Ingreepje

 

Nauwgezet bestudeert hij de plek op mijn been. ‘Dat is een behoorlijke stuk wild vlees,’ complimenteert de huisarts me. Wild vlees? denk ik, wild vlees, dan heeft hij mij in mijn jonge jaren nog niet meegemaakt. ‘Wat een joekel,’ gaat de huisarts verder, hoelang heeft u dit al?’

‘Zeker 35 jaar,’ zeg ik, ‘toen was ie nog maar klein natuurlijk. We zijn zo’n beetje samen opgegroeid en hij is erg aan me gehecht, maar ik wil ik van ‘m scheiden. Ik krijg steeds meer last van ‘m.’

‘Juist ja, dat kan ik me voorstellen. Er groeit een soort etage op…,’ zegt hij verbaasd, ‘…en drie erwten.’  

‘Ja, plus drie haren. De enige op allebei mijn benen.’

‘Tja…,’zucht de huisarts, ‘Maakt maar een afspraak met een chirurg. Ik zou ‘m graag zelf wegsnijden, maar hij is te groot.’ Hij  zegt het met jaloezie in zijn stem, want hij doet niets liever dan snijden. ‘Sjonge jonge,’ mompelt ie er nog aan toe, ‘daar zullen flink wat hechtinkjes in gaan…’   

 

Het maken van een afspraak is niet zo moeilijk op te volgen. Een beetje gespannen bel ik het ziekenhuis: zou de ingreep nog voor Kerst plaats kunnen vinden of heb ik een agenda voor 2012 nodig? Die heb ik namelijk nog niet. Een vriendelijke medewerkster aan de telefoon legt uit dat tijdens de afspraak die ik maak, direct gesneden zal gaan worden. Klinkt aangenaam, the sooner, the better.  ‘De eerstvolgende plek voor u is…maandag 5 september om 10 uur. Schikt dat?’

 

Jasses, o jee, gatfer… dan al? Zo schnell? Binnen een week? Ik begin zowat te hyperventileren en kan geen woord meer uitspreken. ‘Hallo mevrouw,’ roept de medewerkster, ‘bent u daar nog? Mevrouw…een ingreep op de poli duurt zelden langer dan een uur, hoor, en u wordt plaatselijk verdoofd.’ ‘Ja, ja,’ zeg ik zodra mijn stem het weer doet, ‘aanstaande maandag is prima.’

 

Nou zat ik te denken hè. Vanmiddag (zondag( gaan we naar een verjaardag. Als ik mezelf wat zieligjes voordoe, een beetje met een trillend onderlipje en zwak stemmetje over de ingreep praat, kan ik  misschien misbruik van de situatie maken door om twéé stukken taart te vragen. Ik moet tenslotte wel op gewicht blijven!   

Lekker appeltje

 

 

Kind zit een lekker appeltje te eten. Kant en klaar geschild op een schoteltje. 

Baasje, baasje, wat eet jij daar? Het ruikt lekker.

Baasje zegt niets. Bella loopt een rondje rond Kinds voeten. Geen reactie. Bella krabbelt met haar voorpoten over Kinds voeten.

‘Bella zout op!’

En dat is precies wat mevrouw Konijn doet. Ze loopt weg, gooit haar kont in de lucht waarbij ze tegelijkertijd van richting verandert, neemt een aanloop en – hoppa! – springt op de bank. Bovenop de stukjes appel. Als een wezenloze schrokt ze alles naar binnen. Op.

 

Moet je dat tevreden smoelwerk zien:

 

De zakkenroller

 

 

Een kort verhaal en maar liefst waargebeurd!

 

Wie liep er tegenwoordig nou nog rond met een tiet met geld? Hij kon zich de dikke portemonnees vol vakantiegeld nog goed herinneren; dat waren gouden tijden voor hem geweest. Dankzij de invoering van die idiote betaalpassen met pincodetjes was hij zo goed als werkeloos geworden. De enige mensen bij wie nog iets te rollen viel dat was bij ouwetjes, maar die hadden maar weinig te makken. Zakkenrollen was heus niet zo simpel als het leek, je moest er uiterst geraffineerd voor te werk gaan. Hij ergerde zich groen en scheel dat de meeste mensen dachten dat zakkenrollers uit dommigheid voor dit beroep hadden gekozen. Alsof zakkenrollers te stom waren om te lezen of zo.

 

Ze was klein van postuur en tenger. Op de markt was het altijd dringen en duwen en de mensenmassa stond haar tegen, maar met haar minimale pensioentje kon ze niet al te kieskeurig zijn. Er viel een motregen, en de lucht van natte jassen vermengde zich met die van de viskraam. Het boodschappenwagentje trok ze onhandig achter zich aan. Ze kreeg er een lamme arm van. Maar aan sjouwen had ze een pesthekel en vandaag speelde haar rug weer op. Met haar linkerhand klopte gewoontegetrouw op haar jaszak, ja, de portemonnee zat er nog.

 

Mensen keken altijd neer op zakkenrollers, terwijl hij het een echt ambacht vond. Je moest een stevige portie mensenkennis hebben om te weten wie je wel en wie je niet kon belazeren. Kijk, dat oude vrouwtje voor hem, met haar boodschappentas op wieltjes. Dat wagentje trok ze met haar rechterhand achter zich aan; wedden dat haar portemonnee in haar linkerjaszak stak? Zie je, dát bedoelde hij maar. Hij vouwde zijn handen in elkaar, knakte zijn lange vingers en liep wat dichter naar haar toe. Dit werd een eitje. Hij wachtte tot een slons achter een kinderwagen zijn slachtoffer gepasseerd was, botste licht tegen het omaatje aan en gaf haar een duw. Tegelijkertijd stak hij zijn hand in haar jaszak en trok hem tevreden terug. De oude vrouw draaide zich om. ‘Sorry,’ zei hij. Een echte heer, zo was hij dan ook wel weer.

 

Bij de groentekraam schoof ze naast een dame met een nepbontje aan. Ze klopte weer op haar jaszak. Leeg! Haar portemonnee was weg! Ze grinnikte hardop. Oud maakt nog niet gek. Het nepbontje keek haar meewarig aan: een oma met een binnenpretje. Oma zelf zat er niet mee. Zakkenrollers maakten vast niet vaak mee dat het slachtoffer slimmer was dan de vingervlugge dief. Ze hoopte van harte dat hij of zij kon lezen. Anders had ze het briefje met “gefopt!” er voor niets ingedaan.