Beterschap

appelmand

De afgelopen week heb ik geduld gespaard, want ik wil volwassen omgaan met een terugkerende taak die steeds reden voor ergernis en opwinding geeft.

Onderweg ernaartoe zal ik luisteren hoe mooi de vogels zingen.
Als ik daar ben, zal ik niet zuchten, niet mijn ogen naar het plafond slaan, maar  rustig mijn tijd afwachten. Daarbij zal ik louter vriendelijke gedachten koesteren over het personeel, en niet zuchtend tegen een lotgenoot klagen dat we ons lunchpakket mee hadden moeten nemen.

Met deze goede voornemens pak ik mijn fiets uit de garage. Prompt begint het nat te sneeuwen. Het waait zo hard dat de vogels zeeziek in de bomen deinen, en er is er niet eentje die naar me fluit.
Met verwachtingsvolle tintelingen kom ik dichter in de buurt waar ik wezen wil.
Ik stap over een hoge drempel en kijk verwonderd rond. Zoals gewoonlijk zit de wachtkamer vol hoestende en pruttelende mensen, maar er staan slechts twee wachtenden bij de balie. Hoezee!

Een assistente die doorgaans rondloopt met een gezicht alsof ze iedere dag een citroen eet, is vandaag het toonbeeld van enthousiasme.
‘Zegt u het maar,’ knikt ze.
‘De medicijnen voor Kakelbont alstublieft.´
Ze klimt op een trapje, pakt een zakje van een plank, en overhandigt het me. Tot mijn ontsteltenis wenst ze me vriendelijk een prettig weekend.

Ik ben totaal van de kaart.
Ik had ingecalculeerd minstens twintig minuten te moeten wachten, en geholpen te worden door een assistente met een killerblik. Stamelend geef ik haar mijn beste wensen en prijs haar inzet.

Onderweg naar buiten loer ik ter controle even in het zakje. Daardoor mis ik de hoge drempel, en maak een schuiver over de zwarte mat. Onderuit glijdend denk ik: eigen schuld, dikke bult.  Je bent een mens met het karakter van een rotte appel.

Dokter Hork

Tussen hem en mij is de diepe genegenheid van de vorige keer voelbaar. NOT. Toen prikkelde hij iedere zenuw, en bezorgde hij me hartkloppingen. Vandaag zit Man geruststellend naast me en voel ik me weerbaar. Als het net zo’n ijskoude toestand als vier weken geleden wordt,  mag de dokter zijn slappe handje houden.

De Hork  – een bolle man met rommelig wit haar –vraagt: ‘Wat is de uitslag van uw bloedonderzoek?’
‘Die hoopte ik van u te horen,’ zeg ik verbaasd.
‘Ik heb ‘m niet,’ zegt hij. Hij loert op zijn beeldscherm; het antwoord blijft nee. Krijgen we dat weer…

Ander onderwerp.
‘Hoe gaat het met u?’ vraagt hij.
‘Heel goed,’ zeg ik, ‘Mijn depressie is weg.’
‘Echt waar? Dat is een wonder!’ Triomfantelijk neem ik het als een compliment in ontvangst. Hork zegt dat spontane genezingen zeldzaam zijn, en vraagt voor de zekerheid aan Man of hij het met mijn constatering eens is. Lief knikt. What else?

De zielenknijper laat zijn ogen naar buiten zweven. Twee bouwvakkers staren een blondine op hoge hakken na. Hork lacht flauwtjes; dus hij kán het wel. Waar was hij ook alweer gebleven? Oh ja, er zit een patient.

Stel dat de depressie terugkomt, wil ik dan shocktherapie? Ik fris de interne geheugenkaart van de arts op; hij heeft nogal moeite had met het woordje “nee.” Hij zoekt aansluiting bij Lief, maar die zegt resoluut: ‘Als mijn vrouw niet wil, houdt het op.
’Natuurlijk,’ haast Hork zich te zeggen, ‘we doen niets tegen de wil van de patient.’ Zijn plotselinge meegaandheid kan me niet mild stemmen.
‘De volgende stap is cvs/me uitsluiten,’ zegt hij,’ en dat kan alleen een internist doen.’ Man en ik weten daar de ideale persoon voor: Dokter House.
‘Die heeft u hoog zitten, hè?’ kan Hork niet nalaten te zeggen.
‘Dat is zo’n sympathieke arts,’ zeg ik. Een karaktertrek die ver buiten het bereik van Hork ligt.

Als we op het punt staan op te stappen, doet hij me een diepmenselijk aanbod: bij een terugslag, mag ik hem bellen. Echt een enorme geruststelling.
Over één ding zijn we het echter eens: we hopen dat de depressie nooit meer terugkomt. In mijn fantasie gebeurt dat in ieder geval niet.

Buiten waait een felle Noordooster. Ergens in de verte hangt de vage geur van het voorjaar. Ik voel me bevrijd.

 

Heppie bursdeej

Roosje Kakelbont

Hoe lang is het geleden dat Roos in haar Nijntje-fietsstoeltje bij me achterop zat?  Het voelt aan als de dag van gisteren. Ik lette even een paar weken niet op, knipperde met mijn ogen en – hopla- ineens is ze zeventien.

Bij haar geboorte was ze dik een halve meter lang, en moet je nu eens zien hoe lang dat lijf is. En er zit nog model in ook. Kind is beslist mijn beste creatie ooit.
‘Hoe kan het zo groeien, hè?’ zeg ik tegen man. Hij knikt instemmend. Tevreden zeg ik: ‘Wat is de natuur toch mooi!’