Bye bye bult!

Een voorraad legitieme peppillen heb ik al in huis

 

Nauwgezet bestudeer ik mijn bult. Voor de eerste en tevens laatste keer bekijk ik ‘m van de achterkant met een spiegeltje. Goh, zo heb ik ‘m nog nooit eerder bekeken!
‘Hoeveel hechtingen moeten daar wel niet in?’vraagt Kind met een lichte huivering.
‘Kweenie,’ zeg ik,’ een stuk of twintig?’
‘Huh,’ zegt Lief, ‘maak daar maar het dubbele van. De chirurg zei dat je een jaap van achttien centimeter zou krijgen.’
‘Niet joh! De baas van Blauwoogje zei acht TOT tien centimeter.’
‘Nee Gijs, hij zei achtTIEN.’
‘No kidding?’ vraag ik hoopvol.
‘Geen geintje,’verzekert Lief me, ‘het litteken wordt tweemaal zo groot  als de bult.”   
 

Man zet nooit een ik-weet-het-beter-gezicht op. Zo zal hij ook nooit een opmerking maken in de trant van: ik zei ’t je toch? Oh, die zelfbeheersing! Soms zou ik ‘m met alle liefde een “corrigerende” tik willen geven, maar in plaats daarvan ga ik op de bank bovenop mijn handen zitten, en wacht ik tot de SM behoefte in mij is weggezakt. 

 

Achttien? OMG. Ik lig reeds op voorhand al in coma. Zoiets vreselijks heb ik nog niet eerder meegemaakt. Zal ik de zonsondergang van vandaag nog halen? ‘Okeej,’ verzucht ik, ‘ik neem een liniaal mee, en als het litteken korter wordt dan achttien centimeter, wil ik korting.’ Ik zeg het grappiger dan ik me voel. Man zegt nog steeds niets. In shock laat ik me achterover op de bank neervallen. Ik heb nog een uur voor ik er van af moet. Ik geloof dat ‘t maar het beste is als Lief me straks het ziekenhuis in draagt. Op eigen kracht haal ik de opnamebalie niet. En laat die verdoving ook maar zitten; ik val voor die tijd zelf wel flauw. 

Op dievenpad

Vandaag ben ik met voorbedachte raden uit stelen geweest. Vals hè? Maar ik móest ze hebben. Vergezeld van twee koffiefilterzakjes liep ik op klaarlichte dag de deur uit. Ietsiepietsie nerveuzer dan anders stapte ik op de fiets en met vreselijke haast reed ik er naar toe. Stel je voor dat ik er onverwacht naast zou grijpen! Dan kon ik ze altijd nog kopen, maar doe mij (lefmeid!) maar de weg van van de meeste weerstand.  

 

Aangekomen bij het meest karakteristieke dijkhuis van het dorp, aarzelde ik. Kon ik niet beter  aanbellen en erom vragen? Alhoewel, moet je zien hoeveel ze er van hebben, en hoe royaal ze over het hek heen groeien. En wat over het hek hangt, hoort bij de openbare weg. Toch? Hup, aan de slag.

 

Ik pakte het filterzakje waar “roze” op stond en reikte naar een zaadbolletje. Ik draaide het steeltje rond, gaf een rukje en…los. Er stak een oerdrift in me op, ik wilde meer, meer, meer en bolletje na bolletje verdween in het ongebleekte zakje. Eenmaal vol, pakte ik zakje nummer twee waar “rood” op stond en was ik klaar mijn volgende slag te slaan. Goh zeg, wat was ik lekker bezig! Mijn hand reikte naar een nieuwe verovering, toen een stem achter me zei: ‘Mooi zijn ze, hè, mevrouw?’

 

Jémig… ik dacht dat ik erin bleef!
Van schrik liet ik de zakjes op de grond vallen. De bolletjes  verspreidden zich over mijn voeten en de wind blies de losse zaadjes weg. ‘U hoeft niet te schrikken, hoor mevrouw,’ praatte de man opgewekt verder. ‘Neem er gerust zoveel u wilt. Weet u wat zo fijn is aan stokrozen? Je hoeft er niets aan te doen en elk jaar zijn ze nog mooier dan het jaar ervoor…prachtig, prachtig… nou veel plezier ervan, hoor.’ Wèg liep hij alweer. Zijn houten klompen klosten over de smalle steentjes. Ik was te verbouwereerd om iets te zeggen. Hoe was het mogelijk dat ik de man niet aan had horen komen? Hersteld  van de grootste schrikachtigheid, graaide  ik de  gevallen bolletjes op. Welgeteld vier stuks waren er nog maar over en snel propte ik de zaaddoosjes in een kofiezakje. In mijn haast om weg te komen, raakten mijn ledematen de weg kwijt en struikelend bereikte ik m’n fiets.     

 

Nu zit ik thuis en kijk met een zwaar gemoed naar de zaadjes. Mijn strooptocht zal ongetwijfeld als een rennend vuurtje door het dorp gaan, maar mijn grootste teleurstelling is wel dat ik niet de lefmeid ben die ik dacht te zijn. Had ik ze nou toch maar gevraagd aan de vriendelijke man. Zijn naam doet er niet toe. Ari Boersma. Wat denken jullie? Zullen de zaadjes gedijen?

 

Wil je ook wat zaad? Van eigen kweek hoor, ik wil jullie niet met een schuldgevoel opzadelen. Je kunt kiezen uit de kleur donkerroze, bordeaux en zwart.

 

bloemzaad

 

Dank je wel, Erna!

Hoge nood

Eerst wilde ik een boek over mijn verblijf in het SKZ schrijven, maar daar zou toch niemand vrolijk van worden, ikzelf al helegaar niet. Toen dacht ik aan een fietsboek, over lange ritten met aparte mensen onderweg, maar vanaf vandaag ben ik er uit: het wordt een boek over een vrouw die altijd en overal moet plassen. Dat is verreweg het spannendst. Want waar kan een keurige vrouw met hoge nood ongezien haar corrigerende ondergoed fietstriootje laten zakken? Dus goede plasplekken? Ik koester ze. Vandaag was ik weer bij zo’n plaats en ’t was nodig, hoor!   

 

Hink, over het kreupelhout
Stap, over hondendrollen (wat een berg zeg, vast van een Deense Dog)
Sprong, over het kreupelhout

 

Dan laat ik mijn plas varen… Goh, wat zit ik hier fijn ongezien vanaf beide kanten van de weg. Beter kan ik het werkelijk niet treffen. Okeej, daar staat een huis, maar ik heb daar nog nooit een teken van leven, laat staan een mensch gezien.
Sooow, hè, hè, da’s lekker. Klaar.
Hansopje omhoog en sprong, stap, hink, terug naar de fiets. Hé, er staat een man bij mijn fiets. Wat moet die man? Zo te zien wacht hij ergens op. Moet dat per se naast mijn fiets?

‘Dag meneer.’
Hij zegt niets terug. Wel trekt hij een gezicht alsof heel de Krimpenerwaard van hem is. Uitslover. En wat kijkt hij streng. Zo streng als de bovenmeester vroeger naar me keek, als ik teveel had zitten kletsen in de klas. Vooral een keer in het bijzonder keek hij boos. Dat was nadat ik voor straf op de gang moest gaan staan, maar van nijd naar huis gelopen was. Dat had ik beter niet kunnen doen, want stressen dat ze op school deden, ze dachten dat ik door iemand was meegenomen. Zo te zien zou deze meneer het helemaal niet erg vinden als ik door iemand werd meegenomen.
De man schraapt zijn keel.

 

‘Mevrouw… dit stuk land is van mij…van daar (hij wijst naar de horizon) tot daar (hij wijst achter mij) tot daar (hij wijst naar zijn huis.) Hij spettert terwijl hij praat en ik vind dat niet fris. Ik staar naar zijn aardappelneus die langzaamaan roder en roder wordt.
‘Mevrouw… ik heb al verschillende keren gezien dat u hier gaat zitten…eh…zitten… urineren en dat neem ik u ten zeerste kwalijk! Wilt u dat voortaan niet meer doen?’
Djiezes, heeft hij mij hier elke keer zien zitten? OMG! Ik word overvallen door een immense haast. ‘Sorry meneer,’ mompel ik, ‘ik zal ‘t ècht nooit meer doen.’ Nee. liever nog plas ik de volgende keer op schrikdraad. Verkrampt van schaamte spring ik op m’n rijwiel. Vier  kilometer verder dringt een gedachte zich aan me op, zó plotseling, dat ik op slag stop met trappen. Wel snotver, ik ben me daar gediscrimineerd, en niet zo’n beetje ook! Bergen hondendrollen lagen daar in de berm. Echt niet van een of twee keertjes hoor; die Deense dog draait daar dagelijks zijn bolussen. En over mijn wildplasje ging die man staan zeiken!

 

Het eerste wat ik zou doen als ik een man was? Loeihard tegen een boom piesen. Desnoods tegen de wind in.

Uit de brand

Bij daglicht is de schade goed te zien: de hele achterpui is zo goed als verbrand; alles in huis is zeiknat en ligt onder de bagger; het door mijn vader gelegde parket ligt kromgetrokken op de vloer;  de koelkast is gesmolten; vlammen hebben aan de keukenkastjes gelikt en alles, werkelijk alles, is zwart en beroet.

 

Van de schuur is niets over. Ergens op de grond liggen twee verkoolde lijfjes.
‘Hebben jullie ruzie met iemand?’ vraagt een brandweerman belangstellend. ‘Of vijanden?’  
‘Wie? Wij?’  
‘Er is namelijk sprake van brandstichting,’verklaart hij.
Brandstichting? Bij dat woord schieten rode vlekken in mijn nek.
‘Ja, de dader heeft het konijnenhok aangestoken.’
’Het konijnenhok…?’ Ik word overweldigd door een vreselijke woede. Over vijanden gesproken: als we er ooit achter komen wie dit gedaan heeft…

 

‘Wil je weer terug in dit huis of iets nieuws kopen?’ vraagt Lief. Ik snap wel waarom. Ik doe ’s nachts al geen oog dicht, als ik dan ook nog wakker ga liggen over een  eventuele volgende brand…Maar ik laat me door zo’n hufterige pyromaan mijn huis niet uitpesten. Of Man moet iets anders willen? ’Het is jouw huis,’ zegt ie. Klopt, maar over een maand trouwen we in consumptie van goederen, dus waar hebben we ’t dan over? Twee zielen, één gedachte: opknappen dan verbrande krot!

 

Terwijl wij een week op huwelijksreis naar Gozo gaan, wordt de  nieuwe pui getimmerd. Een geruststellende gedachte, zeker omdat de baas himself de maat opnam, “zodat het goed gebeurt.” Ja,ja, wat denk je…? Je mag noooit meer raden.  

 

De verzekeringsagent haalt het bloed onder onze uitstekend verzekerde nagels vandaan. Hij spreekt twaalf woorden die wij never zullen vergeten: ‘Je moet maar zo denken: van een brand word je niet slechter.’ Ik ontwikkel terplekke een onverzettelijkheid om koffie voor hem in te schenken, om over zoete koekjes maar te zwijgen.  

 

Was er dan werkelijk geen enkele reden voor optimisme? JA! Doordat ik slapeloos op de bank hing, hebben we elkaar nog. Alle foto’s waren tijdig veiliggesteld. En boven alles: in nood leer je je vrienden kennen. Wat waar woord! We bivakkeerden “zorgeloos” drie maanden bij mijn ouders op zolder; vrienden brachten ongevraagd logeerbedden;  Miepie doneerde spontaan haar cd-speler; Broea brandde onvermoeibaar cd’tjes; van collega’s kregen we een dinerbon; een lieve tante kocht speciaal voor ons het warenhuis tijdens drie dwaze dagen leeg; en behalve geestelijke bijstand hebben we massa’s kaarten en bloemen gehad.  

 

Van de dader ontbreekt elk spoor. Hopelijk ligt ie op het kerkhof.

 

Ons kanariepietje heeft de tweede ochtend na de brand niet gehaald. Van het ene op het andere moment viel hij van zijn stokje. Dood. En hij kon nog wel zijn eigen naam zeggen: Piet. 

Twee konijnen en een kanarie

 

23 september 2011 is het precies negentien jaar geleden, maar ik weet het nog als de nacht van gisteren.

 

Onderuitgezakt zit ik op de bank; ik kan niet slapen en verveel me te pletter. Regendruppels tikken op het dak. What’s new? Het getik gaat over in geroffel en ik zit al aan flinke hagelstenen te denken wanneer  flinke knallen klinken. Is dat vuurwerk? Welke halve zool steekt er nou midden in de nacht vuurwerk af? Het geluid komt van achteren. Ik draai me om en het keukenraam  baadt in een fel licht baadt, alsof de zon erop schijnt. Ik spring overeind, ruk het gordijn opzij, en kijk tegen de schuur aan die in een bal van vuur is veranderd. Zie ik werkelijk wat ik zie? Vuur? Vlammen?

 

BRAND! Oh hysterie! Dit gebeurt toch alleen bij anderen? Ik hol naar de trap en gil Man wakker. Lief, die pas over exact één maand officieel mijn man wordt, denkt: wat loopt dat hoogstandje nou weer te raaskallen? Dat mens is zo fantastisch in overdrijven. Eenmaal op de overloop ziet hij vlammen boven het dak uitslaan. Oh shit, er is ècht brand… Met het doosje trouwringen onder zijn arm holt hij de trap af, terwijl ik met trillende vingers het nummer van de brandweer draai.  We racen door het huis, vergaren wat spullen bij elkaar en rennen naar buiten. Achter ons valt de deur in het slot; de sleutel zit nog aan de binnenkant.

  

Buiten heeft zich een volksoploop verzameld. Lief belt bij buren mijn ouders op die twintig minuten later  tegelijkertijd met de brandweer arriveren. Best snel van alle brandvrijwilligers die uit bed getrommeld moesten worden. Best langzaam als je huis met de minuut meer wordt opgegeten. Brandmannen trappen de voordeur in en richten het waterkanon. Hup, maak er een vluggertje van! Man en ik staan er verfrommeld bij: hij in pyjama en op pantoffels, ik met nog een trui en op sokken. Ik moet een beetje huilen, want in de schuur wonen onze konijnen Bruin en Miepie. ‘Ze zijn gestikt door de rook,’ troost Lief me. Ja maar daarvóór zijn ze letterlijk doodsbang geweest.  

 

Zodra de brand geblust en de show over is, gaat de buurt terug naar bed. De brandweer zet een standaard actieplan in werking: er  komen mensen van het gas en licht; al onze kleren worden opgehaald door  een stomerij; en een schoonmaakbedrijf trekt letterlijk en figuurlijk alles uit onze kasten: pannen, cd’s, onderbroeken, schroevendraaiers, bestek, dagboeken, shampoo, tv, konijnenvoer…  

 

Ik mag niet maar moet terug het huis in, want in mijn haast om buiten te kopen ben ik iets vergeten mee te nemen. Ik kan de haren wel uit mijn kop trekken. Binnen in het pikkedonker struikel ik over mijn eigen voeten. Is dat mijn staf? In de nis, waar vroeger de bedstee stond, zit ons kanariepietje zielig te zitten op zijn stokje. Reutelend haalt hij adem. Ik gooi  zijn beroete kleedje over de kooi en neem hem me me mee. Arm vogeltje, zal hij de ochtend halen?

 

Volgende keer: uit de brand.

 

Beter een verre vriend…

Knibbel, knabbel, knuisje, wie wonen er naast ons huisje? Het zijn Marjolein en Eugene. Veertien jaar geleden kwamen we naast elkaar te wonen. Man en ik dachten in het begin dat ze gewoon wat verlegen of mensenschuw waren, maar op onze begroeting volgde slechts af en toe een knikje; liever keken ze  de andere kant op. Zouden ze wel een Hollandse tong hebben? Ja, want in de tuin hoorde ik ze tegen elkaar praten: 
‘Marjoleineke, je thee wordt koud.’
‘Dank je Eugje, maar ‘t is nog maar net ingeschonken.’
‘Ja maar het koelt sneller af door de wind.’
 

Poepende katten in je tuin…ik kan er een opstel over schrijven, maar onze ruige buurkater Casper kreeg een visum en mocht blijven. Regende het en kon hij zijn ouderlijk huis niet in? Geen nood, naast onze voordeur zat ie droog. 

De jaren verstreken. Casper was niet langer meer de lefgozer van de buurt. Fladderende vlinders liet hij voor wat ze waren en zijn hangbuik kreeg te lijden onder de zwaartekracht. De buurtuin is steevast aangeharkt met alleen blote, kale plekjes. Misschien dat Casper zich daarom steeds vaker opkrulde tussen onze varens? Wij maakten ons een tikkeltje ongerust: lag  hij daar te wachten op zijn naderend eindje?

 

Onverwacht kreeg Man een pril contactmomentje met de buurman. Eugiene probeerde nog het hazenpad te kiezen, maar dat feest ging mooi niet door.
‘Is Casper ziek?’ vroeg Lief, terwijl hij de buurman achterna holde.
‘Laten we het er maar op houden dat zijn gezondheid er niet beter op wordt,’ was Eugenekes bitse antwoord. Zo. Zo. Zo. Zo. Zo. Dat waren veel woorden in één zin!

 

Zaterdag kwam Lief in vliegende vaart ons erf (kuch) op fietsen. Wat een haast, zeg! Zou de vis onderweg van de viskraam naar huis zijn beginnen te spartelen?
‘Schat!’ riep Man, ’leg de champagne koud! Eugene heeft tegen me gesproken. Helemaal vrijwillig uit zichzelf.’ Huh? Ik bevroor waar ik stond.
‘Wat zei hij dan?’ wilde ik weten. 
‘Dat Casper een spuitje heeft gekregen.’
Ach, wat jammer vind ik dat nou…Maar nu is ie in de kattenhemel waar altijd verse speelgoedmuisjes zijn.
Vanwege ons respect voor Casper hebben we de fles met bubbels niet ontkurkt.

80 miljoen gele bandjes

‘Nou,’ zegt de huisarts, ‘u bent vandaag al de derde die ik ermee zie lopen. Eerst twee mannen en nu u! Echt,’ verzekert hij me, ‘ik heb zo’n ding nog nooit eerder gezien.’

Een weekje geleden was ik anders ook bij hem voor een mini-ingreep en toen droeg ik hetzelfde bandje. Met een “appelboor” haalde de dokter een plekje boven mijn oog weg voor onderzoek,waar ik een gapende hoofdwond aan overhield. Twee hechtinkjes moesten het lek dichten. Tijdens de ingreep vertelde de huisarts met grote zelfgenoegzaamheid dat hij een hoog IQ heeft, en het geheugen van een olifant dus nooit iets vergeet wat hij eenmaal gezien, gehoord of gelezen heeft.

Maar van de bandjes van de Lance Armstrong Foundation heeft hij niets meegekregen? Djiezz, waar heeft hij de afgelopen zeven jaar gezeten? Weleens van de Tour de France gehoord? Armstrong kent hij toch wel? ‘Oh, die ex-kankerpatient?’ ‘Precies! Ik begin een praatje over de Livestrong armbandjes, waar er wereldwijd 80 miljoen van zijn verkocht, maar heb niet de man zijn volledige aandacht. ‘Mijn bril, …waar is nou toch mijn leesbril?’ mompelt hij. Hij ontsteekt in lichte paniek, tast zijn bureau af, opent en sluit bureaulades, staat op en loopt heen en weer. Ik vind het sneu: hyperintelligent en een wereldgeheugen, maar niet kunnen onthouden wat voor kleins je als  laatst bekeken hebt. Bijna flap ik er: op het toilet misschien? uit, maar ter welkome afwisseling slik ik de woorden in.

Bepaald 2011 is het niet. Koop er gewoon drie; ben je overal vanaf. Hoe haalt hij zonder leesbril de hechtingen eruit? Kan ik het beter zelf doen. Of laat anders maar zitten, ik stik toch al van de losse steekjes. Maar hij heeft beloofd ook nog iets leuks met stikstof te gaan doen. Stel je voor dat hij alles op de tast doet! Loop ik de rest van mijn leven met een gezicht als een verkreukelde krant rond. In een fractie van een seconde schiet de stress naar mijn hoofd.

Met mijn billen maak ik contact met de stoel. Nergens een oneffenheid? Echt iets voor mij om er bovenop te gaan zitten. Ik voel niets. Mijn voeten dan. Voorzichtig beweeg ik ze heen en weer en schrik me te pletter. Ik voel iets onder mijn linkerschoenzool zitten. Het zal toch niet… Oef! wat een mazzel, het is het plastic dopje van een pen! Ik raap de dop op en leg ‘m op zijn bureau. ‘Kijk eens, alstublieft, dat mag vast wel in de afvalbak.’

Ahhh….zijn oog valt op zijn bril (beter dan zijn volle gewicht.) Hij ligt op de deksel van de afvalbak. Ook zo’n uitgelezen (!) locatie voor een leesbril. Opgelucht hijst hij zich in een setje paarse handschoenen, knipt een felle lamp aan  en zet zijn bril op. Een hele geruststelling. Echt een geweldige kerel, onze huisarts. En zo gewoon gebleven.

Ik neem knollen voor Lief

 

Onze achtertuin is een georganiseerde bende, en ik doe er alles aan dat zo te houden. Door Liefs inspanningen staan de laurierboompjes, buxusbollen en halfronde beukenhaag er gelikt bij, en ik wil niet flauw doen, maar netter moet het niet worden. De klusjes die overblijven mag ik doen. Zonder al teveel structuur zwaai ik de hark over de tuin. Kieskeurig ben ik niet: akelei, stokrozen, vingerhoedskruid, zonnebloemen, riddersporen, vrouwenmantel, zenegroen en (oh, alleen die naam al) wildemanskruid.

 

In het voorjaar, als Man en ik samen onkruid rukken – daarbij zwaar in de weg gelopen door Bella –  vraagt hij, wijzend naar een bladrozet: ‘Is dat iets?’ ‘Ja,’ zeg ik dan. ‘Dat worden toch niet van die lange stengels hè?’ ‘Nee hoor.’ Bij “nee hoor” kruis ik mijn vingers, want dan telt de leugen niet.

 

Stokrozen en vingerhoedskruid, Lief gruwt ervan. Ik probeer hem hun schoonheid bij te brengen. ‘Hoor je de hommels bbzzztik-tik-tikken in de hoedjes van het vingerkruid vliegen? En als ze eruit komen, zien ze geel van het stuifmeel.’ Man denkt er het zijne van. Klaprozen? Vindt ie rommel.  ‘Heb je hun zaaddoosjes al gezien? Bovenop zit een kroontje en als je met de stengel schudt – hoor dan! – zijn het net sambaballen.’ De blik van Lief naar mij, ik zal ‘t je besparen.

 

Lief houdt van dahlia’s en gladiolen. Gladiolen mensen, nou vráág ik je… Maar goed, uit liefde poot ik de bollen – die ik minzaam knollen noem –  op een door mij uitgezochte geschikte locatie. Ik  markeer ze met een end hout en geef gul water. Je ziet ze alleen niet vanuit de woonkamer, jammer hè?   

 

Als ik geen zin  tijd heb gehad de uitgebloeide stengels uit de vrouwenmantel te knippen, geef ik ze toch gerust een gieter water. ‘Hoezo geef jij dat dooie gras water?’vraagt Man. ‘Omdat daar kikkers onder wonen, plus nog een grote dikke pad met bulten. Die vinden dat vochtige klimaat fijn,’ zeg ik geheel naar waarheid. ‘Heb je soms van het papaverzaad gegeten?’vraagt Lief achterdochtig. Daar ben je dan mee getrouwd, mensen…  

 

In de herfst: ‘Graaf jij die lange stengels ff uit? Weg met die bende!’ ‘Oké.’ Lief is onder de indruk dat ik doe wat hij zegt, en knikt tevreden. (En maar klagen dat ik nooit iets doe wat hij wil.) Ik graaf de stengels uit en zodra Man zich heeft omgedraaid, schud ik kwistig het zaad in het rond, gelijk een pastoor met een wierookvat. Zo, met die lange stengels komt het volgend jaar ook weer goed.

 

Tuinieren, je kunt het een beetje vergelijken met een huwelijk: het blijft geven en nemen. Ik zal Man krijgen! Stad en boerenland zal ik afspeuren en moeite noch kosten zal ik sparen om een kakelbonte variatie van knollen aan te schaffen. Plus nog een netje uien, want die doen het uitstekend in de grond. Met Sinterklaas zal ik Man alles overhandigen. Liefde…geen kruid tegen gewassen!

Groen licht

  

 

 

 

 

 

 

 

 ‘Hallo, ik ben Mirjam en ik heb een fibroom.’
‘Oké, en waar komt u nu vandaan?’
‘Van huis,’ flap ik eruit.
‘Nee, ik bedoel van welke afdeling u komt.’ Ze moet een beetje lachen.
‘Van de afdeling chirurgie.’
‘Wat is de naam van de chirurg die u heeft doorgestuurd?’
‘Geen flauw idee,’ zeg ik, ‘een jongeling met staalblauwe ogen.’ De anesthesist knikt welwillend;  we begrijpen  elkaar. 
‘U rookt niet, drinkt niet, gebruikt geen drugs en bloedverdunners?’
‘Nee…,‘ ik zeg het bijna verontschuldigend. Handig zo’n betrouwbare, saaie doos vrouw als ik. ‘U krijgt van mij groen licht,’ zegt ze. ‘groen licht voor de operatie.’

 

Groen licht? 

 

Wedden dat ze daar in de wachtruimte anders over dachten, nadat ik de complete stapel tijdschriften in zijn geheel van het tafeltje op de grond had laten sodemieteren. Als een mus tussen een setje dominostenen gleden de bladen op de vloer. Alleen omdat ik welgeteld één tijdschrift teruglegde. Eentje maar hè. Wie weet stond er ergens een zwaar artikel in, maar ondertussen gaapte  iedereen me aan. De mevrouw die naast me zat en vanochtend bij het ontbijt een glas azijn had leeg gedronken, schonk me een vernietigende blik. Ik maakte een gebaar van nou ja, ik deed ‘t toch niet expres? Nou en? Zij kon er niet mee zitten. Ook niet met haar kind dat al een kwartier lang in de maxi cosi lag te krijsen. Blijkbaar zat zij helemaal nergens mee. Dat moet toch een zegen zijn? 

 

Een meneer schoot me te hulp en als een partijtje ollekebolleke bouwden we van alle leesbladen een nieuwe stapel. Het laatste nog op te rapen blad lag half opengevallen over de laarzen van de azijndrinkster gedrapeerd. Minzaam keek ze van mij naar het blad dat op haar voeten rustte. Ze pakte het heel voorzichtig vast tussen haar duim en wijsvinger, alsof ik er zojuist uitgebreid op geniest had. Met een opgetrokken neus wilde ze het op de versgemaakte stapel leggen. Ja, nee, nu hoefde het meer. Met een stevig rukje trok ik het blad beleefd uit haar handen. De behulpzame meneer lachte hardop en stak een duim omhoog. Ik grijnsde breeduit. Totdat ik met mijn voet achter het  tijdschriftentafeltje bleef hangen…

De kleine OK is niet OKé

 

 

Met een mix van onverschrokkenheid en angst loop ik de kleine OK binnen. Ik zuig mijn longen vol lucht maar kan geen vleugje jodium ontdekken. Ik mag me uitkleden in een hokje en hoor de verpleegkundige met Man smoezen: ‘Is uw vrouw erg nerveus?’ ‘Oh, daar heb ik haar niks over horen zeggen.’ ‘U mag er niet bijblijven meneer.’ ‘Nee, ik ga zo weer weg.’ Ik grijns. Lief wil zekerweten dat ze in mijn linkerbeen gaan snijden en niet mijn rechter. Zo zijn risicoMANagers: safety first.

 

De chirurg heeft sympathieke blauwe ogen en werpt een vluchtige blik naar beneden. Aan de binnenkant van mijn dijbeen zit een aanzienlijke bult. Goddank op een christelijke plaats. De arts trekt een gezicht alsof hij elk moment zachtjes tussen zijn tanden wil gaan fluiten. Hij knijpt en port, stelt vragen, port en knijpt nog wat meer. Maar keek hij eerst nog blij, nu kijkt hij bedenkelijk, en zegt: ‘zo’n grote dermatofibroom als deze heb ik werkelijk nog nooit gezien.’ Ik gloei van trots, want ik ben wel mooi de eigenaresse van deze bult. NOG wel. De chirurg recht zijn rug en zegt om volstrekt onduidelijke reden: ’Hier laat ik mijn baas even naar kijken.’

 

ineens word ik besprongen door de zenuwen. Wat is er met mijn been aan het handje? De baas doet uit de doeken dat de bult te groot is om in de kleine OK weggehaald te worden, want er zit een behoorlijk bloedvat in en als er iets mis gaat, hebben ze alleen in de grote OK de gewenste apparatuur. Bovendien is ie ook te groot om fatsoenlijk te verdoven. ‘Dat wordt dus een dagopname met een ruggenprik,’ stelt hij het kort samen. Ik? Een ruggenprik? Doe eens normaal! Die wil ik helemaal niet. Blijf met je tengels van me af!

 

‘Heus mevrouw,’ zegt de chirurg, ‘het komt heus goed en ik beloof u een jaap van een litteken van minstens 8 cm. Ik hoop niet dat dat een probleem voor u is?’ ‘Nou ja, ik ben toch al getrouwd,’ zeg ik. Ten afscheid piekt hij tegen een teennagel. ‘Heeft mijn dochter gedaan,’zeg ik, terwijl ik zwaar teleurgesteld van de onderzoekstafel stap. Iets te snel. Zwaaiend en zwierend sta ik ernaast. Ook een lage bloeddruk heeft zijn keerzijde.

 

Met een doekje voor het bloeden en een zwaar geforceerde glimlach loop ik naar buiten. Wat een afgang. Wat een teleurstelling. Wat een domper. Niet dat er sprake was van enige feestvreugde, maar toch…

 

Ineens vind ik mezelf boe-hoe-hoe best zielig; nu ben ik er nog niet van dat kelereding af! Ik vind dat ik mezelf wel een mooi boek cadeau mag doen. ‘Koop er maar gelijk twee,’ biedt Man royaal aan. Met één bult, twee boeken en een afspraak met een anesthesist rijker, draai ik de voordeur van slot.