De Tijd

 

 

Je moet altijd op tjd beginnen,
kunt ‘m doden, negeren, winnen.
Hij is overal, maar nooit concreet,
je zegt nooit: “Ik pak ‘m beet.”

 

Laat zich niet opjagen of beknotten,
loopt gelijk voor koningen en zotten.
Kunt ‘m vieren met vreugdevuren,
of denken: ‘t zal mijn tijd wel duren.

 

Hij maakt je ouder, soms ook wijzer,
maar nooit jonger, altijd grijzer.
glipt door je vingers als los zand,
niets zo tijdelijk als een krant.

 

Decennia, millennia, één jaar, of tien miljoen,
een maand, een week, of even vluchtig als een zoen.
Thans, het hier, het nu, het heden;
duurt eeuwenlang, of is zo vergleden.

 

De tijd, een tijdje, eindeloos,
vergankelijk of een hele poos.
Babytijd, peutertijd, kleutertijd,  
kindertijd, pubertijd, volwassenheid.
Verkeringstijd, verlovingstijd,
in goede en in slechte tijd.
Kantoortijd, de baas z’n tijd,
tijdschema of vrije tijd.

 

Bedtijd, wektijd, koffietijd,
looptijd, rek, sluitertijd.
Bloeitijd, broedtijd, voedertijd,
paartijd, draagtijd, lammer tijd.
Zomertijd, ijstijd, wintertijd,
Joeltijd en komkommertijd.
Te allen tijde, te zijner tijd,
na lange of verloop van tijd.

 

De hele tijd, de laatste tijd,
onvoltooid verleden tijd.
Tijdens, tijdelijk, tegelijkertijd,
tussentijds of tezelfdertijd.
Een tijd van komen en een tijd van gaan.
Uit de tijd, of eigentijds met de tijd meegaan.
Hij heelt mettertijd alle wonden,
je verliest ‘m of bent aan hem gebonden.

Tijd kost geld, zeker vandaag,
maar hoeveel, dat blijft de vraag!

 

Ik heb mijn oude gedicht maar weer uit de kast gehaald. Hij blijft aktueel 😉
Een fijne jaarwisseling iedereen!

Vitamine C

 

‘Je ziet er een stuk minder verlopen uit dan de vorige keer,’zegt Vriendin. Dankbaar neem ik haar compliment in ontvangst. Want eerlijk = heerlijk. Ik loop achter haar aan naar binnen voor een bakkie. Vriendin woont wel/niet in ons dorp. Geen van beiden houden we van vaste afspraken, dus de ene keer zien we elkaar 3 x per week (‘your place or mine?’) en daarna soms 3 weken niet. Want vrij = blij.

 

In de kamer plof ik neer in een stoel; C. loopt naar de keuken voor koffie. Handig: de trommel met boterkoekblokjes staat al hapklaar op tafel. Zonder deksel. Veel te vermoeiend elke keer die deksel erop en eraf te doen want we eten toch door tot de trommel leeg is. 
‘Je eet toch niet al stiekem van de blokjes, hè?’ informeert Vriendin vanuit de keuken. Ik zeg niks want mijn keurige opvoeding heeft me geleerd niet te praten met volle mond.

 

In de keuken klinkt een hoop lawaai, gerinkel, veel gemopper en tot slot het geluid van vallend serviesgoed op een plavuizenvloer.
‘Wattizzer stuk?’ vraag ik.
‘Oh…een mok.’
‘Zal ik ff veger en bl…’
‘Nee, jij blijft zitten!’
‘Oké.’ (Ik doe altijd precies wat zij zegt.)
‘Wil je melk in je koffie?’ Niet te geloven. Zij declameert uit het hoofd in vloeibaar Engels met gemak tien minuten de voice over van Discovery Chanel (beroepsdeformatie), maar onthouden wat ik in mijn koffie wil, is er niet bij. ‘Graag,’roep ik, in de hoop dat ’t deze keer blijft hangen.

 

Billie de Border rekt zich uit en legt zijn hondenkop op mijn knieën. Ik kriebel ‘m zachtjes achter z’n oren. Hij kijkt me hemels aan; zijn ogen halfdicht (halfopen voor de optimisten onder ons). Hè hè, daar is C. met de koffie. ’t Werd anders wel tijd. Billie zijgt neer op mijn voeten en reken maar dat hij daar bovenop in slaap valt.

 

Vriendin grabbelt een blokje boterkoek uit de trommel, gooit ‘m omhoog en vangt ‘m met open mond op. Zo, daar heb ik niet van terug. Zelfs pannenkoeken flikkeren bij mij op de grond als ik ze in de lucht probeer om te keren. Lenigheid baart kunst, dus ik onderneem wel een poging. Mond open, gooien, opvangen… mis. Het blokje valt op de grond en Billie springt overeind en hapt het koekje naar binnen. Op! ‘Billie lay down!’ roept C. Mopperend springt Billie op een bank, legt zijn kop op het kussentje, laat een boer en valt in slaap.

 

Waarom voel ik me altijd zo thuis bij Vriendin?

Knetterspul

“Koop mij! koop mij!” knalt de vuurwerkfolder. Krijgt Kind normaal gesproken al een appelflauwte als ze haar rekenmachine moet gebruiken voor wiskunde, nu rekent ze vrijwillig alle aanbiedingen uit de folder uit het hoofd na.

Ik sta al op springen als ik de e.rotische namen van dat knetterspul lees: whistling moon missile, night blitz, whammy, stone hard, strato vector… Om de schade te beperken, vullen we een vuurwerklijst in op internet. Geen seconde verlaten haar oog het beeldscherm. Hoe anders is dat als het pakket opgehaald kan worden. Omdat het toch niet eerder dan oudejaarsavond opengemaakt  wordt, kan net zo goed haar moeder de plastic zak in de winkel ophalen. Easy does it.

Kind heeft het afsteken van vuurwerk van kleins af aan meegekregen. Moeten normaal gesproken ouders hun kinderen afremmen (‘Die sterretjes zijn helemaal geen koudvuur!’) bij Kind was het precies andersom: ‘Je kan die sterretjes gewoon beethouden, hoor.’ Nee,nee, stel dat het spetterde op  haar hand. Ze keek liever toe hoe haar moeder ze vasthield. Met een stuk glas ertussen. En of ik er wel figuren mee in de lucht wilde tekenen?

Vorig jaar had ik me een doosje rotjes toegeëigend. Ik vond ze er wel vreemd uitzien. Aan elk rotje zaten slappe witte vodjes. Fanatiek probeerde ik de rotjes aan te steken. Hoe ik ook stond te hannesen met aansteker en rotjes…vruchteloos. Rotje na rotje weigerde te ontvlammen. Ik ontstak ik woede en pletterde nijdig de rotjes op de grond. PANG! PANG! Allemaal voltreffers! Uit gemakzucht was ik vergeten te kijken wat er op de verpakking stond: knalerwten… Zoveel herrie voor zo weinig moeite en maar een paar centen. Ik kreeg er gewoon zin in. Snel griste Kind het doosje uit mijn handen.

We bestellen een samengesteld pakket, plus nog wat losse onderdelen. ‘Een veiligheidsbril…?’foetert  Kind verontwaardigd. Haar ogen schieten vuur zonder dat daar een aansteeklont aan te pas komt. Als ze iets achterlijk vindt, is het dát wel. ‘En papa dan?’ vraagt ze listig. ‘Ook een bril,’ zeg ik streng. ‘Weet hij ’t al?’ informeer ze vals. Tjakka, dag bestelling, dan toch geen donderslagen. Wat! Dat haar moeder zo harteloos vals kan zijn…Schoorvoetend gaat ze overstag.

Straks zal haar gezicht glunderen bij elke vuurwerkpijl die haar vader ze afsteekt. Hieperdepiep…nog een paar nachtjes slapen en dan is het zover!

Het mooiste vuurwerk? Carbidschieten met melkbussen op Nieuwjaarsdag.

From Bella with love

Bella het Beest

Welke jan doedel zet er nou een boom in zijn huis? Een bóóm! Wees eerlijk: als iemand hartje zomer een conifeer of rododendron in zijn woonkamer zet, wordt er toch getwijfeld aan zijn mentale vermogen? Uiteraard doen wij sukkels gewoon met alle jan doedels mee.  

Onze kerstboom komt niet uit een bos maar uit een doos. Uitvallen dat kreng, níet normaal! Daarbij wordt de boom een tandje geholpen door Bella. Mevrouw Konijn kan er geen genoeg van krijgen  onder de boom door te “tijgeren,” maar loopt steeds met haar dikke kont tegen de onderkant aan en dan regent het naalden. En ze krijgt heus genoeg te eten, maar omdat ze nogal van snaaien houdt, zet ze telkens weer haar in de boom. Ze kan niet  geloven dat iets groens zo vies smaakt. Elke dag is het raak: ze neemt een hap van een dennentak, kauwt bedenkelijk op de nepnaalden en…bah! nog viezer dan peentjestaart. Mokkend bedelt ze om een brokje om de vieze smaak weg te werken. Als dat niet snel genoeg gebeurt, blijft ze in haar woede zitten en duwt ze met haar neus net zolang tegen een kerstbal, tot die met een pats! van een tak valt.

Helaas heeft Bella ook een enorme liefde voor kabels en snoeren. In een onachtzaam ogenblik ging ze op haar achterste poten staan en zette ze verlekkerd haar tandjes in het lichtsnoer. Het had weinig gescheeld of we hadden óf geroosterd konijn kunnen eten, óf Man had Bella gewurgd met hetzelfde snoer. Om verdere problemen te voorkomen, hangen alle versieringen en lichtjes nu een meter boven de grond. Logischerwijs is de onderkant van de boom dus leeg. Zie je het voor je?

Cadeautjes onder de boom? Laat me niet lachen. Mevrouw duwt alle pakjes als een sneeuwschuiver voor zich uit en verspreidt ze over de gehele benedenverdieping. De verrassing waar jouw pakje is aangekomen, verhoogt uiteraard de kerstpret. Is het te groot om te verslepen? Geen nood: dan vreet Bella de strik op om vervolgens haar tanden in het papier te zetten. Wel zo makkelijk: hoeft de ontvanger zijn cadeau alleen nog maar van de grond te tillen.

Iemand die nog op zoek naar een assertief konijn?  

Ik hou van je

Sinds de kleuterschool was ze mijn moeders beste vriendin, en ik wist niet beter dan dat ze mijn biologische tante was. Ze was een stevig dame, die levenslang aan de slanke lijn deed; had een royale boezem; een bril met jampotglazen en altijd knollen in haar kousen. Zette ze koffie dan vergat ze water in het apparaat te doen, en melk kookte bij haar eeuwig over. Overal waar zij kwam, ontstond vanzelf een lichte chaos. ‘Van jou komt weinig terecht,’ beloofde haar godsdienstleraar op de lagere school, ‘want jij bent een rotte appel.’ Die belediging droeg ze met trots.

 

Haar levenswerk was het vullen en leegeten van een vriezer die de helft van haar keuken in beslag nam. Ze was de grootste afneemster van ’t IJsboerke; de beste klant van de bakker en het “trouwste” lid van de Weight Watchers. Ze rookte als een open haard, en scheurde rond in een rood koekblik, waarin ze rustig midden op de trambaan stil bleef staan. ‘Ik doe een goede daad,’ zei ze dan, ‘mensen halen door mij de tram nog.’ Mijn moeder probeerde ze dronken te voeren door een longdrinkglas voor meer dan de helft met rum te vullen, en er maar een flutbeetje cola in te doen…

 

Liepen we samen over de markt dan stootte ze me aan en zei ze: ‘Mir, moet jij eens opletten hoeveel mannen er Piet heten,’en dan riep ze uit volle borst:’Pie-hieiet!’ Hoe meer mannen er omkeken, hoe harder zij het uitgilde. Jammer voor haar dat de Tena Lady’s nog niet waren uitgevonden.

 

Haar leven was verre van gemakkelijk, maar ze bleef vrolijk. Zelfs toen ze kanker kreeg, wasa haar humor niet te vernielen. Toen ik huilde omdat haar haar bij bosjes uitviel, troostte zij mij door te zeggen: ‘Geeft niks griet, die groeien wel weer aan, en tot die tijd neem ik gewoon een pruik. Ik dacht zelf aan een hanenkam. Denk je dat die me staat?’

 

Haar kille en egoïstische man, vond dat ook doodzieke vrouwen hun taak in de huishouding niet mochten verkwanselen en hun man, kostte wat kost, moesten blijven behagen. Zelfs toen ze op het laatst niets meer kon, vond hij het teveel moeite een kopje thee voor haar te zetten. Wat moet ze eenzaam zijn geweest…

 

Tijd heelt veel wonden. Dat ze zoveel jaar na haar overlijden, nog steeds gemist wordt, wil zeggen dat ze een bijzonder mens is geweest. Ze mocht dan vol grappen en grollen zitten, ze stond als eerste op de stoep als iemand hulp nodig had. Ik vond haar net een grote bloemkool: ze had voor iedereen een stronkje. Vele keren heb ik aan haar graf gestaan. De laatste keer was vlak voordat haar man erin bijgezet zou worden. “Op bezoek gaan” vond ik daarna teveel eer voor hem.  

 

Al zeventien jaar heb ik spijt. Spijt als haar op mijn hoofd dat ik nooit vier simpele woorden tegen haar gezegd heb. Waarom heb ik wel met haar gelachen, gehuild, gezongen en gegeten, maar heb ik nooit gezegd hoeveel ik voor haar voelde?

Daarom: doe het zolang het (nog) kan: 
Schrijf het. Fluister het. Zeg het. Schreeuw het!

Vermomd als heer

‘Komt allen tezamen,’zingt een kinderkoor op de achtergrond. Niet jubelend van vreugde staan klanten met volgeladen karretjes te wachten om te mogen betalen. Kind is nog klein en deint in het winkelwagentje zachtjes mee op de muziek. Vóór mij in de rij staat een man. Correctie: een heer, want hij ziet er poepie deftig uit in zijn  driedelig kostuum, deftige dasspeld, keurig gekapt haar, en een lichte regenjas, waar hij voortdurend denkbeeldige pluisjes vanaf veegt.
Niet mijn type, te glad. Wel een man maar geen vent.

Onverwacht ziet hij in de rij naast hem een bekende. Ze groeten elkaar en maken een praatje. De heer stuurt zijn karretje naar links en schuift bij de bekende aan in de rij. Prima, des te sneller ben ik aan de beurt. Korte tijd later manoeuvreert hij echter weer naar rechts en schuift vóór mij aan in de rij. Ook goed. Dit tafereel herhaalt zich enige malen, totdat ik de eerste in de rij ben en mijn boodschappen op de kassaband zet. Ineens wordt meneer wakker.

‘Moet je kijken!’zegt hij op luide toon ‘die huisvrouwen hebben heel de dag niets te doen, maar wel voordringen bij de kassa!’ Het meest trieste van zijn opmerking vind ik nog dat alle wachtende mensen niets beters te doen hebben dan onze “aanvaring” te volgen. De man foetert en wenst mij besmettelijke ziektes toe, aldoor pluisjes van een mouw vegend. De kassamevrouw en ik kijken mekaar aan en taxeren elkaar als “wij vrouwen tegen die man daar.”

Het lukt me zowaar mijn kaken stijf op elkaar klemmen, terwijl meneer blijft doorgaan met zijn tirade, en met dodelijke ziektes begint te smijten. Dan is het genoeg. Ik heb betaald, de boodschappen bijna ingeladen en zeg in alle rust: ‘U mag er dan uitzien als een heer, u bent er in elk geval niet één.’
Doodse stilte. Dan gegniffel. De cassiere grijnst.
‘Mevrouw, 1-0 voor u.’
Toch wel een vent om er meteen weer voetbal bij te halen.

Als ik de winkel uitloopt, zet het kinderkoor ‘vrede op aarde in’.
Lopend naast de fiets met twee tassen aan het stuur en Kindlief achterop, glibber ik tussen de sneeuwresten over de stoep. Een jaguar rijdt voorbij, glimmend als een spiegel. Er zit een gladde verschijning achter het stuur. Hij ziet mij en toetert. Wanneer ik naar ‘m kijk, steekt hij eerst zijn middelvinger omhoog en wijst er vervolgens mee op zijn voorhoofd. Kind ziet zijn gebaar aan voor een groet en zwaait enthousiast “dag” met haar handje.
Zoevend rijdt de man voorbij, de onderkant van zijn eens smetteloze regenjas wapperend als een vuil vod tegen het portier.

Culinair afspraakje – vervolg

‘Niet schrikken! Er staan nog twee lege stoelen en partners zitten níet naast elkaar,’ zegt gastheer Frank terwijl hij de deur opent. Aan een lange tafel zit een gezelschap van vijftien personen. Kakel schudt handen en hoort namen die ze meteen weer vergeet, en neemt plaats op een stoel. ‘Ik ben Harrie,’ roept de man aan haar rechterkant luid, ‘en we hadden het net over uw bips, mevrouw!’ ‘We hadden het over ding, flóf, bips!’ roept een vrouw schuin tegenover hem. Met een opgerolde servet slaat ze in de richting van de luidruchtige man. Ze ziet er geagiteerd uit.    

 

Dus dàt is nou Harrie…denkt Kakel. De dronken lor van de bank, die eergisteren na de lunch in aangeschoten toestand de aandeelhoudersvergadering binnen was gelopen, iets ongepasts had geschreeuwd en per direct blijvend kon vertrekken.
‘Heeft je man je dat blauwe oog geslagen?’ informeert hij lallend. Minachtend blikt ze hem aan. Moet je zien hoe de stakker eruit ziet: een pafferig bezweet gezicht en een haardos die door de plantsoenendienst is gestyled met een hark. Hij hield vast ook van seksistische praatjes toen zijn prostaat het nog deed. Ze negeert hem moeiteloos, daarbij geholpen door de tafelgenoot links van haar.  

 

‘Noem mij maar Leo, hoor. U heeft net de kwarteleitjes gemist.’ Hij buigt zich vertrouwelijk naar haar toe. ‘Ik dacht, ik prik mijn vork erin en stop ‘m in mijn  mond, maar dat beek niet de juiste etiquette te zijn.’ Kakel grinnikt. Ze mag ‘m meteen.

 

Laat op de avond steekt Harrie een sigaar op. Kakel ruikt haar kans en holt naar het toilet. Op te pot telt ze haar zegeningen: tot nu toe is er nog niets verkeerd gegaan…!

 

Binnen wil ze zich weer in het geroezemoes mengen, als haar gastheer met oogsignalen laat weten dat er iets mis is. Hij wijst naar haar voeten. Ze ziet niks. Harrie ziet het wel.
‘Wat heb je nóu gedaan? Een grote boodschap?!’ joelt hij. Meteen wordt het  helemaal stil. Alle hoofden draaien in Kakels richting. Dan ziet ze het ook: een stuk wc-papier is in haar kleding blijven hangen en heeft ze als een lange staart achter zich aangetrokken. Haar man veert overeind en verleent eerste hulp. Harrie proest het uit en slaat met zijn vlakke hand op tafel. Het bestek en glaswerk rinkelt. Dit is het sein voor vertrek.

 

Bij plaatsgebrek in de hal is het afscheid buiten. Iedereen dromt samen rond Frank en prijst het eten. Harrie verplaatst zijn sigaar naar z’n andere mondhoek en knipoogt schalks naar Kakel.
‘Ding, flof… het hing aan je bipsss…’lispelt hij. Dit is de bloedige limiet. ‘Schei toch uit, man! Ding, flof, bips is zó 2002. Het is nu: “sms ff bondige clips”. Ze krijgt zo’n vreselijke zin een daad te stellen dat ze de sigaar uit zijn mond trekt en verpulvert onder haar laars. Zo, nou hij weer. Zijn vrouw komt aanstormen en is furieus. ‘Behéérs je nou eens!’

 

‘Ik ben toch al ontslagen…Maar ’t zal niet eenvoudig zijn een vervanger voor me te vinden,’ zegt Harrie onder de indruk van zichzelf.
Frank kucht en vraagt onverwacht om aandacht. ‘Het is…eh…een beetje laat…of eigenlijk juist nog wat vroeg…maar bij deze zeg ik jullie dat vanaf aanstaande maandag, Leo de functie van Harrie zal overnemen.’
Leek Harries ego net nog groter dan het heelal leek, plots is het volledig getorpedeerd.

 

Na alle felicitaties zet Leo zijn pilotenhelm op, loopt naar een Harley die onder een kale boom geparkeerd staat, en start de motor. Hij trekt de gashendel helemaal open. De ronkende uitlaatgassen blazen precies tegen Harrie aan, die finaal van de kaart is. Met jankende banden rolt Leo de nacht in.
‘Sterkte Harrie,’ zegt Frank ten afscheid, ‘je zult het nodig hebben!’
Een opmerking niet om te eten, maar wel om van te smullen.  

Culinair afspraakje

Met uiterste precisie had ze met de camouflagestick van haar dochter, haar blauwe oog weggewerkt. ‘Heeft u ruzie gehad?’ vroeg de chauffeur met een gna-gna-grijns. De sfeer in haar hoofd sloeg meteen helemaal om. Haastig zocht ze een zitplaatsje. Vluchten kon nu niet meer.

 

Ze was nerveus voor het etentje. Het opperhoofd van de bank waar haar man werkte, had in een opwelling van overijverig enthousiasme alle managers uitgenodigd voor een culinair samenzijn bij hem thuis. Mèt partner. Buitengewoon onaangenaam verrast hadden zij en haar man de uitnodiging aangenomen, want een feestje tussen nette mensen in deftige dracht, daar zag je ze zelden.  

 

Ze zou haar beste beentje vooruit zetten om de eer van haar man hoog te houden. Al bleef het de vraag of ze daarin zou slagen, zeker met een cocktailtje in de knuisten. Ze had zich voorgenomen bedachtzaam te reageren, dat moest eigenlijk al genoeg zijn. Lachen zou ze zoveel mogelijk laten, want dat deed pijn boven haar dicht genaaide wenkbrauw.

 

Nu ze onderweg was, kreeg ze eerlijk gezegd best trek in een discussie over cijfers achter de komma. En was het opperhoofd niet attent geweest om te vragen of de gasten nog voorkeur of juist afkeer hadden van een bepaald gerecht? ‘Nou,’ had haar man geantwoord, ‘ik lust alles, maar met mijn vrouw kun je maar beter geen rekening houden.’ Nee, wat de boerin niet kende…Ze kreeg al kramp in haar maag bij de gedachte dat ze een weekdier door zou moeten slikken. En ze at nog liever gras dan spruitjes.

 

Met het OV deed ze er twee uur over om in Den-Haag te komen; een afstand van 35 km, waarbij ze ook nog twee keer moest overstappen. Een hele reis voor een incontinente vrouw. Aan het eind van de rit stond haar man haar op te wachten. Ze reden naar het huis van het opperhoofd, die ze overigens Frank mocht noemen. Bij het uitstappen vergat ze haar gordel los te maken, waarna ze naar buiten struikelde omdat het hengsel van haar tas achter de handrem bleef hangen. Nog snel  trok ze wat kleren recht. Toen ging de huisdeur open en duwde haar man haar resoluut naar binnen.