IJmuiden

 

‘Het kost maar vijftig gulden!’ roept Schone Zus, ‘en daarvoor krijgen we een lunch en materiaal om een schelpentaart te maken.’ ‘Vijftig piek…zo weinig maar?’ zeg ik, en denk meteen: oh lord, dan zit alles vast al vol. ‘Zal ik ff bellen of er nog plek is?’ vraagt Zus. ‘Ja,ja,ja!’ spoor ik haar aan. Laat het lot ons nou gunstig gezind zijn; er zijn nog twee plekjes vrij.

 

Opgetogen over ons uitstapje rijden we naar IJmuiden. Oké, ’t is een pokkeneind rijden, maar  we krijgen er wat voor terug. Denken we…Eenmaal terplaatse blijkt de beloofde lunch te bestaan uit een klein broodje dat zo in mijn holle kies past. Tijdens het verorberen ervan geeft de juf een korte instructie of uitleg; hoe jij het noemen wilt. Wij geven het geen naam, want het inschenken van ons glaasje ranja duurde langer dan haar praatje. Daarna worden we het paviljoen uitgejaagd. Pardon? Ja, je denkt toch zeker niet dat zij – de creajuf – zoveel schelpen heeft? Iedereen moet zijn eigen voorraad rapen.

 

Big deal, schelpen genoeg, zul je denken. Vergeet ‘t! Het is vloed en de paar schelpen die er liggen moeten we ook nog met achttien andere workshoppers delen. Likkebaardend loer ik naar het emmertje tjokvol schelpen van een klein meisje. Wat een oogst! Ik zou ’t zo  van haar af kunnen pakken. Dankzij ons doorzettingsvermogen en creatieve inslag (ach ja, dat heb je of je hebt het niet…) fabriceren we toch nog leuke schelpendecoraties.   

 

Gedreven door onze hongerige magen gaan Zus en ik op jacht naar een restaurant. Maakt niet uit wat voor een het er is, als er maar véél eten is. Het wordt een Chinees. Binnen wordt het deprimerende pling-plong-muziekje enigszins goedgemaakt door een vijver met fontein in het midden van de zaak. De ober die onze bestelling opneemt, draagt een smerig jasje vol vlekken. Daar kunnen ze in de keuken soep van koken. Die bestellen wij dus niet. Eerst willen we drinken, want oh mensen, kinderen, wat hebben wij een dorst. Ons eerste drankje is niet veel meer is dan een druppel op een gloeiende plaat. Onze nood is dermate hoog dat we verlekkerd naar de vijver loeren. We beheersen ons. Nog wel.

 

Buiten kuiert een zwarte hond over straat die bij niemand schijnt te horen. De etenslucht die vanuit het restaurant naar buiten waait, prikkelt zijn neus. De hond denkt vast: komt dat effe goed uit, ’t is etenstijd en de deur staat ook nog open! Staartzwaaiend stapt hij naar binnen, blikt even rond en loopt recht op de vijver af. Hij lebbert en lebbert. Nou ja, nu hoeven wij niet meer.    

 

De hond heeft niet alleen dorst maar blijkt ook oververhitte zijn, want hij springt hupsekee  de vijver in. Schone Zus en ik kijken elkaar aan: hallucineren wij wegens vochtgebrek? Maar nee, alle aanwezigen kijken verstoord op en zien vol ongeloof hetzelfde tafereel. Iedereen lacht zich suf. Met uitzondering van de bediening dan. Welgeteld vijf obers scharen zich rond de vijver, en roepen om het hardst dat de hond eruit moet komen, maar hun actie blijft volslagen ineffectief. Sterker nog: de hond gaat helemaal los! Hij springt rondjes, hapt naar de stralen van de fontein en blaft naar hartenlust.

 

De eigenaar komt erbij en zoekt een vrijwillige ober. Ja, stoten Zus en ik elkaar aan, neem die ene ober met dat vuile jasje! De baas laat zijn oog op een ander vallen. Nou, die vrijwilliger gaat dus niet de vijver in, hè. Nee. Nooit. Never. Schone Zus en ik hebben zachte buikkramp van het lachen. (Wat een geluksvogels zijn wij toch, hè?) Rood van nijd geeft de baas het goede voorbeeld en zet zelf één been in het water. Dat is genoeg. De hond houdt het voor gezien en springt de vijver uit. Het beest lekt aan alle kanten. Druipend schudt hij zich te midden van het personeel vakkundig uit. Alle klanten houden hun buik vast van het lachen, al voelt het een beetje als burgelijke ongehoorzaamheid. De hond kan er niet mee zitten en vertrekt net zo makkelijk als hij gekomen is. Ik zou gezworen hebben dat-ie lachte.

  

Boeken voor Kika

 

Zaterdag 25 juni: zomerbraderie bij ons in ’t dorp.

Man sjouwt zich een hernia aan de volle dozen, terwijl Kind de marktkraam inricht. Als Bazin van de kraam doet ze ’t uitstekend, alleen is ze veel te goedkoop. Vijftig cent voor een boek? Het eerste wat ik doe als ik kom is de prijs opdrijven: minimaal een euro per stuk. Er moet wel verdiend worden!

 

We hebben hulp van Vriendins Moeder, maar er zijn helaas weinig klanten. Het plenst, we staan op een hoek, hebben het koud en krijgen de koude pies. Ondertussen hebben we alle tijd om naar onze buurjongens te kijken, die aan de lopende band verse puddingbroodjes en aardbeitaartjes met slagroom produceren. Het is niet aan te slépen. Wij zijn jaloers op hun klandizie; wij willen ook verkopen!

 

Alsof dat nog niet genoeg is, bakt de bakker binnen gevulde koeken. Door het openstaande luikje, wappert de ovenheerlijke lucht naar buiten. Oooww, kijken we elkaar aan, ons meegebrachte brood? Kan altijd nog, toch? Kind loopt haar neus achterna en komt terug met een doos vol tompoezen. Ik schenk iets warms in. Wel lullig dat ‘t ineens druk wordt bij de kraam.

 

Je hebt gulle gevers en vrekkige krenten. Een meneer koopt zich glunderd rijk aan vijf oude Kuifjes. Een mevrouw koopt alle kookboeken op. Een dame met een zuinig gezicht vindt anderhalve euro voor een dikke, nagelnieuwe roman teveel. ‘Het is voor een goed doel, mevrouw,’ zegt Kind ferm. Het maakt de dame geen klap uit; meer dan vijftig cent wil ze er niet voor geven. Nou, dan toch niet? Ik koop ’t boek nog liever zelf.

 

Er meldt zich een koper voor onze oude rieten wasmand. De prijs is vijf euro en mevrouw wil de mand voorop haar fiets gebruiken. Ze betaalt met een briefje van twintig. Kind heeft de smaak te pakken en probeert  de te goedkoop verkochte boeken goed te maken door de koper af te zetten. Ze betaalt met een briefje van twintig. ‘Nou bedankt,’ zegt Kind, ‘en veel plezier ermee.’ ‘Eh…ik betaalde met twintig euro, hoor.’ ‘Sorry, mevrouw.’ Foutje, bedankt.

 

De buurjongens duwen van onderaf het zeil een stukje omhoog waarna een stortvloed aan water naar beneden komt. Goh, zou ik dat ook kunnen? Even proberen…‘Niet doen!’ roept Kind. Te laat…het water gulpt van het zeil zo over mijn hoofd de binnenkant van mijn kraag in. ‘Knap stom,’ zegt Kind mild, terwijl ze mijn hoofd droogdept met papieren zakdoekjes. Later heeft ze ongemerkt sjans. ‘Je hebt sjans,’ zeg ik tegen haar. ‘Lekker boeiend,’ zegt ze. Liever eet ze nog een tompoes.

 

Aan het eind van de ochtend wordt het zowaar droog en stromen de klanten alsnog toe. We wisselen weersberichten uit en doen goede zaken. Uiteindelijk nemen we van de achttien tot de nok gevulde dozen er maar vier mee terug naar huis. De totale opbrengst voor Kika…178.50 euro. We hadden liever het dubbele verdiend, maar als je bedenkt dat het om gekregen tweedehands boeken gaat, mogen we niet klagen. Eigenlijk zijn we best tevreden. Zeker als Man het bedrag afrond naar 200 euro. 

Súperstom

 

 

Vandaag heb ik zoiets superstoms gedaan. Eerst wilde ik het hele gebeuren voor mezelf houden uit diepe schaamte alles op te biechten. Maar wellicht dat jullie er lering ende vermaeck uit kunnen halen, dus zodoende heb ik besloten alles eerlijk te bekennen.

 

Met mijn blauwe bolide was ik naar een heel zieke dierbare geweest. Op de terugweg naar huis had ik zoveel om over na te denken dat mijn aandacht voor het verkeer er een beetje bij in schoot. Eén keer keek ik zelfs verbaasd op: rijd ik al hier? goh, niets van gemerkt. Kortom: ik was er met mijn hersens niet bij.  

 

In Kinderdijk sloeg ik op de dijk rechtsaf naar de pont. Op de smalle weg was het razend druk. Wát een volk! Ik hobbelde over het miserabele wegdek, omzeilde parkeervakken, wegversmallingen en geparkeerde auto’s, om tenslotte te constateren dat het eind van de weg leeg en geheel voor mij was. Zo vaak maak ik ‘t niet mee hoor, dat ik met de auto vooraan sta voor de veerboot.

 

In gedachten verzonken zat ik in de auto naar het klotsende water te kijken. Juist op het moment dat de pont halverwege was, tikte er een man op mijn raampje. Een vreemde man. Nietsvermoedend  draaide ik het raam naar beneden. De man zei wel: ‘Goedemiddag,’ maar gezien zijn furieuze blik meende hij daar geen flikker van. Vanwege mijn opvoeding Voor de vorm groette ik beleefd terug. Ik was amper uitgesproken of de man zei nijdig: ‘Mevrouw, wilt u wel achteraan aansluiten, ja! Wij staan hier AL-LE-MAAL te wachten voor de pont!’ Ik keek van ’s mans boze ogen naar de transpiratie op zijn bovenlip. Zijn bakkebaarden waaiden in de wind; hij bewoog zijn hand geagiteerd naar de lange rij auto’s achter me. Met een furieuze blik staarde de man me aan. Meneer, vroeg ik in stilte, kunt u even naar me lachen? Alstublieft? Maar nee, de man was bóós. Ik voelde me net een kleuter en boog beschaamd mijn hoofd. ‘Sorry,’ mompelde ik, ‘dan ga ik maar.’ Ja, dat leek de man ook het allerbeste.

 

In het volle zicht van de naderende pont keerde ik mijn blauwe blik en reed langs de lange rij wachtende auto’s, zodat ik achteraan kon aansluiten. Alle inzittenden keken naar me. Kijk niet zo, dacht ik, we hebben allemaal toch weleens wat? Alsof er geen belangrijkere zaken in het leven zijn. Een enkeling trakteerde me op een gestrekte middelvinger. Onderhand ben ik wel over de “parkeerschrik” heen. Nu die andere schrik nog. 

Kinderarbeid

Heb je een mes? Dan kun je bij ons thuis de sfeer snijden. Want Kind is jong en ze wil van alles maar geen toetsweek. Ze ploetert zich met veel gezucht en gekreun door bergen toetsen heen. Is eerst verdrietig, daarna des duivels.

 

‘Hierzo,’ foetert ze, ‘wat is nou het nut van de term “zeer onedele” metalen, als je dat “zeer onedele” ook kan vervangen door een drieletter woord dat exact de lading dekt? Bovendien,’ vervolgt ze in  mitrailleurtempo, ‘hebben die toetsen geen enkel nut, want de cijfers zijn alleen maar voor mijn overgangsrapport, en tssss… over ga ik toch wel. En die leraren, hè, moet je ze  horen klagen! Dat het voor hun heus geen lolletje is om alles na te moeten kijken. Huh, zij geven toch die toetsen op? Nou dan. En het zijn der-tien toetsen hè, der-tien! Zoveel heb jij er nooit hoeven maken,’ zegt ze jaloers tegen mij. ‘Wel waar, dat heb je me zelf verteld! En straks moet ik ook nog door die plensbuien dat hele roteind naar school fietsen. Kinderarbeid. Dat is het. ’t Mos nie magge.’

 

Zo sleept ze zich voort van dag tot dag. Zelfs Bella moet het ontgelden. Wanneer die met haar voorpoten over Kinds voeten krabbelt voor een handje aandacht, duwt Kind haar weg. Bella is een volhoudster, rent ter afleiding een rondje om de tafel en bijt daarna vol overgave in de pijpen van Kinds spijkerbroek, want aandacht krijgen zál ze. Als ook dat niet helpt, knabbelt ze door Kinds sokken heen aan haar tenen. ‘Bella, opzouten!’ Zeg nou zelf, wat heb je aan een slecht opgevoed en sloerig konijn als je nog negen toetsen moet leren?

 

Na het eind van de eerste toetsdag roept ze knoerhard, nog voordat ik de voordeur helemaal geopend heb: ‘Whoeaaa! de rest van mijn leven hoef ik nooooit meer scheikunde en Grieks te leren!’ Klopt. Die vakken laat ze vallen als een baksteen. Binnen ploft ze innig tevreden neer op de bank; al is ’t slechts van korte duur.

 

Ik ga Kind bed verschonen en de schone was in haar kast leggen (soms is ’t  beter als je je tijdelijk wat soepeler opstelt.) Boven haar bureau kijk ik naar haar memobord. Ik lees en lach. Typisch Kind.

 

De kerstmarkt in Keulen is inderdaad al lang voorbij. En ook de Duitse lessen  want dat vak laat ze ook vallen. In de vierde klas blijven meer dan genoeg vakken uit haar versgekozen profiel over, maar die opmerking kan ik maar beter bewaren voor na de vakantie…

 

 

Vaderdag

Vaderdag  2002

Struikelend over haar eigen woorden ratelt Kind aan één stuk door. Wat ze aan het maken is  op school! Ik mag het niet verder vertellen, ’t is zwaar geheim. Een geheim voor papa. Maar waar het hart van vol is, loopt de mond van over. Het is zo mooi, en zo lekker, zelf lust ze het ook. Oh, kon ze haar mondje maar stilhouden, maar het zelfgemaakte Vaderdagcadeau brandt op haar lippen.  Een geluk dat de juf van groep 4 dat ingecalculeerd heeft, en het cadeau pas vrijdagmiddag mee naar huis geeft.  

 

Even lijkt ‘t erop dat wij Vaderdag al op vrijdag gaan vieren, maar met kunst en vliegwerk weet ik dit te rekken tot zondagochtend. Dan is er geen houden meer aan. Niks wachten op ontbijt op bed, da-hag koffie. Met zonsopgang springt ze met haar volle gewicht op papa’s brede rug. Eindelijk is het zijn dag, nou ja, háár dag. Glunderend van trots reikt geeft ze hem het cadeau. Het liefst zou ze het nog uit zijn handen trekken om ‘t zelf uit te kunnen pakken.

 

Het papier is eraf, haar spanning stijgt. Het versje erbij zegt ze zó razendsnel op, dat haar woorden grotendeels langs ons heengaan. De laatste zin, het laatste woord, een diepe zucht, pfff, het geheim is volbracht.

 

Maar wat is ‘t? Een eigenhandig geverfd glazen potje waarvan het dekseltje is versierd met een kunstig geknipt kleedje. De inhoud slaat alles: een boterhamzakje met spekkies; heerlijke zachte geel/roze spekkies. Omdat papa zo zo zoet is. Bijna krijgen hij en ik een brok in onze keel ware het niet dat een klein detail roet in de spekkies gooit. In plaats van een zoete spekkieslucht ruikt de inhoud naar iets totaal anders. Het alles overheersende aroma van zilveruitjes.

 

Het zakje spekkies verhuist naar het snoepkastje. Het potje met gedicht blijft eenzaam achter in papa’s nachtkastje. Na enkele maanden komt de lucht van zilveruitjes je tegemoet als je het laatje opentrekt. Na nog langer is de lucht in het kastje niet meer te harden en verdwijnt het potje in de glasbak. Alleen het versje op papier wordt bewaard, wat ook naar zilveruitjes ruikt… Maar  zoete woordjes overwinnen elke lucht.

 

 

 

Een poes in een mandje

Vóór me – een meter of tweehonderd – ligt een hoopje ellende op de polderweg. Wat zal het zijn? Vast een kat. Hij ligt ongeveer een meter uit de berm en tegemoetkomende auto’s negeren het dier en jakkeren door. Ik word daar altijd een beetje droevig van.

Een klein wit autootje stopt langs de kant van de weg op hetzelfde moment dat ik mijn fiets tegen een treurwilg stal. We knikken elkaar gedag. Zij is nog jong, hooguit een jaar of twintig. ‘Is ie dood?’ vraagt ze aan mij, op een toon dat ze het ergste vreest. ‘Ik weet ’t niet,’ zeg ik. Ik buk en voel. Het dier is nog warm; ik schrik ervan. En ja, hij is dood.

De Witte wil de kat best oppakken, maar ergens ook liever niet. Er zijn leukere dingen dan dode dieren van de straat plukken. ‘Zal ik vragen of de kat van die boerderij daar is?’ vraagt ze, gebarend naar de hoeve rechts van ons. Goed plan. Ik til voorzichtig de kat op. Zij loopt voorop, ik volg. Aankloppen hoeft niet, want de boerin heeft ons al gezien. Ze draagt een gebloemd jasschort, heeft appelwangen en het gezicht van een zuurpruim.

‘Is deze poes van u?’ vraagt de Wit op de vrouw af. Gelukkig blijkt de boerin een warm en meelevend mens te zijn. ‘Geen idee,’ zegt ze, ‘we hebben er zóveel…’ Ze haalt haar schouders op.  Zonder iets te zeggen loopt ze weg. Sta ik hier met die dode kat in mijn handen. Moet ik ‘m nou ergens neerleggen of wat? De zuurpruim komt terug met een rieten mandje, zegt niets, trekt zo ongeveer de poes uit mijn handen en legt ‘m in het mandje. Ze kijkt.

Toch zeker wel een seconde lang. Toonloos zegt ze: ‘Ja, die is van ons. Ik zal tegen de knecht zeggen dat ie ‘m mot begraven.’ Ze veegt haar handen af aan haar schort, kijkt ons aan van: dat hebben we dan ook weer gehad en zouden wij  niet eens gaan? Ik draai me al om om weg te lopen, maar de Wit staat daar maar stilzwijgend naar het dode dier te kijken. Er biggelt een traan over haar wang. ‘Wou je soms nog afscheid van ‘m nemen,’ snerpt de boerin vinnig, ‘je kent ‘m anders nog maar net.’ Wat een dragonder van een wijf. Waar slaat dat nou op? Je ziet toch dat dat kind van slag is? Wie weet heeft ze nog nooit eerder een dood beest gezien. Ik zend de boerin ‘Wat zal uw schoonfamilie blij met u zijn,’ bijt ik haar toe. Woest is ze. Wijdbeens, zwaait ze met een vuist en gooit ze er de ene na de andere vloek uit. Mevrouw Flodder in het kwadraat.

Ik grijp de Wit bij een arm en sleur haar bijna met me mee. Nijdig knerpen onze voeten over het grind. Bij de weg aangekomen barst de Witje in snikken uit: ‘en ik schaa-haamde me nog wel dat ik de ka-hat niet durfde op te pah-hakken…en zij… en zij…’ snikt ze. Ik wil haar opbeuren maar kan zo snel niets verzinnen; ik sla maar een arm om haar heen. Zo staan we daar een paar minuten. ‘We hadden een paar handjes kiezelstenen naar dat takkewijf haar hoofd moeten gooien,’ zeg ik rebellerig. De Wit grinnik. ‘Wees trots op jezelf dat je gestopt bent,’ zeg ik, ‘en dat jij wel om dieren geeft.’ ‘Ja, zo kan je ’t ook zien,’ zegt ze. Haar tranen veegt ze weg met de mouwen van haar jas. Ietsiepietsie gerustgesteld loopt ze terug naar haar auto.

Cheers

 

‘Jemig Kakel, waar zat jij al die tijd?’ hoor ik een bekende stem naast me zeggen. Ik schrik me de schompus.   

‘Jaap, jongen,’ grijns ik. Jaap lacht terug, maar anders dan anders. Alleen zijn gezicht lacht; zijn ogen doen niet mee.

‘Kakeltje, waar zat je al die tijd?’

‘Thuis.’

‘Thuis? Wat deed je dan?’

‘Ik deed aan bankzitten,’ leg ik uit.

‘Voel jij je wel helemaal lekker?’

‘Nou, toen niet, nu weer een beetje wel.’

‘Zoals gewoonlijk praat je weer in raadsels. Nog net zo knettergek als altijd.’

‘Dankje,’ zeg ik. Schoorvoetend geef ik toe dat ik alleen een rondje Vlist gefietst heb. ‘En waar ben jij geweest?’ 

‘Eh…net zo ver als jij, vijftig. Ik fiets alleen dichtbijrondjes, want ik wil binnen een straal van 25 km van thuis blijven.’ Stilte. Hij kijkt me betekenisvol aan.

‘Hoe gaat ’t met Riet?’vraag ik.

Jaap schudt zijn hoofd. ‘Slecht,’klinkt het somber, ‘de chemo is niet aangslagen…ik fiets alleen als één van de meiden bij haar is. Verder wil ik ‘t er niet over hebben.’

Okee. Ik knik.

 

Een tijdje fietsen we zwijgend naast elkaar. Het water klotst tegen de dijk. Een scooter scheurt rakelings voorbij. Aan de overkant draaien de molens van  Kinderdijk niet: te droog. Gierzwaluwen zijn op vliegenjacht en scheren laag over. Het is waarachtig zomers weer. De zon hangt in een stralend blauwe lucht. Voor sommigen doet dat er helemaal niet toe. Zo oneerlijk… Bijna ben ik thuis. Jaap verbreekt ons stilzwijgen: ‘Zullen we nog effe wat drinken bij Schippers?’    

‘Ja das goed.’

Hup. Met fiets en al rijden we naar binnen. Gouwe vent die kroegbaas.

 

‘Ik trakteer,’ zeg ik.

‘Nee ik,’ zegt Jaap. Ik heb geen zin met hem te bakkeleien.

‘Doe maar ‘n oud bruintje of ‘n kriekje,’ zeg ik, ‘en neem er zellef ook één.’ Niet veel later hebben we allebei een biersnor. Dan loopt Jaap weg, naar buiten toe. Hij voert ongetwijfeld weer iets in z’n schild, de linkmichel. Hij komt weer binnen maar door de andere deur. De deur die het dichtst bij de tap is. Jaap kijkt naar mij of ik naar hem kijk. Ik doe net of ik gek ben. Dat kun je met een gerust hart aan mij overlaten. Met een scheve grijns komt Jaap op me afstappen, en met een TA-Da…duwt hij mij mijn eigen bidon in m’n handen. ‘Alsjeblieft,’ zegt hij, ‘voor jou.’ Ik staar naar de inhoud en ik schenk hem een gulle lach. Jaap lacht van oor tot oor. Heel even doen zijn ogen ook mee. Mijn bidon is tot de nok gevuld… met bier. Die Jaap, echt een fijne man. Ik knijp eventjes in zijn arm. Kon ik maar “cheers” tegen ‘m zeggen…

 

Een nieuwe hulp

We hebben een nieuwe huishoudelijke hulp, Kathinka. Ik zag haar “hangen” op het prikbord bij Appie. Ze is hier thuis een praatje komen maken, heeft het huis gezien, en ja, ze wilde wel. Mooi, wij ook. Althans… wij?

‘Wanneer komt eh… Karin schoonmaken?’ vraagt Kind. ‘Kathinka heet ze,’ zeg ik. Kind haalt haar schouders op; lekker belangrijk hoe ze heet. ‘En ja, ze komt bij ons schoonmaken. Ik doe beneden en zij doet boven.’ ‘Ook mijn kamer?’ vraagt ze op een toon van: hoe haal je het in je hoofd om een vreemde in mijn kamer te laten. Ineens is nonchalance verdwenen. ‘Ja, natuurlijk óók jouw  kamer.’ Juist haar kamer, want daar hebben al onze spullen gestaan tijdens de “renovatie” boven.  Voor Kind was er nauwelijks plek om bij haar bedladdertje  te komen. ‘Mag ik niet zelf mijn kamer schoonmaken?’ stelt Kind voor.

Sorry, mag ik even overgeven  heel hard lachen? Dat valt niet in goede aarde en ze zet ogenblikkelijk haar bokkenpruik op, die, sinds ze pubert, bij haar standaarduitrusting hoort. Gewoon negeren, is mijn credo. Kind en haar kamer schoonmaken, oh oh, hoe verzínt ze ‘t? Want hebben wij niet een jaar of drie, vier geleden afgesproken dat zij haar gedragen kleding niet laag over laag over haar stoel drapeert maar ze sorteert? Nog schoon: terughangen in de kast. Vuil: op de zoldertrap leggen? En haar schone onderbroeken enzo zèlf in haar kast leggen? Zelfs dat is al teveel moeite, dus nee, Kathinka komt morgen ook haar kamer onder haar handen nemen.

‘Jij moet tegen haar zeggen dat ze niet in mijn kasten mag kijken.’ ‘Ik moet niks, en ik vind dat een stomme opmerking. Denk jij dat het haar interesseert dat jij twintig flesjes nagellak in je kast hebt staan?’ Nu is ze helemáál beledigd. Alsof zij troep in eigendom heeft! Wat scheelt het, denk ik, als ik haar laptop even buiten beschouwing laat. Okee, ze heeft ook een behoorlijke collectie boeken, maar die staan óp de kast. ‘Kan jij niet boven schoonmaken en zij beneden?’ ‘Nee,’ zeg ik, ‘punt.’ Kind haalt luidruchtig haar neus op, zegt naaiend, en verlaat de woonkamer. De deur doet ze achter haar dicht. Zonder gooi- en smijtwerk. Ze blijft me verrassen mijn enige enig Kind.

Een half uur later kom ik haar kamer binnen met de stofzuiger. ‘Waarom kom jij mijn kamer zuigen als de hulp morgen komt?’vraagt Kind. Een goed punt. ‘Ja, als de hulp al die stofvlokken ziet, voel ik me zo’n slechte huismoeder,’leg ik uit. Ze trekt een gezicht dat zich moeilijk laat omschrijven, maar waaruit blijkt dat ze moeders een hopeloos soort mens vindt.

Kind komt ook helemaal niet meer terug op het gesprek over de nieuwe hulp. Zelfs de volgende ochtend niet, als ik haar uitwuif. Verbazingwekkend, want meestal is ze zo vasthoudend als de pest.

Enkele dagen later sluit ik het fototoestel aan op mijn lappie om de foto’s op te slaan. Ik loop ze na en sorteer ze uit. Die laatste foto’s…allemaal genomen in Kinds kamer… Kasten geopend. Niet haar kledingkast maar die met haar “hebbedingen.” Aha…! denk ik. Dáárom heeft mevrouw het onderwerp niet meer ter sprake gebracht. Ze heeft geheel op eigen wijze bewijsmateriaal vergaard van haar eigendommen. Ik weet niet of ik nou moet lachen of moet huilen…

Lief portret

‘Oh, wat is dat voor foto?’ vraagt Kind. Terwijl ze het zegt, grist ze ‘m van het kastje en bekijkt ‘m in haar handen. Ademloos bestudeert ze het portret. Is het een foto van een gestorven favoriet huisdier? Nee, ’t is een persoon. Een popidool dan? Zoiemand als Justin Puber? Niet helemaal.

‘Deez is al oud zeker,’ zegt ze.
‘Ja, 1600 Slag bij Nieuwpoort,’ zeg ik, ‘vèr voordat jij geboren werd. Om precies te zijn één jaar.’
Ze knikt. Tevreden met het antwoord zegt ze: ‘de foto is nu van mij. Ik zet ‘m op mijn kamer.’ Ze vraagt het niet, ze deelt het alleen mee. Ze draagt de persoon op de foto op handen naar haar kamer. Nu staat ie op haar bureau en ze is er als een kind zo blij mee.

Een foto van haar vader uit 1995.

De rappere didder

 

                                    Daar kwam de rappere didder Rien,

                                    gewapend met zwans en laard. 

                                    Hij had het zonkje niet gestrien,

                                    en ponderde van zijn daard.