Zonnezaad

Een cadeautje hoeft niet duur te zijn om in de smaak te vallen. Als Lief een zakje zonnebloemzaad voor me meenemt, ben ik al blij. Dat gooi ik in een potje aarde en als het eruit ziet als taugé mag het naar buiten. Maar elk jaar weer moeten we strijd leveren tegen inhalige vreetbeesten.

Dozijnen slakkenkorrels hebben we geprobeerd, louter biologische, want die   zeldzame keer dat er een egel in onze tuin rondscharrelt, willen we graag zo houden. Heb je zo’n beest weleens horen smakken als hij een regenworm naar binnen werkt?

Hoe die smerige slijmjurken het telkens voor elkaar krijgen, geen flauw idee. Overdag liggen ze ergens uit zicht, maar ’s avonds komen ze gelijk de Filistijnen, vreten mijn met zorg gekweekte plantjes op en in een tempo waar een haas jaloers op wordt. Elke ochtend zag ik afgekloven kiemplantjes en kaalgevreten stengeltjes. Ik probeerde de slakken te verleiden met ingegraven glazen bier, maar dat bliefden ze niet. Nee, groene blaadjes vinden ze lekkerder. MIJN blaadjes!

Dit jaar zou het anders gaan. Dit jaar zouden er hoe dan ook zonnebloemen in volle glorie bloeien. Op een nacht bedacht ik een plan waar ik denk ik patent op ga aanvragen.

Wij spaarden lege melkpakken en vulden ze met aarde en zonnezaadjes. Ze mochten op de vensterbank staan, waar ze een VIP’behandeling met de plantenspuit kregen. Toen ze groot gegroeid waren, mochten ze naar buiten. Man sneed de bodems uit de pakken (ik wilde dat met klem zelf doen, maar Lief was bang dat ik in mijn rug zou snijden) en plantte de pakken in de volle grond.

 

 Toen werd het oorlog.    

Dagelijks maakte Man na het werk een rondgang door de tuin en checkte alle melkpakken. De enkele slak die zo’n dreigde te beklimmen, was nog niet jarig. Lief greep ‘m bij zijn kladden en gooide hem met een welgemikte armbeweging over de heg van de buren. Hij hield zijn hoofd schuin…luisterde….en hoorde PLONS! Hij knikte voldaan. Het weekdier was in de vijver van de buren beland waar hij ter plekke werd opgevreten door de schillies. Tevreden stapte Lief naar binnen. Man mag dan op zijn werk met miljoenen euro’s geconfronteerd worden, thuis let hij maar wat graag op de kleintjes.

Foetsie

  

 

Mijn broer heeft het rotwerk voor me opgeknapt en schonk me als thema iets blauws met een bootje. Mij gaf hij het leuke werk: een ander passend thema opsnorren. Sof far, so good.

 

Ik vond een juweeltje van een thema: fleurig, kleurig, en precies naar ’t zin. ‘Die wordt ‘t!’ zei ik geestdriftig tegen Kind. Nou, die werd ‘t niet, want halverwege het installeren viel de verbinding weg en !BAM! mijn hele blog weg. Zomaar Ineens Vanzelf. Dat ik impulsief ben, oké, maar dat mogen apparaten niet zijn. Mijn hele site was foetsie. Hoe kun je inloggen als iets niet meer bestaat?     

 

Mijn hart hield bijna op met kloppen en ik zat tegen een huilbui aan. Wat heeft het leven zonder blog nog voor zin? Lief kwam thuis en zei opbeurend: ‘Wat zie je wit, schat, moet je poepen drukken?’ ‘Nee,’ snikte ik, ‘mijn blog do-ho-hood.’

 

Toen wederom de helpdesk gebeld, ja en direct verbinding hè (24/7 where ever he may be.) Af en toe mompelde hij: ‘Vreemd,’ terwijl zijn vingers over het toetsenbord roffelden. Waar al dat vingerdrummen op tafels, stoelen en benen al niet goed voor is… Blij toe  dat ik pas nog een positief blog over Broeah geschreven had;  over zijn professioneel barbeknoeien en dat ik zijn strakke benen niet af ben gevallen. Voor ’t zelfde geld had hij gezegd: ‘Sorry lieverd, nu niet, ik heb hoofdpijn.’

 

Beetje bij beetje toverde hij mijn hele blog terug. Voldaan zuchtte ik als een fietsband die leegliep.

 

Goed nieuws: kom dat zien! kom dat zien! Als ik ben bijgekomen van alle commotie en stress, ga ik een filmpje van Bella plaatsen. Een heuse primeur, dus blijf lezen!

Brombeer en Koekepeer

Een tijdje geleden sloeg het noodlot toe: hoppa, wèg internet. Plus de telefoon  dood. Natuurlijk ben ik gezegend met een mobiel, maar geen internet, dat hakt erin. ’s Avonds is alles nog steeds zo dood als een pier.  Wij huisbewoners kijken elkaar aan. Dat wij 10 jaar geleden nauwelijks nog van het World Wide Web af wisten en nu warempel afkickverschijnselen krijgen.

 

Vrijdag: nog steeds niets. Manlief belt ’s avonds de klantenservicelijn. Eerst ratelt een mechanische mevrouw een riedeltje van vijf minuten af en daarna hoor je dat er een wachttijd van 20 minuten is. Komt de hulplijn om in de hoeveelheid klachten? Zijn ze rete-sloom? Is er personeelsgebrek? Morgen nog maar eens proberen.

Zaterdag: hè hè, eindelijk een medewerker aan de telefoon. Wij treffen het, want maandagmiddag AL komt een monteur. Máándag pas? Katterdekat.

 

 

Maandag: Oh wonder, de landlijn rinkelt. Ik kan het nauwelijks bevatten.

‘Hallo met Mirjam,’zeg ik opgewekt.

‘Jansen,KPN,’ blaft een chagrijnige stem. ‘Doet uw modem het?’

‘???…modem?’

‘Mevrouw, ‘t is maandag…ik moet nog veel mensen bellen. Doet het modem ‘t?’

Nee, nou wordt ie mooi. Ik leef al vijf dagen zonder internet, een mens zou van minder aan de drank raken, en dan is meneer-de- KPN een Brombeer.

‘Hij doet ‘t,’ zeg ik.

‘Weet u dat zeker? Dat ik niet voor niks een monteur naar u toestuur.’

‘Hij doet ‘t,’ zeg ik.

‘Ké.’ tuut tuut tuut. Vriendelijke mensen. Hoe ga je er mee om?

 

 

Een half uurtje later gaat opnieuw de telefoon.

‘Halo mefrau medhoezzein fande kabé-èn’

‘Eh… pardon, met wie?’

‘Medhoezzein fande kabé-èn, zhtoringzdienzt. Ik zta in de kazt.’

In de kast? Wat een vreemd gesprek…

‘U heefde nog gheen ADé-èSh-L?’

‘Oh! U bent van de KPN?’

‘Ja, hihi, Hoessein, ik zta in de ztoringzkazt. Ik kan zien u heefde nu weer ADé-èS-L. Zonder monteur.’

‘Echt waar, heb ik weer internet!?’ Joehoe! Vlag uit! Champagne! Turks fruit!

‘Er waz kabelbreuk. Vanochtend wij hebb ontdekt. U bent laatzt van main klaggtlijzt die inderned kraigd. Iemand moed laatzt zijn, ja?’

‘Ach, nou ja…nu heb ik weer internet! Mag u nu uit de kast?’

‘Ja,hihihi. Heefde u verder…’

Op de achtergrond klinkt ineens een heel luidruchtig: ‘SÉ-SAM-STRAAT, lalala… ‘Main mobiel, evn wagde, zorry mefrou.’ Hij giechelt en praat kort in het Turks.

‘Halo mefrau? hihihi. Iz main zoondje die belde. Hai zegde altait Meenir Koekepir tegen mai hihihi. Hij heeft geleerde op peudershpilzaal. Ik ga nu ophangen, ja?’

‘Bedankt voor uw telefoontje,’zeg ik. ‘Dag meneer… de Koekepeer,’ laat ik erop volgen. ‘Daag mefrouw… Koekepauw hihi HAHAHAAA.’ De man gíert het werkelijk uit.

Fijn. De middag is in elk geval een stuk ‘goeier’ dan de morgen!

 

Dáár gaat ze…

 

De eerste druppels van een grote bui vallen naar beneden. Ik reik Kind haar regenpak aan. Ja, hallo! ben ik van de trap gepletterd? Ik denk toch zeker niet dat zij in dat pak onderweg naar  school gesignaleerd wil worden? Dat verpest haar aanzien voor de rest van het schooljaar. Nee, zij laat zich liever zeiknat regenen. Het maakt toch niks uit, mokt ze, want ze heeft toch een bad hairday…

Goed dat ze voor vertrek nog ff mijn toverdoos opstartte en haar eerste roosterwijziging binnen haalde. Kortom: helemaal back in business. 

 

‘Ik moet nou echt gaan hoor mam, anders kom ik te laat!’ 

Zwaaiend fietst ze de hoek om. Ze heeft er zin in!

 

Veertien komma zes

Het leven van een middelbare scholier is zwaar, retezwaar. Om precies te zijn veertien komma zes kilo.

Ding dong! Kind valt zo ongeveer steil achterover met haar twee tassen vol kersverse schoolboeken. De oogst is enorm. ‘Ik heb de meeste boeken van heel de klas,’ klaagt Kind trots, ‘ze-ven-en-twin-tig!‘ Zo, das veel. ‘Komttattan?’wil ik weten. ‘Dubbel profiel…’ mompelt ze. Even komt er een bedenkelijke trek op haar gezicht, misschien toch wel erg veel, maar ja, na een jaarlang stevig nadenken was dat wat mevrouw  wilde: Cultuur & Maatschappij met een Economie & Maatschappij profiel, samen goed voor elf examenvakken. Alles in het kader voor “later.”

 

Ze rukt haar sport- en rugzak open en declameert het aantal boeken per vak: ‘Geschiedenis vier…., economie drie…’ Nou èn?, denk ik. ‘biologie drie…’ Big deal. ‘Latijn…vijf!’ Interesseert me geen lor. Ik wil maar van één vak weten hoeveel boeken het heeft. Dat weet Kind, dus rekt ze nog even. ‘Wiskunde…’ ‘Hou op!’ stampvoet ik. Ze trekt een tevreden grijns, gelukt! ‘Kijk eens, jij je zin,’ zegt ze,’het zijn er drie, alsjeblieft.’

 

Soww, drie! Mijn hart maakt een sprongetje. Met een onverklaarbare inhaligheid en nieuwsgierigheid blader ik versneld door de inhoud. Ik heb geen schooljaar nodig om deze boeken Nederlands stuk te lezen! Wel jammer dat ze weer ingeleverd moeten worden… Kind zit in kleermakerszit op de grond en mompelt zacht tegen zichzelf: ‘Leuk, de Romeinen…’

We scheuren ons los van de boeken, en maken er een grote stapel van die we op de weegschaal smijten. Kind kijkt voldaan: ’Niet mis, 14,6 kilo kilo,’zegt ze. ‘Aan het eind van het schooljaar zit alles in je hoofd,’ zeg ik. Nou dat weet zij zo net nog niet. ‘Nu moet je alleen alles nog kaften,’ zeg ik. ‘Hoezo ik?’ zegt ze, ‘ik heb jou toch…’ Jeugd van tegenwoordig! Na het kaften heeft zij er weer een heel jaar plezier van. Van het kaftpapier dan hè, niet van de boeken.

Koekje erbij!

 

Ben ik getuige van een echtelijke ruzie? Een mevrouw is duidelijk boos, scheldt tegen een meneer en maakt zich haastig uit de voeten. De man – pedant, in deftige dracht, onder de indruk van zichzelf, en een eind in de 70 – neemt plaats achter een tafeltje op het terras. Hij kijkt geïnteresseerd naar de lucht. Een dikke grijsaard achter me zit te schuddebuiken van de lach. Zo te zien heb ik iets gemist.

 

De meneer kijkt van de lucht naar mij en knikt vriendelijk. Ik wil best vriendelijk terugknikken, maar voor je ’t weet, vat hij dat op als een aanmoediging en ik loer niet naar mannen. Ik ben op het saaie af zó immens degelijk, je zou er van in slaap vallen. Gatfer, nou geeft ie me nog een knipoog ook. Hij zit rechts, ik kijk strategisch naar links. Twee nieuwe dames arriveren op het terras en gaan kletsend achter een tafeltje zitten.

 

Na tien minuten wachten wil ik koffie. Mèt een koekje. Verdikkeme, waar blijft die luie bediening? Mopperend in mezelf loop ik naar binnen, op zoek naar iemand van het personeel. Ik heb zin met mijn vuist op tafel te slaan. Nou, Kakel, sla je niet een beetje door? Sorry, ik laat me teveel meeslepen door mijn irritatie. Ik ga naar de wc en vul mijn bidon. Nog steeds nergens personeel. Vreemd.

 

Ik loop weer naar buiten. Kijk eens aan, de opdringerige meneer zit naast de nieuwe dames! Ze kijken niet blij.  

 

De zon gaat schuil, en ik hou het voor gezien en loop naar mijn fiets. Eén van de twee dames op het terras springt bruusk overeind en schreeuw boos: ‘Smerige vent!’ tegen de pedanterik. ‘Durf je wel, eervolle vrouwen lastig te vallen?’ Ze zwaait met haar vuist, waarbij haar handtas gevaarlijk in zijn richting zwaait. De andere dame gaat naast haar staan, maar heeft minder lef dan haar vriendin. De dikke grijsaard klapt zo goed als dubbel van de lach. De eervolle vrouw keert zich naar hem om. ‘En u?’ foetert ze, ‘schaamt u zich niet? U zou het voor ons op moeten nemen!’

 

Eensklaps is de man het lachen vergaan. Hij staat op, legt gehaast geld op tafel en draait zich om. In zijn haast botst hij tegen de opdringerige man die tegen de schuchtere vriendin valt. Suiker- en melkpotjes vallen op de grond. De chaos ik compleet. Ik sta gewoon te knipperen met mijn ogen. Wat een terras! Jammer dat ze er niks te drinken bij hebben… 

 

Onder de gordel

Kijk eens, wat een aantrekkelijk stel mannenbenen! Ik geef toe: deze foto is onder de gordel, maar dat uitzicht! De benen van een sterke man; sokken in zijn crocks; een lange, korte broek en daarover een elegant oranje schoort. Maar wat leverde hij fantastisch lekker werk!

 

Met geroutineerde handbewegingen draaide hij als een pro het vlees op de bbq om; hij floot er zachtjes, en werkte zich het zweet onder zijn oksels. Die vlekken gaan er zonder extra vlekkenmiddel niet uit. Ik kan het weten, want ik heb vlak naast hem gezeten. Uiteraard zat ik op de eerste rang; dicht bij de warmte èn het afgebakken vlees. Iedereen had het naar zijn zin en genoot ongeremd van het eten. Tot de schemer inviel en de muggen zich aan ons tegoed kwamen doen. Je had ons naar binnen moeten zien rennen!  

 

Helaas zat het feest er toen op. Helaas? Nou, voor één iemandje niet, want die zat knorrepottend in een nachthok. Die mensenmassa in de tuin had hem tegengestaan. ’t Was ook nog maar zo kort geleden dat hij van ondervoeding was flauwgevallen. Alsof het zijn schuld was dat zijn baasjes hem van pure liefde vol hadden gestopt met lekkers. Opeens paste hij niet meer op de kattenweegschaal bij de dierenarts, en moest hij onverdoofd een streng dieet volgen. Alleen omdat hij, Lollie, een beetje dikkig dwergkonijn was! Vanaf dat moment kreeg hij één minihandje brokjes per dag en verders niks. Hij had al  afgekloven nagelstompjes en verder niets dan houtjes om op te bijten.

 

Gedreven door de honger was hij aan de poten van zijn hok begonnen. Van het ene op het andere moment was hij onwel geworden en…BAM!…ineens achterover gevallen. Echt waar: bijna was de honger hem fataal geworden. Een reuze bof dat hij op dat moment bij Oma logeerde. Zij propte hem vol voer en masseerde zachtjes zijn buikje. Toen zijn baasjes terugkwamen van vakantie en het verhaal hoorden, schrokken ze zich te pletter – lekker, net goed- en beloofden hem nooit meer op dieet te doen. Wat maakt het ook uit? Dan toch gewoon voortaan op de hondenweegschaal?    

 

De familie reed tevreden en doorvoed naar huis, en Lollie strekte zich behaaglijk uit in zijn hok. Blij dat aan alle feestvreugde een eind was gekomen.

Zonnebloemen in februari

 Stelletje tortels. Groot feest vandaag bij een knap kopppeltje tortels, want ze vieren dat ze 12 ½ jaar geleden geen nee zeiden tegen elkaar. Het straalverliefde stel was het met de ambtenaar van de burgerlijke stand eens: hij hoopte dat het een memorabele dag zou worden. Nou mensen, daar zijn ze in geslaagd! Na de huwelijksvoltrekking stonden ze stralend op het bordes. De bruidegom nog knapper dan anders. Een handje witte duiven werd losgelaten en die wisten niet hoe snel ze terug moesten vliegen naar hun nest.

KKKKKoud! Want het was zo vre-se-lijk koud; er lag minstens een halve meter sneeuw en op de stoep kon je glijden. Het bruidspaar vroeg of we, vóórdag de receptie begon, even buiten bij de fotograaf wilden komen. Zonder jas. Want dat staat nog eenmaal leuker op de foto. Tuurlijk. En waar zaten ze zelf? Precies: binnen; gelukzalig te zitten achter een warm drankje. En wij maar lachen naar de fotograaf. Nog een geluk dat de  glimlach op onze gezichten bevroor. Kinds rode haartjes troken blond weg van de kou; ik had een rode neus en  iedereen dacht dat dat van de drank was.

Party, party! Voor vandaag hebben ze iets leuks bedacht. Iets wat ons ongetwijfeld over 12 ½ jaar vast nog zal heugen, want we gaan met elkaar eten…Buiten! We kijken er al wéken naar uit, om precies te zijn twee. Hopelijk hebben ze een flinke terrasverwarmer, want we gaan barbeknoeien. Met zulk weer! Ik heb de beenwarmers al van zolder gehaald en tweedehands regenponcho’s bij de kringloopwinkel gekocht. De kaplaarzen uit de garage staan al  binnen, want als je daar koud instapt, heb je heel de avond de koude pis. Misschien als ik de bruidegom lief aankijk, dat hij de satéstokjes voor me wil omkeren?    

Alle gekheid op een houtje: we gaan er een feest van maken in die tent! Want wat was ze een mooi en dik (en) tevreden bruidje. Ze straalde als het lentezonnetje. Broeahs ongetemde wilde haren zaten tijdelijk onder de (p)lak. Het was dan wel berekoud op ons vel, maar warm in ons lijf, want Broer trouwde met een topwijf.

Maar owee als er weer een fotograaf is…