wel goed kunnen horen. ‘Ik heb een haarspeld van mijn vrouw bij me, en daar prik ik straks jouw banden mee lek,’ gilt Theo naar Jaap. ‘Voorlopig sta ik hier en jij daar!’De openstaande brug maakt de rest van ‘t gesprek onmogelijk.

 

Pal tegenover de brug parkeren we de fietsen en rennen onze vaste pleisterplaats in. Helmen gaan af, de jacks uit, en de bananen komen op tafel. De bediening – een leuk, jong meisje – brengt ons koffie en appelgebak. “Oh, hoe heet jij? Ik heet Adrie.” Het meisje lacht. Haar vader houdt de heren goed in de gaten. ‘Heb jij al een vriendje?’vraagt Adrie geïnteresseerd. Ze knikt en lacht nog harder. ‘Zoenen jullie al?’wil Adrie weten. Ik geef ‘m een schop onder tafel. Pa komt zich ermee bemoeien. ‘Ik doe deze tafel wel, doe jij die daar maar.’ Al het lekkers gaat erin als koek.

 

Zodra onze buiken gevuld zijn, gaat de stempel rond en rekenen we af. Wij stappen alweer op onze fietsen als de andere helft van de groep luid mopperend aan komt rijden. ‘Wat duurde dat lang!’ zegt Jaap, ‘jammer hoor, al het gebak is op.’ Joop moppert: ‘Die burgwachter was zijn klomp kwijt… daardoor konden de plezierbootjes het geld er niet ingooien. We begonnen al te collecteren, man, man, er kwam geen eind aan die brug.’ ‘Kijk eens, Mirjam heeft me geschopt.’ Adrie wijst naar een zogenaamde blauwe plek op zijn been. ‘Dan zul je ’t wel verdiend hebben,’is Theo’s conclusie. ‘Dag Theo!’ zeg ik met een zoet stemmetje als we wegrijden. ‘Gatver Mirjam, moet dat nou?’ Jaap trekt een vies gezicht. ‘Ik zeg alleen een goede vriend gedag.’ ‘Voorlopig praat ik niet tegen jou.’ Eens kijken hoelang de kletsmajoor dat volhoudt.

 

Snel hebben Henk en Jaap weer een akkefietje. Henk springt nijdig weg. Morrend zet Jaap de achtervolging in. ‘Kom,’zegt Adrie, ‘steken wij bij Ter Aar de weg af. Zij gaan daar vast op ons staan wachten en dan zijn ze ons kwijt.’ We rijden als beesten om beide kornuiten voor te blijven. Op een strategisch punt gaan we staan kijken. Ja hoor, daar staan Jut & Jul. Druk met armgebaren. Ze wachten en wachten. Proestend komen we tevoorschijn.

 

‘Jongens, opschieten!’ zeg ik, straks worden we ingehaald door de achtervolgers.’ Nee, dat nooit! Dan moeten wij de rest van ons fietsleven aanhoren, hoe wij geklopt zijn door een groep met een achterstand van twintig minuten. Die schande, die afgang, nooit! Alle remmen los, op het grote blad wordt er nu gereden. In Waddinxveen sprinten we ouderwets om wie er het eerst bij ’t plaatsnaambord is. We beginnen moppen te tappen, die met de minuut smeriger worden. ‘Hallo,’zegt Jaap, ‘er fietst wel een dame in ons midden,ja.’ ‘Joh,’ ’zegt Bob,’waar zie jij die dan? Ik zie alleen een vrouw.’ Alle hoofden draaien zich om naar mij. Iedereen verwacht gesputter, maar ik zeg niks. ‘Wat! zeg jij niks? Pik jij dat?’ zegt Jaap verontwaardigd. Ja hoor, ikke wel, ik ben toch ook geen Deftige Dame? Eerder een Dolle Mina. ‘Dat moet je niet pikken, Kakel,’ dringt Jaap aan, ‘hup, zeg ff wat bijdehands!’ ‘Misschien straks Jaap, de middag is nog lang.’ Teleurgesteld geeft hij ’t op. 

 

 

In sneltreinvaart scheuren we door Moordrecht en langs de woonboten naar Nieuwerkerk. Domweg gelukkig op de fiets. Kon het maar eeuwig duren… De laatste tien kilometers hebben we een flink bekkie wind tegen, maar we ruiken de stamkroeg. Aldaar aangekomen nemen we onze racefietsen -zoals gebruikelijk – gewoon mee naar binnen en annexeren direct de grootste tafel. Vreemd genoeg staat daar een emmer met sop op, maar die schuiven we wel opzij.

 

‘Duurt minstens DRIE kwartier voordat die knaapjes binnenvallen,’stelt Jaap vast. Voor je-weet-maar-nooit wordt alarmerend snel vocht besteld. Terwijl we het zweet van ons voorhoofd deppen, horen we in de gang bekende geluiden. ‘WAT?’ zegt Jaap, ‘zijn ze er NU al? Die hebben afgestoken bij Boskoop, ik zweer ’t je, die vuile verraders,’ schampert hij. ‘Jullie zitten hier zeker nog maar net?’ valt Theo met de deur binnen. ‘Sodemieter op, min-stens twin-tig minuten! Hier, kijk dan! Zelfs Mirjam heeft haar biertje al op,’ wijst Jaap. Snel heeft hij onze glazen stiekem verwisseld en klokt hij in een keer mijn kriekje naar binnen. Bob die aan komt lopen met een volgend glas, zet zijn biertje  op tafel om zijn wisselgeld op te bergen. Dit is mijn kans…Ik grijp zijn bierglas en zwieper het in één keer leeg in de emmer met sop. Zo dan. Dat was dat. Het is je vast al opgevallen: van je vrienden moet je het NIET hebben…

 

 

Het lieve beestje

 

 

 

Behaaglijk strek ik mijn lange stelten uit op het zonovergoten terras. Ha, daar komt mijn bestelling aan: koffie en appelgebak mèt.

 

Wat is het leven soms eenvoudig en mooi. Soms is nu.

 

Er vliegt iets om mijn hoofd. Wattisset? Een lieveheersbeestje. Hij landt precies op de rand van mijn koffiekopje. Wees toch voorzichtig. Ga nou niet op ’t kopje zitten, want als je in de koffie valt, verbrand je al je pootjes! Voorzichtig laat ik ‘m op m’n vinger lopen en zet ‘m op het tafeltje. Zo, da’s een stuk beter.

 

Nieuwsgierig hipt een musje dichterbij. Ziet hij daar een lekker stukje gebak? Ja, maar zelfs in je stoutste dromen krijg je nog geen kruimelstukje. Laat dat maar uit je drukbewegende koppie. Maar een stukje koekje dat op mijn schoteltje ligt, wil ik wel met je delen.

 

Ik gooi een stukje naar het musje. Wat ben ik soms toch een gulle vrouw. Ik krijg er echt een goed gevoel van. Het musje komt hip-hip dichterbij; kijkt beurtelings van het stukje koekkruimel naar het lieveheersbeestje, hip-hip, en…

 

….HAP  alles  is  voorbij.

 

Ochtendstond…

 

Kind moest voor dag en dauw op pad. Buiten was het mistig en windstsil; de eerste vogels begonnen aarzelend te zingen; koeien stonden in slaapstand in de wei. Niet dat Kind daar oog voor had, zij had wel wat beters te doen: zich voorbereiden op een uitstapje met school naar Lille in la douce France. Voor de zekerheid heeft ze nog enkele nuttige zinnen in het Frans verzonnen en geprint. Waaronder deze prachtige formulering: ‘ Ik heb een honger als een paard, waar kan ik hier vlakbij veel eten?’ We hebben Kind zoveel geld meegegeven dat ze zich niet bij een politiepost hoeft te melden om thuis te komen… 

Graafdrang

 

Heeft Bella last van driftbuien, is het nestdrang of is zij gewoon een ongeleid projectiel? De godganse dag doet ze niets anders dan graven, graven en graven. In huis. Klauwt haar sanitaire kattenbak overhoop. Op het enige juiste moment: als ik net gestofzuigd en gedweild heb. Ze krabbelt in de hoeken van het keukenzeil en dat alles met de volharding van een terrier.

 

Dus, hoppa! de tuin in met dat loeder. Maar mevrouw vindt het buiten nog wat frisjes en krabbelt aan de tuindeur. Kom dan maar weer binnen, maar wel je hok in. Nee, gaat mevrouw daarin de krant zitten lezen.

 

Om bij die krant te komen, trapt ze met haar achterpoten al het hooi en stro eruit. Met busladingen tegelijk keilt ze de rotzooi tussen de spijlen van ‘t hok door. Ha! wat ziet haar konijnenoog? De krant! Het schuim staat reeds op haar lippen. Vol overgave scheurt ze het dagblad met haar tanden in stukken. Reep, na reep, na reep. Ik doe nog voor hoe ze er matjes van kan vlechten, maar Bella toont geen belangstelling.  

 

De bodem van haar hok komt tevoorschijn en daar gaat zij vandaag nog een gat in graven. Tussendoor pakt ze met haar tanden de knaagsteen vast en laat die alle hoeken van haar hok zien. Ohhh, dit is ’t moment waarop ik haar illegaal zou willen dumpen bij een kinderboerderij.

 

Volgens mij is Bella’s biologische klok aan het tikken en wil ze een hele rits kinderen baren. Waar zij dus bij voorbaat een diep hol voor graaft. Nu hebben wij de ‘beschikking’ over Sammie, het konijn van onze konijnenopvang. Sammie is een lekker ding en was tijdens Bella’s logeerpartij niet bij haar hok vandaan te slaan. Meneer sprong zelfs verliefd in Bella’s ruif om maar zo dicht mogelijk bij haar te zijn. Oh, oh, wat zag Sammie haar zitten, maar zelfs toen hij zich amechtig hijgend tussen de spijlen van de ruif probeerde te dringen, behaagde het Bella niet om ook maar één keertje met haar bevallige wimpers naar hem te knipperen. Misschien nu wel, vanwege de nestdrang?

 

Maar stel nou hè, dat Bella konijnenkinderen baart. Afgezien van de huisvesting hebben wij een nog veel groter probleem: als haar jongen hetzelfde grote ego en heethoofdige karakter van hun moeder erven… daar moet je toch niet aan dènken…?  

 

Alhoewel, zeg nou zelf: zijn Bobo en zijn broertje niet groots al zijn ze klein?