Laatste souvenir

‘Wat zijn ze mooi, hè?’ zei Fien. 
En deze ruikt héérlijk…’ snuift Sientje. Hun moeder heeft zulke fijne meisjesachtige dingen.
‘Het zijn er best veel,’ constateert Fien. Ze slist een beetje door haar losse tand. ‘Zonde dat ze in moeders kastje liggen.’
‘Zullen we ze uitdelen!’
‘Zal moeder dat goed vinden?’
‘Ja joh, ze geeft altijd alles weg, en ze zegt er van die moeilijke zinnen bij.’ Sientje knikt. In de wc hangt een lijstje met: “Brood dat je deelt, smaakt beter.” Beetje rare plek voor brood…
‘Ik denk dat de overbuurvrouw er best eentje wil hebben,’ zegt Fien. Haar ogen twinkelen bij de gedachte. 

Ze glippen het huis uit. Opgewekt klepperen de brievenbussen open en dicht. 

‘Waar komen jullie vandaan?’ vraagt moeder verbaasd.
‘Wij hebben postbode gespeeld,’ zegt Fien trots.
‘Jullie hebben wat…?’
‘Cadeautjes uitgedeeld. Kijk…deez!’ Sientje laat met kinderlijk enthousiasme het laatste exemplaar zien.
Moeder zegt weinig. Om precies te zijn helemaal niets. Ze slaat een hand voor haar mond en kijkt verdrietig naar de laatst tastbare herinnering die ze met levenslange toewijding bewaard heeft.

‘Bij wie?’ vraagt ze zacht.
‘De buren… Maar deze ene hebben we speciaal voor u bewaard,’ zegt Sientje, terwijl ze moeders hand vastpakt. Moeder kijkt sip. In gedachten ziet ze zich de vernederende gang naar de blije ontvangers maken, met de vriendelijke vraag of ze alsjeblieft haar liefdesbrieven terug kan krijgen. 

Liefdesbrieven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Is ’t gratis??

Gebakken peren

 

Drie studenten in identieke jassen, met klembordjes en een AD-tje in de hand, staan voor de ingang van Appie. Eén stapt op me af, de krant uitnodigend in z’n hand. Ik zeg afwerend : ‘We hebben al een weekendabonnement.’
‘Mevrouw,’ zegt de student, ‘dan heb ik uitgerekend voor u goed nieuws!’ O nee, denk ik, geen verkooppraatje. Streng spreek ik mezelf toe: zie het als een uitdaging. 

‘De krant heeft een fout gemaakt waardoor weekendabonnees benadeeld worden, en vandaar dat ik u namens het AD het volgende mag aanbieden: vier kookboeken van Herman den Blijker, een jaar lang elke week de krant tegen het weekendtarief, en als klapstuk nog een barbecue die binnen drie weken gratis wordt thuisbezorgd.’ De student brengt het goed; hij geeft nog net geen licht.

Ik ben een Nederlander, dus iets gratis: graag, maar zoveel voor niets? Ik ruik lont, of het moet de barbecue in die doos daar zijn. De student ziet er uit als een Jezusfiguur en dat wekt enig vertrouwen, maar het kán gewoon niet, het bestaat niet, ik word gigantisch in de maling genomen, en straks springt ineens R.alph I.nbar uit het struikgewas tevoorschijn. O nee, die is dood, wat een geluk.

‘Mevrouw,’ vertelt Jezus verder, ‘ het is ècht waar!’ Ik kijk naar zijn medestudenten. Hun gezicht zegt niet: daar heb je weer zo’n gelukkige huisvrouw. Vast zwaar getraind. Ondertussen maak ik geen intelligente indruk. Niet dat mijn onderkaak op de grond is gevallen; wel kijk ik Jezus aan alsof ik versteend ben.

‘Ik…eh…waar eh…staan de kleine lettertjes?’ vraag ik achterdochtig. ‘Hier, mevrouw,’ wijst hij, en ik lees niets wat ik nog niet weet. Ik denk aan de Tour de France en elke dag de krant…Ik ben om, zet mijn handtekening, en nog steeds niet helemaal gerust, sjouw ik de doos met kookboeken mee naar huis. 

Nu sta ik stijf van de stress. Herman zit naast me op de bank, maar is helemaal mijn type niet, en mijn eigen Man gelooft niet, wat ik ook niet durfde te geloven. Eén afspraak zijn ze al niet nagekomen: de krant zou over een week bezorgd worden, en er zijn ruim twee weken voorbij. Ik zit mooi met de gebakken peren, gegaard op onze eigen doorgeroest barbecue.

Zakenmeneer

Robert Redford

Kijk ‘m daar staat in z’n driedelig kostuum en met zijn gepoetste schoenen in de drek. Hij moest mij zo nodig voorbij razen in zijn blinkende auto, en het is dat ik me niet in de berm liet drukken, anders had hij dat met plezier gedaan. Eerst kleefde hij op de provinciale weg aan mijn bumper. Dat was totdat ik op de rem trapte. Toen hij me later op de polderweg inhaalde, liet hij me een gemanicuurde vinger zien.

Ik moest lachen want ik weet iets wat hij niet weet: deze weg is eigendom van het Zuid-Hollands Landschap, wordt gaandeweg smaller en loopt uiteindelijke dood. Nu blokkeer ik met mijn auto de zijne.
Zo te zien is de zakenmeneer hard aan een kop koffie toe.

‘Ik…eh…ben te vroeg rechtsaf geslagen, denk ik,’ zegt hij. Nou, ik weet ’t wel zeker. Verontwaardig voegt hij eraan toe: ‘Deze weg loopt dood, en ik heb nergens een bord gezien.’ Tja, dat is omdat hier alleen boeren en buitenlui komen. ‘Mag ik er even langs?’ Zijn vraag klinkt als een bevel. Onnozel doe ik een paar passen opzij. ‘Met de áuto bedoel ik.’

Hij wordt afgeleid door een naderende tractor, en ziet het scenario al voor zich: straks staat hij hier bij zonsondergang nog. Hij vindt alles dodelijk oppervlakkig: waar je ook kijkt, zie je alleen maar weilanden, koeien en vogels. Gelukkig voor hem draait de trekker een weiland in.

Ik loop naar een hek, klap het open, en rijdt mijn auto een stukje de wei in. Hij gebaart dat ik verder moet rijden zodat hij kan keren.
‘Dat kan niet,’ zeg ik, ‘Weidevogelbeheer heeft alle nesten gemarkeerd. Kijk, daar ligt een gruttonest.’
‘O,’ zegt-ie en loopt een stukje dichterbij. ‘Waarom doen ze dat?’
‘Anders ziet de boer bij het maaien de nesten niet, of de koeien gaan er met hun poten bovenop staan.’ Hij vindt het maar een rare gang van zaken: zoveel werk voor een handvol vogels.

Zonder veel te zeggen, hangen we over de reling van het hek. Het valt me nu pas op dat hij wat wegheeft van Robert Redford. ‘Wat is het hier rustig, hè?’ zegt-ie en hij haalt diep adem. Een tijd zeggen we niets. 

Dan gaat hij weer. Uit zijn passen lijkt de haast verdwenen.
‘Fijne dag verder,’ groet ik beleefd. Als ie wegrijdt, steekt ie weer een vinger naar me omhoog. Deze keer is het zijn duim. 

Grutto 

Rollen zonder regen

Skeeleren

De ramen waar de regen tegenaan klettert, lijken wel van matglas.
De bank is overwoekerd met schoolboeken en zuchtend baant Roos zich een weg door haar huiswerk heen. De vrolijkheid is ver te zoeken in Huize Kakelbont.

‘Kom,’ zeg ik in een opwelling, ‘we gaan skeeleren.’
‘Skeeleren?’ zegt Kind, ‘het regent.’ Haar gezicht vertelt wat ze niet hardop zegt: voel je je wel helemaal lekker?
‘Waar wij gaan skeeleren is het droog,’ beloof ik. Roos is direct om; dit kan nog eens leuk worden. Ze speurt haar gedachten af, maar kan geen plek bedenken.
‘Waar gaan we skeeleren?’ vraagt ze.
Ik zeg: ‘In de garage. We schuiven de fietsen aan de kant, en rollen gewoon wat heen en weer.’ Kind verandert meteen in een zieltje zonder zorgen. 

Het is even wiebelen in het begin, maar na een paar “baantjes” krijgen we de slag te pakken, en beginnen we zelfs kapsones te krijgen.
‘Kijk eens wat ik kan!’ daag ik Kind uit, en met een opgetrokken been als een ooievaar rijd ik naar haar toe. ‘Dat ga ik met twee benen doen,’ zegt Roos.
‘O… je doet het met haar benen om de béurt, ik dacht met allebei tegelijk,’ zeg ik gniffelend.  

‘Ik kan nog wat,’ roep ik zelfverzekerd, en draai een prachtig rondje, waarbij ik helaas onverwacht met m’n keycord om het handvat van een fiets blijf hangen. Met fiets en al val ik omver. Roos kijkt me met een leed overmande blik aan, maar wanneer blijkt dat ik niets gebroken heb, begint ze onbekommerd had te lachen. ‘Het zag er niet uit, mam!’ schatert ze. Ik worstel me omhoog. De mentale schade is enorm, maar lachen helpt, vooral om jezelf.

De rest van de middag verloopt op rolletjes. Een rekensom leert ons dat we ongeveer 800 meter geskeelerd hebben. Dat is veel. Véél meer dan wanneer we op de bank waren blijven zitten 😉

 

Mooi weer

regen...

 

‘Mooi weer, hè?’ zegt ze. Ik kijk naar de wind die bellen blaast in de plassen op het asfalt en voel hoe regenspetters onder de paraplu door in mijn gezicht waaien. Nou valt over smaak natuurlijk niet te twisten, en zei Bob Dylan niet: slecht weer bestaat niet, alleen slechte kleding?

’Het is altijd ergens mooi weer voor,’ vervolgt de vrouw. Ondertussen trekt ze haar t-shirt glad. “Glam princess” staat er in flonkerende letters opgeschreven. Het staat in scherp contrast met haar leeftijd. Ik schat haar ergens in de zeventig, alhoewel ze tegelijkertijd iets tijdloos over zich heeft en ze een enorme levenslust uitstraalt.

‘Vandaag is het mooi weer om kinderen voor te lezen,’ zegt ze, ‘of om sherry te drinken.’ Ze giechelt en duwt haar elleboog tegen me aan. Wat een gezellig mens, daar kan geen zure recessie tegenop, en ik mag zomaar naast haar op de pont staan. ‘Mooi shirt, hè?’ complimenteert ze zichzelf. ‘In Parijs gekocht. De meeste mensen vinden dit voor iemand van mijn leeftijd ongepast, maar ik word er blij van.

‘We zijn er drie dagen geweest,’ vervolgt ze, ‘en het heeft maar 1 x geregend. Een  bui 72 uur lang. Ben jij wel eens in Parijs geweest?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Ik mag je wel tutoyeren toch, je bent nog een jonkie.’ Ik vind dit mens met de minuut leuker worden. ‘Ik ken in Parijs nu de ondergrondse op mijn duimpje,’ vervolgt ze, ‘en heb veel kroegen van binnen gezien. Koffiezetten kunnen ze niet,’ zegt ze stellig, ‘maar theewater smaakt gelukkig overal hetzelfde. Nu ga ik naar mijn werk.’

‘Naar uw werk?’ Ik stamel de vraag bijna.
‘Ik geef yoga-les aan de overkant.’
Ik complimenteer haar met haar souplesse; zowel van lichaam als van geest. ‘Heeft u nog plek?’ vraag ik in een opwelling.
Spijtig schudt ze haar hoofd. ‘Ik heb zelfs een wachtlijst,’ zegt ze, ‘er zijn vandaag de dag zoveel mensen aan ontspanning toe.’
Ik kan alleen maar heel bevestigend knikken. Teleurgesteld kijk ik omhoog en zie een scheur in het wolkendek. Eén reepje blauw is mooier dan vijftig tinten grijs.

 

Keverliefde

Kever 20-94-DK

Mijn vaders eerste auto was een Kever, en die stond groen te stralen voor ons portiek in Rotterdam.
Een hele fijne auto: stond je op de treeplank wanneer de motor draaide, dan schudde je verrukkelijk heen en weer. 

Al was de Kever weinig groter dan een koffiemolen, gingen we een dag naar zee, dan pasten toch al onze spullen erin. En als de buitenlucht Broeah en mij teveel  was geworden, gingen we kop aan kont op de achterbank liggen slapen.

Toen wij groter groeiden, zei mijn vader op een dag dat we aan een grotere auto toe waren. Broeah en ik wisten dat de tijd van afscheid nemen van de Kever aangebroken was, en dat ging ons aan ons hart.
‘Heerlijk juist een grote auto,’ acteerde mijn moeder opgewekt. Haar stem klonk echter alsof ze bang was wroeging te krijgen. 

De Kever werd verkocht aan een “verwende jonge kerel.”  Behalve verwend,  bleek hij geen incasseringsvermogen en een ultrakort lontje te hebben.
Wij woonden inmiddels op de negende verdieping van een flat, en in de diepte zag Broeah ons oude karretje door de straat racen. Verheugd wees hij naar beneden. Wij keken belangstellend toe hoe onze groene ex een parkeervak in wilde draaien, maar een andere auto hem net voor was. De Jonge Kerel reed achteruit, gaf gas en reed met geweld tegen de geparkeerde auto aan. 

Mijn moeder kon een huivering niet onderdrukken. We hadden al die jaren goed voor ons autootje gezorgd: op tijd zijn natje en droogje in de garage en zijn buitenkant gewreven tot-ie blonk. En nu was dit onze dank! Volmondig wenste ze de Jonge Kerel een hoofd toe dat spoedig kaal zou worden van de schurft. 

Van auto’s heb ik nooit verstand willen krijgen, maar dat pok-pok-pok geluid herken ik uit duizenden, en dat eerste nummerbord vergeet ik nooit. 

 

Kwijt

kaboutertjes

Alles wat niet aan Roos  vastzit, verliest ze.
‘Leg alles terug op een vast plek, en dan weet je ‘t altijd te vinden,’ declameer ik wijs. Roos vindt dat een hartstikke goed idee. Dát gaat ze ook doen, ze weet alleen nog niet wanneer. Hoeft ook niet want als ik dingen van haar vindt, leg ik die toch op een vaste plaats neer? Heeft ze ook eens baat van haar moeders opruimwoede. 

Zo was ze haar bruine oogpotlood kwijt. Of hij was op, dat wist ze niet meer precies, maar wat is het verschil? In beide gevallen gebruikt ze de mijne.
De oplader van haar mobiel? Kwijt. Heeft pootjes gekregen of is meegenomen door de kaboutertjes. Sindsdien gebruikt ze de mijne. Verleden week nam ze ‘m mee naar school, zodat ze haar smartphone kon opladen tijdens de les. Geniaal idee toch? Heb je  recent toevallig het aardoppervlak voelen schudden? Dat was ik die hemel en aarde bewoog. 

Wat Roos nooit kwijtraakt zijn haar vuile sokken. ’s Avonds kwakt ze ze achteloos vanaf haar hoogslaper op de grond en drie dagen later liggen ze er nog, samen met zes andere. Geen kaboutertje dat er naar taalt.

Toen was ik iets kwijt. Nee, niet mijn verstand; dat is al zolang zoek… Mijn beugeldoosje. Mijn nachtbeugel deed ik in, en ik zou toch zwéren dat ik het doosje op het doucheplankje had neergelegd.
Waar ik het twee weken later terug vond? In het mandje tussen de schoenpoetsblikjes.
Daarna de keukenschaar – best een joekel- van de ene op de andere dag: wèg.
Sinds kort ben ik op miraculeuze wijze mijn pillendoosje van “zaterdag” kwijt. Noodgedwongen doe ik de dubbele hoeveelheid medicijnen in het zondagdoosje. Mijn huissleutels lagen altijd klaar voor het grijpen, maar ik heb het opgegeven.  Ze hangen nu aan een keycord, zodat ik ze iets sneller terugvind.

Sinds de navelstreng heb ik me niet meer zo verbonden met Roos gevoeld, en deel ik geheel haar mening: spullen kwijt? De kaboutertjes!

 

Stoornissen

Spam? Gék word ik ervan! Ondanks alle voorbehoedsmiddelen, regent het mailtjes die ik helemaal niet krijgen wil. Neem nou deze mail. De toon is vriendelijk. Belangstellend informeert de afzender naar mijn gezondheid. Ik voel me gevleid: wie vraagt er heden en ten dagen nog of je je wel helemaal lekker voelt? En hij noemt me ook nog vriend, terwijl ik helemaal geen vrienden heb. Alras wordt zijn vraag specifieker. Is het mogelijk dat ik last van stoornissen heb? Wie? Ik? Wat voor stoornissen dan? Ongerust lees ik verder…

E.rectiestoornissen. Nauwelijks heb ik dat woord gelezen of ik voel een siddering door mijn lijf trekken. Van het bovenste puntje van m’n ruggenmerg tot mijn stuitje aan toe.
Maar daar blijft het niet bij. Nieuwsgierig informeert hij of ik mijn lieve vrouwtje wel tevreden kan houden, en alsof dat nog niet genoeg is, vraagt hij onbeschaamd hoe groot mijn PEN IS. Nou, daar heb ik geen liniaal bij nodig!

Volgens de afzender is mijn redding nabij, want als ik een verpakking voor grootverbruikers aan V.iagra bij hem afneem, krijg ik een kwantumkorting die zowel mijn betaalrekening als mijn lieve vrouwtje zal bevredigen. Ongetwijfeld moet ik van zijn aanbod plat achterover op mijn rug vallen, alleen lees ik deze mededeling rechtop zittend op een stoel. Dat geleuter over V.iagra heeft echter wel tot gevolg dat ik me opgewonden begin te voelen. En héét dat ik het ervan krijg.

‘Wat zie jij er verhit uit,’ zegt Man, die onverwacht de kamer binnenloopt. ‘En je hebt rode oortjes. Wat ben jij aan het doen?’
‘Eh…tja, ik zit spam te lezen,’ beken ik, ‘en daar krijg ik het zo warm van. ‘Hier, moet je lezen,’ zeg ik. Man leest over m’n rug (ahum) met me mee.
‘Ik krijg het hier zo’n trek van,’ zeg ik, ‘heb jij dat nou ook?’
‘Ja,’ zegt Man met een koortsachtige blik in zijn ogen, ‘dat heb ik ook!’
‘Daar weet ik wel iets op, hoor, ‘zeg ik, ‘kom maar met me mee,’ en ik pak Lief bij zijn hand.
In de keuken eten we samen de trommel met chocoladekaakjes leeg.
Spam: als je op dieet bent, kun je het maar beter meteen deleten!   

Tureluurs

chocola van Klaproos

De brievenbus kleppert: een pakje! En ik houd zo van pakjes over de post! 

Het was al laat. Glazig keek ik naar de toverdoos op mijn schoot; mijn oogjes werden almaar kleiner. Op het beeldscherm staarde ik naar het blog van Klaproos. Daarop stond een veld vol hartjes, waarin ik twee dezelfde “moest” vinden. Ik gluurde, loerde en begon zelfs dubbel te zien, waar ik niets mee opschoot, want nu kreeg elk hartje een dubbelganger, maar de oplossing vond ik niet. Ik werd er compleet tureluurs van, want ik mocht pas van mezelf naar bed, als ik de oplossing gevonden. Wat ik kon winnen? Een reep chocola. En voor chocola doe ik álles!

Als een terrier zette ik mijn tanden in de opgave. Alles draaide voor mijn ogen, maar er had nog niemand het antwoord gevonden, dus die reep lag gewoon op mij te wachten. Ik zag het niet meer zitten.

Wacht…ik had nog een reserve achter de hand: Kind.Op slinkse wijze sleepte ze de afbeelding naar Google, maar dat mislukte jammerlijk. We moesten ’t echt met onze ogen doen.

Uiteindelijk riep Kind het verlossende woord: ‘Hebbes!’ en ze wees dezelfde hartjes aan. Ik stuurde de oplossing in, en sloot met een gelukzalige grijns mijn laptop af. Eindelijk kon ik naar bed. Uiteraard heeft Roos de reep verdiend, maar…zij blieft geen zwarte chocola, haha, en ikke juist wel! Zaterdag zat hier even een héél zoet meisje. Dankje Dien ♥

Ook tureluurs worden? Klik hier voor de opgave en mocht je de oplossing niet kunnen vinden, of er te lui voor zijn, klik dan hier. Suc6!

Ontspannen

ontspannen

Mijn hoofd is een kronkelpad zonder enige doelgerichtheid. Ontspannen? Laat me niet lachen, ik sta altijd OP spanning. Lief daarentegen is de rust zelve. Daar krijg ik soms zó de zenuwen van. Dan zit hij relaxed op een stoel uit het raam te staren, en kabbelen zijn gedachten luchtig voorbij. Als hij al gedachten heeft, want vaak denkt hij helemaal nergens aan.

Dat week ik, want als ik vraag: ‘Waar denk je aan?’, kijkt hij me verwonderd aan. Hij zit gewoon lekker, en denkt aan niets. Ontelbare keren ben ik dicht tegen hem aangekropen in de hoop dat het besmettelijk is, maar tot op  heden zonder resultaat.

Als mijn geheugen geen loer met me draait, ben ik twaalf jaar naar yoga en een jaartje naar zen-meditatie geweest. Mijn lerares zei altijd dat ik in de vijfde versnelling binnenkwam. Ik was geen vlotte leerling, maar uiteindelijk hebben alle lessen me geleerd dat ik wel één hele minuut aan niets kan denken, op voorwaarde dat ik tijdens die zestig seconden geen kriebel aan mijn neus, of onder mijn voet krijg, want dan zwiepen mijn gedachten weer naar links en naar rechts.

Ik zou zo graag eens langer aan niets willen denken. Gewoon wat staren, zonder dat mijn hoofd alle kanten op wappert. Altijd dringen zich boodschappenlijstjes, uit te voeren taken, verhalen, of nutteloze gedachten in me op. Ik heb een verzameling to-do lijstjes waar een werkloze jaloers op wordt, maar dan nog zitten er veel oprispingen in mijn hoofd, die onmogelijk op een kladje passen. Ik krijg dan ook een punthoofd van mezelf.

Er zijn echter grenzen aan mijn zelfkastijding. Voortaan als ik man ongeremd leeg zie genieten, denk ik maar zo: in het denken van nutteloze gedachten ben ik nummer één, en ik moet toch érgens fantastisch in zijn?