Hatsekidee, lekkere hapjes!

Meteen bij binnenkomst overvalt ons een groot geluksgevoel. Oh, oh, kom er eens kijken. Gehypnotiseerd staren we naar de bakken draaiende, vloeibare chocola. Als mijn mondhoeken ergens van gaan krullen is het daar wel van.  

 

De chocomeneer – die een gedienstige lakei van het vrolijkste soort blijkt te zijn – geeft ons uitleg over: de palmplantages; het kappen en klieven van de cacaovruchten; het drogen van de pitten op palmbladeren; en het transport ervan in jute zakken per schip naar Amsterdam en Antwerpen. En wat er in de fabriek allemaal bij komt kijken voordat chocola ook écht chocola is. Hij praat en praat. Maar praatjes vullen geen gaatjes en wij willen NU chocolade!  

 

Hè, hè, als we eindelijk mogen doen waar we voor gekomen zijn, leven acht volwassen vrouwen (nou ja, 7 ¾…) verlekkerd op. Als eerste maken we een bonbonnière van chocola, die later gevuld wordt vullen met zelfgemaakte flikken, handgemaakte bonbons, en bonbons uit een mal. Die mal is te vergelijken met een ijsblokjeshouder en simpeler kun je de bonbons niet maken: je houdt de mal onder de stromende chocola en hij loopt vanzelf vol. Met een speciaal mes strijk je het teveel eraf, waarna je de mal ondersteboven houdt zodat er een dun laagje chocola achterblijft. Zo weinig maar?    

 

Ik kijk zo beteuterd dat de chocoman zich haast te zeggen dat er straks daardoor meer vulling in de bonbons kan. En had hij niet gezegd dat we per ongeluk expres klodders chocola op onze vingers mogen morsen? En dat álles op mag!  Hij dacht nog wel dat hij dat tegen zoetekauwen maar één keer hoefde te zeggen. Met zijn allen maken we vrolijke herrie, op één mevrouw na. Zij – een zeurmens in een zelfgemaakte jurk – loopt rond met het gezicht van een oorwurm en levert overal commentaar op. Kind kijkt me veelbetekenend aan. ‘Gewoon negeren die handel,’zeg ik. Want ons groepje van 4 vermaakt zich opperbest.

 

Het verwerken van chocola gebeurt in etappes. Elke laag die wordt gegoten moet opstijven in de koelkast. Dan pas kan de volgende laag er overheen kan. Met kleine spuitzakjes vol vloeibare chocola in de meest vurrukkulukke smaken, vullen we de bonbons en maken we flikken. Als laatste krijgen we bonken rode marsepein om roosjes van te vouwen. Die van mij lijken meer op tulpen en Kind kneedt zondermeer de mooiste. ‘Heb jij thuis stiekem geoefend?’ vraagt de chocoman. Oma vertelt trots dat Kleinkind uitblinkt in taarten versieren. Prima, denk ik, beter taarten dan jongens.  

 

Met rode hoofden en bruine vingers stappen we tweeënhalf uur later met een berg lekkers blij naar buiten. Maar niet voordat onze flitsende creaties poepchic worden ingepakt en voor “net  echt” kunnen doorgaan. Ik kan de chocoman wel zoenen op allebei zijn wangen. Het was ons met recht een waar genoegen!    

 

Buiten schijnt de zomerzon uitbundig. In de kokende auto voltrekt zich een ramp: al het lekkers smelt voor onze ogen. Koelte toewuiven helpt niet. Kind is er nog erger aan toe dan de chocola. Wanneer we Oma thuisbrengen, krijgen we van Opa koeltassen mee. Eind goed, al goed!   

 

Nou, voorlopig ben ik ff niet bereikbaar. Ik moet chocolade eten.

  

Loopoog

 

Bobo heeft een loopoog. Het oog kan niet ver weg zijn, want Bobo’s buitenhok is niet zo groot, maar hij wil z’n oog wel terug natuurlijk. Lang geleden heeft hij al een oogje op Bella laten vallen (plop), dus de toestand is precair zullen we maar zeggen.

 

Dat loopoog wordt veroorzaakt door zijn vieze kontje. Want. Konijnen poepen ’s ochtends zachte keutels en die eten ze op. Dat hoort zo. Want. Daar zit vitamine B in. Nee, nee, ik verzin dit niet (maar toch bedankt voor ’t compliment ;-)) Helaas kan Bobootje zijn ochtendkeutels niet opeten omdat hij te dik is. Ook bij Bobo gaat elk pondje door z’n konijnenmondje. Elke ochtend zit ie trouw kwijlend op me te wachten. Door onze goede gaven groeit hij langzaam dicht. Zielig he?

 

Maar goed, dat vieze kontje dus. Vies = ronduit smerig. Een dikke aangekoekte klont met slierten stro en hooi ertussen. Wij zijn hier qua agrarische luchten grondig gehard door de immer mestende boeren. Daar trekken wij ons neusje niet echt meer voor op. Maar als we Bobo ruiken…? Mensenkinderen! De strontvliegen zijn niet bij ‘m weg te slaan. Je zal ’t maar hebben. Dus moet klontje voor klontje er afgeknipt worden.  

 

Kind was “toevallig” in geen velden of wegen te bekken, dus plantte ik Bobo bij Man op schoot die ‘m stevig in de houdgreep nam. Met de snoeischaar ging ik op zoek naar Bobo’s privéplek. Alle vier zijn pootjes trilden van angstschrik. Met latex handshoentjes bleek het niet te doen, nou ja, dan maar poep onder mijn nagels  aan de vingers. 

 

Om een vies verhaal niet vuiler te maken, zal ik er slechts nog één ding over zeggen: de operatie lukte. Broer Konijn was een voorbeeldige patient. Hij klaagde niet dat ’t lang duurde ofzo. Nu kan hij met zijn schone kontje weer ongeremd genietend door de tuin dartelen zonder hordes strontvliegen achter ‘m aan. Zie hem die achterpoten in de lucht gooien. Voelt zich heer en meester in de tuin: Ruim baan! Ruim baan! hier kom ikke – Bobo – aan! Totdat een verliefd stel tortels op de voederplantk landde. Toen zocht ons  geschrokken Konijn dekking in het struweel…  

 

Het kruis

Met piepende remmen kom ik tot stilstand. Godallemachtig! Eén of andere klojo in een “geblindeerde” auto gooit zich totaal onverwacht voor de mijne. Ik voel zijn bas in mijn auto dreunen.  Pissig toeter ik lang en hard, want anders kom ik niet boven zijn geboenk-boenk-boenk uit. 

 

Meneer stond te wachten bij de uitrit van een benzinestation om in te kunnen voegen.  Ik was de laatse auto in een rijtje van vier. Na mij was heel de weg leeg. Op het laatste moment propte meneer zich toch tussen auto nummer drie en mijn blauwe koets in.  

 

Oh, nu trapt ie op de rem. Wat gaat ie doen? Uitstappen. Jémig. Vliegensvlug doe ik mijn portier op slot. Moet je zien hoe ie gast erbij loopt: hemd open tot zijn navel; experimentele gezichtsbegroeiing; een nepgouden ketting waaraan een kruis woest heen en weer bungelt, en een gouden tand die blinkt in het zonlicht. En dan die broek! Het kruis hangt nog lager dan op half zeven. Koop een harembroek, denk ik, dan voelt ie zich de volgende keer wat minder snel in z’n kruis getast. Hij komt steeds dichterbij. Eng dichtbij. Zijn gezicht zegt: ik zal dat varkentje eens even wassen. Toevallig heb ik dat vanochtend zelf al gedaan.  

 

Als ik niets doe, staat ie straks voor mijn neus. Moet ik met een stuk glas tussen ons in welles/nietes gaan roepen, of tegen zeggen dat ie een zweer op zijn jongeheer kan krijgen. Hup Sarah  dóé iets! Ja, maar wáttan?

 

Ineens weet ik ‘t. Achter me is de weg leeg. Nog steeds. De baan van de tegenliggers is ook leeg. Hup, auto in z’n achteruit, een flinke dot gas, weer in z’n vooruit, en ik zet koers in de richting van de meneer met het korte lontje. Pas maar op, ik rijd zo over je kruis heen! Slalommend tussen hem en zijn auto rijd ik de verkeerde weghelft op. Als de weerlicht rijd ik weer naar rechts, jakker flink door en rijd voor één keer door een rood stoplicht, zó achter een vrachtwagen aan. Pfff, was dat schrikken… Die gast zie ik nooit meer… te-rug!