Een zuchtje

Vervolg op Afscheid

‘Je mag pas van tafel als je al je spruiten hebt opgegeten.’
‘Dan moet u ook al die tijd aan tafel blijven zitten.’
‘Ik zou niet weten waarvoor.’
‘U mag pas van tafel als de gast klaar is met eten.’
Haar ogen boren zich als de lopen van een kanon in de mijne, en zo meteen gaat ze schieten. Ze weet niet wat ze met me aan moet, want haar kledingadvies om voortaan op zondag lange zwarte rokken te dragen, heb ik ook al naast me neergelegd. Tot groot genoegen van Lief overigens. Ik mag dan niet van spruitjes houden, van haar Jongste zoon houd ik wel. En tegen liefde is geen kruit (!) gewassen. Alleen krijg ik het zuur van zijn moeders calvinistische regels en degelijkheid, en zij de hik van mijn “losbandig leven” op de racefiets. Wil de sfeer ooit boven het vriespunt komen dan moeten er heel wat vaten water bij de wijn gekieperd worden.

Gek, hoe de liefde voor een gezamenlijk mens je dichter naar elkaar toe kan brengen. De bitterkoekjes die ze voor me kocht, vond ik om op te vreten, en zij vond mijn eten best te pruimen. En haar hart liep over voor haar roodharige Kleinkind. Als je maar lang genoeg zoekt, vind je meer overeenkomsten dan verschillen.

De laatste weken van haar leven waren een verschrikking.
Ze was niet eens meer een zuchtje van de vrouw die ze altijd geweest is. Terwijl de kanker langzaam haar lichaam verteerde en haar lijf niets meer was dan een zak met botjes, bleef haar geest ijzersterk. Ze wilde thuis sterven en zo is het gegaan. Om de beurt hebben we bij haar gewaakt; dichter kun je bij een mens niet komen. Toen ze stierf, voelde het aan als een verlossing. Het was goed zo.

In haar huis vol spullen sta ik met lege handen. Of toch niet: in elke hand ligt een helft van mijn hart.