De gezusters House

Hortend en hikkend komt hun auto naast de mijne tot stilstand. Er zitten twee rasechte Hollandse dametjes in die zich degelijk hebben voorbereid op het zomerse weer buiten, want reeds in de auto hebben ze hun doorzichtige regenkapjes al op. Buiten is het droog.

Ze lopen synchroon en op de manier zoals House dat doet: zwaar leunend op been en stok, zodat ze daarna een iets verende beweging omhoog maken. En dan allebei tegelijk, want ze zijn tot in de detail een tweeling! Ze lopen het winkelcentrum in en nemen niet de moeite hun regenkapjes af te zetten. In hun vrije hand hangt een ouderwets tasje. Hun monden bewegen een stuk sneller dan hun benen.

Een uur later loop ik naar het toilet bij de Hema, en zie daar: de gezusters House gaan aan een tafeltje zitten. In de Hema schijnt blijkbaar de zon, want de kapjes mogen af. Ze voelen aan hun haar. ‘Ze zijn wel fijn die kapjes, hè, maar je haar gaat er altijd zo plat van zitten,’ verzuchten zij tweeën eensgezind. Ze vouwen de droogkapjes op en binden ‘m om de stoelleuning vast. Ziezo, die kunnen ze straks niet kwijtraken. Ik duik het dames(!)toilet in en doe ik een merkwaardige ontdekking. Op de spoelbak ligt een autosleutel, die ik beleefd afgeef bij de klantenservice.

Met veel tasjes rijker sta ik bij mijn blauwe koets. Halleluja, net op tijd, want het begint te spetteren. Vanuit een ooghoek zie ik tweeling House aan komen hobbelen. Het begint plenzen en voor hun doen stappen ze stevig door, tot ieder naast een autoportier staat. Voelen in jaszakken, zoeken in tasjes, wisselen ongeruste blikken… Aaaahh, er begint me iets te dagen (blond hè, neem ‘t me niet kwalijk.) Ik stap uit. ‘Bent u uw autosleutel kwijt?’ Ze knikken. ‘Ik heb ‘m gevonden’, zeg ik, ‘op het toilet bij de Hema.’ Ze kijken elkaar aan. Moeten ze nou weer dat hele pokkeneind teruglopen? Vandaag nog? Zaten ze nou maar in een rolstoel. Samen met de regen zakt de moed hun in de schoenen.

‘Ik ga wel even,’ bied ik aan. Ja, als je Kind vrijwillig in de bejaardenzorg werkt, kan ik moeilijk achter blijven. Ik hol naar de klantenservice voor de sleutel, breng een bliksembezoek aan het cafetaria  – ‘sorry, ik ben iets vergeten, ja, dank u wel’ – en race naar de uitgang. Buiten trekken ze alle sluizen open. Mensen wachten op een kluitje bij de uitgang tot het ergste water gevallen is. De zusjes House staan zeikzat en verkleumd naast hun auto. Zonder regenkapje. Dáár krijgen ze pas plat haar van…

Stuur me nieuwe sokken!

Kind heeft een vriendje. Zeg maar gerust vriend, want hij is nogal wat ouder. Tja, als vijftien jarige moest het er eens van komen. Hij en ik hebben nog geen kennisgemaakt, maar Kind is  lovend over hem, en zegt dat hij van onbesproken gedrag is, dus tegenvallen is zo goed als onmogelijk. ‘En hij lacht de hele tijd naar me,’ zegt ze stralend.

 Ze vertelt openlijk wat ze hebben gedaan. Pure mazzel, gezien mijn nieuwsgierige aard. Ze vroeg hem: ‘Zullen we samen gaan tekenen?’ Maar dat zag hij niet zo zitten, want hij had maar heel kort op school gezeten en van kleuren was het nooit gekomen. Dat vond zij kletskoek, nou en toen gingen ze samen kleuren.

‘Hou je van zingen?’ informeerde Kind later. Ook toevallig, hij was net van plan haar hetzelfde te vragen. Maar kwam zij dan wel naast hem zitten, dan hield hij een stoel voor haar vrij. Aldus geschiedde, alhoewel er van verschillende kanten licht jaloerse opmerkingen werden gemaakt. Vriend hield dapper stand en hield zijn hand vastgenageld op Kinds lege stoel liggen. Van het zingen genoten ze met tomeloze vreugde. Wat Kind alleen wel vreemd vond, was dat er een liedje tussen zat dat hij niet kende. Zelfs niet met de tekst voor zijn neus en met pianobegeleiding. ‘Hoe kan dat nou?’ had ze hem gevraagd. ‘Ach, dat liedje is van voor mijn tijd,’ had hij geantwoord. ‘Hallo mam!’ zegt Kind geanimeerd, ‘voor zijn tijd? Hij is over de negentig!’

Zingend vertrekt Kind ’s ochtends naar haar werk. Van tevoren was ik uiterst bezorgd of zij met haar talent om energiek aanwezig te zijn, niet te turbulent over zou  komen in het zorgcentrum. En een brokkenpiloot die koffie en thee ging schenken? Hoe kon dat in hemelsnaam goed gaan? Ik dacht maar zo, ik zei maar niks.

En wat te denken van haar bloedeigen badge, waar “vrijwilliger” en haar naam op staat. Ze heeft  gemerkt dat als ze daar in ’t dorp boodschappen doet, mensen onder de indruk zijn van haar “status.” Is zij vrijwilligster in De Breeje Hendrick? Nou, nou, nou, dan ben je iemand hoor! Ik vrees dat het haar zeer zal doen als ze de badge moet inleveren.

Sta nu even op uit je luie stoel en neem de moeite een raam of deur open te zetten. Heus, zo meteen zul je me er dankbaar voor zijn. Zit je weer? Komt ie: of ze alsjeblieft in de kerstvakantie en de volgende zomervakantie ook wil komen? Dan krijgt ze ervoor betaald, want zulk goed gedrag willen ze belonen. Lieve lezers, stuur Kind geen geld, maar mij wel nieuwe sokken. Van dat naast mijn schoenen lopen, sneuvelen ze bij bosjes. Maatje 41 alsjeblieft. Kleur en merk doen niet ter zake. Kind heeft geen nieuwe sokken nodig. Een dankbare klant heeft een sjaal voor Kind gebreid en die kan ze ook best om haar voeten wikkelen.

Ze ligt nu zwaar te chillen op de bank met haar favoriete kookprogramma op tv en ik mag haar wat te drinken brengen. Behalve leuk is het ook best vermoeiend, vrijwillig werken…

Rits rats klik

 

Met de ochtendzon op mijn gezicht fiets ik over stille binnendoor weggetjes. Plots zit ik perplex: middenop een verlaten pad staat een statief met fotocamera. Een camera waar zeker een meter aan lenzen op vast zit geschroefd. Het kan niet anders of ergens moet een mens staan. Links, tien meter achter een houten hek, tuurt iemand  door een verrekijker. Het is een man.

 

Ik ruik een kans wanneer ik er eentje zie en stop. Omzichtig nader ik het statief. Dat dat ding met al die lenzen niet voorover kukelt, ik snap ’t niet. Behoedzaam loop ik dichterbij. Voor je het weet word ik getackeld door een poot van dat statief. Ja, lach jij maar, als ik alleen al naar sommige dingen kijk, gaan ze al uit zichzelf op de grond liggen. Mijn handen houd ik angstvallig op  mijn rug, want die zijn  onhandelbaar.

 

(Geloof je me niet? De allereerste keer dat ik officieel bij Lief thuis kwam, gooide ik een glas Campari met ijs over het Perzische kleedje; de eerste keer dat ik bij Lief hielp met afdrogen, brak ik de koffiefilter in tweeën en toen we met heel de familie uit eten gingen, schoot de saté van mijn stokje zo in Schoonpapa’s kruis. Vanaf de Chinees naar huis liep de arme stakker met zijn hoed voor zijn mannelijk geslacht. Oh, ik was zo’n aanwinst!)   

 

Ik knijp één oog knijp dicht en loer met het andere door de zoeker. De camera staat gericht op een kudde schapen. Daartussenin hoop ik een kievit of grutto te zien, maar wat zie ik? Een schaap dat zijn staartje optilt en plop plop plop een rits keutels produceert. Lekker, daar stond ik echt op te wachten.  

 

De eigenaar van ’t spulletje laat zijn verrekijker zakken, en komt naar me toe lopen. Het is een stoere man met Popey-armen, een stoppelbaard en in schutkleding. ‘Heeft u nog tips voor me?’ vraag ik,  ‘fototips? Fotografie is bij mij totaal niet ontwikkeld.’ ‘Wat wilt u weten?’ vraagt hij behulpzaam, ‘diafragma, sluitertijd…?’ ‘Nou…ik ben eerlijk gezegd meer van de rits rats klik. Maar afdrukken kan ik goed; mijn reflexen zijn geweldig,’ meld ik trots. De fotograaf maakt een blazend geluid en slaat zijn handen voor zijn gezicht. ‘Daar is geen beginnen aan,’ zegt hij meewarig. Hij oogt  teleurgesteld. Is hij bereid een informatief en interessant gesprek te voeren, krijgt hij dit.     

 

Zo vlug mogelijk een ander onderwerp aansnijden. ‘Heeft u al iets geschoten?’ ‘Ja-ha, een paar opnames van een haas,’zegt hij. Hij zoekt de afbeeldingen op en ik zie foto’s om je vingers bij af te likken. En van zo dichtbij! Op één foto is het hazenoog zo sterk uitvergroot, dat ik de wimpers kan tellen. ‘Mooi!’zeg ik welgemeend. We hebben een kort onderonsje. Hij fotografeert het liefst, maar op zijn Harley scheuren en zijn eigen jenever stoken, vindt ie ook niet verkeerd. Dan is het wel weer mooi geweest. Hij wil schieten en ik wil fietsen. Het geluid van blerrende schapen achtervolgt me nog lang in de leegte. Onderweg kwam ik geen haas tegen. Gelukkig heb ik van Broea wel een foto van een knappe kievit gekregen.     

 

Maaidag

 

Buiten scheen de zomerzon uitbundig. Hè,he, eindelijk weer die zon op je snuit. Op welk binnendoor weggetje ik gisteren ook fietste en keek, overal in de weidse polder was het maaidag. Links, rechts, vóór me, achter me, overal reden boeren opgewonden rond. Zwaluwen scheerden lukraak in de rondte, wiebelden in groepjes op ouderwetse telefoondraden, en de grutto’s riepen hun eigen naam. Als dat alles niet overstemd werd door het geluid van woeste manchines. Enkele tractoren met  wegbrede maai-installaties, deden me zelfs afstappen in de berm.   

 

Ooit, dacht ik afgunstig, ooit wil ik ook op zo’n echte terreinwagen kunnen rijden. En dan met de blik fier vooruit, lekker stug doorscheuren. Weer eens iets anders dan een maatje-doorsnee-auto. Alleen rijd ik uitsluitend in een weiland waar de boer aan weidevogelbeheer doet, want denk maar niet dat ik met die grove machines over nesten, jonge vogeltjes of ander moois heen rijd. 

 

Als het gras niet gemaaid werd, dan werd het wel geschud. Dat moet drie dagen achtereen een keer gebeuren, dus de tractoren rijden aff en aan, maar ik heb ‘t er best voor over om daar de berm voor in te rijden. Want die lucht… Die lucht van vers gemaaid gras hangt al die tijd over het lage boerenland. Zó lekker… En niet uit een spuitbus of een geurzakje, nee,nee, in het echie. Ik word daar zo…het geeft me zo’n…kweenie …tevreden gevoel?

 

Nu is mijn vraag aan jou: wat vind JIJ lekker ruiken? Kom op geneer je niet, en schrijf mailbox plat. In spanning wacht in af…