Vezels geven (een) hoop

Eén van mijn motto’s is: ik wil niet wat ik moet. Maar moet ik dan, dan kan ik niet. Best lastig, een trage stoelgang. De ellende begon toen ik stopte met roken en staaltabletten ging eten. Geen intelligente combinatie. Na het verbeteren van mijn PR met acht dagen, kreeg ik pas echt aandrang tot actie over te gaan. Ik zou mijn darmen eens een poepje laten ruiken! Want noem iets op en ik had het geprobeerd: pruimen, vruchten, vocht,  volkorenproducten, pruimen, hele halve ontbijtkoeken met vette roomboter, roggebrood, en heb ik al pruimen genoemd? Sinds die tijd vreet ik vezels. Die koop ik bij de buurtsuper, ze zien eruit als bruine staafjes en ze smaken naar helemaal niks. Maar lèkker dat mijn ingewanden het vinden. Ik sjouw de korrels in een blikje met me mee.   

 

Ook naar verjaardagen.

Bij familie krijg ik behalve koffie met taart (één stukje maar? stelletje vrekken), automatisch een glas water. Maar ja, behalve familie zit er ook weleens een onbekende tussen. Al die tijd wordt er gezellig gekletst, behalve door de vreemde eend in het gezelschap. Die kijkt een tikkeltje verwonderd naar mij als ik mijn doosje met korrels voor de dag haal. Nietsvermoedend eet ik mijn vezels, klok ze weg met het glas water en dan ben ik er klaar voor:  laat alle taart maar tot mij komen!  

 

‘Wat eet jij daar nou?’ vraagt de onbekende (precies op het moment dat ik een hap taart neem, hè.)

‘Euh… (flink doorkauwend), ‘… dat zijn vezels.’

‘Vezels? Waarom eet jij vezels?’

‘Omdat ik anders niet naar de wc kan.’

‘Oh…hoe bedoel je?’

Nou ja, zeg! Hoe bedoel je? Moet ik het soms spellen? ‘Ik heb een trage stoelgang,’zeg ik beleefd. Dit antwoord zal toch wel genoeg zijn?

‘Waar zijn die vezels dan voor?’ Shit.

Dan gooi ik het hoge (nood)woord er maar uit: ‘Omdat ik anders niet kan poepen.’ Bij het woord poepen vallen altijd de gesprekken stil. Mirjam weer zeker? denkt de familie. Ja hoor, mensen, ’t is weer zover, hahaha. Poep en drol is altijd lol. Voor de meesten dan. Want wie poept er nou niet? Van huisgenoten weet ik bijvoorbeeld dat ze een zuchtje slaken en hopla, er staat weer een remspoor in de pot. Zonder teveel in details te treden, een iemand doet het zelfs met de deur wijd open zodat de conversatie geen vertraging oploopt.     

 

Mensen, mensen, tot nu toe ben ik nog niemand tegengekomen die mij begrijpend toeknikt. In al die jaren niet! Dat verbaast mij, want als je de media moet (eh… mag) geloven, kan niemand meer een behoorlijk eindproduct fabriceren zonder drankjes en yoghurtjes.

 

Daarom mijn vriendelijk verzoek: als je iemand ziet met een Jip & Janneke-blikje vol met bruine staafjes, knik dan even begrijpend, want dan ben ik dat. Daar knap ik van op. Echt. Anders heb ik steeds het gevoel dat ik als enige mijn hoop moeizaam kan laten varen…

  

PS: ik hoop niet dat je te schijterig  bang bent om een boodschap achter te laten.

PS PS: Bella vindt de korrels een ware delicatesse. (Niet dat zij ze nodig heeft…)

Oma aan de top

Ze ziet zo wit, dat je niet ziet waar haar hoofd ophoudt en het kussen begint. Haar gezicht is getekend door zwarte randen onder haar ogen, en de kilo’s die ze thuis zo naarstig probeerde af te vallen, raakt ze in het ziekenhuis met het grootste gemak kwijt. Ze heeft out of bed hair, maar dan van heel de dag in bed liggen. Maar zodra ze Kind ziet, straalt ze. Kind geeft haar een dikke pakkerd en houdt haar hand vast. Ik omhels haar.

Dat Schoonmama me zo dierbaar is geworden na die moeizame beginjaren. Zij vond mij een spring-in-‘t-veld die drastisch gesnoeid en in een korset gehesen moest worden. Ik vond haar oerdegelijk saai. Alsof ik na 10 km hardlopen moest ademhalen door een rietje. Volgens haar was ik totaal ongeschikt voor haar Jongste, maar tegen liefde is geen kruid gewassen. Na de komst van Kind werd de sfeer luchtiger. Gelijk een koekoeksjong vrat ze Oma’s fruithapjes – nog niet gehinderd door een allergische aanval van zoveel verse vruchten – en Opa speelde Wildemannetje en Jan Huigen. Als dank kregen ze  harde boeren, spuitluiers en natte zoenen.

 Ik kijk Schoonmama in de ogen en zie verdriet. Onpeilbaar verdriet. De kanker heeft zich een weg door haar lichaam gevreten, woekert rond in vitale organen en neemt pats! boem! heel de regie over.  Ze is flink. Als het haar tijd is, zegt ze, dan gaat ze, klaar. Daar doet zij niet moeilijk over en dat moeten wij ook niet doen. Ze is 81 en telt haar zegeningen: ze  heeft een lieve  man gehad, kreeg twee gezonde zoons en vier gezonde kleinkinderen, maar  wat zou ze graag terug willen naar haar huisje.

We proberen haar te verleiden met lekkers. Wat zullen we de volgende keer voor haar meenemen? Kaakjes, drop, chocola, kaasstengels, spritskoeken, appeltaart met slagroom, een glaasje boerenjongens…? Ze bedankt voor elke traktatie: niets smaakt haar meer.

Het bezoekuur is snel voorbij. Hier, zegt Oma tegen Kind, neem nog een handje drop mee voor onderweg, en niet op de verhoging van de pont gaan staan hè, want die is glad en dat met deze harde wind. We zeggen gedag, een laatste zoen. Zwaaien. Kind holt halverwege de gang nog terug voor het geven van een kushand. Kom, wenkt ze mij. Ik kom. Kijk, Oma heeft haar ogen al dicht. Ze is moe geworden van ons bezoekje. Mijn hart huilt.

Disobey the system

 

Met een zwaai vliegt de deur open. Tegen zoveel kracht ben ik niet opgewassen en ik word bijna geplet tussen de deur en de muur. Mijn humeur ligt altijd op mijn gezicht voor het oprapen en pissig kijk ik de persoon in de ogen. Mijn nijd verdwijnt op slag als ik zie wie het is: een bloot hoofd met korte stoppeltjes, twee doodringende ogen en een smerige grijns. Allebei moetenwe bijkomen van verbazing.
‘Wat doe jij hier, Kakeltje?’ vraagt Jaap streng.
‘Ik moet plassen.’
‘Het damestoilet is daar.’
‘Daar staan zeven vrouwen te wachten.’
‘Het damestoilet is daar.’
‘Een kwestie van je gedachtepatroon veranderen, Jaap. Jullie plassen thuis toch ook niet gescheiden? En de wc’s zien er allebei hetzelfde uit.’ Daar maak ik een punt. ‘Je ziet wit,’ zeg ik er direct achteraan.
‘Vind je ’t gek? Ik doe de deur open en schrik me meteen de pleuris.’
Je taalgebruik…’

Een meneer duwt tegen de buitendeur van het toilet en gluurt door het raam. Ongeduldig tikt hij met zijn ring tegen het glas. Het moet ook wel een raar gezicht zijn, een man en een vrouw die op hun dooie akkertje staan te bakkeleien op het herentoilet van de Hema.
‘Hup, ga jij pissen. Ik blijf hier staan tot je klaar bent.’
Vliegensvlug doe ik mijn ding; handen wassen en wij naar buiten.

‘Mevrouw, de dames wc is daar,’zegt de man op norse toon.
‘’U plast thuis toch ook niet gescheiden?’ bemoeit Jaap zich ermee. ‘En die wc’s zien er allebei hetzelfde uit. Mijn vrouw is niet helemaal lekker en mag op doktersvoorschrift niet te lang haar plas ophouden. Oké? Vriend?’
‘Ja, ja, ja, nee, natuurlijk,’ bindt de man in.
‘Bedankt voor het wachten, meneer,’ gaat Jaap verder. ‘Hier, ik zal de deur wel even voor u openhouden, alstublieft. En een prettige dag nog.’
Wie windt Jaap – ouwe charmeur – nou niet om zijn vinger?

‘Een bakkie, Kakeltje?’
‘Ja, gezellig met mijn eigen man.’
‘Haha, die man zal wel gedacht hebben: die ouwe heeft nog een lekker groen blaadje!’
Tijd geleden dat iemand me ze genoemd heeft.

‘Wat zit je nou naar me te kijken?’
‘Ik herken je haast niet met je kleren aan,’ zeg ik. Te laat hoor ik de woorden van mijn lippen glippen. ‘Ik bedoel natuurlijk zonder FIETSkleren!’ haast ik me te zeggen.’
Te laat.
Mijn reputatie is al geruïneerd. Drie oudere dames hebben het gehoord en stoten elkaar aan. Kijken naar Jaap en mij, en schudden hun hoofd. Ik krijg de kleur van een rijpe tomaat en Jaap hééft ’t niet meer. Hikkend zegt hij: ‘Kakel, je leert het ook nooit!’

Stelletje kaaskoppen

Hier volgt deel 389 uit de wekelijkse bouquetreeks “Boodschappen doen bij AH.”

Ik houd van een lekker stuk en hoe jonger hoe beter. Vrees niet, ik heb het louter over kaas. Elke week is het weer hetzelfde ge-oha, niemand bij Appie kan mij aan een royaal stuk helpen. In grote letters belooft een bord boven de versafdeling: “wij snijden graag een stuk kaas voor u af.” Trap er niet in, je ziet daar nooit een levende ziel.
Gisteren echter, stond er een levend wezen achter de kaas- en worstafdeling. Mijn zijn twee meter brede rug naar me toe stond hij worst te snijden achter een machine.
Hij voelde links een klant en keek stoïcijns naar rechts. ‘Kunt u mij even helpen?’ riep ik boven de snijmachine uit.
Na mijn vraag verdween hij door de klapdeuren naar achteren. De snijmachine stond nog aan.

Oh nee, dacht ik paniekerig, straks loopt er een argeloos personeelslid langs en die zag ik in gedachten  een  vingertopje opraken.
Wat ging het wezen eigenlijk doen? Een collega voor me halen? Had-ie dat niet even kunnen zeggen dan?
Ik wachtte. En wachtte. Behalve wortel schieten, gebeurde er weinig. Ik kreeg sterk de aandrang om met spullen te gaan smijten. In de vitrine lag genoeg: brie, camembert, smeerkaas, geitenkaas…

Kind zei: ’Kom mam, we gaan.’
Nee, ik wilde kaas.
Na vijf minuten kwam er een stagiair informeren of ze ons kon helpen. Heel vriendelijk vond ik dat, en zei: ‘ja, graag,’ en voegde er ‘fijn!’ aan toe, want goed gedrag moet je belonen.
‘Zegt u het maar,’ zei ze.
‘Anderhalve kilo jonge kaas graag.’
‘Eh…mogen het ook twee of drie voorgesneden stukken zijn uit de vitrine?’
Nee, ik wilde één groot stuk.
Kind wipte ongeduldig van haar ene op haar andere been. De stagiair wist niet hoe jonge kaas eruit zag.
‘Die met een groene band,’ hielp ik.
Ze rommelde in de stelling en pakte een kaas. Ze keek bedremmeld. Het was een hele halve kaas en hoe snijd je zoiets?
‘Met de platte kant tegen dat apparaat leggen en dan snijdt-ie er in het midden een vierkant uit,’ adviseerde ik.
Ze deed het geweldig.
En dan?
‘Het mes erin!’
Zo’n groot stuk, vroeg ze, of zo?
‘Ja, doe maar wat,’ zei ik. Een ons meer of minder is onbelangrijk. Het werd een stuk van 1600 gram. Wat een topper van een stagiair!
Oh, en…de prijs, vroeg ze.
‘Daar op het kaartje in het schap.’

Als laatste probeerde ze de kaas in een zakje te stoppen, maar daar zijn de standaardzakjes te klein voor. Vanuit Kinds tenen kwam een diepe, diepe zucht naar boven. De stagiair vouwde een zakje linksom en eentje rechtsom. Deze ingewikkelde militaire operatie had ze succesvol uitgevoerd.
‘Bedankt!’ zei ik welgemeend, ’en tot volgende week!’ Helaas, dan was haar stage voorbij.
Kind kreeg een rolling. Ze was niet in staat op eigen kracht de kassa te bereiken en ik moest haar in het winkelwagentje vervoeren.  Ze kwam pas weer tot rust nadat ik een zakje diepgevroren aardappelkroketjes in haar nek had gelegd.
‘Mam,’ zei ze, ‘doe het de volgende keer als-je-blieft zelf.’
‘Ik heb een beter idee,’ zei ik, ‘voortaan koop ik kaas op de markt. Daar hebben ze er tenminste kaas van gegeten.

Kopzorg

Overal waar ik kijk, zie ik sterretjes. Das niet omdat ik gedronken heb, maar omdat ik de bezitter ben van een knetterende koppijn. Het licht doet zeer aan mijn ogen en mijn maag beweegt alsof ik net een uur in het schip van de Efteling heb gezeten. Mijn tas ligt  leeg gekieperd op het hotelbed. Heel veel fijne spullen liggen uitgestald op de sprei, maar geen paracetamol of – nog beter – een zakje wonderpoeder van de huisarts. Niets. Kwijt. Opgegeten. Hoe kan dat nou? Bergen pillen en poeiers zeul ik altijd met me mee. Niet alleen om mezelf een plezier te doen, ook de rest van de mensheid heeft er baat bij, want met hoofdpijn ben ik niet te genieten.

 

Gedreven door een pneumatische drilboor loop ik naar de hotelbalie. Daarachter staat een  vriendelijk ogende dame. Ik vraag beleefd: ‘Heeft u voor mij alstublieft een paracetamol?’ Eigenlijk is eentje te weinig, maar om twee stuks vragen staat zo inhalig. Ik neem er gewoon eentje in, ff met de beentjes gestrekt op het hotelbed  en daarna in snelle draf op op zoek naar de plaatselijke drogist voor een groothandelsverpakking. Verwachtingsvol kijk ik de receptioniste aan.

 

Ze kijkt terug en zegt: ‘Nee mevrouw.’ Ik ben met stomheid geslagen. Zei ze nou nee?  Ik heb er echt alles voor over en wil er zelfs grof geld voor betalen. Heeft zij ook geen pilletjes in haar eigen purse dan? Wij zusters moeten elkander toch helpen? Nou, een zus heeft ze niet en zeker geen middelbare. Op mijn zwijgen vervolgt ze: ‘Dat mag niet van de brandweer.’ De brandweer… Eerst denk ik dat ze een grapje maakt, maar het is haar bittere ernst. Mijn hersens kunnen het niet verwerken. Ik staar haar waarschijnlijk wezenloos aan, want ze herhaalt de mededeling. Normaal gesproken zou ik haar een diepte-interview afnemen, maar daar zie ik op dit pijnlijke moment van af.

 

Achter mijn rug beweegt iets felroods, of verbeeld ik het me alleen vanwege het woordje brandweer? Ik draai me om en kijk in het gelaat van een mevrouw die een rood gewaad draagt. Ze lacht. Ik lach terug, althans, ik doe een poging. Ik kijk weer naar de receptioniste. Ze zendt me een blik van: waarom staat u hier nog? Net wat ik nodig heb als het me allemaal teveel wordt. Gedesillusioneerd draai ik me om. Het leven heeft ineens geen zin meer. Zie ik ergens een guillotine dan leg ik mijn hoofd eronder.

 

Onverwacht tikt iemand op mijn schouder. Het is de mevrouw in de rode sarong. Op haar voorhoofd prijkt een rode stip en ze heeft de mooiste groene ogen die ik ooit heb gezien. Weer die lach. ‘Mevrouw, ik heb paracetamol voor u,’ zegt ze zacht. ‘Echt waar?’ stamel ik, ‘oh mevrouw, daar word ik zo gelukkig van.’ ‘Wilt u één of twee?’ Durf ik het te zeggen? Ja, schiet op trut. ‘Twee alstublieft,’zeg ik gretig.  Ze drukt twee pillen uit een strip in mijn hand. ‘Dank u wel!’ zeg ik. Ik ben in staat haar te zoenen. Had ik het maar gedaan.

 

 

Aangenomen

Met een dikke grimas staat Kind op de stoep. ‘Ik ben aangenomen!’ juicht ze. 

‘Echt waar?’ zeg ik, ‘wat goed! Hoe ging het gesprek?’

‘Nou goed wel. Die meneer,  hij heet Dave, vroeg of ik hier vanweg  stage van school kwam. Ik zei nee, ik wil vrijwilligerswerk doen in mijn vakantie. Toen vroeg hij of het mijn vaders idee was. Nee, van mezelf natuurlijk. Hij was onder de indruk, goed hè?’

 

Dat geloof ik maar al te graag. Een puber die drie dagen per week geheel vrijwillig in een bejaarden- en verzorgingshuis komt “werken.” ‘Meneer Dave – ja, die ga ik toch niet bij zijn voornaam noemen- vroeg wat ik allemaal wilde gaan doen. Nou, niet de wc soppen, maar dat zei ik maar niet. En nu mag ik komen helpen met koken, knutselen, koffie schenken, en omdat ze volgende week een zomerweek hebben mag ik…TA-DA! Italiaans ijs scheppen uit een echt karretje!’ Dit laatste gezegd hebbende spring ze een gat in de lucht.

 

Oh, en ze krijgt een èchte badge met haar naam. Ze moet nog wel een contract tekenen. Want stel dat iemand door schuld haar een arm breekt, dan is zij daarvoor verzekerd. Ze vertelt het achteloos alsof iemand haar vraagt wat ze vanochtend voor ontbijt gegeten heeft.

 

Dinsdag half 10 mag ze komen beginnen. Tja, om er nou om zeven uur voor uit je bed te komen, das net weer ietsiepietsie teveel voor een enthousiaste vrijwilligster.

 

Misschien bruist ze een tikkeltje teveel voor de oudjes. Maar most of all denk ik dat ze hartstikke blij met haar zijn, want ze is ook lief, zorgzaam en heeft een overdosis geduld. Het schuift alleen niks…maar daar doet ze niet kinderachtig over.

Verrassing!

’s Ochtends om half negen vertrekken Kind en haar Nicht met het OV naar de stad. Eerst naar de film (want daar hebben ze altijd al eens de eersten willen zijn) en daarna shoppen, maar dat je niet zal verbazen.

 

Tussen de pashokjes  door krijg ik een sms’je van Kind: ze heeft een cadeautje voor me gekocht. Voor mij? Dat kan toch niet waar zijn? Ik val uit mijn stoel van opwinding. Oh boy, meteen  naar huis komen, NU!, want ik wil weten wat het is. Geintje zeker, voorlopig dènkt ze daar nog niet aan.  

 

Bij terugkomst staan de blaren onder hun voeten. Ze zijn van de Beurs naar de Schouwburg gelopen, en via de Lijnbaan door de Koopgat weer terug naar de Blaak. Mogen ze even bijkomen op de bank? Iets te drinken zou best lekker zijn. Kilometers winkels hebben ze afgewerkt. En ze hebben alles gepast wat ze leuk vonden en werkelijk óveral aangezeten, dat ik ’t ff weet, ik was er toch niet bij om er wat van te zeggen.

 

‘Wordt het niet eens tijd voor mijn cadeautje?’ onderbreek ik haar ongeduldig. Voor de verandering is ze ‘t met me eens en reikt me het pakje aan. Het voelt en ziet eruit als een DVD. Een DVD…?denk ik. Van welke film of tv-serie zou ik in hemelsnaam een DVD willen krijgen? House misschien? Dit wordt vast de verrassing van mijn leven. Terwijl ik het uitpak zegt Kind: ‘ik zag ‘m liggen en dacht meteen DIE is voor mijn moeder!’ Ze gloeit van trots.

 

Ik gloei ook, want kijk dan: TA DA! Met onder andere DE tijdrit tussen Lance en Ullrich uit 2005. Jammie, jammie. Een schot in de roos (zeker met dit gribusweer…)

Amour

Op Hannekes weblog zag ik een limerick staan, die me op het lijf geschreven is (sprak zij bescheiden.) En ik woon wel niet in Ede, maar daar kom ik wel overheen. Onder het mom: beter goed gejat dan slecht geschreven…kom-tie!

 

Amour:

Er was eens een blogster uit Ede
Die was deze tijd zeer tevreden
Ze hield van de Tour
Het was haar ‘amour
Al had ze ‘m zelf nooit gereden.

Ikenee

We liepen bij Ikenee. Voor mij als de oude zeikerd was het weer zover: ik had een plas van-heb-ik-jou-daar aan mijn kont hangen. Ineens was ik een mens met een missie want ik wilde kortste route naar de plé. Helaas moest ik noodgedwongen het gebaande pad volgen, dat uiteindelijk vanzelf bij het toilet èn bij het restaurant uitkomt, waar ze  tal van lekkernijen verkopen. Zoals Zweedse gehaktballetjes.  Het softijs daar is me een partij lekker! En ook  zo makkelijk: je koopt een hoorntje bij de counter, loopt naar de ijsmachine, zet je hoorntje in de houder, waarna je je eigen softijsje tapt. Hoor je dat hier voor het eerst? Geen dank. Je hebt altijd mensen die hier misbruik van maken en hun leeggegeten hoorntje voor de tweede keer vullen. Alleen vulgaire  en onopgevoede types die wars van hygienisch besef zijn, doen dat. Wij doen zoiets nooit natuurlijk, wat denk je wel niet van ons?

Maar goed, ik dwaal af.

Op naar het restaurant voor de toiletten dus. Zou ik vooruit hollen? Nee, dat klotste zo en ik kneep ‘m al genoeg. Ik zweer het je: ik ga nog eens een sekte oprichten voor meer toiletten! Ineens stond daar ergens in het wild een wc-pot. Eenzaam en alleen op de doucheafdeling. Langzaam liep ik dichterbij. en keek met ogen zo groot als gebakschoteltjes, naar de boodschap op de pot. Zou ooit iemand met hoge nood te midden van het winkelend publiek…? Hierzo…kijk dan!

Die hemelse verleiding… Laat ik volstaan met zeggen dat ik zonder lekkages  alsnog de echte wc’s bereikte. Pssssssst.

Na ons nieuw gekochte huisraad veilig te hebben gesteld, liepen Man, Kind en ik terug naar binnen want wij eisten ijs. We  kochten ijshoorntjes,  liepen naar de softijsmachine die onze hoorntjes met draaiend ijs vulde. Genietend ginngen we op een bankje zitten. Oh, die eerste hap…il iet ‘m smelten in m’n mond. Héérlijk. Langzaam lebberde ik het lekkers op. Zelfs nu ik dit schrijf, loopt het water langs mijn tanden.

Vol ongeloof kijkt ze naar een stel dat met elkaar op een bankje softijs eet. Ze zitten niet te eten, het is eerder vreten. De man – best een aantrekkelijk type (geen bochel) – houdt zich in, dat is goed te zien. Maar die vrouw en dat Kind…tut-tut-tut. Moet je zien! Die moeder – een of andere troela met roodblonde krullen – heeft het softijs amper van het hoorntje gelikt of ze loopt alweer terug naar het ijsapparaat om het hoorntje voor een tweede keer te vullen. Nou ja zeg, zonder te blikken of blozen! 

Wat een smerig gedrag; een puur gebrek aan mentale hygiene. Waar moet het naartoe in deze wereld? Gretig wil ze in haar tweede ijsje happen als ze het uit haar handen laat glippen. Heel de bende op haar broek en tas. Dat gezicht van dat mens. Net goed. God straft onmiddellijk, dat blijkt maar weer. Het roodharige puberKind staat op. Wat gaat zij doen? Tja, verbaast me niks van die kwebbelkont. Met glimmende oogjes aapt ze haar moeder na. Man kijkt beurtelings zijn vrouw en dochter aan, en schudt stilzwijgend zijn hoofd. Zo koud heeft hij het nog nooit gegeten.     

Nieuwe schoenen

Kind kijkt op me neer. Sinds ze nieuwe schoenen heeft. Mèt hakken. Laat haar met Paps ff de hort op gaan en gegarandeerd dat ze met iets nieuws thuis komt.

 

Moet je zien, vier nieuwe schoenen! Kijk, daar word ik nou afgunstig van. Nee, zo moet ik dat niet zien, want het was twee paar halen en maar één betalen. Zo’n kans kun ze vanzelfsprekend niet laten glippen. Ze showt het resultaat en loop op haar nieuwe aanwinsten door het huis. Vandaar dat ze nu neerkijkt op mijn 181 cm. Echt raar, dat je kind groter is dan jijzelf.

 

‘Oh,’ zeg ik, ’welke maat is het, laat mij ze eens passen.’ Mijn idee wordt lauwtjes ontvangen en ze  zucht ten antwoord. Met de nodige terughoudendheid reikt ze mij een setje schoenen aan. Sow hé, kekke dingen, zeg!  Kind zendt me een wat onzekere blik. Haar moeder die haar nieuwe schoenen past? Daar zit ze echt niet op te wachten. Het liefst zou ze haar nieuwe aanwinsten opvouwen tot creditcard-formaat.

  

Jammer genoeg doe ik een pijnlijke ontdekking: de schoenen slippen een beetje. ‘Ha!’ roept Kind triomfantelijk, ‘ze zijn je te groot!’ ‘Misschien met een extra zooltje erin?’ plaag ik. Dat is je reinste lulkoek, vindt zij.  ‘Trouwens, ze staan jou  niet,’ zegt ze, ‘tenminste…niet onder die broek,’ voegt ze er pijlsnel aan toe. Met een gelukzalige grijns neemt ze haar schoenen weer in ontvangst. Ik knik en draag mijn verlies als een…eh man.

Een puberkind dat op grote voet leeft, als dat maar goed komt… *)