Boerenkool met worst

 

 

Goeiemiddag,’ zeg ik opgewekt. Een man op een barkruk rechts naast me, kijkt me zijdelings aan en zegt: ‘U moet eens wat meer eten.’ ‘U mag weleens op dieet,’ kaats ik terug. Dat vindt de meneer niet zo fijn. Stuurs kijkt hij voor zich uit en plukt geroutineerd aan zijn krulsnor.

 

‘Wat komt u hier eigenlijk doen?’ wil hij weten. ‘Bent u de eigenaar van deze uitbating?’ is mijn wedervraag. De kastelein die glazen staat af te drogen schokschoudert van het lachen. ‘Breeje Piet heeft z’n dag niet vandaag,’ zegt ie tegen mij, knikkend naar de nukkige man. Nou, lekker vroeg naar bed dan. Waar wacht de vrolijke Frans nog op? ‘U wilt afrekenen, mevrouw?’ vraagt de bartender. ‘Ja, graag.’  

 

‘Wat hebbie op?’ vraagt breeje Piet. Ik denk: boerenkool met worst, maar zeg:’Koffie met appelgebak en slagroom. Het smaakte lekker. Ik kan het u van harte aanbevelen.’ ‘De net zei u nog tegen me dat ik moest afvallen.” ‘Nee, ik zei mag,’ zeg ik, ‘niet moet. Als iets moet, wil je ’t al niet meer.’ ‘Volgens mij bent u een beetje dwars.’ “Die neiging heb ik af en toe weleens, ja.’ beken ik. ‘Weet u wat u eens alstublief moet doen? Met uw biertje in het zonnetje op ’t terras gaan zitten. Knapt u van op.’

 

Ik berg mijn wisselgeld op en loop naar de ladiesroom. Als ik terugkom is Snormans vertrokken. Toch maar naar z’n bed? De kastelein raadt mijn gedachten en zegt, wijzend naar buiten: ‘Hij zit buiten…in ’t zonnetje… De man lacht onbedaarlijk, wil nog iets zeggen maar geeft ’t op. Hij duwt een biertje in mijn richting, wijst hikkend naar buiten en weet er net twee woorden uit te persen: ‘vannut huis.’ Hoofdschuddend loop ik naar Piet Snor. ‘Kijk eens, alstublieft. Van het huis,’ zeg ik er snel achteraan, voor ’t geval de man bedankneigingen gaat vertonen.

 

Hij lacht, steekt zijn duim omhoog en maakt daarna met duim en wijsvinger een mooi rondje. Een één en een rondje, denk ik onderweg. Dat maakt dus een tien. Laat het nou vandaag de tiende zijn!

Paloma

‘Meneer Polder is ziek!’ gilt een klasgenoot. ‘Yes!’ roep ik (sorry, meneer P.) ‘Heb je zin met mij mee naar huis te gaan?’ vraagt Marjan die naast me staat. ‘Ja leuk,’ zeg ik, ‘waar woon je?’ ‘In de Claes de Vrieslaan,’ zegt ze. Bij mij gaat meteen een rood lampje branden. We stappen op haar Puch en scheuren door het Oude Westen. ‘Joehoe!’ zwaait Mar onderweg naar een leuke knul.  ‘Ken je die gozer?’vraag ik. ‘Welnee joh, zie ik vandaag voor ’t eerst.’

 

‘Dat is mijn buurvrouw,’ wijst ze naar een vrouw die de stoep staat te vegen. Mar stopt haar brommer, zet ‘m op slot en zwaait naar boven. Ik zie niemand. De buurvrouw ziet er opzichtig gekleed uit. Ze draagt een rokje dat nauwelijks haar onderbroek bedekt, een decolleté tot voorbij haar navel en schoenen met zulke hoge hakken dat ik al struikel als ik ernaar kijk. Ik kan mijn ogen niet van d’r afhouden. Het is een mengeling van fascinatie en afgrijzen. Goh…denk ik, dus zo ziet nou een echte hoer er uit.  

 

‘Hoi Mar!’ roept de buurvrouw. ‘Dag Bep,’ roept Mar terug, en tegen mij: ‘Als ze werkt heet ze Paloma.’ Paloma…denk ik, wat een rare naam.

 

Bep veegt alle troep met de bezem op een hoop en pakt een veger en  blik. Ik zie peuken, lege sigarettenpakjes, zilverpapiertje…maar wat ligt daar nou nog meer tussen? Zijn dat nou…? Ja, dat moet wel… Zo, een leerzaam ochtendje! Mar ziet me kijken en begint te giechelen. ‘Heb je nog nooit kapot-jes gezien?’ vraagt ze. ‘Tuurlijk wel,’ bluf ik, maar ze gelooft er geen bal van. Grinnikend zegt Bep: ‘Ik heb je moeder gedoucht, Mar. Zet jij koffie voor d’r?  Oh…en geef me jullie boodschappenbriefie nog.’ ‘Ja, doe ik!’ 

 

‘Mijn moeder heeft reuma…’ vertelt Marjan terwijl we een steile trap opsjokken, ‘…daardoor kan ze bijna niks meer met d’r handen.’ Boven aangekomen zwaait ze een deur open en binnen zit een stevige vrouw op een stoel voor een spionnetje.  ‘Heb jullie uitval?’ vraagt ze. ‘Ja,’ zegt Mar, ‘twee uur biologie. Zal ik koffie zetten?’ ‘Ja lekker,’ zegt haar moeder. ‘Oh, en dat is Mirjam,’ wijst Mar naar mij. Ik steek aarzelend een hand uit naar de vrouw. Ze ziet mijn blik naar haar kromgegroeide handen, en zegt meteen: ‘Je hoeft geen hand te geven hoor, kind.’ Omdat ik mijn uitgestoken hand toch ergens moet laten, geef ik haar een schouderklopje. ‘Wat ruikt u lekker,’ flap ik er uit. ‘Hahaha, net binnen en ik heb al twee schouderklopjes te pakken! Das van de zeep, heb ik van Bep gekregen. Die hebbie al gezien, he? Wilde jij nou net je schoenen uittrekken? Uit welke keurige buurt kom jij?’ schatert ze. Snel over iets anders praten. ‘Leuk..eh..die spionnetjes,’ wijs ik naar het raam, ‘die had mijn oma in haar vorige huis ook.’ ‘Waar was dat?’wil ze weten. ‘In het Jaffa,’zeg ik. 

 

De koffie komt binnen. Mar zet een beker voor haar moeder neer en hangt haar een theedoek om. ‘Zo’n grote slab hebbie vast nog nooit gezien,’ grijnst ze. ‘Heb jij al eens koffie gedronken door een rietje…? Eerlijk zeggen…Nee? Ik kan het je van harte afraden. Je proeft niks.’ Na elke zin moet ze giechelen. Dat mens d’r humor is niet te vernielen! 

 

Veel te snel is het alweer tijd om te gaan. Marjan stopt ‘t boodschappenlijstje  bij Bep door de brievenbus en meteen gaat de deur open. Met nat haar en in pyjama staat Bep in de deuropening. ‘Assieblief Bep, en alvast bedankt,he?’  Boven zie ik nog steeds niemand achter het raam zitten, maar ik zwaai nu wel met Marjan mee. ‘Doehoei!’ roept Bep ons na.

 

Eenmaal op de Puch vraag ik: ‘Heb jij geen vader?’ ‘Jawel,‘ maar hij kan doodvallen. Hij’s niet helemaal jofel. Tien jaar geleden kreeg mijn moeder een zware reuma-aanval en daarna is ze niet meer opgeknapt. Mijn vader zei dat ie geen verpleger was en bleef ineens weg. Hij werkt op de Coolsingel…is wethouder.’ Dat laatste woord spreekt ze uit met ware doodsverachting. Het is me volkomen duidelijk: dat je wethouder bent, houdt niet automatisch in dat je als mens ook geslaagd bent. Nijdig vervolgt ze: ‘Mijn moeder zegt altijd: al moet ik mezelf helemaal onder zeiken, op hem pís ik nog niet.’ ‘Groot gelijk,’zeg ik. ‘Bep bracht mij vroeger altijd naar zwemles…,kookte voor ons…en ze is hartstikke lief voor mijn moeder.’ 

 

Paloma…denk ik, eigenlijk best een mooie naam.

 

Een gele wens

Mijn 200-ste blog!

 

Alle groene weilanden zijn in een mum van tijd geel getoverd door joekels van paardenbloemen.

 

Nog even… dan veranderen die in grijze pluizenbollen.

Pluk er eentje; desnoods virtueel.

Ogen dicht.

Hard blazen.

En doe een wens.

(Voor mannelijke lezers: vind je het iets teveel om 3 dingen tegelijkertijd te doen? 1 voor 1 mag ook wel, hoor)

Wel echt je best doen, he, anders werkt ’t niet! En wel graag een reactie als je wens uitgekomen is. Ik beloof je niet dat ik niet zal vragen wat je wens was.

 

I wish you all you wish yourself!

Safety first

 

Snel en wild ziet hij eruit.  Gesoigneerd type á la Mario Chipollini, een muziekoortje in. Geen helm, hmm. Hij staat naast een uiterst gelikte fiets. Ik kijk mijn ogen uit. Naar de fiets dan, hè? Dat daar geen misverstanden over bestaan. Een Da Rosa met Dura-Ace en Campa Borawielen. Eén zo’n wiel is duurder dan mijn twee wielen samen. De kijktijd is voorbij, want de hefbomen van de pont bonken opzij en wèg is Mario.

 

Twee uur later fiets ik in Langerak. Jasses, daar ligt iemand languit op de dijk. Een auto ernaast. Het liefst kijk ik de andere kant op en rijd hard door. Dichterbijkomend zie ik dat het slachtoffer Mario is.  

 

Een oude man met een enorm witte haardos komt zwaaiend met zijn armen op me toe gesneld.  “Mevrouw, hij’s gevallen, hij’s gevallen,” roept hij. “Heeft u verband bij u?” Ik zeg ja en stop. Mario is intussen tegen een lantaarnpaal aan gaan zitten, bekijkt kreunend zijn geschonden fiets, en zegt onophoudelijk: “F#ck,f#ck,f#ck’.

 

De witharige vertelt: “Ik kom aanrijden en zie hem in de bocht zóó onderuit schuiven. “Heeft ie geen helm op, snapt u dat nou mevrouw? Hij maakt zich alleen druk dat zijn mobiel naar de klote is – vergeef me de uitdrukking – en om zijn fiets. Snapt u het?“ Ik houd mijn mond en graai in mijn heuptasje. Mario zit met zijn hoofd tussen zijn knieën. Ben je misselijk?” vraag ik.  “Nee.” Hij kijkt niet op. Wil je mijn mobiel om iemand te bellen?” “Dat heb ik ook al aan hem gevraagd, mevrouw, maar dat wil hij niet.” “Hoe erg is het met je arm?” vraag ik. “Mijn arm lijkt wel open gesprongen…” Ter demonstratie houdt hij zijn rechterarm omhoog. Het bloed drupt er gestaag uit, over zijn schoenen en op de grond.   

 

Eigenlijk ben ik niet ingesteld op gevallen mannen. Vrouwen wel, die vinden mijn oplossing prima. Een mevrouw die op de Eyserbosweg (wereldberoemde locatie voor wielrenners) was gevallen, schaterde het zelfs uit toen ze mijn oplossing zag, maar dat gaat deze meneer niet doen. Zeker weten. Ik heb geen plek voor rolletjes verband in mijn heuptasje, want dat zit tjokvol reservebandjes, wippers, een minipomp en eten. Logisch dat ik geen verbandtrommel meezeul op de fiets. Die trommel laat ik dan ook thuis. Het verband niet.

 

Het maandverband.

Zonder vleugels.

 

Dat past lekker plat in mijn tasje. Vastgeplakt in de lengte met pleisters kunnen maandverbandjes miraculeus handig zijn. Aan te passen aan elk formaat. Maar mannen zijn er om de één of andere reden niet zo dol op. Ik trek de verpakking open en laat het slachtoffer zien wat ik in de aanbieding heb. Hij knikt gelaten. De oude baas houdt een monoloog over fietshelmen en overleden wielrenners. Mario houdt zich Oost-Indisch doof.

 

Ik geef het verband aan Mario, hij legt het om zijn gewonde arm en ik plak de uiteinden vast met pleisters. De oude man wauwelt oeverloos over dat veiligheid vóór alles gaat en helmen verplicht moeten worden. In een poging de woordenvloed in te dammen, druk ik de oude baas een maandverbandje in zijn handen.  Ja, daar wil hij wel even stil van worden.

 

Na de plaksessie, komt Mario moeizaam overeind. Hij doet zijn best niet te trillen. “Waar is je mobiel dan?”vraag ik. “Kwijt,”zegt hij “Ik zat te bellen. Hij  viel uit mijn hand zo de Lek in.” Hij loopt naar zijn fiets en ik naar de mijne.

 

De oude baas pakt zijn mobiel, toetst een nummer in, brengt het mobieltje naar zijn oor en begint te praten. Vervolgens laat hij zich in zijn autostoel vallen, knalt het portier dicht en geeft een flinke dot gas. Van zijn gordel maakt hij geen gebruik.

Lucky ducky

 

Welja, duw gerust je hengel tussen mijn spaken. Wat maakt het uit? Fietsers genoeg op de wereld. De eigenaar van het visgerei put zich uit in verontschuldigingen. ‘Oh, geeft niks,’ zeg ik zo nonchalant mogelijk; ik kon toch nog op tijd stoppen.

 

Koud 100 meter verder, word ik me ineens pissig. ‘Hé joh, doe ff normaal. Pak iemand van je eigen soort!’ Nijdig fiets ik over het gras naar de slootkant. Pas op het laatste moment kiest de reiger vloekend het luchtruim. Hij had net zo’n trek in dat malse eendendonsje.

 

Er klopt iets niet met het eendje. Hij zwemt weg en wordt met een ruk teruggetrokken naar de kant. Alsof ie vast zit aan een draadje…Ach, dat zit ie ook. Zonder tegen te spartelen haal ik ’t eendenbolletje voorzichtig als een visje binnen. Hij staat stijf van de stress en krijgt bijkans een rolberoerte als ik ‘m oppak. Moet je zien hoe dat draad om ‘m heen zit. Het zit om z’n minizwemvliesjes en zijn buik. Zonder schaartje krijg ik dat visdraad er nooit af.  

 

Redding is nabij! Met het eendje in mijn handen loop ik naar de hengelaar, want hij heeft vast een schaar of tangetje. Ontspannen achterover hangend staart de man naar zijn dobber. Een typisch buitenmens. Stevig, stoere knuisten en zijn gezicht getekend door alle elementen. Hij snapt meteen het idee en loopt over van vriendelijkheid. Met een grijns haalt hij zijn luxe zakmes voor de dag. Vol trots laat hij ‘m aan me zien (we hebben ‘t hier nog steeds over het zakmes,he?) ‘Gekregen van mijn vrouw toen ik vijftig werd,’ zegt hij. Het Zwitserse precisiemes ontlokt bij mij een Pavlov-reactie. ‘Oh,’ zeg ik, ‘ik ga ook zo’n mes voor mijn 50ste verjaardag aan mijn vrouw vragen.’ Even trekt de man wit weg, maar als hij ziet dat ik een grapje maakt, doe hij van harte mee. ‘Duurt vast nog jaren voor jij vijftig wordt,’ zegt de visser. Uche uche, verslik ik me. ‘Dan heeft u het zakmes zeker nog maar pas?’ ‘Hahaha, ik ben al met pensioen!’

 

De visser houdt ’t eendje vast en ik knik de draadjes door. ’t Is zo gepiept. ‘Waar zet je ‘m terug?’vraagt de buitenman. ‘Waar ik ‘m eruit heb gehaald. Hopen dat z’n moeder daar ergens rondzwemt. Nog bedankt!’ ‘Graag gedaan,hoor!’   

 

Wat nou als ’t eendje helemaal alleen achterblijft? Meenemen kan ik ‘m niet. Als ik ’t eendje terug wil zetten in ’t water, komt er tussen het riet vandaan een vrouwtjeseend aanzwemmen. Zonder treuzelen klautert ze de slootkant op en hobbelt recht op mij af. Aha, de moedereend. Ze komt alsof ik haar hardop geroepen heb. Vijf kleine bolletjes in haar kielzog blijven nerveus in het water achter. Fel protesterend haalt Mevrouw Duck uit in mijn richting. Hap hap hap! doet haar snavel naar mijn benen. Hallo,ik heb net je kotertje gered, ondankbaar secreet. Ze floept bliksemsnel ’t water weer in en het herenigde gezin zet er de sokken in. Fijn dat het eendje niet in zijn eentje achterblijft.