Een waardeloos cadeau voor de koningin

Jantien kan niet wachten tot het Koninginnedag is. Dit jaar komt Hare Majesteit naar haar dorp, en  Jantiens buurmeisje Laura, mag de vorstin een boeket bloemen aanbieden. Jantien is niet jaloers op de nieuwe kleren van Laura, want daar mag heel de dag geen kreukje in komen. Ze is ook niet jaloers op de hand die Laura van de koning krijgt, want die moet ze teruggeven, maar wat zou Jantien de majesteit graag iets bijzonders geven. Haar moeder heeft amper geld voor noodzakelijke dingen, dus moet het een cadeau zijn wat niets kost, maar waar een belangrijk mens wel iets aan heeft.

Peinzend staart Jantien naar haar voetballende broertjes op het modderige trapveldje. De enige plek waar nog gras groeit – samen met wat madeliefjes en paardenbloemen – is achter het keepersnet. Niet dat het iets uitmaakt. De koningin zit vast niet op onkruid te wachten.

Op de feestdag zelf slaat Jantien de aubade over. Sommige dingen moet je niet overdrijven, en zingen voor iemand die er niet is, vindt ze onzin.

Om elf uur staan zij en Laura achter een speciaal hek op de komst van de koningin te wachten. ‘Wat zit er in de krant?’ vraagt Laura, wijzend naar het pakje in Jantiens hand. ‘Niks,’ zegt ze snel en verstopt het pakje achter haar rug. Dan landt de helikopter en hebben ze alleen nog oog voor de hoge gast.

Plechtig zegt Laura het ingestudeerde versje op en reikt de vorstin de bloemen aan. Jantien trekt  gespannen de krant van haar cadeautje af. Ze neemt een grote hap adem, en blaast in één keer alle paardenbloempluisjes uit. De parachuutjes dansen in de wind. Enkele landen op de grote hoed en een aantal blijft liggen op de schouders van de koningin. ‘Nu mag u een wens doen,’ fluistert Jantien zacht. Het kan toeval zijn, maar even lijkt het of de vorstin haar ogen dicht doet.

Middelb. vrijgez. mist moeder

Schrijfopdracht van Plato.

Vanavond is hij vast een zenuwinzinking rijker. Wachtend onder de grote klok in de stationshal, schaamt hij zich in de contactadvertentie het een en ander verzwegen te hebben. Maar hij kan toch moeilijk solliciteren bij een vrouw met: middelb vrijgez, knaapje, verkreukeld gezicht, slaaphaar, pessimist, mist moeder? Zijn diepste verlangen is een vrouw met een zonnig karakter, eentje die kleur in zijn leven brengt. Veeleisend is hij niet: als zij kookt en de geraniums in leven houdt, doet hij de afwas en het grove werk.

Lijn 8 blokkeert zijn gezichtsveld. Als de tram optrekt komt een vrouw dichterbij lopen. Wat ziet ze eruit! Alsof ze een greep uit de verkleedkist op zolder heeft gedaan. Zijn moeder zou die opzichtige kleuren beslist ordinair hebben gevonden. Dan pas valt het ‘m op dat ze hinkt. Met afschuw denkt hij aan die dokter op tv, die grote chagrijn…hoe heet ie ook alweer? Iets met Huis? De schrik slaat hem om het hart. Stel dat die vrouw…dat zij…

De vrouw kijkt naar de man op de strategisch afgesproken plek. Zou dat Dirk zijn? Wat zie hij er verfromfraaid uit! Is hij heus van middelbare leeftijd? Dan oogt hij vroeg bejaard, maar wie weet is hij een laatbloeier. Als hij maar niet over haar manke been valt dat ze verzwegen heeft in de advertentie.

Weifelend stapt ze op hem af. ‘Ben jij Dirk?’ vraagt ze. Hij knikt. Ze steekt haar hand uit en zegt: ‘Aangenaam, ik ben Janneke.’ Zijn mond is gortdroog. Hij heeft het gevoel in een stilstaande stroomversnelling terecht te zijn gekomen.
‘Je loopt mank,’ is het enige wat hij kan uitbrengen.
‘Gelukkig ben ik geen tandarts,’ flapt ze eruit.
‘Geen tandarts?’ vraagt hij schaapachtig.
‘Ja, de invalide tandarts trekt met haar been, hahaha!’ Haar warme lach vult de stationshal. Zijn hart wordt week; zijn moeder is hij op slag vergeten.

Aan de haak


Lief is met de nachtvlucht naar huis komen vliegen. Hij ligt nog op een oor, maar zijn reistas is klaarwakker en open. Nieuwsgierig rommel ik in de tas rond, hopend op een cadeau van onbekende waarde, maar vind niks. Wel ligt er een vreemd ding in. Nieuwsgierig pak ik het op. Het is een zuignap met een haak eraan. Wat moet ik daar nou weer mee? Buiten is het licht, maar in mijn ochtendhoofd is ‘t nog donker. Ik plak de zuignap op een keukenkastje en bekijk ‘m.  Zou ie bedoeld zijn om je handdoek aan op te hangen? Zou kunnen: ben je gewend thuis je handdoek links op te hangen, hangt ie in het hotel rechts, en valt ie op de grond waar de afgeknipte teennagels van de vorige gast nog op de grond liggen. Op zijn zachtst gezegd ben ik verrukt over mijn hersenactiviteit op de vroege ochtend. Zie je dat ik niet helemaal mesjokke ben?

Ik hoor een piep van de deur en daar is Man. Na een stormachtige begroeting, zegt hij schuldbewust dat ie niets voor me heeft meegenomen. ‘Toch wel vuile was?’ opper ik.  Ja, die wel. Ik wijs naar de haak.
‘Heb je die gekregen of gekocht?’
‘Die hadden we al.’
‘We??’
‘Ja, die hoort bij de NavNav.’
De NavNav?? Dat is onze oude routeplanner, waaruit een dame met zacht omfloerste stem de weg wijst. Wat heeft dat met de haak te maken? Ik snap er geen fluit van en ben onderhand best lang wakker. Man legt uit dat hij de NavNav op de zuignap op de ruit van de gehuurde auto plakt. Wat dacht ik dat het was? Schoorvoetend vertel ik mijn “intelligente” oplossing. Lief lacht niet, de lieverd, nee, hij schátert.

Wacht maar. Mijn wraak zal opvallend zijn. Ik druk straks de haak achterover, plak ‘m vannacht op de keukendeur, en hang er een uitgelubberde en grijsgewassen vuile onderbroek van Lief aan. Eens kijken wie er in Huize Kakelbont het laatst lacht, en waag het eens om volgende week zonder cadeau thuis te komen! Hij heeft zes dagen de tijd om centen voor een souvenir over de balk te gooien.
En neem op de terugweg die zon mee uit Nice!

Slak

“Days are rushing by,” zingt Tim Knol. Daar heeft de automobilist voor me totaal geen last van, want tergend langzaam rolt hij over de weg. ’t Is niet dat ik levensreddend werk moet gaan verrichten, of iemand smartelijk op mij zit te wachten, ben je gek!

Ik rijd rijden buiten de bebouwde kom op een stuk weg die de aanloop vormt naar de provinciale weg, en daar mag je maar  50 km/uur. Vijftig! Terwijl je er mákkelijk zestig kan, en dan houd je nog kilometers over. Mijn voorganger haalt net de veertig. Af ten toe rijdt ie drieenveertig, maar komt ie bij kennis en vliegt vol in de remmen. Ik mag niet linksom, ik kan niet rechtsom, nagelbijtend moet ik erachter blijven.

Verhip, wat staat daar nou? Daar, in de bocht naar links? Het lijkt wel of iemand door een verderkijker staat te gluren. Ziet ie vreemde vogels overvliegen? Verrek…’t is iemand met een apparaat in zijn knuisten, een lasergun! En hij is niet alleen, hij heeft een handvol vrienden meegenomen. Veilig weggewerkt tussen anderhalve knotwilg, een minipony en een kudde doorzichtige struiken. Moeten ze nodig met z’n vieren onopvallend in reflecterende jasjes gaan staan.

Stelletje linkmichels.
Koop een schietspelletje voor de Wii; druk de Nintento van je kind achterover; of vraag de voltallige collectie van “blik op de weg” voor je verjaardag…
Ik zou die laser best een paar minuutjes vast willen houden en moeten jullie eens opletten waar ik op richt.

Maar waarom zal ik mopperen? Dankzij mijn slakkerige voorganger krijg ik geen prent. Ik ben als het ware door het oog van de naald gekropen!

Bloemetjesjurk

Een tanig vrouwtje in een bloemetjesjurk lacht vriendelijk naar de cassiere in de buurtsuper. Het wicht scant echter hardnekkig de boodschappen, en alsof het vrouwtje doof is, blaft ze luid het totaalbedrag. Het mensje schrikt zich zes slagen in de rondte en begint verwoed aan de rits van haar tas te trekken. Haar handen plukken aan de rits maar zonder resultaat. Verontschuldigend kijkt de naar de kassamiep. Die slaat haar ogen demonstratief ten hemel en achter me hoor ik immense zuchten. Bloemetjesjurk durft niet meer op of om te kijken en doet – poeh, poeh – even haar sjaaltje af.

‘Laat de boodschappen maar staan, ‘chagrijnt de cassiere dodelijk vermoeid, ‘kom straks maar terug om ze op te halen.’ De reactie van de rij wachtende klanten doet me aan het Brits Lagerhuis denken: eendrachtig klinkt het :’Yeeaah.’ En ik maar denken dat ik weinig geduld heb.
‘Woont u hier in het dorp?’ vraag ik aan Bloemetjesjurk.
Ja, ja, sinds haar geboorte. Ik doe een calculerende gok, geef de kassamiep tien euro, en krijg vijf cent terug.
En nou hier met die handtas! Zonder aarzelen duwt het dametje haar tas in m’n handen. Ik geef een ruk aan de rits, trek ‘m open en geef de tas terug. Met een triomfantelijke gebaar vist Bloemetjesjurk haar pinpas tevoorschijn.

‘Ja, nee, nu is het te laat,’ zegt de cassiere vals.
Hoezo? Ze kan toch wel even tien euro opnemen?
‘Dat kan, maar na de volgende klant.’ Sarcastisch wijst de cassiere naar een mevrouw die inkopen voor een heel weeshuis doet, en haalt vliegensvlug het eerste product langs de scanner. Jammer dat de kassamiep geen stropdas draagt, dan had ik haar achterover van haar stoel kunnen sleuren. Met de pinpas in haar handen lijkt het dametje een gedaantewisseling te hebben ondergaan, en pinnig steekt ze haar tong uit naar de de cassiere.

Manmoedig trotseert Bloemetjesurk buiten het autoverkeer. Niks zebra, de kortste weg naar het postkantoor aan de overkant! Binnen stiefelt ze in rechte lijn naar de balie, heeft maling aan de rij wachtende klanten, en gaat vooraan staan.

Buiten pakt ze mijn hand vast. Ze geeft me tien euro, maakt een royaal gebaar en zegt hartelijk: ‘Die vijf cent hoef ik niet terug, hoor, die zijn voor de moeite!’ Tevreden over haar gulle gift, geeft ze me nog een schouderklopje, en zet er vervolgens de sokken in. Alsof ze weet dat ik haar verbaasd nakijk, zwaait ze naar me, zonder zich om te draaien. Een weerbarstig oud boerinnetje. Ik mocht haar meteen!

Blaastest

Moeders? Je hebt er  exemplaren tussen…breek Kind de puberbek niet open. Ze heeft haar antibioticakuur opgegeten, en alleen omdat ze nog wat reutelt als ze zit; naar adem snakt tijdens traplopen; piept bij minimale inspanning en ’s nachts de buurthonden wakker blaft, moet ze van haar moeder terug naar de huisarts. Al die opwinding vindt ze nergens goed voor.
‘Ook goed,’ zeg ik luchtig, ‘zolang je weinig adem hebt, kun je geen leuke dingen doen, en fijn veel tijd aan je huiswerk besteden.’
Hierzo, weer niet goed. Moet je die chagrijnige postzegel zien.

Geraffineerd speel ik een troef uit: als zij meewerkt, breng ik haar met de auto naar school, en hoeft ze niet op de fiets. Dat laatste wil ze niet, want dan moet ze onderweg zeven keer stoppen om op adem te komen. Ik maak een afspraak bij de huisarts en sleur haar mee.

Sommige families zijn biologisch gezegend met artistieke talenten, onze familie moet het helaas met astmatische aanleg doen. Daarom adviseert de huisarts een ademtest. Je blaast  in een soort stofzuigerslang waarmee de reactie van longblaasjes gemeten kan worden. Die van Kind zijn waarschijnlijk oververmoeid en staan halfdicht (voor optimisten: half open.)

‘Moet die test in het ziekenhuis gebeuren ?’piept Kind. Ha, er komt geluid uit haar!
‘Nee, nee, nee, bij een echte dokter, bij mij!’ lacht de huisarts vrolijk.
Kind vindt dat er weinig te lachen valt. Ik haast me te zeggen dat ze thuis meestal wel leuk doet, maar dat ze een lichte allergie tegen dokters en bloedprikken heeft ontwikkeld, en hij het zich niet persoonlijk moet aantrekken.
Welnee, de beste man zal stante pede de stofzuiger reserveren.
‘Overmorgen?’ vraagt hij. ‘Tien over half vier?’
‘Klinkt goed,’ zeg ik. Kind kijkt benauwd.
‘Nog even de afspraak kortsluiten met de assistent,’ zegt ie.

Ach nee toch….blijkt het apparaat stuk te zijn!
Drie keer raden wie er toen wel lachte.

Mooi zitten

Aangenaam! Ontmoet Bella, ons cute and crazy huiskonijn. Ze heeft een fluwelen oogopslag die de indruk wekt dat ze een konijn met verfijnde manieren is, maar laat je door dat loeder niet in de luren leggen.

Tot voor kort stond Mevrouw Konijn doodsangsten uit voor de stofzuiger. Zodra ik met dat ronkende beest in haar nabijheid kwam, stampte ze loeihard met haar achterpoten om haar soortgenoten in het wild te waarschuwen, en zocht daarna pijlsnel dekking onder een laag meubelstuk. Hysterisch probeerde ze daaronder een gat in de grond te graven.

Omdat die graafwerkzaamheden niet ten goede komen aan het kleed, sloot ik Bella op in haar hok, klepje dicht en zuigen maar. Na afloop gaf ik haar een lekker verstandig knaagdierensnoepje en voila! het leed was geleden. Tot voor kort.

Ineens begon het er verdacht veel op te lijken dat Bella de stofzuiger als haar nieuwe huisvriend beschouwde. Zodra ik ‘t stofmonster uit de kast sleurde, holde mevrouw verheugd naar haar hok, en ging bedelend in de klepopening zitten.

Bleef het daar nou maar bij, maar inventief als ze is, begon ze op haar manier kunstjes te doen. Ze holde brommend rond de tafel, gooide haar achterpoten in de lucht, perste er pontificaal een keutel uit en sprintte naar haar hok. Ze wist niet hoe snel ze bedelend op het klepje moest gaan zitten. ‘Ach, kijk toch eens, hoe lief!’ kirde Kind.

Lief? Eerder gehaaid. Het lijkt er steeds meer op dat Bella in Huize Kakelbont de brokjes uitdeelt, want zodra ze trek krijgt, gaat ze mooi zitten. Hebben wij Bella nou afgericht of zij ons?

Verpletterend antwoord bij eerste hulp

‘Ik ben gewond! Ik ben gewond!’ In doodsnood holt een man naar binnen. Zonder woorden wordt het slachtoffer reikhalzend begroet door de patienten in de wachtkamer. De man maakt een onverzorgde indruk: ongeschoren, sjofele kleding en een vuile pet die zijn gezicht grotendeels bedekt. Iedereen in de wachtkamer weet dat deze medelander niet volledig is ingeburgerd, anders had de stakker wel buiten op een toevallig passerende ambulance gewacht. Daar zou hij stukken sneller door worden geholpen dan door de assistentes alhier in de huisartsenpraktijk. Er is niets wat hun rust kan verstoren.

Kind en ik staan netjes op onze beurt bij de balie te wachten en kijken elkaar aan. Hebben wij weer: zijn we bijna aan de beurt, komt er een spoedgeval tussen. Maar wij zijn coulant: de man mag voorpiepen op voorwaarde dat hij eerst een emmer bloed verliest.

Met een wanhopige blik in zijn ogen, ijsbeert de man voor de balie heen en weer. Hij is zowel lucht voor de patient die geholpen wordt, als voor de assistente. Nu is dat van de laatste geen nieuws, maar alla, altijd een negatief beeld schetsen van de zorgverlening in ons dorp gaat ook vervelen. De wachtkamer volgt vol spanning de hyperventilerende meneer. Liggen ergens bloedspetters? Zal hij weldra flauwvallen?

Onverwacht komt een huisarts een behandelkamer uitlopen. De ongelukkige gooit zich vol overgave in de armen van de arts, en zegt: ‘Dokter, dokter, ik ben gewond!’ De arts werpt een onderzoekende blik op de omhooggehouden arm, en zegt dat zijn assistente er spoedig naar zal kijken. Dit gebrek aan belangstelling komt bloedhard bij de man aan.

Nu gaat hij pal voor Kind staan. Ik wil ’s mans leed zien, maar mijn ogen kunnen er niet bij. Die van Kind wel. Ze gebaart naar de man en wijst naar haar wijsvinger. ‘Valt ie er bijna af?’ vraag ik zacht. Ze schudt haar hoofd. Helaas. Ik heb nog geen druppel bloed gezien, dus mag de man ook niet voor.

Hè, hè, de patient bij de balie is klaar. Nu zijn wij. Alhoewel, help bij nader inzien toch maar eerst die zenuwlijder; ik word gek van die vent. Nee, als door een wonder kijkt de assistente mij aan en zegt: ‘U mag het zeggen, mevrouw.’ Dit heb ik nog nooit meegemaakt: een beleefd uitgesproken zin van meer dan vier woorden. Snel! Het vlugzout! En geef de man ook een snuifje; hij houdt het niet meer.

Kinds medicijnen zijn snel gepakt en dan kan de assistente er niet meer onder uit: ’s mans tijd voor aandacht is gekomen. De assistente kijkt zeker twee seconden lang naar de uitgestoken vinger. Haar antwoord moet verpletterend voor het slachtoffer zijn, maar bevredigt  wel de nieuwsgierigheid van de voltallige wachtkamer. Ze kijkt de zwaar gewonde stakker recht aan en zegt: ‘Een brandblaartje. Niets aan doen, meneer, gaat vanzelf over.’

Stomme zeikwijven

2008

Ik heb het zo gehad met die zeikwijven en ik zal je vertellen waarom.

De arrogantie straalt van ze af. In de tuut-tuut-stand kloeken ze samen in de kantine, en ze lopen allemaal naast hun op maat gesneden paardrijlaarsjes. Omdat hun dochters op een eigen paard rijden en Kind maar op een manegepaard, hoor ik er niet bij.

Ik ken hun gespreksonderwerpen tot vervelends toe. Ze beginnen met de laatste aankopen voor-je-wilt-niet-weten-hoeveel-geld, en het enige wat ze daarna nog doen, is afgeven op hun mannen. De trien met de grootste paardenbek heeft het ’t rotst getroffen: haar man gaat ‘s ochtend half vijf naar z’n werk, komt vier uur thuis, doucht, en slaapt daarna tot zeven uur op de bank, totdat zij – Hare Koninklijke Hoogheid – hem wakker schudt voor het avondeten. Klagend vervolgt ze dat mannen nergens voor deugen: je kan ze niet om een boodschap sturen, doen jarenlang over een miezerig klusje, en als ze ziek zijn, nou nou nou nou, breek haar bek niet open. Na haar mogen de vriendinnen om beurten hun beklag doen. Ik moet me beheersen me niet als een paard in een porceleinkast te gedragen, want mijn Lief, Broeah en Aadje mijn Pa’tje zijn helemaal niet zo. Bovendien: afgeven op je werkende man terwijl je zelf geen reet bips uitvoert…als ik iets achterlijk vind, is het dat wel.

Op een heugelijke paardrijmiddag zit ik weer naar datzelfde gezever te luisteren, als de vrouw met het paardengebit plots naar mij roept: ‘Hé Kakelbont, jou horen we nooit. Doe jij ook je mond eens open!  Nou ja, als ze erom vráágt…

Verheugd spring ik overeind en som op: ‘Mijn man gaat voor zessen de deur uit, komt  – als het meezit – ’s avonds 7 uur thuis. Hij maakt elke week het boodschappenbriefje, doet de inkopen en bergt alles op. Klusjes moeten gisteren af, en als ie ziek is, gaat ie gewoon naar zijn werk.’ Klaar met mijn redevoering, wil ik alweer gaan zitten, als me plots een tip voor haar te binnen schiet: ‘Neem een krantenwijk tussen vier en zeven,’ adviseer ik Paardenbek,  ‘dan doe je nog wát.’

In plaats van dat het ondankbare secreet blij is met mijn antwoord, trekt haar gezicht net zo wit weg als haar dood geblondeerde haar en gebleekte tanden al zijn. Schuim komt uit haar mond. Watje. Ik zeg altijd maar zo: als je niet tegen ‘t antwoord kan, moet je de vraag niet stellen.

Vanaf die tijd keken zij en haar consorten me dood, maar dat lapte ik aan mijn merkloze sneakers. Ik heb de eer van de mannen (in de familie) tenminste hoog gehouden!

Platte gouden eieren

Moeizaam haalt ze een zware boodschappentas van haar fietsstuur en sjouwt ‘m de trap op. Haar knieen kraken bij elke tree, maar als ze aan de lekkere dingen denkt die ze voor haar kinderen en kleinkinderen gaat koken, is ze bij voorbaat gelukkig, en neemt ze haar gammele lichaamsonderdelen voor lief.

Bovenaan de trap, hijgend, pakt ze de sleutel en opent de voordeur. De deur klemt door de grote stapel post, kranten en folders op de kokosmat. Ze bukt en veegt alles op een hoop. Haar oog valt op de voorpagina van de krant: “Vandaag gaat hij vallen: anderhalf miljoen ballen!”

Zij heeft nog nooit geluk in het spel gehad, maar dat was vanwege haar geluk in de liefde. Toch heeft ze drie lootjes gekocht, maar waar heeft ze ze gelaten? Onderweg naar de tweede boodschappentas, loopt ze nadenkend de trap af en duwt de buitendeur open. Ze rommelt wat in een fietstas. Tussen oude kassabonnen, lege plastic zakjes en een bonuskaart, ziet ze drie goudkleurige vodjes papier in de vorm van een ei liggen. Zo’n verfrommelde toestand! Ze zou zich bijna schamen als het winnende lot daartussen zou zitten. Met de troostprijs van 10.000 euro zou ze de koningin te rijk voelen: nooit meer aanbiedingen aflopen, geld overhouden voor een dagje uit…

Haar gedagdroom wordt onderbroken door een joviale begroeting. ‘Oma!’ ‘Ha Matthijs!’ roept ze blij, en ze loopt ‘m tegemoet. Ongewild verslapt haar greep op de lootjes en ze vallen op de grond. Ze zal ze zo oprapen, het belangrijkste eerst. Pontificaal geeft haar kleinzoon haar op elke wang een dikke zoen. Zomaar op de openbare weg; tel uit je winst! Dergelijke gebaren van een puberkleinzoon koestert ze. ‘Ik draag uw boodschappentas wel naar boven, oma,’ biedt Matthijs aan.

Te laat denkt ze aan de lootjes. Ze zijn al meegenomen door een zacht briesje, fladderen naar boven en zwieren in golvende bewegingen omhoog naar de dakrand. Zonder spijt kijkt ze ze na. Zelfs met de hoofdprijs kan ze haar overleden man niet terug kopen. Hij was en blijft onbetaalbaar.