Poetsen

WE-300 van Plato met als thema: poetsen.
Een verhaal uit de oude doos, maar het is er geknipt voor!

Deskundig speurt hij met de Swiffer in zijn hand de woonkamer rond. Vanochtend heeft hij alles gezeemd, maar stof valt heel de dag door naar beneden. Dat zie je, zeker wanneer je zoals hij dagelijks de  ramen zeemt en zonnestralen vrij naar binnen vallen.

Hij kent mensen die boekenplanken hebben met een grijze waas eroverheen. Of die televisie kijken zoals ze vroeger in koude winters naar buiten probeerden te kijken: eerst tegen het glas blazen en dan met je hand een opening in een ijsbloem wrijven. Of mensen bij wie je voeten vastplakken aan de keukenvloer. Zelf sopt hij alles tot het blinkt. Hij is trots, dat zijn kookplaat zo glanst dat hij zijn spiegelbeeld erin kan zien.

Na de dood van zijn vrouw kreeg hij zo’n enorme dreun van eenzaamheid, dat hij bedacht ter afleiding de meest vlekkeloze schoonmaker ooit te willen worden. Niet dat hij er plezier aan beleeft. Na zichzelf een weekend lang grondig geobserveerd te hebben, was het tot hem doorgedrongen dat hij een slaaf van zichzelf geworden was. Dat hij geen leven meer had, zo ernstig zat hij bij zichzelf onder de plak.

Sinds hij in therapie zit, gaat het gelukkig wat beter. Hij kan er al voorzichtig grapjes over maken: ik ben S en heb metvrees. Dat was het begin van de stap vooruit. De therapeut had gezegd dat hij niet mocht verwachten dat hij van de ene op de andere dag genezen zou zijn, maar dat het juist in kleine stapjes moest gaan. Daar is hij zich van bewust en daarom is hij ook zo tevreden over zichzelf. Twee vliegen in een klap, daar houdt hij van!
Glimlachend pakt hij de bloemenvaas. Hij gooit de bloemen weg, spoelt de vaas schoon en gooit er een tablet Steradent in, samen met zijn kunstgebit.

De lift

Een fors uitziende man stapt de lift in, en zijn grote neusgaten snuiven de lucht op.  Dat had hij beter niet kunnen doen. Nu kijkt hij me met een vies gezicht aan, en lees ik wat er op zijn gezicht staat: hij denkt dat ik mijn darmgassen de vrijheid heb gegeven.
Alsof ik daar te schijterig voor ben. Maar ja, de opvoeding, hè. Eenmaal gekregen, ga je er de rest van je leven onder gebukt. Die opvoeding is een zegen voor mijn medemens, want als ik begin te blazen, wordt iedereen in mijn nabijheid tijdelijk analfabeet.

Onkundig van mijn talent, gaat de naar frisse lucht hunkerende man chagrijnig voor me staan, en toont me zijn rug. Ik wil het niet, echt niet, maar ik zie dat hij imposant tierig nekhaar heeft, met daartussenin een rijpe, rode puist. Geschrokken van de aanblik, fixeer ik me op de knoppen van de lift. Ik probeer niet te ademen, maar dit ritje duurt bijna een eeuwigheid.

Ping! Een deftig dametje tippelt de lift binnen en zegt Puist en mij gedag. Ik groet beleefd terug. Puist toont zich een wassenbeeld. De dame besluit zich op mij te concentreren.
‘Erg hè mevrouw, die lucht?’ begint ze, ‘een gedeelte van het riool is door de strenge vorst omhoog gekomen…pffff.’ Demonstratief wappert ze met een hand voor haar neus. Puist kijkt even naar mij en draait snel zijn hoofd om. Zijn rug maakt een schuldige indruk.

Dichterbij de begane komt, wordt de stank zwaarder. Eenmaal beneden, slaat de meest vreselijke strontlucht ons in het gezicht. Mannen in oranje overalls en eens witte lieslaarzen, vegen donkere derrie naar een groot apparaat dat de drab opzuigt en daarbij onsmakelijke slurpgeluiden maakt. Met een hand knijp ik mijn neus dicht zodat ik kan ademen zonder de stank binnen te krijgen. Ik spoed me naar buiten. Daar trekken pal voor mijn neus twee stadsbussen op, die mij in zware dieseldampen hullen. Een hele verbetering.

 

Autopech

Tweede en geheel herziene versie 😉 

Bevroren autoslot‘Koud, hè?’ zegt Vriendin. Ik knik, en kijk met verbazing naar de kleren die ze draagt. Het lijkt wel of ze een poolexpeditie gaat afleggen.
‘Waar ga je heen?’ vraag ik.‘Nou gewoon…naar de zaak,’ zegt ze geirriteerd. Logische dat ze dik is aangekleed: die zaak is zeker vijf  kilometer verderop.

Vriendin maakt van haar wijs- en middelvinger een V, en houdt die horizontaal tegen haar lippen. Ze ademt een teug vrieskou in, inhaleert diep, en blaast zogenaamd vergenoegd de lucht weer naar buiten. Het arme mens staat stijf van de onthoudingsverschijnselen.
‘Als ik nog rookte, zou ik van binnen veel warmer zijn,’ zegt ze.  Ze kijkt mij knorrig aan, alsof het mijn schuld is dat zij gestopt is.
‘Je bent ook nog maar net uit bed, hè?’ zeg ik vergoelijkend. ’t Is nog waar ook, want de vouwen van haar kussen staan op haar wang.

Ze loopt naar haar auto, steekt de sleutel in het slot en draait ‘m om.
‘Shit!,’ foetert ze meteen daarna, ‘ik krijg de deur niet open! Zit het rubber  vastgevroren. Dat heb ik weer.’ Ze slaat stoere taal uit, maar daar trekt het portier zich niets van aan.
Uit haar jaszak diept ze een oude perskaart van de NOS op. Geen ijskrabber schrapt beter dan deze kaart, en klappertandend gaat ze de ramen te lijf. Tussendoor loopt terug naar de autodeur: nog steeds potdicht.

Ze moppert dat ze straks nog slotontdooier nodig heeft om de rits van haar jas open te krijgen. Raam na raam verliest zijn ijs. Als laatste is het passagiersraam aan de beurt. Vriendin kijkt er doorheen naar de “overkant” en ziet dat het zwarte palletje nog steeds ingedrukt staat. Oftewel: de deur is niet eens van slot geweest.
Weer een typische Vriendin-actie. Of zou het de frisse lucht zijn…?

Een allesbehalve prettig weekend

Ik mag weer naar de huisartsenpraktijk. Daar werkt een clubje assistentes dat hun rust beter bewaakt dan Noord-Korea zijn kernwapens.
Eén van hun – gewetenloos als Nina Brink en met het geestesleven van Paris Hilton – geef ik mijn recept van de neuroloog, en ze loopt ermee naar achteren. Korte tijd later ontstaat er paniek, die zich als een virus verspreidt onder alle assistentes. Nerveus klonteren ze samen rond een beeldscherm dat een groot rood vlak vertoont. Na veel vijven en zessen marcheert Nina naar mij toe, en zegt dat de computer aangeeft dat de twee medicijnen op het recept nooit met elkaar gecombineerd mogen worden.

‘De neuroloog heeft een fout gemaakt,’ vat ze het samen.
‘Nee hoor,’ zeg ik, ‘ik slik beide al zeven jaar. Dat moet toch ook in de computer staan?’
Tut-tut-tut. ‘Zo simpel werkt dat niet. Maandag gaan we de neuroloog bellen,’ spreekt Nina gedecideerd.
‘Mag ik de Madopar meenemen, want dat is op,’ vraag ik.
‘Dat medicijn hebben we niet op voorraad.’
‘Ik kan niet drie dagen zonder dat medicijn,’ protesteer ik zwakjes.
‘Maandagmiddag na 2 uur,’ zegt ze kalm. Ik begrijp het: ze is als de dood een burn-out te krijgen.
‘Mag ik mijn recept terug?’vraag ik. Nee, eens gegeven, blijft gegeven.
‘Wilt u dan een andere apotheek voor mij bellen?’
‘Maandag,’ houdt ze  ijzig vol.

Uitgeblust laat ik me in een stoel achterover vallen. Ik zie het leven niet meer zitten. Waarom moet ik het hier altijd voor mezelf opnemen? Ik word er zo moe van, en ik ben al zo moe-hoe-hoe van mezelf. Stom nijptang* van een wijf, mopper ik.
‘Jij bent toch een wijf met ballen,’ knaagt een stem in mijn hoofd, ‘ze zitten alleen  hoger.’ Ja verrek, ik heb gelijk! Gesterkt veer ik overeind en loop naar de balie. Ik sla er met mijn vuist op en roep met standvastige blik: ‘Ik ga hier niet weg zonder pillenregeling!’

Mijn eis komt hard aan bij Nina, maar ze gaat overstag. Ze geeft me een kopie van het recept en zegt stug: ‘Het is voor uw eigen bestwil, mevrouw.’ Terwijl ze praat, kijkt ze me met starende ogen en geestelijke afwezigheid aan. Alles gaat langs haar heen. Ik hoop van harte dat dat ook geldt voor mijn “prettig weekend.”

*met dank aan Tilde 😉

 

Blazen

Eindelijk gerechtigheid! Nooit never ever ben ik door een agent gesommeerd mijn voertuig aan de kant te zetten; elke keer reed ik weer net naast de fuik. Maar na ruim tien jaar ’s Herenwegen onveilig te hebben gemaakt, moet ik stoppen en mijn raampje opendraaien.
‘Goedemiddag, mevrouw. Alcoholcontrole.’
‘Oh, mag ik op het pijpje blazen?’ roep ik hunkerend.
‘Nou nee, dat hoeft niet meer,’ legt de agent uit, ‘u hoeft alleen maar tégen het apparaat te blazen.’ Hij lacht trots, alsof hij deze zegen voor de mensheid zelf bedacht heeft.

Ik word overvallen door moedeloosheid. Uitgerekend wanneer ik de gelegenheid krijg  óm te blazen, kan dat niet meer ouderwets, maar moet dat tegen een of ander slap aftreksel. Ik voel me tekort gedaan. Altijd ben ik Bobientje in het verkeer, en wat krijg ik er voor terug? Niets.
Ik weersta de aanvechting onmiddellijk naar de dichtstbij zijnde slijter te rijden, een fles Campari uit het schap te rukken, en deze in de auto soldaat te maken.

‘Kan het ècht niet meer op een pijpje?’ vraag ik. Ik kijk zo hopeloos mogelijk. Als ik wil kan ik dat best. Ik zie de wetsdienaar denken: die mevrouw is een beetje doorgeslagen, en nou is ze waarschijnlijk nog niet eens dronken.
Kennelijk krijgt hij medelijden, want hij vraagt: ‘Wilt u even wachten?’ Dat wil ik wel. Ik heb de rest van de dag toch niet nuttigs te doen.  De agent praat met een collega die naar een auto wijst. De agent rommelt wat in de aangewezen achterbak, pakt er iets uit en komt glimlachend mijn kant oplopen. Ja hoor, ik mag ouderwets blazen!  Mijn mondhoeken raken van vreugde bijna mijn oorlellen. Ik  blaas de longen uit mijn lijf, en slaag met vlag en wimpel voor de blaastest. De agent heeft nog een verrassing voor me: het blaaspijpje mag ik meenemen.

Als goede vrienden gaan we uit elkaar.
Zo’n aardige agent toch!
Wat een voorbeeldige Bob-mevrouw!

Blij parkeer ik de auto voor de deur, helemaal hyper om mijn huisgenoten te laten delen in mijn vreugde. Ik stap uit. Kkgggggt hoor ik onder mijn voet. Ik kijk. Daar ligt het blaaspijpje. Vermorzelt onder mijn laars. Nu rest me slechts de herinnering…

Vurwende soddemieters

Het is windstil met een helderblauwe lucht. Mijn adem stoomt in wolken naar buiten. De overgang van de wal naar de sloot is op sommige plekken moeilijk te zien en bij tijd en wijle zak ik kuitdiep in de sneeuw weg. De witte wolbalen midden in het weidse landschap blijven dicht bij elkaar staan en krabben met de voorpoten de sneeuw weg op zoek naar gras. Eentje houdt de boel in de gaten zodat de rest pootje voor pootje op grasjacht kan.

Halverwege liggen drie roerloze gestalten. Zouden het dode schapen zijn of liggen ze op hun rug, want er zit totaal geen beweging in. Ik klim over een hek en loop in hun richting. Vlakbij gekomen zie ik dat het gedeeltelijk ondergesneeuwde bonken hooi zijn. Aha, bijvoer voor de dames. Das mooi, want hun buiken zitten vol pootjes.

Als ik me omdraai voor de terugweg, staat de boer bij ’t hek. Ik steek m’n hand op. Een minimaal knikje met zijn hoofd is zijn antwoord. We kennen elkaar van gezicht.

Alhoewel, met de muts die ik op heb…

Zonder muts, sjaal of handschoenen staat hij met open jas doodleuk tegen ’t hek geleund. Een verrekijker om zijn nek. Tweemaal daags controleert hij de kudde.
‘Daagie daat ze dot ware?’ vraagt hij als ik dichterbij kom. Ik knik en voel me ietsiepietsie betrapt.

‘’t Binne vurwende soddemieters,’ zegt hij. ‘Ze krabe liever met du potte de sniw weg voor un plukkie dot graas, dan da ze ingekooild graas vrete. Net zo eigenwijs als vrouwen,’ vervolgt hij in dialect. Hij kijkt me recht in de ogen kijken, zodat ik goed begrijp wat hij bedoelt. Ik grinnik; hij zegt het met een twinkeling.‘IJzersterk soort hè, om onbeschut bij min tien de nacht door te komen,’ zeg ik bewonderend.
‘Mijn zoon heeft voor hij vanochtend naar ’t werk ging, ‘t gras neergegooid, maar ze blieven ’t niet, zie je ‘t? Ik zou ze liever binnen halen, maar dat moet met de veewagen en dat levert teveel stress bij ze op.

Heb je ’t koud? vervolgt hij op dezelfde toon. Vol verbazing ziet hij hoe ik me tot de wenkbrauwen heb ingepakt en ’t nog niet warm heb. Dat moderne volk ook. Hij stapt in zijn auto, waarvan het raampje tot halverwege openstaat en ik graaf mijn fiets uit. Als de sodemieter naar huis. Hopen dat ik niet doodvries onderweg in mijn dikke jas, thermohemd en handgebreide 100% wollen schapentrui.

Hogere sferen

‘Ik ben 42 jaar getrouwd geweest,’ zegt de man naast me.
‘Dan zult u haar wel missen,’ is mijn reactie.
‘Ze is bij me weggegaan,’ bekent hij plompverloren.
‘O,’ zeg ik. Meer komt er niet uit. Met deze mogelijkheid had ik namelijk geen rekening gehouden.
De man heeft een doorgroefd gelaat, een scherpe neus waaruit een bosje borstelige haren hangt en een zuurstofslangetje in zit,  en gemoedelijke ogen.
‘Dat komt…,’ vervolgt hij, ‘…omdat ik die beroerte gehad heb’. Zijn arm maakt een wijds gebaar naar zijn scootmobiel die van alle gemakken is voorzien: een boodschappenrek, een warme deken, twee zuurstofflessen achterop, en een zitplaats voor een bijrijder.
‘De dokter in het ziekenhuis zei dat het niet meer goed zou komen…ze had geen zin de rest van mijn leven voor me te zorgen…drie dagen later was ze weg.’ Hij grijnst verlegen. Ik knik alsof ik het begrijp, maar ik wil ’t niet begrijpen.

We zwijgen een tijdje. Ik vraag me af waarom deze plek aan het water altijd uitnodigt tot diepe, persoonlijke gesprekken. Is het ’t uitzicht, het klotsende water, de regelmaat van de pont?

‘Ik wou maar dat Onze Lieve Heer me kwam halen,’ doorbreekt hij de stilte. ‘Niet dat ik in de hemel kom,’ vervolgt hij moedeloos.
‘Waarom niet,’ vraag ik verontwaardigd, ‘bent u zo’n slecht mens dan?’
‘Nou… sinds ik niet meer in de zwarte-kousen-kerk kom, heeft mijn familie me laten vallen.’
‘God heeft de regels van de kerk niet gemaakt,’ zeg ik, ‘dat hebben mensen gedaan. Wedden dat ik u later tegenkom in het voorportaal,’ knipoog ik naar hem.
‘U komt er ook niet binnen?’ Hij glimlacht alsof hij het antwoord al weet. Ik schud  mijn hoofd.
‘Wat hebben we in de hemel te zoeken als ie volzit met alleen maar brave hendriken vol zorgwekkende vroomheid?’ concludeer ik. De man lacht hardop, en geeft me een schouderklop. Zijn ogen twinkelen. Ik sta op, want ik kan naar de overkant.
‘Tot ziens,’ grapt de man, ‘en bedankt!’, roept hij erachteraan.Wat een snel tevreden man; ik heb alleen maar geluisterd.

Verbeteren

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato met als thema: verbeteren.

Het is doodstil in de klas. Zo stil, dat je een bonk kauwgom op de bodem van de prullenbak zou kunnen horen vallen. Slechts af en toe klinkt er een zucht, of het krassen van een pen.

Maarten weet dat de juf een hekel heeft aan krassen. Als je een schrijffout maakt, moet je links en rechts naast het foute woord een puntje zetten, en er geen kliederboel van maken.

Langzaam beweegt zijn pen over het papier. Hij ademt zwaar van inspanning. Het is ook niet niks: zijn allereerste opstel. Aan schrijven heeft hij een hekel. Het lijkt wel of de letters tegen hem zijn, of dat zijn pen helemaal vanzelf rare krullen en vieze vegen maakt. Maar dat zal hem nu niet gebeuren, want hij doet zijn stinkende best.

De titel van het opstel wist-ie al meteen, maar die schrijft hij pas als laatste, zodat het niet kan gaan vlekken. Met rode wangen van blijdschap, en ook een beetje van trots omdat het zo goed gelukt is, legt hij zijn pen neer en leest zijn opstel na. Het levert hem straks vast een complimentje van de juffrouw op. Of beter nog: een samenzweerderige knipoog.

Na de pauze deelt de juf de nagekeken opstellen uit. Maarten is gespannen als een veer en kan niet wachten tot ze naast hem staat. Zijn ogen schitteren bij voorbaat opgetogen.
Daar is ze! De juf kijkt hem een kort ogenblik aan. Geen lachje, geen knipoog. In plaats daarvan legt ze alleen het blaadje voor hem neer. Wat heeft hij fout gedaan? Hij kijkt naar het papier, en tranen prikken achter zijn ogen. Hij is er volslagen van ondersteboven. Dieper had ze hem niet kunnen kwetsen. Door een schrijffout in de titel, heeft ze door één woord een dikke, rode streep gezet: juf is liev lief. 

Visserslatijn

Na het bekijken van Gjerts hut, stapten Man, Kind en ik in Gjerts bootje, roeiden naar het midden van zijn (!) meer en smeten ’s mans hengels met haak in het water. Nog een heel gedoe om die haakjes niet in elkaars lip te gooien. We visten uren, maar bijten? Ho maar. In het begin vonden we dat niet erg, het ging om de intentie. Daarna probeerden we de vissen te lokken door heerlijkheden in het water te smijten, maar ze zwommen er niet in. Voor iemand met weinig geduld heb ik knap lang achter het net zitten vissen.

De lunch gebruikten we op het droge. Alsof de vissen daar op gewacht hadden. De ene na de andere sprong uit het water omhoog. Niet eentje, niet twee, maar met tientallen tegelijk. Ik zat me te verbijten op m’n boterham, dat stuk koudbloedige geteisem.  Ze vroegen er gewoon om om vermoord te worden.

Eenmaal de hengels weer uit, waren ze nergens meer te bekennen. Ineens werd mijn hart vervuld door een diep medelijden voor Gjert. Maakte hij dit elke keer tijdens zijn vismissie mee? Geen wonder dat de man een geweer had: om die provocerende vissen mee dood te schieten. De man had mijn compassie.

’s Middags deden we inkopen in een regionale supermarkt, en daar lag een blote vis in de vriezer. Ik trommelde Man en Kind op, duwde ze de diepgevroren vis in de kladden, pakte het fototoestel  – even lachen! – en klaar. Eind goed, al goed.

zó'n vis!

 

De luxe van eenvoud

Noorse hut

Jaren geleden waren wij in Noorwegen. O, Noorwegen…! De gedachte doet me watertanden en vult me met heimwee: tuimelaars in de baai, dagenlang in de buitenlucht banjeren zonder iemand tegen te komen, frambozen eten in het bos, schemeren tot half twaalf…En hutten.

Gjert – van wie we ons vakantiehuis huurden – hield van hutten.  Dat kwam goed uit, want hutjes doen het bij Lief en mij ook goed. Vroeger al droomden we erover: er moest een Noorse houtkachel in staan, waar je zelf bomen voor moest omhakken, want zelfgehakt hout brandt het warmst. Bovendien moest dat ding flink walmen, want waar het stinkt is het warm.

Gjert gaf ons de sleutel van een van zijn hutjes, en zei beschaamd dat het om een bijzonder eenvoudig onderkomen ging. “Geen stromend water, gas of elektra. Plassen en poepen moet in het buitenhok.’

Gewaarschuwd stapten we zijn vissershut binnen en vielen flauw van begeerte. Er stond weinig in. Het was een hut vol eenvoud. Een hoogslaper in de nok, een bankje, een houtkachel, een padvindersketel, kaarsen, lucifers, zout en dikke dekens. Plus een rommelhok met bijlen, messen, hamers, hakblokken, touw en een geweer.  Een geweer…? Wat moest Gjert, een man met zeehondenogen, nou met een geweer?
De weinig attributen in het hutje, maakte wat het leven heerlijk overzichtelijk.  Je kon niks, want er was niks. Het had iets vredigs en probleemloos.

In ons kwam de gulzigheid naar boven. Joris en ik keken elkaar aan en wisten dat wij bij thuiskomst ons tuinhuisje zouden ontdoen van alle fratsen, en het gingen verbouwen tot een kopie van Gjerts hut. Een naam had ik snel bedacht: “Wildemanshut.”

Bij thuiskomst liepen we tegen allerlei praktische bezwaren op. We voelen ons een stel schijtzakken en lafbekken.
De eenvoud lonkt nog steeds…