Ja-knikkers in de apotheek

 

Van een ex heb je altijd last, ik ook van de mijne. Niet dat hij me stalkt, mijn ex-bult, maar het afscheid schrijnt. Twee dagen lang zat ik in uitgezakte kleren op de bank, en ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik vind dat sleur. Tijd om eens he-le-maal los te gaan. Laat ik eens bescheiden beginnen met een bezoekje aan de apotheek. Daar kan ik niet op de fiets naartoe. Lopen is ook geen goed idee, want ik loop in een houding alsof ik krulspelden tussen mijn benen heb gezet. Niet dat ik daar ervaring mee heb, maar ik vind dat gewoon de meest voor hand liggende vergelijking. Noodgedwongen stap ik dus in de auto. Wees gerust: parkeren in de buurt van de huisartsenpraktijk is uitgesloten, want daar krijg je luie patiënten van. Beweging, dát is precies wat de stakkers nodig hebben.

 

Nog veel te gaan.
Met mijn tong op mijn schoenen haal ik de balie van de pillendraaier. Wat een gekkenhuis! Rijen volk in de wachtstand, en je zult net zien dat alle stoelen in de wachtkamer bezet zijn. Een tikkeltje wijdbeens sluit ik aan in de rij achter mijn voorgangers. Alles voor de privacy van de medemens. 

 

Nog twee te gaan.
Ik voel mijn ritssluiting trekken. Zal ik op de grond gaan zitten? De verleiding is groot, maar zelfs ik heb mijn trots. Al is het een marteling, ik zal standhouden. Ergens in de gang gaat een deur open. Een mevrouw op hoge slippertjes klikklakt naar de balie en werkt zich brutaal tussen mijn voorgangster en mij in. Ze gaat toch niet voorpiepen, hè, dat kan ik momenteel echt niet aan. Man, man, man, ik kán niet meer. Nog even en ik scheur uit mijn ritssluiting. Elke minuut een tandje meer. Ik ben als de dood dat ik me straks noodgedwongen moet vastklampen aan de balie. Het lefmens zet een gezicht op dat ze onmiddellijk op haar wenkbrauwen bediend wil worden.

 

Nog eentje te gaan.
De apothekersassistente kijkt op haar horloge: over een klein uurtje mag ze naar huis. Na een slok groene thee, kan ze de situatie tijdelijk weer aan en vraagt dodelijk vermoeid: ‘Wie is de volgende?’ Nu komt het eropaan. Go! Het brutale mens brengt haar arm met het doktersrecept in de richting van de assistente. ‘Sorry mevrouw, ik ben aan de beurt,’ zeg ik met uiterste krachtinspanning. Hierzo, moet je de blikken van die verveelde patiënten in de wachtkamer zien, stelletje luie varkens op hun zuignap op een stoel. Ze lijken net herdershonden, hun oortjes gaan direct omhoog. ‘Ik kom net van de huisarts,’ keft het brutaaltje tegen mij. ‘Maar wij,’ zeg ik, wijzend naar al mijn nagekomen medewachters, ‘staan hier al vijftien minuten.’ Ik zeg het keurig net. Echt ongelogen, zo uitermate rustig en aardig, het mag in de krant. Vriendelijk lachen is een tikkeltje teveel gevraagd.

 

Goddank zijn mijn achtervolgers het roerend met me eens. Unaniem drommen ze samen en van het ene op het andere moment staat de apotheek vol ja-knikkers. Brutaaltje heeft weinig keus. Ze vertrekt haar gestifte mond tot een streep. Als ik wil betalen, blijft ze klem met haar gepoederde neus bovenop het pinapparaat staan. Ik zweer het je: had ik voldoende energie èn de stok van House, dan had ik haar hupla zo onderuit getackeld. Nu been ik met mijn nieuwe voorraad pillen, poeders, en pleisters in de richting van de uitgang. Halverwege dringt het tot me door: de auto staat een straat te ver. Wat nu? Kan ik dan ner-re-gens zitten? Mijn oog valt op een deur met een bordje:”wc.” Daaronder een briefje in Caps Lock met veel uitroeptekens:”Alleen voor het personeel.” Ik glimlach zachtjes, ik ben gered. Ik open de deur en voel me meteen thuis. 

Verhitte dekens en een comediene

‘Weet u op wie u lijkt?’ vraagt de verpleegster met de Carrie Slee-bril.
‘Op mijn moeder,’ zeg ik, ‘maar kent u haar dan?’ Zelf vind ik ’t antwoord tamelijk onnozel klinken, maar Carrie vindt ‘t heel geslaagd. Als ze dan ook nog ziet dat ik mijn operatiejurkje achterstevoren heb aangetrokken, stopt ze met het transport van mijn bed naar de OK, zodat ze even haar ogen droog kan deppen. Ze lacht met gierende halen. Straks moet ze nog aan de beademing.  

 

‘Op wie dan?’ vraag ik. ‘Op Lucille Ball,’zegt ze. Lucille Ball? Is dat  ‘n compliment? Lucy is immers  al jaren dood. Ik snap dat ik er vandaag niet op mijn voordeligst uitzie, maar om me nou met een dode te vergelijken… ‘Vanwege uw opgestoken en beetje rode krullen,’ zegt Carrie, ’u weet wel, die Amerikaanse comediene?’ Hah, ze bedoelt de levende versie, ja,ja, haar ken ik! Zij liet altijd alles uit haar handen vallen, of alles stortte op de grond als ze er naar keek…Een rake typering, zo’n geruststellende gedachte. Dan zijn we bij de OK. Handig manoeuvreert Carrie mijn bed door de klapdeuren naar binnen. Meteen krijg ik aandacht van vier in het blauw geklede mensen. Ik  begroet ze met een zwaar geforceerde glimlach.   

 

Alles gebeurt ineens tegelijk: de chirurg vraagt of ze mijn tumor mag zien, ik krijg een infuus, wordt aangesloten op veel apparatuur en met samengeknepen billen wacht ik op de ruggenprik. ‘Komt-ie, mevrouw.’Nou zeg, was dat alles? Ik onderga een uiterst vreemde ervaring: eerst krijg ik hete billen, daarna warme benen, vervolgens koude voeten en uiteindelijk wordt mijn onderstel geheel gevoelloos. Best benauwend. Een assistente vraagt of ik een lekker roesje wil? Ja, wat denkt zij dan? Ze geeft me een vloeibaar slaapmiddel via het  infuus, maar er gebeurt niks. Na het tweede shotje nog steeds niet. Stelletje vrekken: meer krijg ik er niet.

 

Sneller dan gedacht is alles achter de rug. Ik mag naar de verkoeverkamer. Kóud dat ik het heb! Nog wel op deze warmste “zomerdag” van het jaar. Gelukkig krijg ik verhitte flanellen dekens. Ze komen uit een speciale kast en lijken op de handdoekjes van de Chinees, maar dan groter en droog, kortom: anders. Maar héérlijk!

 

Terug op de afdeling word ik overvallen door een reusachtige haast om thuis te geraken, maar ik mag pas weg als mijn benen “’t weer doen.” Ik ben de laatste overgebleven patient op de verdieping. Echt heel zielig. De uren lijken dagen en ik verveel me te pletter. Sukkel die ik ben: vergeten mijn mp3 mee te nemen, terwijl Kind zo haar best heeft gedaan er illegale muziek op te zetten. Onder vier hete dekens (watje…) kijk ik naar de azuurblauwe lucht buiten. Langzaam zakt de zon. In de verte komen bekende geluiden dichterbij: een donkerbruine stem en een vrolijk gegiebel. Man duwt Kind in een statiegeld-rolstoel mijn kamer in. De laatste meters wacht Kind niet af en vliegt ze op me af. Een verrekte happy ending.