Natte uitdaging

Vervolg op: Middelbare vrijgezel mist moeder.
Ik was het niet van plan, maar het vervolg drong zich vanzelf op 😉
Eerst deel één en onder de foto deel twee.

Middlb. vrijgez. mist moeder

Vanavond is hij vast een zenuwinzinking rijker. Wachtend onder de grote klok in de stationshal, schaamt hij zich in de contactadvertentie het een en ander verzwegen te hebben. Maar hij kan toch moeilijk solliciteren bij een vrouw met: middelb vrijgez, knaapje, verkreukeld gezicht, slaaphaar, pessimist, mist moeder? Zijn diepste verlangen is een vrouw met een zonnig karakter, eentje die kleur in zijn leven brengt. Veeleisend is hij niet: als zij kookt en de geraniums in leven houdt, doet hij de afwas en het grove werk.

Lijn 8 blokkeert zijn gezichtsveld. Als de tram optrekt komt een vrouw dichterbij lopen. Wat ziet ze eruit! Alsof ze een greep uit de verkleedkist op zolder heeft gedaan. Zijn moeder zou die opzichtige kleuren beslist ordinair hebben gevonden. Dan pas valt het ‘m op dat ze hinkt. Met afschuw denkt hij aan die dokter op tv, die grote chagrijn…hoe heet ie ook alweer? Iets met Huis? De schrik slaat hem om het hart. Stel dat die vrouw…dat zij…

De vrouw kijkt naar de man op de strategisch afgesproken plek. Zou dat Dirk zijn? Wat ziet hij er verfromfraaid uit! Is hij heus van middelbare leeftijd? Dan oogt hij vroeg bejaard, maar wie weet is hij een laatbloeier. Als hij maar niet over haar manke been valt dat ze verzwegen heeft in de advertentie.

Weifelend stapt ze op hem af. ‘Ben jij Dirk?’ vraagt ze. Hij knikt. Ze steekt haar hand uit en zegt: ‘Aangenaam, ik ben Janneke.’ Zijn mond is gortdroog. Hij heeft het gevoel in een stilstaande stroomversnelling terecht te zijn gekomen.
‘Je loopt mank,’ is het enige wat hij kan uitbrengen.
‘Gelukkig ben ik geen tandarts,’ flapt ze eruit.
‘Geen tandarts?’ vraagt hij schaapachtig.
‘Ja, de invalide tandarts trekt met haar been, hahaha!’ Haar warme lach vult de stationshal. Zijn hart wordt week; zijn moeder is hij op slag vergeten.

 

Natte uitdaging

‘Dirk, doe nou eens gewoon één keertje gek,’ zegt ze terwijl ze en hap van haar boterham neemt. Een rode klodder jam valt op haar hand en met haar tong likt ze ‘m op.
‘Ik zou wel willen,’ zucht hij, ‘maar wattan?’
‘Spring eens in een sloot,’ zegt ze met een lichte schouderoptrek, alsof ze zeggen wil: ik maak het je wel heel gemakkelijk. Hij daarentegen valt bijna van zijn stoel. Ze slaat wel vaker wartaal uit, maar nu krijgt hij een opgejaagd gevoel. Vroeger, toen hij nog met zijn moeder samenwoonde, was zijn leven zorgeloos geruststellend. Ze grinnikt. Hij houdt van haar gegrinnik.

‘Als je één keer gek hebt durven doen, valt het de rest van je leven reuze mee,’ zegt ze zelfverzekerd. Wedden dat je er een goed gevoel aan overhoudt?’ Aan zwemmen in een sloot? Hij heeft zo zijn bedenkingen.
‘Ik heb geen zwembroek,’ werpt hij tegen.’
‘Een zwembroek? Nee…óf helemaal naakt, óf met al je kleren aan.’ Haar ogen peilen zijn gemoedstoestand. Ze vindt ‘m een lieverd maar hij heeft een levensgevaarlijk gebrek aan lef. ‘Weet je,’ zegt ze, ‘je zou ‘t nu gelijk kunnen doen…in de sloot springen.’

‘Het regent,’ zegt hij, en denkt: ik heb al slijtage aan mijn knieen. ‘Natter dan nat kun je niet worden. Laten we het samen doen! Met onze kleren aan! In het slootje achter het erf. Dan gaan we naar elkaar met modder gooien en wie het meeste kroos in zijn haar heeft, heeft gewonnen. Daarna kleden we ons binnen op de deurmat uit en rennen naar de douche. Dan ga ik je rug wassen.’ Met een ondeugend lachje voegt ze eraan toe: ‘En je afdrogen.’

Hij staart haar perplex aan. Voor enkele seconden is hij niet toerekeningsvatbaar. Sinds ze verkering hebben, heeft hij jaar alleen maar in het donker bloot gezien. Langzaam kleuren zijn wangen rood. Hij begint te zweten en onderdrukt een paniekaanvalletje. Zijn hart is voor de eerste keer geraakt door een vrouw, die zegt dat ze hem lief vindt. Wat is dan het probleem?
In zijn ogen ziet ze langzaam een verandering plaatsvinden. Met een voorzichtig lachje kijkt hij haar aan. Hij zegt niets, legt zijn bestek neer, en schuift zijn stoel naar achteren.
‘Zullen we dan maar?’ zegt hij blijmoedig. Hand in hand trotseren ze de regen.

Op de foto

Ik moest op de foto, tenminste, als ik mijn rijbewijs wilde houden, en dat wil ik. Dus hop! naar de fotoshop. Van tevoren de boel gepimpt: overdosis wallencrème, haren fatsoenlijk, wat oogschaduw hier en een veeg mascara daar. Nog wat rouge voor een blos? Nah.

Veel artiesten willen met hun mooiste kant gefotografeerd worden, bijv. de linker- of rechterkant van hun gezicht. Uiteraard heb ik dat ook. Bij mij doet vooral de achterkant het erg goed op foto’s. Net zoals bier doodslaat in een plastic bekertje, sla ik dood zodra iemand een fototoestel op me richt. Echt. Mijn familie kan erover meepraten. Niks flirten met de camera. Wat enorm in mijn voordeel werkte bij de rijbewijspasfoto, was dat ik er niet lachend op hoefde te staan. Ik mócht er zelfs niet eens lachend op staan. Fluitje van een cent met mijn ochtendgezicht. Om twee uur ’s middags.

In de winkel viel ik letterlijk en figuurlijk de pasfotokamer binnen. De eigenaresse had haar twee koeien van honden meegenomen. ‘t Zijn beste beesten die geen kat kwaad; ze lagen alleen hopeloos in de weg. Ze hebben dezelfde schutkleur als het groezelige tapijt op de winkelvloer en  daardoor zag  ik één van de acht hondenpoten over het oog. Bijna zette ik mijn voet bovenop de poot en als de bliksem trok ik ‘m weg. De eigenaar van de poot sprong desondanks gealarmeerd overeind. Onhandig botste ik tegen het hondenlijf en raakte uit balans. De schande van de val bleef enigszins  binnen de perken doordat ik op beide knieën landde in plaats van languit gestrekt. Helaas nam hond nummer twee van de gelegenheid gebruik om uitvoerig mijn kruis te besnuffelen. Je begrijpt: de elegantie was ver te zoeken. Gelachen dat we ze hebben. De rouge die ik eerder nodig dacht te hebben, bleek inderdaad geheel overbodig.

Ik mocht op het pianokrukje komen zitten. ‘Kijk,’zei ik, ‘als ik nou mijn wangen met twee vingers strak naar achter trek, dus in de richting van mijn oren (ik had thuis geoefend), dan kan ik er met de juiste belichting best nog mee door. Mag dat?’vroeg ik. ‘Eh…nee, althans niet voor je rijbewijs,’sprak ze fotomevrouw tactisch. Ze liet er vriendelijk op volgen: ‘Weet je zeker dat je met dat haar op de foto wilt?’ ‘Hoezo…??’ ’Kijkt maar even in de spiegel, daar hangt ie.’ Ik stond op. Arggg, ik begreep wat ze bedoelde. Al mijn wilde haren waren buiten op de fiets tot leven gekomen en hadden er een uitbundige coupe van gemaakt. Had de fotografe me niet gered, dan had ik als Catweazle op de foto gegaan. Denk je eens in, zó vernederend.

Pianokrukje. Ik klaar. Fotografe klaar. Kwam onverwacht de hond waar ik de net nog mijn nek over brak een lik aan mijn hand geven; dat kriebelde ik lachte klick! De hond werd weggestuurd. Opnieuw wij allebei klaar. Sprong er een knoop van de broek van de fotografe (nee, ik verzin dit niet) ik proestte klick! Ze kunnen tegenwoordig alles shoppen op een foto, maar omhoog krullende lippen krijgen ze mooi niet omlaag.

Met een ijzeren wil, samengeknepen lippen en een gepantserde blik kwam ik uiteindelijk toch nog met een doodgravergezicht op de foto. Het was nu slechts een kwestie van tijd: zes minuten om precies te zijn. ‘Moet je nog boodschappen doen?’vroeg de fotografe. ‘Nee,’zei ik, ‘maar ik loop buiten wel ff een rondje.’Na dat eerste rondje was het fotoapparaat nog niet opgestart; hij wilde niet. Na het tweede rondje nog steeds niet. Na nog meer van dergelijke rondjes streek ik duizelig op het pianokrukje neer. Het  apparaat bleek defect. De fotomevrouw begreep er zelf ook niks van. Ze had mijn foto in de ontwikkelaar gestopt en acuut had het apparaat dienst geweigerd. Héél vreemd, ja. Of ik morgen even terug kon komen? Kijk, als ik dát nou van tevoren geweten had, had ik in één keer welgemikt chagrijnig op de foto gestaan. Lachen naar het vogeltje? Mij niet gezien!

Joris

Man leest nooit mijn blog, dus kan ik over hem schrijven wat ik wil. Ik ga een boekje over hem  opendoen, en de titel luidt: zo zag u hem nog nooit.

Lief is een gebruiksvriendelijk exemplaar. Een echte joris goedbloed. Eentje van het type: You’ll go your way, and I’ll go your way too. Met zo iemand kan ik door alle deuren! Hij heeft een guitige blik, humor, is behulpzaam, en zo trouw als een hond althans dat laatste vermoed ik. Wat een boel positieve eigenschappen in één mens, hè? Lees vooral verder.

Joris heeft twee minpunten. Eén punt is dat hij klaagt dat ik nooit iets doe wat hij wil. De aansteller liegt dat ie barst. Als hij Kind en mij aanspoort kleding van de nieuwe collectie aan te schaffen, dan hóllen we voor ‘m. Natuurlijk geven ‘m ook weer niet teveel zijn zin. Alles met mate. Ik hoor het ‘m zeggen.

Het tweede punt is dat hij mij onvermoeibaar zijn fatsoensnormen probeert op te dringen, voornamelijk wat betreft taalgebruik. Zeg ik regelmatig vag-ina maar dan korter, dan schudt Joris hardnekkig het hoofd, en zegt: ‘Tut-tut-tut.’ Dan zeg ik: ‘Tut-tut, daar kan ik op rijmen.’ De uitdrukking op zijn gezicht zal je niet bevallen.
Van mijn kant doe ik er alles aan zijn degelijke opvoeding naar de gallemiezen te helpen. De mijne heb ik van jongs af aan verdrongen dus op opvoedkundig advies van hem zit ik niet te wachten.

Onlangs slaakte ik een zucht van voldoening: eindelijk zag ik haarscheurtjes in zijn nette imago verschijnen. Ik zat in een blad met breipatronen te bladeren, toen Joris met een wijsvinger op een afbeelding tikte en vol vuur sprak: ‘Schat, dat jurkje vind ik nou ècht iets voor jou. Brei het een maatje kleiner en was het dan te heet. Staat je vast geweldig!’ Mijn mondhoeken raakten van blijdschap bijna mijn oorlellen.

Zal ik – nu ik goed op dreef ben- ook maar meteen zijn grootste nachtmerrie verklappen? Hij knijpt ‘m dat ik ooit mee zal gaan naar een bankdiner. Dat ik daar een gerecht op mijn schoot laat vallen; iets weiger te eten; en er iets vreemds uit zal flappen waarna alle gesprekken stilvallen. Stom hè, er zijn toch veel ergere dingen?

Bobo

Hij kan niet praten, maar zijn lichaamstaal spreekt boekdelen. Grumpy verschanst hij zich in het nachthok met zijn dikke kont naar mij toe. Elke vezel in hem protesteert om dat verrekte reismandje weer in te moeten.
Op de passagiersstoel stampt hij in één keer alle strootjes door de auto heen. Het stof zit in mijn nek. Wacht maar, straks piept hij wel anders.

Waar oh waar zit de dierenarts? De operatie gebeurt in een andere plaats dan waar we op spreekuur geweest zijn, en ik zoek me het schompes. Ik klamp een vriendelijke ogende jongeman aan. ‘English, please,’ zegt hij, en laat er onmiddellijk op volgen: ‘This is mij first day in Holland!’ Trots wijst hij naar een groot pand recht voor m’n neus. Grote foto’s van dieren sieren de ramen en er staat met koeien van letters “dierenkliniek” op het gebouw. Ik zou toch zweren dat dat pand er de net nog niet stond!

Heb ik ff mazzel: er is nog precies één parkeerplaatsje vrij, en kijk, een spoor van hondendrollen leidt recht naar de ingang. Precies op tijd meld ik me bij de balie en geef Bobo af. ‘Dag vent,’ zeg ik, ‘flink zijn, tandjes op elkaar, en waag het eens om niet meer wakker te worden.’
Terug bij de auto schaam ik me dood. De laatste opengebleven lege plek die ik dacht te zien, is geen parkeerplaats maar de ingang naar de praktijk. Misschien moet ik toch maar meer peentjes gaan eten.

Half drie rinkelt de landlijn en zegt de assistente dat ik Bobo op mag komen halen.
Heb jij weleens een konijn een joint zien roken? Ik ook niet, maar zo kijkt Bobo wel uit zijn ogen. Stoned als een garnaal loenst hij door de tralies van de reismand, en bij elke bocht slingert hij zeeziek heen en weer. Als troost fluistert Kind lieve woordjes in zijn oor. De ouwe rakker heeft de gebitsbehandeling grootmoedig ondergaan. Hij is een tand en meneer Kakelbont een rib armer…

Ik ben lekker stout

Twintig mei is de geboortedag van Annie M.G. Schmidt.
Ter ere daarvan een geweldig gedicht:


Ik ben lekker stout

Ik wil niet meer, ik wil niet meer!
Ik wil geen handjes geven!
Ik wil niet zeggen elke keer:
Jawel mevrouw, jawel meneer…
nee, nooit meer in m’n leven!
Ik hou m’n handen op m’n rug
en ik zeg lekker niks terug!

Ik wil geen vieze havermout,
ik wil geen tandjes poetsen!
Ik wil lekker knoeien met het zout,
ik wil niet aardig zijn, maar stout
en van de leuning roetsen
en schipbreuk spelen in de teil
en ik wil spugen op het zeil!

En heel hard stampen in een plas
en dan m’n tong uitsteken
en morsen op m’n nieuwe jas
en ik wil overmorgen pas
weer met twee woorden spreken!
En ik wil alles wat niet mag,
de hele dag, de hele dag!

En ik wil op de kanapee
met hele vuile schoenen
en ik wil aldoor gillen: nee!
En ik wil met de melkboer mee
en dan het paardje zoenen.
En dat is alles wat ik wil
en als ze kwaad zijn, zeg ik: Bil!

3 x daags dwangmatig voederen

‘Bobo heeft zijn boterham niet op,’ zegt Kind.
‘En gisteren niet al zijn brokjes,’ voegt Lief eraan toe. Onze wenkbrauwen schieten omhoog. Bobo ons altijd hongerig konijn niet eten? Food voor thougt!

We gooien de tuindeur open en hollen naar het lijdend voorwerp. Onze vertrouwde zwart-witte theemuts ziet er niet miserabel of ongelukkig uit en lijnen kan beslist geen kwaad voor ‘m, maar toch…

In de dierenkliniek hebben we elf wachtenden voor ons en anderhalf uur lang beeft Bobo als een rietje. Als de dierenarts straks de ziekte van Parkinson constateert, zal me dat niet verbazen. Maar nee, Bobo’s kiezen blijken scheef te zijn gegroeid en prikken gemeen in zijn tandvlees. Logisch dat hem de lust tot eten vergaat. Tot vrijdag moet meneer dwangmatig gevoerd worden.

Ooit al eens geprobeerd bij een konijn iets naar binnen te proppen? Ik kan het je aanraden; het is een ervaring voor het leven. Men neme een dwars konijn en zet dat op een stoel. Men lengt het zakje droogvoer van de dierenarts aan met water, vult er een spuit mee en leegt dit in in het konijnenmondje.

Al die jaren blijkt dat ik ons clever Dickie veel te laag heb ingeschat. Hij klemt zijn tanden strak op elkaar en verstopt zijn kop tussen zijn poten. Zo’n hongerig loedertje toch! Ook een potje Olvarit babyvoeding in de heerlijke smaak worteltjes blieft ie niet. De oranje klodders zitten op zijn kop, zijn bef, zijn voorpoten, de stoel, de vloer…en de assistente. Het zit óveral, behalve in zijn mondje. Zelfs Bella’s bevallige achterwerk kan Bobo niet op andere gedachten brengen.

Vrijdagochtend half 9 worden zijn kiezen afgezaagd. Hopen dat onze dikke vriend de narcose overleeft…Zet ‘m op, Bob!

Kreunen

Het valt me op dat ik de laatste tijd zoveel kreun. Niet dat ik piano’s verhuis, maar gewoon bij de dagelijkse dingen. Het begint al bij het opstaan. Stijf! Planking types doen daar ongetwijfeld een moord voor, maar voor mij is ’t reden mijn gevoel voor humor in het nachtkastje te leggen.

Kon ik voorheen mákkelijk mijn voet in mijn nek leggen, tegenwoordig kraak ik als ik m’n knie naar m’n neus breng. Wrong ik me voorheen bij jeuk op mijn rug in allerlei bochten, nu pak ik de houten lepel van het slacouvert, en krab er schaamteloos de vellen mee van mijn rug. Even blazen. Klaar.

Maar opeens pikte ik die stijfheid van mezelf niet langer. Geen sportschool, ik ben mijn eigen motivator, en stelde een dagprogramma op. Vorige week ben ik ermee begonnen.
Ik begon met iets makkelijks: ogen dicht, ogen open…
Ik voerde de moeilijkheidsgraad iets op: tenen omhoog, naar beneden…
Daarna was het tijd voor het grove werk. Voor de training van m’n buikspieren ging ik plat op de grond liggen, haakte mijn voeten onder de bedrand, en werkte mezelf omhoog. Van inspanning maakte ik een blazend geluid. De lucht was niet te harden en ik viel flauw. Toen ik bijkwam  besefte ik dat als ik in dit tempo het dagprogramma blijf volgen, ik een uur eerder  uit bed moet.

Wat ik gisteren toch had! Ik pakte een pakje boter uit de koelkast en ineens schoot het in mijn rug. Zó erg, ik kon mijn eigen schoenveters niet meer strikken. Van ellende ben ik op teenslippers boodschappen wezen doen. Weet je nog wat voor weer het gister was? Het regende bakstenen. Mensen met de voeten in regenlaarzen gestoken, schudden hun hoofd toen ze mij op flip flops zagen lopen, maar dat liet me koud, ik doe alles voor vers eten voor m’n huisgenoten.

Ik red me wel, hoor. Ik zoek alleen nog iemand die mijn teennagels wil knippen…

Snakken naar rook

Schrijfuitdaging van Plato met als thema: schaduw.

Zuster! Zuster! Verdorie, waar is een zuster wanneer je er eentje nodig hebt? Ze kan niet bij haar pakje sigaretten en wappert met haar handen om aandacht te trekken.
‘Mam, wat is er?’
Oh…is haar dochter op bezoek? Dat was haar ontgaan.
Haar dochter snapt wel wat ze bedoelt, pakt het pakje filtersigaretten, tikt er eentje uit het pakje, en geeft die aan haar moeder.
Begerig zuigt ze de rook in haar longen. Heerlijk om die nicotine te voelen stromen in haar lijf. Dankbaar neemt ze gretige trekken. Ze tuit haar mond en maakt een mooie rond o met haar lippen. Waarom moet haar dochter zo lachen? Ziet ze de mooie kringetjes rook niet?

Ze vindt het liggen in het ziekenhuisbed uiterst vermoeiend. Ze temperaturen en wassen haar, en geven haar steeds vloeibaar eten door een slangetje. Vreemd. Vreemd en vermoeiend.
Verbeeldt ze het zich of zakte ze net even weg? Ze wil de sigaret weer naar haar mond brengen, maar is ‘m ineens kwijt! Zuster! roept ze paniekerig.
‘Mam, doe nou eens rustig, lieverd.’ Haar dochter strijkt met een hand over de deken. Zeker om de gevallen as weg te vegen. ‘Zou je niet eens stoppen met roken? Probeer wat te slapen, dat is goed voor je.’
Ze knikt instemmend. Haar dochter weet wat goed voor haar is. Zij koopt immers de sloffen sigaretten en gooit steeds de asbak leeg.

De dochter kijkt haar moeder liefdevol in de ogen. Het valt niet mee: opknappen na een beroerte. De goede ziel kan nog een pen vasthouden; praten lukt ook niet meer. Ze trekt de deken glad en geeft  haar moeder een kus op allebei de wangen. Het is net alsof ze rook ruikt, maar dat kan niet anders dan haar verbeelding zijn.

Kakel ziet ze vliegen

Mei 2010

Onderweg richting boerengehucht Achterbroek waaien de vliegen me als zwarte wolken tegemoet. Bah, van die kleintjes die overal in gaan zitten. Ik sputter tegen; het helpt niet. Ik wapper wild met mijn handen; vruchteloos. In Lopik durf ik amper adem te halen, in Benschop hoest ik vliegjes en in Uitweg proest ik vliegjes. Op de Viaanse brug waait de wind alle vliegjes weg. Eindelijk rust.

Aan de overkant van de Lek – met uitzicht op de uiterwaarden –  eet ik mijn boterham. Er waait een vlieg op, jakkes. Gek word ik van die krengen. Ik stap op en probeer het later nog eens. Oha ja, dáár… een prachtplek, met uitzicht op buitelende kieviten! Wat denk je? Krioelt het van de koeienvlaaien vol strontvliegen. Misschien dat ze op de vlucht slaan als ik mijn schoenen uittrek? Blijf dromen, Kakel. Ik  zie het niet meer zitten. De vliegen mij wel.

In Goudriaan fiets ik onhandig met mijn hoofd schuin naar beneden, ondertussen loerend naar tegenliggers. In Ottoland tuur ik door dichtgeknepen wimpers omhoog naar mevrouw ooievaar, die  jaarlijks op de kerk zit te broeden. Ik hoop voor haar dat daarboven net zoveel vliegen zijn als hier beneden: als ze haar snavel open houdt, zwermen ze zo haar keelgat in.

Vanaf Bleskensgraaf laat het geluk me in de steek: ladingen vliegjes waaien mijn helm in en tot overmaat van ramp achtervolgt een dikke bromvlieg me. Een menselijke, die zich verbeten in mijn achterwiel vastbijt.
Nieuw-Lekkerland is een drama: de mestsproeiers draaien overuren, evenals de vliegjes. Vliegjes jeuken in mijn ogen en kriebelen in mijn neus. Bzzz pok pok.

In Kinderdijk houd ik mijn lippen stijfdicht. Hallelujah: de pont ligt er. Ik rijd erop, wurm me tussen de Italiaans campers door en ga links naast een andere fietser staan. Hij kijkt me  aan met een “kijk mij eens een killer zijn-blik”. Pfff, over bromvliegen gesproken…
‘Ik wil er langs,’zegt hij.
‘Sorry?’ vraag ik, ondertussen proberend een tranend oog vliegvrij te vegen.
‘Ik Wil Er Daar Staan.’ Het toontje van die man… Zo praat Kind al jaren niet meer tegen me. De man wijst naar links van mij. ‘Ik ben snelverkeer, ziet u!’ Joh toch; ik schrik ervan!
En ja, links van mij kan hij tweetiende seconde eerder door de hefboom. Ik ben geen eerzuchtig type maar nu giert de prestatiedrang in mij hoogtij.
Ik gluur tussen zijn benen door naar zijn verzet. Hij staat groot voor, en klein achter geschakeld. Slechts met grote moeite kan ik een grijns onderdrukken: dit wordt een wandeletappe. In zijn haast als eerste beneden de pont op te rijden, is hij vergeten vooruit te denken èn te schakelen. Klassiek geval.

De man met de stoere look neemt zijn plaats in. Hij gunt me een minzaam knikje. Toch prettig zo’n middelbare vrouw die haar grenzen kent. Deze meneer is geen bromvlieg, besluit ik, maar een ééndagsvlieg. Eentje met het bioritme van een ochtendvlieg, en het is nu ver in de namiddag.
Hij trommelt met zijn vingers op zijn borst. Mijn kuiten kriebelen net zo hard als dat vliegje in mijn ene oog. De bomen zwaaien opzij.  Zelfverzekerd zet hij aan. Ik wacht drie tellen en rijd weg.

Kijk hem eens harken, zie ik tevree. Ik rijd ‘m voorbij. ‘Je kant beter gaan lopen joh, straks val je om,’ adviseer ik. In plaats van dankbaar te zijn voor mijn gratis tip, schakelt hij achter een aantal tanden hoger. Kkgggg ketting eraf. Hij worstelt en komt lopend boven. Ik keur ‘m geen blik meer waardig en peuter het vliegje uit mijn oog. Eindelijk.

Twee vliegen in één klap!

Vette pech

Nee, niet nu! Uitgerekend als ik naar de neuroloog moet voor een verse voorraad slaappillen start mijn auto niet… Relax. Geen stress. Eerst nadenken.
Heb ik de lichten laten branden? Nee.
Staat ie in de juiste versnelling? Ja.
Zit er benzine in de tank? Ja.
Dat was dat. Meer gevoel voor techniek heb ik niet. Damn! Ik ga de garage bellen voor een takelwagen.

Tring, tring.
‘Hallo, met Mirjam Kakelbont…eh…mijn auto start niet en ik heb ontzettend veel haast.’ Ik ben allerminst een hulpbehoevend, stresserig huiskipje, maar waarom klink ik dan zo?
‘Zo, zo, mevrouw. Eens even kijken. Heeft u uw lichten…’
‘…die heb ik niet aan laten staan. En zit ook genoeg benzine in.’
‘Okeej…Eerst maar even het stuurslot proberen dan.’ Koppig schud ik nee. Ik weet wat het stuurslot is, maar dat is ’t niet, dit is een serieus geval.
‘U pakt het stuur met twee handen vast,’ praat de stem onverstoorbaar verder, ‘in de tien voor twee stand, u trekt een paar keer hard aan elke kant, en dan komt het vast in orde. Zo niet, bel dan gerust terug. Succes mevrouw Kakelblond.’

Nou ja zeg, dat noemt zich monteur! En mij ook nog instructies geven alsof het om een handeling gaat die ervaring vereist. Tssss. Het is ook niet meer zoals het vroeger was. Toch maar proberen. Flink raggen ligt trouwens wel in mijn straatje. Ik ruk linksom en rechtsom, maar nada. Zie je dat dit een veel ingrijpender probleem is? Oeoeoeh…ik voel een driftbuitje aankomen. Het zweet loopt langs mijn rug en de ramen zijn beslagen. Een voorbijganger slaat me – tussen de vogelflats op het raam door – nieuwsgierig gade. Ja gluur maar, ik zit hier alleen wat in mijn eentje te trekken, en nu kssst, weg jij! Ik ga meteen de garage weer bellen; ik laat me niet als een klein kind behandelen! Of nee wacht, nog een allerlaatste keer. Ik roep alle autogoden aan en ruk nijdig aan het stuur.
Hoe bestaat het…ze start!

Toch maar goed dat ik over een berg doorzettingsvermogen beschik, anders hadden de monteurs vanavond nog slap van de lach onder de auto’s gelegen. Wat een afgang! Ik kan me de eerste paar maanden maar beter niet in de garage vertonen. Aan helemaal niemand vertellen is maar het beste. Alhoewel…fouten maken is menselijk. Adam en Eva deden het ook!