Foute Sarahs!

Wat een bof dat Midlife Me enige tijd geleden op een zonovergoten terras met Claudia Biegel  over haar debuutroman ‘Foute Sarahs’ zat te praten. “Over hoe vrouwen beoordeeld worden zodra ze de veertig gepasseerd zijn. Dat ze zich conformeren aan ongeschreven wetten”.

 

“Na veertig is het: knieën bedekken. Vijfenveertigplus betekent: bovenarmen uit het zicht, en bij vijftig valt het doek. Alles omsluieren – of simpeler: een boerka dragen.”

 

Over dat mannen interessanter en sexyer worden naarmate ze ouder worden, haarverlies, dikke buiken, het lijkt er allemaal niet toe doen, maar: “Wee de vrouw die een kort rokje aantrekt, deel van haar boezem laat zien, een T-shirt met korte mouwen aandoet of – god verhoede – een spaghettitop”. Laat dat nou net mijn favoriete kledingcombinatie zijn…Gelukkig verzetten sommige vrouwen zich met hand en tand tegen dat gegeven, zoals de hoofdpersoon uit ‘Foute Sarahs’.

Als ik een gratis exemplaar van ‘Foute Sarahs’ wilde winnen (en dat wilde ik), hoefde ik alleen maar voor 22 mei antwoord te geven op de vraag: In welke stad ligt de oer-Sarah volgens de overlevering begraven? Onder de inzenders met het goede antwoord zouden 5 boeken worden verloot. Vijf! De oplossing? Appeltje/eitje! Voor Google dan…De leeftijd hè? Hoe ouder hoe wijzer. Omdat ik vind dat iedereen recht heeft op mijn mening, zeg ik: wij vrouwen hebben ook ballen; ze zitten alleen wat hoger.

On-ge-lo-fe-lijk, laat mij nou een boek winnen! ‘Waar gaat dat boek over?’wilde Man weten. ‘Over de overgang, dat vrouwen dan gekke dingen gaan doen,’zei ik luchtigjes. Lief keek naar me. ‘Nóg gekker?’ riep hij. ‘Nah,’ zei ik, ‘het is een alleen maar een goed boek voor vrouwen die graag goed fout willen zijn!’ Bijna wilde hij zeggen: dat ben je al, maar hij beet op zijn tong. Gelukkig heeft hij het hele weekend de tijd om een beetje bij te komen van de schrik…

Bedankt Margreet, voor het boek De Foute Sarahs

Auto kwijt

Sjouwend met boodschappentassen word ik aangeklampt door een oudere vrouw. Op een toon vol deernis zegt ze: ‘Mevrouw…ik… eh…weet niet meer waar mijn auto staat.’ Beschaamd buigt ze haar hoofd. ‘Weet u nog naar welke winkel u wilde?’vraag ik. Links en rechts noem ik er wat op, maar alle keren schudt ze haar hoofd.

‘Zullen we in mijn auto een paar rondjes rijden?’ Ja, dat vindt ze een goed idee, want om nou vijf parkeerterreinen af te struinen… ‘In wat voor auto rijdt u?’ vraag ik, denkend aan een Suzukietje. Nee, aan discriminatie op het uiterlijk doen de Kakelbontjes niet mee. De dame rijdt in een rode golf. Als ze ‘m vinden kan dan.

Op parkeerterrein één staat niets. Althans, bergen auto’s, maar niet de hare. Op twee: ook niets. Drie en vier: noppes. Nadat we op parkeerterreinen 5 ook haar auto niet hebben kunnen vinden, kijkt ze alsof het einde der tijden is aangebroken. Ik gluur stiekem opzij. Ze ziet er verzorgd uit: paars krulhaar, nette dracht, ietsje lippenstift… Zou ze seniel zijn? Dat ze op de fiets gekomen is. Nou ja, dat kAn toch? Zucht, hoe los ik dit op? Ik zet haar gewoon uit de auto.

Plots, pang!, krijg ik een ingeving. ‘We kunnen nog bij de bieb kijken,’zeg ik.  ‘Bij de bieb…’zegt ze een beetje dromerig… Ineens veert op: ‘Ja, ik weet ’t weer! Ik moest naar de bieb! Mijn auto staat bij de bieb!’ Zegevierend kijkt ze me aan. ‘Oh,oh,oh, ik was al bang dat ik dement begon te worden. U zult wel gedacht hebben…’ ‘Nee hoor,’ lieg ik beschaafd. ‘Kijk,’ wijst ze, ‘daar halverwege staat ie.’ Bij een rode golf zet ik de auto stil.

‘Mevrouw…,’zucht ze, ‘sorry dat ik u lastig heb gevallen. Sinds mijn man is overleden ben ik constant de kluts kwijt. Ik leg de koekjes in de vriezer en de broodjes in de koektrommel; om te weten welke dag het is moet ik op teletekst kijken. Bedankt, mevrouw, voor uw hulp. Zal ik u iets voor de benzine geven?’ Haar hand gaat richting de rits van haar tas. ‘Nu beledigt u me een beetje,’zeg ik. Het arme mens schrikt zich te pletter. Wordt ’t haar alsnog teveel. ‘Heeft u een papieren zakdoekje?’ snottert ze. ‘Nee, maar wel 2 mouwen,’zeg ik. Ze giechelt. ‘Als ik even tussen uw benen mag graaien?’ Ze kijkt diep geschokt. ‘Ik wil alleen het dashboardkastje maar openmaken.’ ‘Oh.’ Ik scheur een vel keukenpapier van de rol en geef ‘m aan haar. ‘Wilt u de rest van de rol ook nog volsnuiten?’ bied ik aan. Ze schiet in de lach. ‘Wordt het toch nog gezellig op ‘t laatst,’grapt ze mee.

Ze stapt uit. Bij het achteruitrijden schampt ze nog net geen boom; voor ’t gemak vergeet ze dat verkeer van rechts voorrang heeft; en via de ingang van het parkeerterrein rijdt ze naar buiten. Verder is ze helemaal gezond!

Een stille aanbidder

‘Hé, daar heb je dat konijn!’ roept een meneer op een fiets. Hij wijst naar iets in de tuin. Wel snotver…is Bella me weer sneeky achterna gelopen, dat geraffineerd stuk knaagdier. Als ze ergens een luchtgaatje ziet om het ouderlijk hok te ontvluchten zal ze ’t ook niet laten. Heel de benedenverdieping heeft mevrouw tot haar beschikking, evenals een royale achtertuin, maar ze wil aldoor méér. Net een generaal met expansiedrift. Ik jaag madam meteen weer terug naar binnen.

 

Dan pas dringen de woorden van de fietser tot me door. “Daar heb je dat konijn”? Dan moet Bella over de tong gegaan zijn. Maar deze meneer ken ik helemaal niet. Hebben wij wellicht een gemeenschappelijke kennis?      

 

De fietser stopt omdat hij liever niet geplet wil worden door twee elkaar passerende bussen. ‘Dat was toch Bella hè…die altijd op een kattenbak plast?’ KNAL! Dat was mijn kluts. Die viel op dek. Hoe wéét die man dat? Blijkbaar kan hij gedachten lezen want boven de busherrie uit, roept hij:‘Ik lees altijd je blog!’Er maakt zich een groot geluksgevoel van mij meester, gevolgd door een lichte verwarring. Waarom weet ik daar niks van? ‘Soms lig ik onder mijn bureau van het lachen,’roept hij vrolijk verder. 

 

Zodra de bussen gepasseerd zijn, horen we vanachter de voordeur een luidruchtig: Pats! Boink! Pats! Boink! Dat is Bella die wil laat weten dat ze ‘t met de gang van zaken niet eens is, en dankbaar gebruik maakt van de holle ruimte van het luik onder haar achterpoten. ‘Doet Bella dat?’ vraagt de bloglezer verheugd. Ik knik, dat doet Bella,ja. Wat is daar zo leuk aan? Hij mag haar wel twee weken lenen als wij op vakantie zijn. ‘Wie bent u ?’vraag ik met een goed verborgen ochtendhumeur. Ineens krijgt de fietser haast. Plankgas gaat hij er vandoor. ‘U kent mij niet!’ roept hij tot mijn grote frustratie nog even achterom. Ik weersta de neiging om “sta stil of ik schiet!” te roepen. Helaas, een diepte interview zit er niet in.

 

Bella heeft dus een onbekende, stille aanbidder. Ik ben er helemaal infuus van. Het knelt als een steentje in mijn schoen. Maar ik weet er wel iets op: mevrouw Konijn krijgt geen eten totdat ik weet wie die onbekende bloglezer is. PATS! BOINK!

 

 

Rocheljoch

 

Ziedend is ze. Van pure nijd praat ze met consumptie. ‘Wat een knul uit een andere klas geflikt heeft!’ Ze ritst haar jas open, smijt ‘m op de grond en geeft er nog net geen trap tegen. ‘Yak! Na schooltijd heeft ie zomaar op MIJN jas gerocheld! Ik weet niet hoe hij heet, maar daar kom ik dus nog wel achter.’ Nijdig balt ze haar vuisten. ‘En weet je wat die loser nog meer deed? Hij zong: ‘Ginger, er zit een vieze rochel op je jas, hihaho.’Lachen joh…hij en z’n vrienden.’ Dat “Ginger” interesseert Kind geen fluit; op school loopt er maar een met haar haarkleur rond, en dat vindt zij niet meer dan praktisch. Maar die rochel…Zij blaast nog stoom af en ik gooi haar jas in de automaat. Dat was dat.

Ja, dat had je gedacht! Okee, vergelijk het met het leed in de wereld en het spuugincident verdwijnt in het niets, maar moet je dan alles van die smerige keeshond maar pikken? Kind is nijdig tot in haar knieholten. ‘Als ik er niks van zeg, doet ie ’t de volgende keer weer.’ Maandag gaat zij het pesterijtje melden bij haar mentor.

Op school zal ze worden uitgenodigd voor een gesprek met de rochelaar, die we voor het gemak even Sander noemen. Kind moet Sander uitleggen wat ze vervelend vond aan dat spugen, en wat ze erbij voelde. Maandagavond  tijdens het diner (kuch) meldt Kind dat ze tegen dat gesprek op ziet. ‘Je zegt dat je het ongewoon smerig vond,’ adviseert Man, ‘en als ie ’t nog een tweede keer doet, zal ik hem het ziekenhuis in slaan.‘ Man en slaan…laat ik me daar nou niks bij voor kunnen stellen. ‘En daarna sleur ik ‘m door het slijk,’ doe ik een duit in het zakje (laat ik me daar nou wel iets bij voor kunnen stellen.) ‘Wat als Sander zegt dat ik een aansteller ben?’ ‘Dan vraag je hoe hij het zou vinden als jij op zijn jas rochelt.’ ‘Dan zegt hij, wat kan mij dat nou schelen?’ ‘Haal je jas maar even, zeg jij dan, dan spuug ik er een groene klodder op. ‘Ja, dát ga ik dus niet doen hè,  op iemands jas spugen,’ zegt Ginger verbolgen.

Ze heeft nog gelijk ook. Stiekem ben ik een beetje trots op haar. Kwaad met kwaad vergelden werkt niet. Ach, Man en ik lieten ons even meeslepen door het verhaal, zeg maar. ‘Zet je fiets op ‘t schoolplein goed in ’t zicht van de camera’s, zodat S. die  niet kan mollen, en blijf uit zijn buurt,’adviseert Man.

Twee dagen later vertelt ze triomfantelijk dat ‘t gesprek niet doorgaat. Sander heeft een zeurverhaal opgehangen dat hij niets gedaan heeft en dat zij – Kind – alles gelogen heeft. ‘Maar Suzanne, die bij dat spugen was, heeft een briefje geschreven dat ze alles gezien en gehoord heeft. Goed hè?’ Ze loopt bijna over van trots voor haar vriendin. ‘Pfff, uit welk ei komt die gozer?’ Opgelucht haalt ze adem. Achteloos zegt ze: ‘Nu wordt hij voor één dag geschorst.’ ‘Oh,’ begin ik sarcastisch, ‘mag meneer voor straf één dagje thuis blijven?’ ‘Nee…‘ zegt Kind, ‘hij moet voor straf in de lerarenkamer zitten. Aan een bureau. Met zijn gezicht naar de muur. Hij mag niks doen. Alleen maar met zijn armen over elkaar zitten.’

Ik stel me voor hoe de spuger daar zit. Continu leraren om hem heen die ‘m negeren. In plaats van zelfgenoegzaam wijdbeens en onderuit gezakt op een stoel hangen, moet hij strak rechtop zitten, waarbij zijn gezicht ongetwijfeld mateloze verveling uitstraalt. En dat een hele dag lang… Mijn mondhoeken krullen steeds verder omhoog: best een aangenaam vervelende straf. Al ken ik een betere: persoonlijk met paps of mams sorry komen zeggen. Dan beloof ik dat ik niet zal zeggen:‘Sorry…wat zei je?’

Prijs je rijk

Met twee,drie treden tegelijk rent Kind de trap op naar boven. “Even de lootjes pakken!”roept ze als ze mijn verbaasde blik ziet. Terwijl ik koffie zet, stuift zij de trap alweer af naar beneden en rent de kamer in. ‘Jaaa!’ gilt ze, ‘ik heb een prijs gewonnen!’ Wild danst ze door de kamer, maakt een pirouette en eindigt met een Aikidoschop.

‘Wij? Een prijs gewonnen?’vraag ik. Sjonge, dat mag in de krant! Oh… het stáát in de krant, want daarin zag Kind de uitslag van de trekking staan. ‘Maarreh…hoezo heb jij die prijs gewonnen?’ vraag ik link. ‘Wie heeft de voordeur opengedaan toen er gebeld werd en de lootjes gekocht?’ Nou en, zóó onbelangrijk vindt zij dat, wie de kaartjes heeft betaald, slechts een detail. Die prijs is gewoon voor haar. Klaar. Zij rekent zich rijk, want ja, het is een heuse geldprijs. Dromerig staart ze in de verte…

Hoeveel is het? Kunnen wij van de geldprijs een tweede huis kopen? Op cruise naar de Noordpoolcircel? Een camper uitzoeken? Kan ik een Colnago Ferrari met Dura-Ace en carbonwielen aanschaffen? Nou ja, bijna… Net niet helemaal. Want de prijs is… dertig euro.

‘Oké,’geef ik me gewonnen, ’jij mag de prijs hebben, máár… vijf euro gaat naar een goed doel,  en jij mag het doel kiezen.’ ‘YES, YES, de prijs is voor mij! En het doel weet ik al: the Sea Shepherd. Jieha! Lang leve de walvissen!’ Want dat er mensen zijn die harpoenen in dieren schieten…ze kan en wil het niet begrijpen.

De prijs geeft haar een goed gevoel. Dat zij daar met gemak wat van kan  missen, geeft mij weer een goed gevoel. Prijs je rijk!

Stofzuigen bij een buurvrouw

’s Ochtends was er werk aan de winkel. Héél veel boodschappen kopen, echt tassen vol; mijn boodschappenlijstje was zeker 80 cm lang. Met twee overvolle winkelwagentjes liep ik naar de kassa, waar wonderwel niemand achter mij in de rij wilde staan. Tijdens het uitladen van de inkopen op de kassaband vroeg ik mezelf af wie deze berg voedsel toch ging opeten. Daarna: volle kracht vooruit naar huis.

 

Laadde ik voor de deur de boodschappen uit, kwam een buurvrouw op me aflopen. Of ik haar benedenverdieping wilde stofzuigen. Ze keek naar de volle tassen in mijn handen en zei er meteen ‘meteen’ achter. Ook vreemd, dacht ik, ik ben zelfs nog nooit bij haar binnen geweest. Maar ja, zelfs een assertief persoon als ik kan niet altijd nee zeggen. ‘Laat je tassen maar op de stoep staan, dat kan nog in een dorp.’ Het was geen voorstel van haar kant, maar een instructie. Aarzelend liep ik de buurvrouw achterna. Ik keek nog even achterom naar de tassen midden op de stoep. Stel dat iemand daar zijn nek over brak…De buurvrouw vroeg waar ik op stond te wachten? Bij haar binnen moest ik mijn schoenen en jas uitdoen, want daar stond de ze op. Slechts figuurlijk gelukkig. Zelf trok ze macrobiotische gehaakte huisslofjes aan. ‘Daar staat de stofzuiger,’wees ze. Om te demonstreren dat ze zelf niet lui van aard was, stak ze de stekker van de stofzuiger in een stopkont.  

 

 

Ik zoog, én zoog… er kwam geen ein-de aan. De kamer werd steeds groter. Zij en ik wonen in hetzelfde type huis, maar bij haar pasten er toch zeker wel tien campers in. Het zuigen duurde uren, helemaal onpasselijk van moeheid werd ik ervan. Brutaal zei ik dat ik stopte en trok de stekker eruit. Daarna probeerde ik naar huis te lopen, maar mijn laarzen voelden zo vreemd zwaar, zoals je af en toe weleens in een droom hebt. Hoe ik mijn eigen voordeur haalde? Ik weet ’t nu nog niet. De buurvrouw liep met me mee.

 

Niet dat ze hielp met boodschappentassen uitladen, ben je gek! Het sjouwen liet ze aan mij over. Jemig, wat erg! Het bitterkoekjesijs was gesmolten en lekte uit de tas op de grond. Oh, oh, die verspilling! Ik wilde huppetee het tweede pak ijs in veiligheid brengen door ‘t snel in de vriezer te gooien, maar de buurvrouw wilde per se een  praatje met mij  tegen mij houden. Ik was zó moe, ik wilde al dat lekkers nog uitladen en opbergen, en ik mocht nog een kleed wegbrengen naar de stomerij, en…zó moe…

 

Ik ging tegen het tuinhekje aan staan, waardoor ik een steuntje in de rug had. ‘Nu wil ik echt naar binnen,’ zei ik, ‘want Bella moet plassen en ik wil de dode blaadjes nog van mijn plant knippen.’ Het stofzuigermens lulde gewoon door. Ik hield ’t niet meer. Mijn ogen werden zo zwaar en ’t was net of dat zuigmens steeds groter werd en ik ietsjes kleiner. Wat een geluk dat ons tuinhek veel groter was dan anders. Normaal kwam het maar tot kniehoogte, maar nu kon ik er met mijn hele lijf tegenaan leunen. Tel je zegeningen, Kakel! Ja, die had ik hard nodig bij deze zwetsende vrouw. Mijn oogleden kon ik nauwelijks openhouden. Ik vocht tegen de slaap maar verloor…allebei mijn ogen vielen hartstikke dicht. Toen werd ik gelukkig, wakker. 

 

 

 

Familieportret

Het viel niet mee: een foto maken waar alledrie de Kakelbontjes tevreden op staan. Ik wilde er alleen met mijn rug op. Kind wilde pontificaal in beeld maar mocht niet… En de meeste moeite kostte het om Man te verleiden zijn medewerking te verlenen, maar uiteindelijk is hij er toch in getrapt. Je herkent ‘m zeker wel he? Dus bij deze: I proudly present ons familieportret.

 

Echt of nep?

‘Ziet u ze vliegen?’ vraagt een meneer tegenover me in de wachtruimte. ‘Nee,ik zie ze zwemmen,’zeg ik. Als ik er niet snel iets verstandigs uitkraam, denkt hij dat ik niet goed snik ben.  ‘Kijk,’ wijs ik, ‘…achter u… in de muur.’ Hij draait zich half om en zijn onderkaak valt naar beneden. Is het van verbazing of kopieergedrag? ‘Zijn ze echt?’ vraagt hij aan mij. Ja, dAt vraag ik me dus al heel de tijd af.

 

Voor ’t gemak komt Ziet-ze-vliegen naast me zitten. We kijken samen naar de muur waar vissen lustig  zwemmen en waterplantjes vredig wuiven. Het ziet er zO echt uit…Is het alleen  dikke tv die 20 cm buiten de muur uitsteekt of een ingebouwd aquarium? Een patient van een ander gangpad komt polshoogte nemen. ‘Oh…das nep hoor…gewoon een dvd-tje….kan je overal kopen.’ Nou, als hij het niet erg vindt, twijfelen Ziet-ze en ik nog even. ‘Vissen werken rustgevend,’ verduidelijkt de dvd-man. Rustgevend? Ik word er anders behoorlijk opgewonden van dan ik niet weet of ze echt of nep is.

 

Laat ik om te beginnen eens voor bewijsvoering zorgen en een foto maken. Ik pak m’n toestel en op het moment dat ik KLIK doe, blijft het beeld op de muur stokstijf staan. Alle vissen hangen bewegingloos tussen de stilgevallen waterplantjes. Net als bij Tita Tovenaar. Dan floept een  scherm aan, knippert een lampje bij “opnieuw afspelen” en zwemmen de visjes er weer lustig op los. Zo…dat weten we dan ook weer.

 

‘Zie je?’ zegt de dvd-man? ‘dat doen ze in de hoop dat patiënten ervan in slaap vallen.’ Ziet-ze en ik schieten synchroon in de lach. We kijken elkaar aan. ‘Komt u ook voor dokter D.?’ vraag ik. Hij knikt, ja, ook hij komt voor DE slaapdokter van Nederland.” We grinniken. ‘Mogen ze heel de gang wel volhangen met aquaria,’ grapt mijn buurman. ‘Ja,’ zeg ik, ‘als een kudde schapen niet helpt, werkt een handjevol vissen ook niet.’

 

Wel een hele geruststelling dat we nu weten waar we naar kijken.