Gevaar voor de volksgezondheid

‘Wat leuk om u hier tegen te komen en niet in het voorportaal,’ zeg ik. De man in de scootmobiel draait zich verbaasd om, en schiet in de lach als hij me herkent. Hij ziet er een stuk beter uit dan in januari. Toen had hij net een beroerte gehad, en was zijn vrouw bij hem weggelopen, omdat ze geen zin had hem te verzorgen. Zo’n mens is toch een gevaar voor de volksgezondheid?

‘Hoe gaat het met u?’ vraag ik.
‘Beter,’ zegt-ie. ‘Ik voel me niet meer zo alleen. Elke avond komt mijn buurmeisje bij me langs. Zomaar opeens stond ze voor de deur; of ze koffie mocht komen drinken. Dat is goed, zei ik, maar dan moet je ‘t wel zelf zetten.’ Hij knipoogt naar me. ’Sindsdien komt ze iedere avond. Elles heet ze… ze draait soms een wasje en hangt ‘m voor me op. ’t Is nog een jong ding, hoor…negentien…ze studeert voor zuster.’ Hij zegt het met een trots alsof hij het over een aangenomen kind heeft. ‘Af en toe komt haar moeder kijken… die ken ik goed. Ze weet dat ik een meisje nooit zou…nooit zou…beschadigen. Elles is zo lief voor me.’ Hij knijpt zijn ogen dicht en veegt er gehaast een zakdoek langs.  

‘Ik mag haar er niks voor geven,’ vervolgt-ie, ‘maar ik maak geld over naar d’r moeder, en die zet het op haar spaarrekening.’ Hij trekt zijn wenkbrauwen op: hoe vind ik die?
‘Ik moest nog aan u denken…pas…wat u tegen me zei.’
‘O,’zeg ik, ‘wat dan?’
‘Nou… dat je altijd hoop moet blijven houden.’ Ik ben kort onder de indruk van mezelf; wat flap ik er soms verstandige dingen uit. 

‘Oh, daar is mijn buurjongen…. Hoi Adrie!’
Buurjongen, denk ik, hij is zo breed als onze voordeur. Hij heeft Popey-armen en draagt een T-shirt met korte mouwen. Ik trek de rits van mijn jas liever nog een stukje hoger.
‘Adrie komt me helpen, omdat ik vanaf de dijk met m’n “brommer” m’n  huis niet in kom. En daarna drinken we een biertje,’ verklaart hij de komst van zijn buurjongen nader.
‘Zullen we?’ zegt Popey. We zeggen gedag. Ik kijk ze na, en denk aan de twee jonge mensen die het leven van deze oude man de moeite waard maken. Zijn glas is nu weer halfvol.  De bovenste helft!  

 

Karnemelk en slagroom

blije koe1

’t Is winter en je staat op stal waar het net zo druk is als in een potje met pieren. Samen met je  soortgenoten stink je een uur in de wind. Wás er maar wind. De enige winden die in de stal waaien zijn losse flodders, terwijl je juist zo houdt van frisse lucht. Voor een pluk vers Hollands gras doe je een moord.

Je hebt zó genoeg van de rammelende voederketting en kwijlende buren. Aldoor moet je hoesten van dat droge ingekuilde keleregras, en van het mestoverschot onder je poten krijg je tranende ogen. Rita slaat voortdurend haar staart tegen je kop; Liesje heeft een koemelkallergie en niest continu middenin je bek, en je eksterogen steken van het lange staan, dus ga je erbij liggen. Uitgerekend op dat moment doet Martha een plas en spettert je helemaal onder. ‘Stom rund! Kan je niet uitkijken?’ ‘Alsof jouw waterval schoner is dan die van de rest!’ De irritaties lopen hoog op, of zie je alles te zwart wit? Eén ding weet je zeker: je hunkert naar een stier…

Hoe heet dat ding ook alweer dat bovenin in de lucht hangt en dat zo lekker op je kop brandt, terwijl je verkoelende slokjes slootwater drinkt? In gedachten schurk je je welgevormde billen tegen het hek. Je loeit gewoon wat voor de lol. Uiteraard heb je sjans met de stier aan de overkant (‘je kan me toch niet pak-ken’) Oh…buiten zijn is gewoon het áller áller fijnst wat er is.

Zachtjes vallen de eerste voorjaarsstralen door ‘t stalraam naar binnen. Aandachtig volg je de weersverwachtingen op de radio. ’t Kan nu écht niet lang meer duren… Net als het je toch nog teveel dreigt te worden, gooit de boer de staldeuren open. Eensklaps wordt alles groen en blauw voor je ogen. Het enige wat je nu wilt is je poten in de lucht gooien, huppelen, dansen, ravotten, en schudden met je uiers. Je krijgt opnieuw tranen in je ogen, maar nu is het van de frisse wind.

De koeien weer naar buiten heeft één nadeel voor de boer: twee dagen lang geven de dames door hun gehuppel alleen maar karnemelk of slagroom. Twee dagen? Ja, want dan zijn de dames zo vermoeid geraakt van dat gehol, dat ze daarna weer “normaal” doen: gras eten en herkauwen in de frisse buitenlucht.

blije koeien

Vieren

Schrijfopdracht WE-300 van Plato voor de maand april, met als thema: vieren.

Taxerend bekijkt ze zichzelf in de spiegel. Haar ogen blijven hangen op de puistjes op haar voorhoofd. Haar pony valt er gedeeltelijk overheen, maar ze heeft ook nog averechts krullend haar dat nooit zit zoals zij het wil. Haar vriend zegt dat hij overal omheen kijkt, omdat ze zo lief lacht. 

Van haar ouders heeft ze nooit complimentjes gehad, terwijl juist zij daar zo’n behoefte aan had.   Nog niet eens zozeer de complimenten, maar vooral de aanmoedigingen had ze goed kunnen gebruiken. Maar haar ouders wilden haar niet voortrekken ten opzichte van haar broer en zus, en van complimenten ging ze maar naast haar schoenzolen lopen, en als ’t tegenzit zou ze ook nog drukte krijgen. Nou, over dat laatste hoefden ze niet in te zitten. Met haar hazenlip is ze getekend voor het leven. Natuurlijk hebben chirurgen alles keurig “aan mekaar genaaid” zoals haar vader dat zo plastisch weet te formuleren, maar het litteken zal haar de rest van haar leven vergezellen.

Gisteravond was ze voor de eerste kennismaking naar haar schoonouders geweest. Ze was erg nerveus geweest, maar dat was nergens voor nodig. De ontvangst was allerhartelijkst, zijn familie toonde oprechte belangstelling voor haar, en ze voelde zich snel op haar gemak. Het gevoel van warmte tussen zijn ouders en haar was wederzijds.

Het grootste compliment kreeg ze een half uurtje geleden van haar vriend te horen. Zijn moeder had tijdens het ontbijt tegen hem gezegd: “Weet waar je aan begint, kind, een mooie vrouw heb je nooit alleen.” Nu ze er weer aan denkt, ziet ze wat haar vriend bedoelt: haar spiegelbeeld straalt haar tegemoet. Met een grijns van oorbel tot oorbel, besluit ze dat voortaan elke dag de moeite waard is om geleefd te worden, en het de hoogste tijd is voor een feestje.

 

De schildersmossel

Uit de oude doos: 

In mijn spiegeltje zie ik hem steeds dichterbij komen. Hoofd voorover en de handen onderin de beugels. Hij doet verwoede pogingen het gat tussen hem en mij dicht te rijden. Als ie vlakbij is, kan ik hem amechtig horen hijgen. Ik wacht op het moment dat de fietser me triomfantelijk voorbij zal rijden, maar dat gebeurt niet. Tevreden gaat hij in mijn achterwiel hangen. Bah, een vreemde seigneur aan mijn billen. Ik pas altijd op dat ik als nette vrouw mijn keurige reputatie niet te grabbel gooi, dus houd ik mijn benen stil. Hup, er voorbij jij!

Chagrijnig rijdt hij langs; zijn benen wagenwijd uit elkaar. Er hangt iets groots geschapens tussen. Ja, zijn buik, hè? We houden het hier wel netjes. Hij gromt. “Gvd, je bent een wijf!” (Een persoon van het vrouwelijk geslacht, heet zo iemand. Heeft die man geen opvoeding gehad?) Ik vat het maar op als een compliment.

Twee meter vóór me duikt hij ineens in elkaar en hangt hij vol in zijn remmen. Welja! Gaat ie met zijn fiets dwars op de weg staant! Tierend kijkt ie naar mij. Hij is boos.
‘Stom wijf!’ zegt ie, ‘dat doe je toch niet! Ik zou je een klap op je bek moeten geven!’ Totale verbijstering bij mij; waar hééft die man het over? Hij briest van nijd; zijn hoofd ziet zo rood als een tomaat; en woedend boren zijn ogen zich in de mijne.
‘Je gooit wat naar mijn harses! Ja, kijk maar niet zo schijnheilig! Wie doet nou zoiets?’
‘Nou ík niet!’ zeg ik.
‘Nee, ze komen uit de lucht vallen, nou goed?’
‘Waar zou ik dan mee moeten gooien?’ Hij wijst naar iets wat op de weg ligt. Ik kijk. Daar ligt een kapotte mossel. Een schildersmossel.
‘Die heb ík niet gegooid,’ zeg ik, ‘ze komen écht uit de lucht vallen!’ De man kijkt me aan met een blik van: mij maak je niks wijs. Hij is toch zeker niet van Lotje getikt? 

‘Nee, ik neem u niet in de maling. Meeuwen eten die schildersmossels graag, maar ze krijgen zelf de schelp niet open. Daarom laten ze die vanuit de lucht naar beneden op iets hards vallen. Kijkkijk! dáár!’ wijs ik. We kijken omhoog naar een kraai met een mossel in zijn bek; even hangt de vogel stil en opent zijn bek. PATS! knalt de schelp op het fietspad. Een levensechte PowerPointpresentatie door een kraai. De vogel zit al op de schelp en vreet de inhoud op. Ongelovig kijkt Lotje van de lucht, naar de kraai op de grond, en naar de kapotte mossel voor zijn voeten. Hij weet zich met zijn houding geen raad. Hij hakkelt, stamelt, stuntelt en krabt op zijn hoofd.

Schoorvoetend bekent hij schuld.
‘Mevrouw, echt, het spijt me heel erg. Ik dacht echt dat  u het was die iets naar mijn hoofd gooide (zoveel spijt hoeft ie nou ook weer niet te hebben; ik heb er anders wel het lef voor, hè?)
‘Ach, het geeft niks,’ zeg ik. Zelf ben ik ook zo impulsief als de pest, dus ja… Lotje reikt mij de hand. Die schud ik.
‘Goh, ik moest maar weer eens gaan,’ zeg ik.
‘Mevrouw, nogmaals sorry. U ziet er bij nader inzien (!) best aardig uit. Kan ik u verderop misschien op een kop koffie trakteren?’ Dat wijs ik van de hand. Zó’n aardige vrouw ben ik nou ook weer niet! 

Rotjeugd

Ik heb een rotjeugd gehad. Dat kwam omdat ik leed onder het schrijnend gebrek van een rijwiel. Mijn neefje had een skelter, mijn broertje een driewieler en ik had niks. Nou ja, een plaspop die ik wilde afstaan voor adoptie, maar waar geen poppenmoeder voor te vinden was.

Omdat ik toch wilde fietsen, sleurde ik mijn broertje van zijn driewielertje. Ver buiten mijn moeders gehoorafstand, want hij kon brullen! Helaas kwam ik met mijn knieen tegen het stuur, dus ik janken, en mijn broertje blij. Zijn kinderhand was toen nog snel gevuld.

Vindingrijk als mijn ouders waren, mocht ik elke woensdagmiddag een fietsje huren bij de “rijwielhersteller.” De man plukte een fiets uit het rek en het rijwiel was voor een heel uur van mij. Regen gooide roet in het eten. Hoe stug ik volhield dat ik mijn rode lakjasje, zuidwester en kaplaarsjes zou aantrekken, mijn moeder was niet te vermurwen: ik mocht niet fietsen wanneer het regende.
“Dan ging je lief zitten tekenen,’ vertelt mijn moeder trots op feestjes en partijen, want ja, als kind was ik “zó’n lief meisje.”

Tijd voor het grovere fietswerk werd het na een bezoek aan mijn tandarts. Mijn tandarts ja. Hij zei: ‘Je knarst in je slaap (ha! toen sliep ik nog…) Zijn advies luidde: ‘Neem een vriendje of ga sporten.’ Een vriendje, dacht ik, wat moet ik dáár nou weer mee? De hoogste tijd voor een racefiets.

Zomaar kreeg ik een vriendje. Hij vond fietsen een mannensport, en besliste dat ik voortaan met hem mee zou gaan naar tennis. De fiets bleef, het vriendje heb ik van de hand gedaan. Van schrik ben ik wel vier jaar vrijgezel gebleven.

Jaren later (vier dus) regende het dagenlang pijpenstelen. Helemaal chagrijnig werd ik ervan.
‘Ga alsjeblieft fietsen!’ zei mijn Vriend. Dat heb ik gedaan, en ik ben nooit meer bij Joris weggegaan. 

blij dat ik rij...

Rare jongens…

Naar Rome...Huiswerk slurpte Roos´natuurlijke vrolijkheid op: leesverslagen,  praktische opdrachten economie, een betoog, proefvertalingen, PTA-toetsen…Struikelend werden deadlines gehaald. Ze ging er bijna onder gebukt. Bijna hoor, want maandag gebeurt datgene waar ze vijf jaar naar heeft uitgekeken.

In de brugklas werd gevraagd of ze Latijn wilde leren. “Ja graag!” was Kinds  antwoord. Lief en ik keken elkaar aan: graag? Zei ze nou gráág? Thuis hoorden we waarom: als je Latijn leert, mag je in de vijfde acht dagen naar Rome. Met het vliegtuig.

Wie geen Latijn volgt, gaat vijf dagen naar Berlijn.
‘Maar vijf dagen!’ juicht Roos. ‘Met de bus!’ Ze rolt over de grond van het lachen. Werd ze eerst uitgelachen vanwege haar belangstelling voor een “dooie taal,” nu kijken diezelfden met argusogen naar de Rome-gangers. Berlijn…tsssk!

‘Ze moeten zo’n dik boekwerk lezen.’ Roos geeft met duim en wijsvinger de dikte van een grindtegel aan. ‘En ze moeten saaie opdrachten maken. Eindelijk gerechtigheid!’ verzucht ze. Het wordt tijd dat zij met eigen ogen gaat zien wat die rare Romeinen gebouwd en geschreven hebben.

Eén minpuntje: Rome wordt een kaal nonnenbestaan. Ze verblijven in een klooster waar de nonnen elke middag warm voor ze koken.
‘Als het maar niet gruwelijk gezond is,’ tobt Roos. ‘Broccoli door de pasta of zo. Iets vets…iets ongezonds, dat moet toch ook kunnen?’
Stipt om 23.00 uur gaat de poort dicht, moeten de lichten uit zijn, en mag er alleen nog gefluisterd worden. Het woord drank mag niet eens vallen. Precies wat schreeuwerige pubers nodig hebben!

‘Oh, en het afscheid op Zestienhoven niet te klef alsjeblieft,’ merkt Kind fijntjes op. Welnee, ze komt immers weer terug!
CHIAO!

Pippi met vleugels

Pippi

‘Kijk eens,’ zegt Vriendin, ‘deze is voor jou,’ en ze geeft Kind een lange vinger. Het kleine mevrouwtje Kakelbont pakt ‘m stevig vast, verkruimelt de onderste helft, en gooit het restant achteloos over haar schouder. Manieren, manieren, ho maar! Als moeder mag je niet lachen, want wanneer je zo’n stukje geteisem van drie niet aanpakt, lukt het je de rest van je leven niet meer.

Vriendin denkt daar anders over, en vraagt gierend van de lach: ‘denk je dat ze dat nog een keer doet?’
Net zo charmant als drie tellen daarvoor pakt Kind het lekkers aan, en werpt het lukraak over haar schouder. ‘Ik wil die,’ wijst ze naar een tompoes. Geef toe: ze heeft smaak.

Ik prik een stukje tompoes op mijn vork en houd het Kind voor. ‘Zellef doen,’ zegt ze. Nee, van de vork. ‘Zellef Doen!’ gilt ze. Nou, dan niks. Nijdig geeft ze met haar platte hand een mep bovenop de gebakjes. Meteen zet ze het op een lopen, en gaat uit zichzelf op de gang staan. Zonder klokkijken, toch weten hoe laat het is.

De rest van de middag valt niets in goede aarde. Ze loeit als een sirene, en krijst ze zo hard dat ik ‘t liefst een slagroomsoesje in d’r mond zou willen stoppen.
Er is hoop: ze pakt mijn tas, kiept ‘m in een hoek van de kamer om, en gaat de inhoud zitten bekijken. Hèhè, eindelijk rust…
Ze is zo stil dat we haar een beetje vergeten. Totdat Vriendin terloops een blik in Kinds richting werpt. Ze begint te láchen, te gillen gewoon.

Ik kijk waar zij naar kijkt: Kind heeft een maandverbandje als een joekel van een pleister op haar wang, en een gedeelte over haar oog geplakt.
‘Hahaha!’ gilt vriendin, ‘Always comfort met vleugels! Dat kind is toch net Pippi!’
Je begrijpt dat we de volgende keer weer even welkom waren…

 

Goed nieuws

Je zou bijna vergeten dat er in deze tijd van malaise nog vrolijke berichten in de krant te lezen zijn. Wat dacht je van onderstaand nieuws uit het AD van zaterdag 6 april jl.? Het gaan mijn gevoelstemperatuur te boven 😉

P1080368

Feestje

uitnodiging

Afgelopen zaterdag had Roos haar kinderfeestje. 

Met een paar vriendinnen gaat ze pizza eten bij “Bella Milano.” Daar maakt elk weekend een man met een Bourgondische omvang, achter een piano de zaak  onveilig. Als de feestgangers geroutineerd hun tanden in het toetje zetten, speelt de maestro luid en duidelijk: “Lang zal ze leven…”

Ik zou daar een bewustzijnsvernauwing van krijgen en meteen onder tafel kruipen, maar Roos vindt het machtig interessant. Ongetwijfeld met de grijns van een aap moet ze zich inhouden niet óp de tafel te gaan staan. Kennelijk heeft ze net genoeg opvoeding meegekregen om zich te beheersen. Wel scheelt het weinig of ze vraagt de pianist “Lang zal ze leven” in het Italiaans te zingen, dit in verband met een naderend reisje naar Rome.

Thuis gaat Kinds feestje nog zachtjes verder. De dames gaan film gaan kijken, en Lief en ik verschansen ons op de bovenverdieping. We hebben onze pyjama’s aangetrokken, en tandenborstels, leesvoer en laptop mee naar boven gesjouwd. Het voelt een beetje aan als kamperen.

Roos komt tussendoor even polshoogte nemen.
‘Is alles al op?’ informeert Man.
‘Oh, nog lang niet!’ bruist ze opgewekt. Ze wil weten of de ramen er nog in zitten, want ze zijn beneden karaoke aan het zingen. Alsof haar vader en ik dat nog niet gehoord hebben! Wij willen haar verrassing niet bederven en houden ons van de domme.  Je begrijpt: dat kost ons geen moeite. Gerustgesteld voegt Kind zich weer bij haar krassende kornuiten.

Om kwart over twaalf duwt Roos haar vriendinnen naar buiten.
Ongelofelijk dat die meiden na de Italiaanse maaltijd nog zakken chips, popcorn en nootjes hebben weggewerkt.
Man en ik leggen ons tevreden te ruste. In de geruststelling dat we voor een jaar van het volgende feestje verwijderd zijn 😉