Vrijheid in een lapje

ontspannen

Elke week trek ik een lekker ruim model aan. Eentje met flink veel elastiek dat als een hermetische deur alles afsluit. Gek genoeg werkte het averechts: dat ding zat gewoon hopeloos in de weg. Met name om de pols.
Zijn pols.
‘Mag ie ietsje naar beneden?’ vroeg de man.
‘Ja hoor,’ zei ik.
Vroeg ie even later: ‘Mag ie ietsje omhoog?’
‘Doe maar,’ was mijn antwoord.
Als de man ook maar ietsje te enthousiast te werk ging, knalde – pets!-  het elastiek tegen mijn vel.
Wèg ontspanning.

Geef je toch over, zei ik tegen mezelf. Maar je overgeven, hoe doe je dat? Ik had me er al bij neergelegd dat dat niet in mijn hoofd en lijf zat. Niets zo bloot als bloot. Een half jaar geleden sloeg mijn systeem nog totaal op tilt van de weinig kleren die ik hier droeg.

Maar ineens was ik mijn preutsheid zat. Wat kon het me eigenlijk bommen!
‘Weet je wat?’ zei ik tegen de masseur, ‘ik trek ‘m uit,’ voegde de daad bij het woord, en duwde de man  mijn laatste overgebleven stukje textiel in de handen.
Hij stond een moment vastgevroren met de lap in zijn handen, niet wetend wat er van hem verwacht werd.
‘Gooi maar over het kamerscherm,’ zei ik achteloos, maar nee, dat vond hij waarschijnlijk onbeleefd, want hij nam de moeite mijn textiel aan het haakje te hangen.
Kijk, zóveel aandacht had nou ook weer niet gehoeven.

Een kort moment had schaamte mij nog in haar macht, en lag ik met een  hartzwakte op de massagetafel, maar goh, eenmaal bevrijd, was het of er een last van me afviel. En ‘t is zó praktisch… Tijdens de massage heb ik mijn onderbroek niet één keer gemist. Het is blootgewoon!

Prooi

WE-300 van Plato met het thema: jagen.

zoete wraak

Is dat Tara die daar rijdt? Woede laait hoog in Femke op, en ze schakelt naar een hogere versnelling.  Rustig, rustig, spreekt ze zichzelf toe, je wilt toch niet met een ontploft hoofd naast dat mens gaan fietsen? Nou, iemand die je man van je heeft afgetroggeld, mag zien hoe je je voelt.

 

Alles klopte tussen haar en haar man. Alles! Een mooie man, waar vrouwen zich op straat nog een keertje voor omdraaien. Eentje met humor, die ook nog eigenwijs en briljant is. Ze had honderd met hem willen worden, totdat ze dingen begon door te krijgen.

‘Wie is het?’ had ze hem uiteindelijk gevraagd. Ze had gehoopt dat hij het in alle toonaarden zou ontkennen, maar in plaats daarvan was hij genadeloos eerlijk geweest: ‘Het is Tara.’

Tara? Die afgelikte boterham? Die lellebel met haar riante voorgevel, paardengebit, en haarextensies? Wóest was ze. Ze had geschreeuwd, gehuild en haar man gesmeekt bij haar te blijven, maar hij vertrok dezelfde dag. In  haar binnenste was er iets geknapt.

Nu trekt haar maag blij samen. Ze kan niet wachten Tara de grond in te stampen. Ze wil het wel binnen de grenzen van het fatsoen houden, en koortsachtig denkt ze na hoe ze het zal aanpakken. Het is een kwestie van de juiste locatie en het geschikte moment.

Hard trappend fietst ze langzaam op haar prooi in. Voelt Tara iets van een naderend onheil? Ze kijkt tenminste even opzij. Haar geforceerde glimlach verbleekt als ze ziet wie haar nadert.
Met een aan sadisme grenzend genoegen, gaat Femke naast haar rivale rijden, en geeft haar  zo’n onverwacht ferme duw, dat deze in de berm belandt, en met een klap tegen het leugenaarsbankje aanrijdt. Tevreden kijkt Femke om: Tara kan nog zelfstandig naar huis rijden, maar de enige tanden die ze nog heeft, zitten in haar achterwiel.

Hyper-de-piep

Hyper de piep

Joelend hollen ze door de schoolgangen  en roepen elkaar – high five! – de tussenstand door: ‘Nog twee dagen en één nacht!’ Tijdens de lessen wisselen ze belangrijke gegevens uit: wie heeft welke  tussendoortjes gekocht, wat voor merk, smaak en graag de exacte hoeveelheid.
Een schoolreisje? Laat Kind niet lachen! Nee, dit is toevallig iets bijzonders, want het is èn voor de bovenbouw, én je moet ervoor zijn ingeloot. Met recht lekker belangrijk dus.

Begin oktober viel Kind het huis binnen. Twee ogen staarden me aan. Ze hadden iets weg van de blik van een hongerige bloedhond die tijdens een zwaar dieet smeekt om een droge boterham.
‘Mam, mag ik in de voorjaarsvakantie weer met school op snowcamp?
‘Alweer?’ vroeg ik, ‘Je bent pas nog geweest…een jaar geleden…’ Ontstemd keek ze me aan. Dat komt van mij mag ze maar heel weinig. Ik houd haar touwtjes stevig in handen, en zeuren werkt averechts. Als ze mij “om” krijgt, volgt haar vader vanzelf. Van hem mag ze bijna  alles.

‘Zal ik een bakkie koffie voor je zetten?’ vroeg ze gewiekst.
‘Alleen als ik er de laatste gevulde koek bij krijg,’ zei ik, want ik maak graag misbruik van situaties. ‘Nou ja,’ vervolgde ik, ‘als jij denkt dat je het leuk vindt, moet je het maar doen.’

Zuchtend van zaligheid heeft Roos met een welhaast religieuze toewijding haar tas ingepakt. Vrijdagavond om 22.00 uur vertrok de bus, volgestouwd met hyper opgewonden, drukke, chaotische en stuiterende pubers.
Bij het afscheid riep ze me ter geruststelling toe: ‘Als ik terugkom, ga ik Bella knuffelen!’ Nou, daar heb je als moeder ook lekker veel aan.

De gigolo

Hier is ie dan: het vervolg op mijn vorige blog Altijd-prijs-mensen. 

‘Ga je mee naar mijn hotelkamer?’ vraagt de gigolo haar. Wat een geluk dat ze geen kunstgebit draagt, anders was dat ding van schrik uit haar mond gevallen. Maar waarom wil hij dat? Misschien om nog een kopje koffie met haar drinken. Eigenlijk was ze van plan geweest vanavond vroeg naar bed te gaan met een kopje jasmijnthee, maar ach, als zij hem met zo’n kleinigheid een plezier kan doen…

Ze kan er nog steeds niet over uit hoe jong hij is. Zij heeft zelfs meer haar op haar bovenlip dan hij. Maar het is ongepast kieskeurig te zijn over een cadeau en bovendien is hij uiterst charmant. Tijdens het diner heeft hij voortdurend belangstellend naar haar geluisterd. Steeds begrijpelijk knikkend, en zonder haar te onderbreken. Af en toe had hij zijn hand teder op de hare gelegd. De eerste keer kreeg ze daar paarse blossen van, maar het wende prettig snel. Ze vindt hem echt een man met voelsprieten. Als ja, als ouwe vrijster voel je veel, hè? Natuurlijk is zij ook niet doorsnee.    

Eenmaal op de hotelkamer strekt hij zich languit uit op bed. Hij klopt uitnodigend met zijn vlakke hand naast hem, om aan te geven dat hij haar daar verwacht. Een béétje vreemd vindt ze dat, maar omdat ze hem als ongevaarlijke goeierd heeft getaxeerd, gaat ze niet moeilijk doen. Eenmaal op bed vraagt hij of ze klaar is voor de finishing touche?

Ze kijkt hem in complete vertwijfeling aan. Hij bedoelt toch niet dat hij…dat hij…in den vlezen wil gaan? Seks wil hebben zonder huwelijk? Dat zou haar moeder nooit goed hebben gevonden. Ze kijkt hem strak in de ogen. Voor een tijdje is ze handelingsonbekwaam, om meteen daarna met haar gedachten bij de enorme prop Tena-Ladys in haar onderbroek te zijn. Pas als hij haar verzekert dat hij zo discreet is als een eikenhoutendeur, valt ze terplekke naast hem neer. Wat wil je? Een aantrekkelijk man met zulk welig tierend borsthaar. Van het graaien erin krijgt ze zweethanden.

Na een paar uur, verlaat zij hoofdschuddend en glimlachend het hotel. Haar gedachten bij het geluid dat ze zichzelf heeft horen maken. Een geluid alsof ze ondraaglijke pijnen leed. Nu pas begrijpt ze hoe rijk het leven is.

 

 

 

Altijd-prijs-mensen

Jiehaaa!

Zij kent mensen die altijd prijs hebben. Die staan altijd in de goeie rij bij de kassa, hebben tijdens vakanties in Nederland altijd zon, en stoplichten staan voor hun immer op groen. Ze stinken ook niet uit hun mond, hun winkelwagentjes hebben geen afwijking naar rechts, en ze hebben ook nooit last van opkruipende onderbroeken. Maar boven alles heeft zij de grootste hekel aan mensen die almaar prijzen winnen. Overal en lukraak valt alles ze toe. Nou, haar maat is er van vol!

Met stugge volhardendheid doet ze mee met elke prijsvraag en verloting. Ze kijkt allang niet meer wát ze kan winnen, áls ze maar kan winnen. Haar geduld werd ernstig op de proef gesteld, maar eindelijk viel zij in de prijzen. Toen ze de brief met het goede nieuws las, stopte haar hart bijna met slaan van vreugde.

Vandaag gaat ze haar prijs incasseren.
Het mag dan pijpenstelen regenen, daar laat ze zich niet door weerhouden; ze trekt gewoon haar regenponcho aan. Een tikkeltje wijdbeens vanwege de extra Tena-lady’s in haar onderbroek, plakt ze met een dikke klodder spuug een dwarse haarlok plat. Tot slot zet ze haar mooiste regenkapje op.
Voldaan kijkt ze naar haar evenbeeld  in de spiegel: ook al gaat ze al een flinke tijd mee, ze ziet er nog best fruitig uit. Dankzij haar steunzolen staat ze bovendien fier rechtop in haar comfortschoenen. Zij is er klaar voor.

De prijs die ze gewonnen heeft, duurt maar een paar uur. Wat ze gewonnen heeft, weet ze niet precies. Het woord kent ze niet, maar het rolt wel lekker over haar tong. Ach, de prijs maakt haar ook niet zoveel uit, zolang het maar chic blijft. Reeds bij voorbaat voelt ze verwachtingsvolle tintelingen langs haar ruggengraat kriebelen. Wat het dan ook mag zijn, ze gaat ongetwijfeld veel plezier beleven van de gigolo.

Uit de droom

Regen

Ik droom
Man, Kind en ik zijn op fietsvakantie in een onbekend land. We rijden op racefietsen en zeulen tent, kookspullen, slaapzakken, en kleding met ons mee. We komen bij een splitsing. Man en Kind gaan linksaf een bontgekleurde stad in, en ik moet naar rechts, want op mijn bordje staat: “Eigen weg.”

Ik vind er niks aan. De weg is smal en bochtig, en verkeert in erbarmelijke staat door allerlei kuilen, gaten, en stenen. Ik rijd door een eenzaam landschap naar een ongewisse bestemming.  Dan kom ik in een dorp waar markt is. Dat komt goed uit, want ik lust wel een heel paard. Ik zet mijn fiets tegen een boom die pal voor de kraam staat waar ik wil zijn. Ik koop eten, draai me om naar mijn  fiets en… weg! Ik kijk nog eens, en nóg eens…ik wil niet geloven wat ik zie. Mijn arme Colnago Dream B-stay is weg! Gestolen door een inboorling! Radeloosheid, woede en verdriet strijden om de eerste plaats.

Uit de droom
Als zelfverklaard droomuitlegdeskundige, weet ik dat mijn fiets niet alleen persoonlijk belangrijk voor me is, maar ook symbool staat voor het op eigen kracht vooruitkomen in het leven. Eten kopen is geestelijk voedsel verwerven, en mijn eigen weg gaan, spreekt voor zich. Evenals de slechte staat van het wegdek: mijn weg is er eentje vol hindernissen.

Bovendien kom ik tot de treurige conclusie dat het eigenlijk niet uitmaakt of ik wel of niet een fiets heb. Door mijn allesoverheersende vermoeidheid kan ik er toch niet op rijden. Ik snuit mijn neus in mijn kussensloop.

Beneden raap ik een tijdschrift van de mat, en blader er lustig doorheen. Totdat mijn oog op de extra bijlage van de Fiets- en Wandelbeurs valt. Dit is teveel voor me, en ik sla mijn handen voor mijn gezicht. Het regent van binnen.