De directeur

WE-300 Schrijfopdracht van Plato met als thema: belasting.

‘Stomme Mongool!’ snauwt een fietser. Alleen omdat hij op het  nippertje zijn brommerremmen inknijpt? Hij moet wel, hij heeft zijn moeder beloofd altijd voor rood te stoppen. Bovendien is het altijd nog directéur mongool.

Hij popelt op zijn werk aan te komen. Daar wordt hij altijd zo hoffelijk begroet. Vandaag groeien er alleen kriebels in zijn buik, want hij gaat iets doen wat niet mag, en dat heeft ie nog nooit gedaan, zelfs belletje trekken niet. Maar dit is een speciale missie. Een onbekende heeft een tijdje terug een letter op het welkomstbord bij de ingang gekalkt, en die ene letter veroorzaakt een wereld van verschil. Al ziet hij het bord maar twee keer per dag, het is of de betekenis hem de hele dag achtervolgt.

Hij parkeert zijn brommer en trekt de lunchtrommel onder de snelbinders vandaan. Directeuren moeten ook eten, en anders kan hij het altijd nog uitdelen: liefhebbers genoeg. De portier begroet hem hartelijk: ‘Ha directeur!’ Hij zwaait en grijnst trots. Alleen daar komt ie zijn bed al voor uit. Hij  verwisselt zijn schoenen voor werklaarzen, en zijn jas voor een overall. Dat is wel nodig als je varkenshokken uitmest.

Uit zijn jaszak pakt hij de spuitbus. Thuis heeft ie al gezien dat er “goed schudden” op de bus staat.  Aarzelend loopt hij ermee naar het welkomstbord. Hij schudt de bus, haalt de deksel eraf en knijpt zijn ogen tot spleetjes. Hij durft nauwelijks te kijken als hij de spuitknop indrukt.

PPppssssst.

Hij opent zijn ogen en bijt tevreden op zijn tong. Hij zucht de spanning van zich af. Dit heeft ie toch maar mooi geflikt! Op de plek waar eerst de A stond, zit nu een grote klodder rode verf. Eindelijk gerechtigheid. Hij is zó trots op zijn baan bij de sociale werkplaats!

Zoetmakertje

Twee meisjes met vlechtjes. Wat motten die van ‘m? Hij heeft het niet zo op vrouwen, ook niet als ze nog in de groei zijn. Hij draait zich om en loopt weg van het kijkgat van zijn deur.

De bel gaat weer. Waarom loopt dat opgeschoten volk niet door? In zijn haast de meisjes weg te jagen, stoot hij zijn voet tegen een deurpost. De pijn in zijn kleine teentje is onbeschrijflijk en bezorgd kijkt hij naar zijn onderdaan. Die bloedt niet maar zal straks zeker blauw zien. Nondedju, gaat die bel alweer! Hij voelt een driftbuitje opkomen. Met zijn kleine teentje dat steekt als de hel, strompelt hij naar de voordeur en smijt ‘m met alle ergernis die hij in zich heeft, open. Daar staan dezelfde twee meisjes.

‘Wij zijn de zusjes van Wouter…’ begint de oudste, maar ze stopt met praten zodra ze het boze gezicht van de man ziet. Haar onderlipje begint te trillen.
‘Wat motten jullie?’ snauwt hij. De kleinste zet het direct op een brullen.
‘U…u…eh…heeft de voetbal…eh…van ons broertje afgepakt.’
‘Oh en die willen jullie terug?’ vraagt de ballendief.
Saskia en Lizette kijken elkaar aan. Tuurlijk willen ze die bal terug, maar dat doet die nare man toch niet en daarom hebben ze iets voor ‘m meegenomen. Het is een groot offer, maar dat hebben ze er voor over.
‘Wat blieven jullie dan?’ Zijn vraag klinkt als een commando.
‘Toe, geef ’t maar, Saskia,’ moedigt de oudste haar zusje aan.
Alsof ze een paard een suikerklontje geeft, houdt ze de man op haar vlakke hand een kleverig spekkie voor.
‘Dit is voor u, meneer,’ zegt ze zacht. Ze durft hem niet in zijn gezicht te kijken.
De man is verbluft. Geven ze hem snoep? Van verwarring weet hij geen boos woord uit te brengen. Een tikkeltje van slag, vraagt hij: ‘Wat moet ik daarmee?’
‘Opeten, meneer. Omdat u nog niet zoet genoeg bent.’
Nog dezelfde week krijgt hun broertje zijn bal terug.

Een kwaaiige stier

‘Dur kom un kwajjege stier an!‘

Een kwaaiige stier? Ik ben al weg! Zo snel mogelijk – en da’s heel snel – draai ik mijn fiets en rijd over het eerste bruggetje linksaf. Nu fiets ik parallel. Beter kan ik het niet treffen: met mijn giechel erbovenop, maar buiten levensgevaar. De boer die de waarschuwing naar mijn hoofd slingerde, blokkeert met een tractor het plaatselijk verkeer. Boven het geronk uit, brult een boer die naast hem staat: ‘hie komp tog nie bai main hè, ik heb un tochtuge koei.’ Een tochtige koe, da’s geen koe die in een stal staat met alle ramen en deuren open, maar unneh… zeg maar een ontvankelijke koe.

Daar zul je ’t geteisem hebben, achterna gezeten door een tweede tractor. De stier is een macho die eruitziet alsof hij een lijntje coke  gesnoven heeft en elk moment kan ontploffen. Doldriest stampt hij zijn eigen neus met tandwiel achterna. Ruikt hij de moeder van zijn aanstaande kinderen? De eigenaar van de periodieke koe schrik zich te pletter van het aanstormend gevaar, doet een pas naar voren en kukelt over zijn perkhekje voorover op de grond. Ik lach  niet.

Beide boeren laten hun trekker staan en hollen de stier achterna. Ik hoor een ijselijke kreet en daarna stilte. Grote stilte. Jasses…sta ik hier eenzaam, en weet ik niet hoe het afloopt! Teleurgesteld fiets ik verder.
Ik moet natuurlijk weer een plas doen en zie verderop een mager struikje. Oh, wat ligt daar nou? Een platgelopen hek met een bordje: pas op voor de stier. Het struikje staat voorbij het weiland met bordje, dus daar trek ik me terug achter. Asjemenou, in de verte rijden twee tractoren achter een bruine olifant aan. Dat plast niet lekker. Kijk eens goed, monter ik mezelf op, misschien is ‘t beest uitgeblust? Vermoeid van zijn sloopwerk of zijn omgang met de koe?

De stier loopt zijn eigen gesloopte hek voorbij en draaf mijn kan top. Oh oh, arme fiets, straks worden we verpletterd. Bezie het van de zonzijde: misschien kom ik met mijn naam in de krant.

Na een minuut die een jaar duurt, draait de stier vlakbij als een wezenloze rondjes om zijn as, en loopt op zijn gemak terug naar de twee trekkers. Hoe gaan de boeren dat oplossen met dat kapotte hek? Ik zou ‘t niet weten, want ik ga er als de sodemieter vandoor. NOOIT meer vertrouw ik een stier in een weiland achter twee prikkeldraadjes!

Piewiet! Piewiet!

Kievit - foto van Broea

Al een week loop ik te zweven, terwijl ik toch heus een mens ben dat met twee benen op de grond staat. Het is dan ook zo’n feest, en ik heb er ruim een half jaar op moeten wachten. WACHTEN, mijn slechtste eigenschap!

Het is Lente!

Heb jij daar niks van gemerkt? Is het nog geen 20 maart? Is het bewolkt en mistroostig weer? Mij maakt het allemaal niets uit, want ik heb de eerste kievit gezien én gehoord.

De kievit is een flinke weidevogel die bekend staat om zijn vliegkunsten. Ze buitelen door de lucht en maken spectaculaire, buitelende capriolen, waarbij ze een onmiskenbaar geluid maken. En op dat uitbundig geluid ben ik verliefd: Klik!

Bij gevaar veinst een kievit een gebroken vleugel en probeert zo een naderende wezel, vos of hermelijn weg te lokken bij het nest. Aanvallen van meeuwen of roofvogels trotseren ze als de beste. En zijn ei? Mag ie lekker zelf houden!

Schrikdag

Ik hoor een alarmerend geschraap onder mijn auto. Twee dames kijken naar mij en slaan hun handen voor hun mond. In hun ogen gaat een alarm af. Mijn God, waar ben ik overheen gereden? Het zal toch geen driewielertje zijn? Misselijk bij de gedachte klim ik m’n auto uit. Door de stress vergeet ik de gordel los te maken en val ik half tuimelend naar buiten. Trillend van angst kijk ik onder de auto. Ohhh…het is maar een paaltje! De auto kan dan wel niet voor- of achteruit, toch ben ik in staat het ding hartstochtelijk te omhelzen.

Een mevrouw zet me bij een garage af. Binnen vertel ik als een betrapt kind mijn verhaal aan de garagehouder. Alle monteurs kijken stoer voor zich uit. De garagehouder, een beer van een vent met een melancholische blik, heeft mijn onmiddellijk sympathie want hij lacht niet. Hij roept een collega en die regelt een auto.

Bij het instappen zie ik de brandstofmeter ver in het rood staan. Met een blik van verstandhouding kijkt de chauffeur naar mij. Ik hoor ‘m denken: jammer dat u de net niet zo’n alziende blik had, mevrouwtje. Het scenario zie ik al voor me: straks moeten we de auto naar de plaats van het ongeval duwen.

‘Oh,’ zegt de chauffeur, ik zie uw auto al staan.’ Klopt. Zoals het een goed ongeluk betaamt, blokkeert mijn bolide driekwart van de rijweg. Een groep belangstellenden heeft zich als geroutineerde geraniumstaarders rond mijn vehikel verzameld. Door het open raam, hoor ik wat ze zeggen: ‘Goh, het zal je auto maar zijn, hè’ zegt eentje. Een vrouw met een stem als een misthoorn vraagt: ‘Van wie is die auto?’ Op datzelfde moment stapt de chauffeur uit en houdt voor mij de deur open. Als een bezienswaardigheid stap ik naar buiten: dus zó ziet iemand eruit die over een betonnen paaltje heen rijdt. Tanden op elkaar zetten en recht vooruit kijken.

Na tien minuten hannesen met een rijdende krik hebben beide mannen mijn auto over ‘t paaltje getild. Meteen krijg ik mijn gevoel voor humor terug. Op vriendelijke wijze sommeert de garagehouder mij achter hen aan naar de werkplaats te rijden.  Hikkend en stotend komt hun auto halverwege de ingang van de garage tot stilstand. Binnen wordt mijn auto omhoog getakeld. De monteurs bekijken met een lamp elk hoekje en gaatje. Ze wisselen termen uit die klinken als aandoeningen. Gelukkig doorstaat mijn wagentje hun kritische blik.

Met de hete adem van de garagehouder in mijn nek, rijd ik in z’n achteruit de garage uit, slalom  kriskras tussen gepareerde auto’s door, en akelig dicht langs de definitief tot stilstand gekomen garageauto. Ongeschonden. Waar is het bewonderende publiek als je het nodig hebt?