Melken

Met een stuk touw staat ze stevig vastgebonden aan het hek. Op een laag krukje vouw ik me dubbel onder haar achterlijf, en pak de twee lange spenen die onder de gespannen uier hangen. Een klein emmertje hangt klem tussen mijn benen. Wild bonkt Gerda met haar kop tegen het hek. Zolang het haar eigen kop is, vind ik het best. Ik werk door, want dit beest melk je niet voor je lol.

 

Maak kennis met Gerda: kort stuk haar, een eigengereide blik, en twee hardleerse knobbels bovenop haar kop. Een verraderlijk en wispelturig stuk geit. Met een slinkse zijwaartse bewegingen geeft ze me met een  achterpoot een schop, en ik duikel onaangenaam achterover. Daarna schopt ze geraffineerd het emmertje om. De aandrang haar  een pestknal te geven is gering, maar hij is er wel. In plaats daarvan bind ik met een stukje touw haar achterpoten aan elkaar. Eens kijken wie hier de bazin is.

 

Ik pak het gevallen emmertje en begin opnieuw. Pfff, het is warm in de stal en ik gooi mijn hoofd achterover in mijn nek voor een beetje frisse lucht. Op dit moment heeft Gerda gewacht. Met een welgemikte beweging hapt ze in een flinke pluk van mijn haar en geeft er een harde ruk aan. Met een schreeuw grijp ik naar mijn hoofd en meteen trapt Gerda voor de tweede keer het emmertje om. Die geit frustreert me mateloos. Dit is het meest vreselijke beest uit mijn 16-jarige bestaan en ik zou er met alle plezier de brandslang op zetten.

 

Ik trek een stuk touw uit een strobaal en bind de nek van de geit klem strak tegen het hek. Gerda bokt met een adhd-achtige verbetenheid, maar dat blijkt – gna gna- hoogst ineffectief. Drie stukken touw voor één achterbaks stuk geit, maar een vrijwilliger is ook maar een mens. Er loopt een bezoeker naar binnen. Ogenblikkelijk verandert Gerda van tactiek en ze gaat erbij staan alsof ze het grootste en zieligste sulletje van de kinderboerderij is. Zo hulpeloos mogelijk kijkt ze de bezoeker aan en ze mekkert erbarmelijk. De mevrouw trapt er nog in ook. Ze reageert een beetje opgewonden en zegt: ‘Dierenbeul!’
‘Ze is een nare, arrogante rotgeit,’ zeg ik zonder wroeging. Als moeder is ze ook mislukt, want ze ontkent haar twee bloedjes van nageslacht. En dan te bedenken dat Gerda nog tot het liefste geitenras behoort. Kun je nagaan hoe de rest is! Gelukkig is mijn emmertje vol.

 

Met een verhit gezicht til ik het buiten het bereik van moeder geit en zet het achter het hek neer. Vijf minuten later liggen twee soppende babygeitjes aan de fles. Gerda ligt uitgeteld mekkerend in het stro. Ze kan zo bij het toneel. Twintig jaar daarna hoor ik van een geitenboer de uitdrukking: “leer vloeken en neem een geit”. Hij kan het weten…

 

Schrijfuitdaging van Aline
Thema: melk(en)


Zoetmakertje

 ‘Hoi Mam!’ spettert Kind enthousiast door de telefoon.
‘Ha lieverd. Alles goed, je had al lang thuis kunnen zijn…’
‘Ja, maar ik heb een lekke band.’
Ik zeg:‘Oké,’waarna ik mezelf afvraag wat er zo oké aan een lekke band is. ‘Waar sta je?’
‘Bij Jari thuis. Hij staat mijn achterband te plakken,’ zegt ze. Er zitten twéé gaatjes!’joelt ze erachteraan, alsof het een reuzenprestatie is.
‘Geweldige jongen die Jari,’ zeg ik welgemeend, ‘zo ontzettend aardig van ‘m.’ En wat ook bijzonder fijn is: nu hoef ik haar band niet te plakken.
‘Je bedankt ‘m toch wel, hè?’vraag ik voor de zekerheid.
Ja, hèhè, wat denk ik wel niet van haar? Hij is niet voor niks haar beste vriend. Het mag dan een pukkelige jongen met een lang slungelig lijf zijn, wat kan haar dat nou bommen? Trouwens, hij heeft een vlotte babbel en pukkels gaan vanzelf weer over. Kind voegt er fijntjes aan toe dat ze bij haar vrijwilligerswerk in de Breeje Hendrick geen enkele bejaarde met jeugdpuistjes heeft gezien.

Maar toch, een traktatie vinden we wel gepast voor de jonge fietsenmaker. Kind weet ook meteen wat: marsepein. ‘Enneh…alleen voor hem?’ informeert ze voorzichtig.

Bij ’s lands grootste grutter koop ik drie pakjes marsepeinen lettertjes. Twee voor hem en eentje voor haar. Kunnen ze in een tussenuur lekker wordfeud scrabble spelen.

Zomer in de bol

Ken je me nog, die mevrouw die de hark zwaait over de tuin? Máánden geleden alweer (maar zeg nou zelf: wat is tegenwoordig nog een maand?) begroef ik met weinig ceremonie een dahliaknol in de tuin. Daar hèb je anders handenvol werk aan: gat graven, stokje ernaast voor de herinnering, en dichtgooien die handel. Twee zinken gieters parkeerde ik alvast naast de regenton. De natuur bespaarde me handenvol gesjouw met volle gieters. Ja, ik bekijk het leven maar zoveel mogelijk van de zonzijde, een ander pluspunt weet ik niet te verzinnen voor onze lange, hete zomer (NOT).

   

Ik wachtte.
Er gebeurde niets. Helemaal niets. Bollen, concludeerde ik, zijn ook niet meer wat ze geweest zijn. Maar goed dat ik in de tussentijd gewoon door ben blijven eten, anders was het verkeerd met me afgelopen. Maar waarom deed Mevrouw Dahlia het niet, vroeg ik me af. Had ze te weinig zon gezien? Was ze verdronken? Had ik te weinig tegen haar gepraat? Nou ja, ze rustte daar in elk geval vredig.

 

Van de week zag ik dat ik broodnodig de swiffer eens door de tuin moest halen. Gevangen in een keurslijf van brave burgerlijkheid, stond ik tijdens het snoeien ietwat in mezelf te kwebbelen. Onverwacht raakten mijn ledematen de weg kwijt en vol ergernis kwakte ik op de grond, met mijn neus tussen afgevallen bladeren en restanten van tamme kastanjes. Had ik weer. Licht geknakt maar niet gebroken, krabbelde ik overeind. Wat was er toch gebeurd? Aha, ik was gestruikeld over het dahliastokje. Van nijd gaf ik er met mijn authentieke Hollandse klomp een ferme trap tegen, en daarna rukte ik het stokje uit de grond. Zo!

 

Verrek…krijg nou niks…Was dat geen…? Wat een mirakels wonder der natuur! Ik stond oog in oog met een heuse  opstanding. Jawel, een levensechte, bloeiende dahlia, een heel trendy model nog wel met maar liefst twéé bloemen eraan. Oh, oh, die zou ik vanavond eens  onder Liefs fijngevoelige en knolminnende neusje wrijven. 

 

‘Ik heb een verrassing voor je, schat,’ sprak ik ’s avonds toen meneer voor de deur stond. ‘Loop maar even met me mee.’ Liefdevol – wij zijn zulke fijne, warme mensen – begeleidde ik hem naar dahlia. Bij de bloeiende schoonheid aangekomen keek ik Man verwachtingvol aan. Nou? Nou? Nou?

 

 

‘Oh, die heb ik in het weekend al gezien,’ sprak hij luchtig.
Tsssk, hij wel…