Jungle

Geirriteerd staat ze op haar achterste poten voor de dichte tuindeur. Ze wil naar buiten en een beetje gauw! Lucky basterd: laat het nou net droog zijn. Nauwelijks staat de deur op een kier of  Bella stuift naar buiten en sprint  verrukt over het tuinpad. Alhoewel…tuinpad. Zonder bril zie je ‘t niet liggen.

De tuin is een jungle. Uitgebloeide akelei, vingerhoedskruid, vrouwenmantel en Franse geraniums. Kaasjeskruid hangt scheef gewaaid alle kanten op. Bella zit nergens mee. Slinks werkt ze de bloemen van de Oost-Indische kers achterover, knabbelt aan de Spaanse margrieten en vreet met smaak van de papavers. Die loopt straks stoned door de tuin, ik kan niet wachten om dat mee te maken.

Ik ga nuttig aan de slag, en snoei links en rechts. Zoals meestal zit er geen structuur in mijn plan, want ik hou tegen de zin van Lief van een georganiseerde bende. Bella loopt vreselijk in de weg. Waar ik wil knippen zit zij. Draai ik me om, zit ze daar weer. Aan mijn voorstel om het snoeiafval in kleine stukjes te knagen zodat het in de groene ton past, geeft ze geen gehoor. Zij is er toch alleen voor de lusten? Losbandig fleurt ze met Bobo. De arme stakker drukt zich hevig transpirerend klem tegen het gaas van zijn hok. Bella loopt koket rondjes en geeft hem vervolgens het nakijken. Ze heeft trek in de knoppen van de lathyrus, maar die zitten voor het lekkere net te hoog. Mevrouw Konijn geeft er met haar achterpoten een paar flinke jetsers tegen en de knoppen liggen voor het opvreten. De konijnen-oppas kijkt nu al uit naar haar logeerpartij. Je snapt het niet, he?

Na anderhalf uur ben ik ondersteboven van mijn eigen inspanning. Tevreden nip ik binnen van een mok nepkoffie om te constateren dat een vandaal met de tweede leg bezig is. Mevrouw Merel zoekt zachte bekleding voor haar nest, en is kieskeurig ingesteld. Te kleine en te grote plukjes mos smijt ze kriskras op het weer zichtbare pad. Het broedse loeder. Ik had nog wel gevéégd…

Tourpakket

 

Zeg nou zelf: wat is geld op de bank als je er fijne dingen mee kunt kopen? Gisteren viel met een gelukzalige BONK! het Tourpakket op de mat.
Ik stop met schrijven, want ik moet lezen.

Hemelsbreed verschil

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato met als thema: lezen.

Met de broekspijpen avontuurlijk opgerold, stappen zijn voeten over het schelpenpaadje. Af en toe maakt het pad een flauwe bocht. Dan pakt zijn kleine broertje zijn hand vast en wriemelt zijn zusje haar hand in de zijne, waarbij het emmertje in zijn hand onhandig tegen hun benen bonkt.

Hij heeft kriebels in zijn buik want papa heeft hem een verrassing beloofd. Een verrassing die hij gisteren bij toeval op het strand ontdekte. Hij kan ‘m niet meenemen naar huis, maar zal hem wel iets leren over de baan van de aarde om de zon. Alles wat met planeten te maken heeft, vindt hij super, helemaal omdat deze maand ’s nachts in Zweden de zon blijft schijnen. Hij zou dat zó graag eens willen zien! Het liefst zou hij hard gaan hollen.

Het pad gaat over in rul zand. Helmgras kietelt tegen zijn benen. ‘Kom,’ moedigt papa hem aan, ‘je bent er bijna!’
Opgetogen pakt zijn vader zijn handen vast en legt ze tegen een warme, ruwe rots. ‘Dit is een rotstekening van het zonnestelsel in het jaar 2000, en hier in het midden – waar je een bobbel voelt – is de zon.’

Terwijl hij nog hijgt van de inspanning, volgen zijn vingertoppen aandachtig de zon en de groeven in de rots. Zijn hart gaat er sneller van kloppen. Deze groeven maken voor hem een hemelsbreed verschil. Niet alleen leren ze hem iets over de baan van de planeten om de zon, maar ze leren hem ook iets over hemzelf.

Van opluchting slaakt hij een diepe zucht. Met zijn hoofd omhoog naar de warmte van de zon, en de zoute zeelucht in zijn neus, lacht hij een stralende lach. Ineens ziet hij niet meer op tegen zijn nieuwe school met dat hele moeilijke vak. Nee, hij kan alleen nog maar uitkijken naar de lessen in dat o zo ingewikkelde geheimschrift dat braille heet.

Kleine wasjes, grote wasjes…

Mijn moeders trots stond wegens plaatsgebrek niet in huis, maar tweehoog achter op ons  balkon. Een enorme joekel van een wasautomaat, waar mijn vader een houten bekisting omheen timmerde, zodat het apparaat de echte Hollandse winters kon trotseren. Tevreden draaide mijn moeder kleine en grote wasjes in haar wasmachien.

In mijn kinderogen was dat apparaat maar een saaie doos. Nee, dan dat ding dat er naast stond: een handwringer! Je stopte een natte lap wasgoed tussen twee rollers, draaide aan een grote hendel en al het water stroomde eruit. Als je niet uitkeek, liep het water in een stroompje langs je arm naar beneden en via je benen zo je schoenen in. Oh, dat geklieder! Maar ja, ik mocht er alleen maar naar kijken en aankomen niet. Je begrijpt: die droger móest en zou ik uitproberen. Als ik de kans kreeg.

Eindelijk: mijn moeder stond  te kletsen met een buurvrouw, en ik glipte stiekem het balkon op. Nee hè, zag ik mijn kans schoon, viel er niets te wringen… Nergens wasgoed of een vieze, oude dweil te zien. Oh, maar wacht eens, daar hingen mijn moeders rubberen sophandschoenen. Gretig graaide ik er eentje van de drooglijn en hield ‘m tegen de rollers van de wringer. Het draaien viel nog best tegen; ik had allebei mijn handen nodig om dat ding op gang te krijgen.

Vreemd, wat zag die handschoen er raar uit. Opzwellen, niet normaal. Maar nu ik eenmaal aan het wringer was, zou ik blijven draaien ook. Steeds groter en boller werd de handschoen totdat hij PANG! uit elkaar knalde. Eén blauw stukje vinger bleef slap tussen de rollers hangen. Van schrik zette ik het op een brullen. Mijn moeder gooide met een ruk de deur open en aanschouwde  wat voor vreselijks ik had gedaan. Ik kreeg een pak voor mijn broek en moest voor straf op mijn ijskoude kamertje gaan zitten. Ik mo-hocht ook nooi-hooit wat.

Wat me wel tevreden stemde, was dat mijn broer(tje), de arme stakker, ook niets mocht. Op een mooie dag deed hij zijn uiterste best op hetzelfde balkon onze zinken vuilnisemmer in de brand te steken. Hij was er na veel moeite eindelijk in geslaagd om dat ding flink aan het walmen te krijgen, toen mijn moeder onraad rook en polshoogte kwam nemen. Nou, nou, de afdruk van mijn moeders pantoffel staat NU nog op mijn broer zijn billen. Terwijl die degelijke vuilnisbak amper wilde branden en alleen maar wat lullig rookte. Dat hoefde mijn moeder toch niet zo op te blazen? Nou ja, mijn broer heeft het in ieder geval geprobeerd, dat pakt niemand hem meer af.

Enneh…wat betreft die afdruk op zijn billen, dat is so to speak, want over een dergelijk onderwerp wordt door ons uiteraard niet hardop gepraat. Het ligt nogal gevoelig…

Cowgirls

Voorjaar 2007

De ochtendnevel is betoverend, maar doorweekt ons tot op het hemd. Het is doodstil, geen mens te zien, nou ja,  11 malloten op een  fiets. Midden op een verlaten landweggetje staat een complete kudde koeien. Wat zijn het er véél! Aan de vlaaien te zien, hebben ze hier overnacht. We remmen, klikken de voeten uit de pedalen, en gooien de fiets op onze schouder in de veronderstelling dat de kudde koeien uiteen zal splijten, als de zee voor Mozes.

De koeien staren verdwaasd voor zich uit. ‘Dat komt omdat ze een leider missen,’ zegt Jaap.
‘Gooi je in de groep!’ adviseer ik.
‘Gatferdamme,’ zegt Henk hartgrondig, en wijst naar een koe: één achterpoot bloedt en er zit een stuk prikkeldraad omheen. Het ziet er onsmakelijk uit. ‘Dat kunnen we toch niet laten zitten?’ oppert Henk.
‘Nee, hoe wou jij dat aanpakken, vriend?’ vraagt Jaap.
‘Nou, Kakel is toch zo’n dierenvriend? Die heeft een grote waffel en kan dat best ff regelen.’
‘Welja, laat mij het opknappen…’ foeter ik en hang mijn fiets bij Jaap om zijn nek. Geen koeienvlaai aan mijn racepaard.

Ik ben blij dat Telma erbij is; zij is bij de politie en weet van aanpakken. Nu ik nog. Tussen de zwart-witte lijven door soppen we door de drek door naar de arme koe. Het ziet me er een partij smerig uit! Het arme schaap loeit en trekt met haar gewonde achterpoot een stuk prikkeldraad heen en weer. Hoe pakken we zoiets aan? Met fietshandschoentjes 🙂 waarbij de beste stuurlui langs de kant van de weg staan met een fiets op hun nek.

Met gespannen schoudertjes trekken Telma en ik het ijzerdraad rond de poot van de koe los. We sjorren het prikkeldraad weg achter een boom, en vegen de handschoentjes af. Eind  goed, al goed.
‘Laten jullie die koe daar zo staan?’ vraagt Henk.
‘Ik zal haar achter jouw fiets binden, nou goed?’ zeg ik.
‘Ja dahag, ze is mijn schoonmoeder niet. Als de koeien straks gemolken worden, ziet de boer heus die bloederige poot niet.’
‘Er staat hier geen doorloopwagen, ze gaan allemaal terug naar de stal.’
‘Ja, naar de melkrobot…Dan ziet de boer nog niks. Wikkel wat om die poot heen!’
‘Trek je koersbroek maar uit,’ stel ik voor.
‘Voel jij eens ff aan je voorhoofd.’

Na veel gebakkelei doneert Rob een boerenzakdoek en pakt Telma de koeienpoot in. Tevreden over deze aanpak zoeken we onze fiets weer op. Koud onderweg roept Jaap met bewondering in zijn stem: ‘Hé Henk…zag je de uier nog van die ene koe? Zul-le-ke tepels hingen eronder!’

Boys will be boys, hè?
Negen cowboys en two cowgirls…En wie hebben de koe opgeLAPt? Juistem!

Spuuglelijk

Wat een rot bord! En nog spuuglelijk ook. Wacht, ik laat het Vriendin meteen even weten. Ik pak mijn telefoon en sms:” …k.utbord…” Kort maar krachtig, want eerlijk = heerlijk. Zo, en kijk eens aan, ik krijg ogenblikkelijk antwoord terug: haar Lief informeert of het wellicht verstandig is om mijn sleutel van hun huis terug te vragen. Tsss, die heb ik helemaal niet nodig.

Als er kijkers komen, stook ik mijn huisgenoten op en gaan wij ons van onze meest slechte kant laten zien. We zetten de stereo op tien en gaan in ganzenpas klossend de trap op- en aflopen. Het geblaf dat ik tegen die tijd van buufhond Billie heb opgenomen, spelen we in versneld tempo af, we blazen op de vuvuzela tot de ruiten ervan trillen, en gooien eieren stuk tegen het keukenraam. Laat dat maar aan ons over! Nieuwe buren onder ons twee-onder-een-kap-dak? Liever niet.

Onverwacht krijg ik zo’n goed idee, ik sta wederom versteld van mezelf. Zodra Vriendin haar hielen naar haar strandhuis licht, pak ik een groot wit laken uit de kast, hang het buiten over het bord van de makelaar, en sjor het aan de onderkant vast. Hoopvol gestemd loop ik naar Vriendins Moeder. Mevrouw S.uze is volledig te porren voor mijn plan en belooft in het dorp het praatje rond te strooien, dat wij de meest vreselijke buren zijn om naast te wonen. Dat zal belangstellende nieuwe eigenaren toch wel afschrikken…?

…want ik wil niet dat Vriendin weggaat. Ze is mijn langste en liefste Vriendin ooit, boehoehoe! Maar vooruit, als zij denkt gelukkig te worden van wonen in Frankrijk dan is het haar van harte gegund. In de tussentijd troost ik mezelf met de gedachte dat ik vast kan wennen aan het idee, want het is een héél ongunstige tijd om een huis te verkopen 🙂

Landrover

Januari 2012


‘…een juweeltje hè, mevrouw?’

Heeft die meneer het tegen mij? Nonchalant leunt hij tegen een dure bolide. Blond haar, een wie-doet-me-wat-houding en een sinds een dag of vier een kapot  scheerapparaat. Een leuke vent, maar ook weer niet, want hij weet ‘t. Hij lacht. Wat valt er te lachen? Het is eind januari, ik heb een rode neus van de drank, en mijn tenen vriezen er bijna af. De man werpt een blik op zijn horloge. Wacht hij op iemand? Waarom doet hij dat niet in de auto met de kachel op tien?

Het is zo’n rommel in mijn hoofd. Mijn schoonmoeder is overleden, en ik heb een berg bloemen gekocht om een graftak voor op de kist te maken, maar ik ben iets vergeten. Ik weet niet wat, maar het is cruciaal. Ik leg de bloemen in de achterbak van m’n auto en ik raak in lichte paniek: over vijf minuten gaan de winkels dicht.

‘Uw boodschappenautootje is een ouwetje, hè?’ vraagt de man niet onvriendelijk. Ik knik. Heeft die gozer niks beters te doen? Zo kan ik toch niet nadenken? Ik zie wel dat zijn bovenmodale vehikel  van een speciaal ras is. Eentje dat begint met een B en eindigt op MW, maar lekker warm krijg ik ‘t er niet van. ‘Gisteren bij de garage opgehaald,’ vertelt de man trots verder, ‘mooi toch?’ Ik gun de man zijn pleziertje en veins oprechte bewondering. Kennelijk laat het resultaat te wensen over, want hij haalt zijn handen uit zijn broekzak, slaat zijn armen over elkaar, en vraagt een tikkeltje korzelig: ‘Wat voor auto zou u graag willen hebben?’ ‘Een gebutste Landrover Defender,’ zeg ik, ‘eentje met een snorkel en een lier, en dan lekker door de bagger en plassen scheuren.’ Plassen…denk ik, plassen…? Water…dat is het! Water! Ik hol terug naar de bloemist om een graftakhouder te kopen.

Drie minuten later ben ik terug bij de auto, en is de houding van de man totaal omgeslagen. Hij lacht als een boer met een wortelkanaalontsteking en kijkt beteuterd naar de takelwagen. ‘Hij startte niet meer,’ zegt hij op klaaglijke toon. ‘Zijn hele elektrische circuit dood. In één dag.’
‘Shit happens,’ zeg ik en stap met een been in de auto. Ineens vraag ik me iets af. Ik kijk de man aan en hij leest mijn onuitgesproken vraag. ‘De takelwagen zou pas om half zeven komen,’ zegt hij. Ja, en dan zijn de winkels dicht.
Ik stap in mijn bejaarde koets en start de motor. Een delicaat geluid.

Na na, na na na!

Kinderen en dieren plagen: het is zijn lust en zijn leven. Heeft zijn kleine zusje een lolly gekregen, dan trekt hij die uit haar mondje en wacht grijnzend tot ze begint te loeien als een sirene. Tevreden maakt hij een lange neus.
Zodra hij hoort dat zijn moeder de kamer in komt lopen, stopt hij snel de lolly terug, en veegt de traantjes weg.

‘Zo lieverd, alweer terug van school?’ vraagt Moeder. Hij knikt afwezig. Ze geeft hem wat te drinken, trekt zijn geruite spencertje recht en zegt: ‘Er komt een optocht van het circus door het dorp. Ga maar kijken. Hier heb je een rolletje snoep voor onderweg.’
Peinzend zwaait ze hem na: waarom heeft hij toch zo weinig vriendjes? ’t Is zo’n speciale jongen!

Andere moeders bekijken hem met argusogen. Zij weten dat hij met voetballen liever teamgenootjes tackelt dan een doelpunt maakt. In de buurtsuper rijdt hij met een winkelwagen steevast “per ongeluk” tegen de hielen van winkelende mensen aan en diervriendelijke manieren heeft hij ook niet. Die moeders willen maar één ding: dat hij eens een ongelofelijke knal voor zijn kanis krijgt.

Alsof er niets veranderd is sinds zijn kinderjaren, kijkt hij naar de stoet circusartiesten die door het dorp trekt: acrobaten, jongleurs, danseressen, clowns, dieren…De baan van circusdirecteur lijkt hem op het lijf geschreven. Gewoon een kwestie van flink de wind eronder hebben, en zorgen dat mensen en dieren voor je beven. Genietend malen zijn kaken het rolletje snoep weg. Het lijkt wel of er ineens iemand tussen hem en de zon in gaat staan. Hij voelt een lichte tik op zijn schouder en kijkt nietsvermoedend omhoog  *KLIK*

De klap dreunde nog een hele tijd na.

Kinderarbeid

Huiswerk? Ze heeft wel wat beters te doen. Facebooken bijvoorbeeld, of chillen, iets bakken, alle herhalingen van Glee kijken, iets afspreken met met vriendinnen, of shoppen tot ze dropt.
Luid ventileert ze haar ergernis: ‘Hierzo, moet je zien, het grenst gewoon aan kindermishandeling! Acht toetsen deze week, waarvan er eentje meetelt voor mijn examen. En dan nog een berg presentaties, werkstukken en boekverslagen die ik moet maken of inleveren. Het is een grof schandaal!’ roept ze getergd. En echt, het kan niet anders of ze houdt hier geestelijke schade aan over.

Elke keer wanneer ze de kastdeur opentrekt, gaat begeerte met haar op de loop. Zie toch eens al  die prachtige DVD’s die ze voor haar verjaardag gekregen heeft…nog helemaal geen tijd gehad om ze af te spelen. Haar humeur verslechterd en ze ontsteekt in een oerdrift.
Ik zucht. Diep.

‘Nog vier weken knallen,’ monter ik haar op, ‘en daarna heb je acht weken vakantie. Acht! Je vader doet daar een moord voor.’ Ik mompel nog iets over “laatste loodjes” maar ze hoort me al niet meer. Met veel kaboenk-boenk stampt ze de trap op naar boven, en verschanst ze zich in haar kamer. Als ik een half uurtje later voor haar deur sta, blijkt duidelijk dat mijn komst niet op prijs wordt gesteld…

Open huwelijk

Voorjaar 1987

Binkerig komt hij naast me rijden. Hij draagt een minuscuul triatlonpakje; borsthaar wappert door zijn openstaande shirt naar buiten; en met een hand kamt hij een haarlok achterover. Hij straalt een waanzinnig zelfvertrouwen uit, en het is me duidelijk: deze dude heeft mij uitverkoren om naast  te rijden. Ik ben onmiddellijk ondersteboven van de man.

Hij geeft me een joviale schouderklap en vraagt waar ik naartoe fiets. Dat ga ik hem niet aan zijn snor hangen. Ik lieg dat ik getrouwd ben en in Capelle woon. Capelle, wat vindt hij dat leuk! Hij woont in Nieuwerkerk en nu mag ik fijn het hele eind met hem meefietsen. Hij is ook getrouwd, maar – knipoogt hij veelbetekenend – hij heeft een heel open huwelijk.

De man is één bonk zelffelicitatie. Wat wil je als je verstand hebt van kunst en politiek; regelmatig een triatlon wint; en het goed doet bij de vrouwtjes? Die laatsten struikelen allemaal over zijn charmes. Stoicijns en niet gehinderd door mijn gebrek aan belangstelling, komt hij steeds een stukje dichter tegen me aan fietsen. ‘Rijdt lekker, hè?’ vraagt ie, en oh, had hij al gezegd dat hij een open huwelijk heeft? Ik word niet goed en sla spontaan rechtsaf een gehucht in. Ik zwaai demonstratief zodat hij weet dat dit een  afscheid is, maar meneer zet doodleuk de achtervolging in. Wel met een wat verwonderde uitdrukking op zijn gezicht:  laat ik hem – een brok dynamiek – zomaar schieten? Ja, ja, het leven is een tranendal jongen.

Hij houdt toch van kunst?, vraag ik in Oudewater. Nou en of! Moet hij eens kijken naar die beelden in de vijver daar. Ik beloof dat ik aan de overkant bij de kerk op hem wacht.  Ik jakker over de keitjes en rijd in rechte lijn een smal steegje in. Privé en uit het zicht gluur ik naar de kerk recht ertegenover. Daar is Dude. Kijk ‘m loeren…De leegschedel denkt zeker dat ik net zo blond ben als ik er uitzie?

Scheissie! Zet ie z’n fiets tegen de pui van het VVV-kantoor. Dag, ik blijft niet staan wachten; ik loop zo dicht mogelijk langs de gevel, en loop gehurkt naast mijn fiets onder het grote raam door. Voorbij de ruit ga ik weer rechtop staan. Dat heb ik weer mieters handig aangepakt!

Waarom zie ik nu pas op dat er bij het stadhuis zoveel toeschouwers staan? Het gros heeft mijn kunstje gevolgd en gaapt me aan alsof ik een aap in een circus ben. Ik kan het ze niet kwalijk nemen:  ze hebben niets beters te doen dan te wachten op het bruidspaar. Schaamte giert uit al mij porien. Met de prikkende ogen van de Dude in mijn rug worstel ik me met een afgewend hoofd tussen de wachtenden door. In de verte zie ik het licht van de brug knipperen. Rijden, rijden, rijden! Pal achter me gaat de brug omhoog.
Eindelijk samen met mijn snorrende derailleurwieltjes!