Hebben ouderen een toekomst?

chocolade

Ben ik daar gek! Zij gaat geen boterhammen meenemen. Het kaartje kost 600 euro (wat wij er niet voor betaald hebben – redactie), dan zit er toch wel een lunch bij? Zo niet, dan loopt Roos wel naar de studentenkantine. Haar hoef je na acht meeloopdagen niet meer te vertellen waar je bij het Erasmus de mosterd haalt.
Zonder brood stuift ze hieperdepiep het huis uit.

08.25 uur.
“Ik ben een half uur te vroeg,” klaagt ze op whats app. Ze zal toch niet bevallig op een stoel moeten gaan zitten wachten? Dat is niet te doen voor iemand die het liefst een zitzak nadoet.
“Zoek een plekje en ga mensen kijken,” typ ik. Geen reactie. Mijn advies vindt ze kennelijk niet om over naar huis te schrijven.
“Je eerste congres!” jut ik haar op.
“Ik zie nog wel,” tikt ze knorrig.

17.30 uur.
“Heb ik weer: rookontwikkeling in de metro,” foetert ze per app. En ze moet rekening houden met vertragingen, terwijl ze al aan de geeuwhonger ligt. De hitte slaat door haar telefoon regelrecht de mijne in.

Sneller dan verwacht, stapt ze allesbehalve vrolijk het huis binnen. Het congres was geslaagd: ze heeft 18 vellen aantekeningen voor haar profielwerkstuk gemaakt! De lunch was lekker; broodje na broodje zakte weg in de diepte, maar de pauze…die duurde een uur. Een uur! Zij had niets beters te doen dan te kijken wat haar digitale kameraden aan het uitvreten waren.
Dit is niet het uitgelezen moment te zeggen dat ze thuis niets liever doet.   

“Hoe was het?’ belt haar vader.
‘Mijn profielwerkstuk is voor de helft klaar,’ roept Roos. Man moet dit in stilte verwerken: negentig uur werk in één dag. Hij wordt weer ouderwets in de maling, en dat sluit naadloos aan bij de titel van Kinds profielwerkstuk: Hebben ouderen een toekomst? 

Kind zit nergens mee. Ze pakt Bella op, geeft haar een knuffel en zet de tv aan. Behaaglijk gaan Kind en konijn naast elkaar op het kleed liggen. ‘Mijn hersens zijn gaar gestoomd,’ jammert Roos, ‘er kan vandaag helemaal niks meer bij.’ Gelukkig hebben we veel chocola in huis.

Geuren

geuren

Schrijfopdracht WE-300 van Plato met als thema: geuren. 

Ze boert bescheiden, en proeft de lucht van de frites die ze net verorberd heeft. Ze had zich moeten beheersen om niet te gaan graaien. Eén voor één heeft ze de patatjes naar binnen geschrokt, royaal dippend in de pindasaus, mayonaise en uitjes…hmm.

Vanaf haar bord staart haar een vrolijk gezicht aan. Ze heeft het eerst schoongeveegd met een servet en er daarna met mayo twee rondjes met daaronder een halve cirkel getekend, en vervolgens met pindasaus staande streepjes aan de bovenkant getrokken. Ze was vergeten hoe kinderlijk eenvoudig het is jezelf te vermaken. 

Ze is blij met haar nieuwe status van pensioengerechtigde: weg met dat knellende keurslijf! Hoe vaak had ze zich niet de afstandsbediening van de tv gevoeld: zich altijd maar voegen naar de afspraken in haar agenda die anderen voor haar maakten. Morgen last ze lekker een pyjamadag in.

Bijna acht uur alweer. Ze installeert zich voor de televisie. Ze blijft op haar bureaustoel zitten, trekt de bovenste lade van de secretaire open, en legt daar haar voeten op. Met vreugde constateert ze dat het een goed uienjaar is, en laat er onbeheerst eentje vliegen. Dit heeft de hond niet vaak meegemaakt, de dove stakker. De blazende geluiden gaan aan hem voorbij, maar aan zijn neus mankeert niets. Ze hoopt dat ze hem niet teleurstelt.

Zodra het riedeltje van het journaal klinkt, zet ze het geluid harder, en licht ze weer een bil omhoog. Ze heeft er nog geen kunnen laten waarvan haar haar gaat wapperen, maar ze ziet het hoopvol in.
Kijk toch eens! ziet ze met vreugde, hoeveel tijd en arbeid mensen gestoken hebben om de nieuwe koning met gejuich te ontvangen en begroeten. Door háár voormalige onderdanen. Dankzij hem kan ze eindelijk zichzelf zijn, en is de lucht in huis om te snijden. 

Kattenvrouwtje

Kattenvrouwtje

Het vak achter de cassiere ligt tjokvol met mijn boodschappen.
Achter mij staat een gekreukelde grijsaard die haar winkelwagen gebruikt als rollator. In haar karretje liggen twee blikjes kattenvoer. Meer niet.
Ineens word ik overspoeld door een warm gevoel. Ik kan het zo een, twee, drie niet thuisbrengen. Zou de hitte van buiten me in het hoofd geslagen zijn? Nee, de  warmte komt van binnen. Dan herken ik het: het komt door mijn hart: ik krijg een aanval! Van menslievendheid! Om mijn naaste een stukje tegemoet te komen en een klein kwaliteitsmomentje voor haar in te bouwen. Is het leven tenslotte al niet zwaar genoeg?

In plaats van dat het oudje helemaal om mijn boodschappen heen moet lopen, en zich tussen een lange rij winkelwagentjes door moet wringen, pak ik haar blikjes kattenvoer en leg ze  terug in haar karretje. Wat ben ik toch een attente vrouw!

Erg jammer dat het kattenvrouwtje net niet staat te wachten op een staaltje naastenliefde.
‘Hoe komen die hier?’ vraagt ze pinnig aan de cassiere, wijzend naar de blikjes in haar karretje.
‘Dat heeft die mevrouw voor u gedaan, dan hoeft u niet om te lopen,’ zegt de cassiere.’
Het kattenmens draait zich naar me om en blaft me met hysterisch glinsterende ogen toe: ‘Dat is nergens voor nodig! Dat doen we niet nog een keer, hè!’ 

De cassiere en ik wisselen een blik van verstandhouding. Als zij je buurvrouw is, heb je meer aan een verre vriend. Zou het kattenmens altijd zo’n fuifnummer zijn, of alleen vandaag? Ze ziet er apart uit: wijd uitstaand haar, de wenkbrauwen van een holbewoner, en ze draagt een hippiejurk vol vieze vlekken. Hopelijk lopen haar katten er verzorgder bij. Ze werpt me nog een vijandige blik toe, en zet het steigerend op een lopen. Zachtkens ween ik voor me uit: waar moet het naartoe in deze wereld?

Maar dan.

Twee pubers kopen ADHD-drankjes en familiezakken chips. Eén van de twee maakt een hoofdbeweging naar het kattenmens, en zegt tegen de cassiere: ‘Nou, dat mens is ook geflipt!’ Dat is niet alleen ferm gesproken, het geeft ook hoop voor de toekomst.

Rijkeluiskind

dikke vriendinnen

Snikkend zit Laura naast Jantien op het krijtstoepje. Haar schoudertjes schokken van droefenis. Het kinderleed dat zij draagt komt elke schooldag terug, en al haar levensvreugde sijpelt erdoor weg. Jantien zit ernaast met een gezicht alsof ze strafwerk heeft. Diep medelijden heeft ze met Laura: je zal toch maar té keurig worden opgevoed, en nette kleren en glimschoenen moeten dragen. Omdat Laura erbij loopt alsof het elke dag zondag is, hoort ze er in de klas niet bij.

Laura wil hartstochtelijk graag schoenen met kale neuzen. Dat is zo gepiept als ze Jantien nadoet: een paar keer over het stenen schoolmuurtje klimmen, en hopla! alle glans is weg. Jantien draagt altijd kleren waar haar broers uit gegroeid zijn: afgeragde spijkerbroeken met kniestukken, en kleurloze slobbertruien. Oh… als zij er eens zo bij zou mogen lopen! Ze heeft geprobeerd er met haar moeder over te praten, maar die noemt haar sinds dat gesprek een “ondankbaar kind.”

Somber staren de vriendinnen voor zich uit. Kleren mogen je leven niet verpesten. Jantien trekt haar neus op, een teken dat ze diep nadenkt. Afwezig speelt ze met een paar krijtjes in haar hand. Plots verschijnt een lach om haar mond. Ze houdt haar handen om het oor van haar vriendinnetje en vraagt: ‘Heb jij….?’
Laura denkt even na, en schudt dan haar hoofd. Meteen weet ze wat Jantiens plan is. Een geniaal idee waardoor Laura er in de klas zeker een beetje bij zal horen, omdat álle kinderen ze hebben.
Zusterlijk steken ze de koppen bij elkaar. Niets vermenigvuldigt zich sneller dan luizen op een kinderhoofd.

 

Ondergrondse koeien

Ondergrondse koeien P1020667

De tijd raast voorbij. Om haar nog enigszins bij te kunnen houden, stap je in een automobiel en scheur je stevig door. Dan wil je beslist niet wachten tot een kudde koeien de weg overgestoken is. Koeien veroorzaken razendsnel een traffic jam, zeker als het om een kudde van 200 exemplaren gaat. Die beesten kennen totáál geen haast, zelfs niet als ze op weg zijn naar de melkrobot in de warme stal. Moderne boeren en boerinnen zitten de koeien flink op de hielen: vort! vort! doorlopen! dat weiland uit!

Behalve dat de meisjes liters melk maken, zijn het ook enorme kanjers in het produceren van flatsen. Om het mestoverschot op de openbare weg in te dammen, heeft een boer baai ons in ’t durp een ondergrondse doorgang voor zijn koeien gemaakt. Ze steken dus niet de weg over, nee, ze lopen eronderdoor. Als boer zijnde wil je tenslotte de buren, burgers en buitenlui zo lang mogelijk te vriend houden.

De locatie van de ondergrondse ken ik goed, maar ik was altijd net te laat, of veel te vroeg (en te ongeduldig om te wachten) als de dames er doorheen sjokten. Totdat ze vlak voor mijn ogen aan kwamen wandelen. Op hun dooie akkertje slenterden ze in een lang lint achter de billen van hun voorgangster aan. Scheurden achteloos links en rechts polletjes gras af.

Zei ik 200 koeien? Da’s niet correct, want het zijn er slechts 198. Twee hoogbejaarde runderen zijn zo uitgekookt als de bliksem; zij houden niet van regen en koude poten. Ze willen warm en droog staan; zelluf bepalen wanneer ze naar de melkrobot gaan; voer vreten wanneer het hún uitkomt; en bij jeuk hun knokige derrières tegen een ronddraaiende borstel aanschurken. Nee, dat gehobbel over Gods akkers is aan deze dames niet besteed. ‘Ze kunnen die grote afstanden ook niet meer afleggen,’ legt de boerin mij uit, ‘en ze hebben dui-zen-den liters melk gegeven in de afgelopen twintig jaar! Ach, ze zijn gewoon met pensioen. Moet kunnen toch?’
Ik ben het loeiend met haar eens!

 

Zweetvoeten

zweetvoeten

De lucht is tranentrekkend weerzinwekkend en voor een gewone sterveling niet te bevatten. Het zorgt voor vernederende taferelen. Collega’s hoesten demonstratief als hij op de gang voorbij loopt, en vragen zogezegd voor de grap of hij al een andere baan gevonden heeft. Hij kan ze niet mild stemmen door te vertellen wat hij allemaal al heeft geprobeerd: wisselbaden, cremetjes, twaalf maal daags schone sokken, homeopathische balsems, geurvreters, kruidenthee, ochtendurine… Zelfs de huisarts – een heel meegaande – weet het niet meer.

Echte liefde houdt zijn vrouw op de been. Via via komt ze achter naam en adres van een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kwalijke luchten. Helaas betaalt de verzekering niets, en is zowel de reis als de behandeling is duur.
Het voorstel van zijn vrouw om zijn collega’s om een financiele bijdrage te vragen, wordt op het werk met gejuich ontvangen, en er wordt grif gegeven. 

De specialist legt uit dat het om een zware ingreep gaat. De prognose is echter goed: de littekens zullen mooi helen. Het revalideren zal niet meevallen – drukt de arts hem op het hart – maar na de behandeling zal hij nooit meer last van zweetvoeten, ingegroeide teennagels, likdoorns en eksterogen hebben. De invoelende blik en geruststellende woorden van de arts doen het echtpaar goed.

‘De operatie is geslaagd en je ziet direct al resultaat,’ fluistert zijn vrouw opgewonden in zijn oor. Met gloeiende wangen staat ze naast zijn bed. Ze ziet eruit als een blije doos. Wat wil je? Reikhalzend kijkt ze uit naar het moment dat de wereld weer aan hun voeten ligt, en zij nóóit meer sokken van hem zal hoeven te wassen.

Is het gratis? – vervolg

Daar heb je Jezus en zijn twee kornuiten weer. Hij reikt me een krantje aan met de woorden: ‘Mag ik u wat vragen, mevrouw?’
‘Nee,’ zeg ik, ‘ik heb me een paar weken geleden al opgegeven.’
‘En…’ vraagt-ie stralend, ‘wordt de krant op tijd bezorgd?’
‘Ik heb ‘m nog geen een keer gehad,’ zeg ik. Hij kijkt naar z’n collega’s en vraagt zich af welke van de twee heeft zitten slapen, maar ik kijk hem aan en zeg: ‘Jij.’ Dat moet hij even verwerken. Ongelofelijk ook dat hij zich mijn oogverblindende verschijning niet meer kan herinneren. Misschien houdt-ie niet van antiek, dat kan natuurlijk ook.

Weet ik wat? Hij schrijft me voor de tweede keer in!
Ik zeg nee. Nee vind ik een fantastisch woord. Het is zo lekker recht voor z’n raap. Jezus heeft er echter nog nooit van gehoord. Hij schrijft me dus nogmaals in en ik krijg extra gratis boeken mee. Zeker weer van die kale kookgek?
Ik zeg weer nee. Hoe vaker ik het zeg, hoe leuker ik het woord vind. Ik weet ook al wie deze woordenstrijd gaat winnen; Jezus nog niet.  

Wacht, hij zal voor me bellen. Als ik nou mijn gegevens bij hem achterlaat…
Ik zeg nee en voel me een kapotte grammofoonplaat.
‘Dan heeft u de krant misschien niet als de Tour in juli begint,’ zegt-ie bijdehand.‘Die begint al op negenentwintig juni,’ zeg ik, ‘en dan koop ik ‘m wel los.’ Resoluut stap ik Appie Heijn binnen.

Klaar met de boodschappen loop ik naar de uitgang. Wie staat er in het midden van de deuren? Jezus. ‘Toch maar doen, mevrouwTJE?’ vraagt hij op dreinende toon. Dat laatste lettergreepje…dát  had-ie nou net niet moeten zeggen. Met bovenmenselijke krachtsinspanning weet ik me te beheersen, en er een klein glimlachje uit te persen.
Liefjes zeg ik: ‘Nee. Moet ik het in je hand graveren?’ Ik zie een knakje in zijn gezicht. De betekenis van het woord is eindelijk tot hem doorgedrongen. 

Een klein dikkerdje

Het fietstocht met de koeien was nog niet compleet, maar ik vond het te lang om in één keer te posten, dus hier het tweede deel.

Roze

Het zonnetje lokt massa’s mensen naar buiten. Overal nijvere huisvrouwen. Ik zie versgezeemde ramen, grind dat wordt aangeharkt, stoepjes geschrobd. Als vrouw krijg ik daar soms enorme complexen van. Vandaag is soms. Alhoewel: stoepje boenen, tsss. De weinige vrienden die wij hebben, letten niet op onze stoep (daar heb ik ze op uitgezocht, maar dit schrijf ik in vertrouwen). Ik snuif de agrarische luchten op, en krijg een enorm schoolreisjesgevoel. Oh, oppassen dat dit geen streekroman wordt.

Een kort dikkerdje op een mountainbike fietst helemaal links op het fietspad. Ik bel bescheiden, hij kijkt om, en blijft links rijden. Dan ga ik er toch rechts langs. Rijd ik ‘m voorbij, probeert ie me een hijs te geven. Uiteraard sla ik op tilt zoals alleen een ouderwetse flipperkast dat kan. Charmant steek ik mijn tong uit, en achterom kijkend zeg ik: ‘Kóm dan.’ Hij presteert niets behalve een hoop gehijg; de stumper. 

Om kapsones te voorkomen word ik weinig later ingehaald door de BIK-ploeg. Hun komst dient zich aan met een geluid dat als muziek in mijn oren klinkt: soepel snorrende derailleurs. Even is het alsof ik stilsta, ik sluit bij de achterste aan, heel even maar, want ze rijden ruim 40 km/uur…

Alweer op de terugweg – bijna bij de pont – staat de brug open. In mijn spiegeltje zie ik het korte dikkerdje van ‘t  terras afkomen. Aha, hij heeft afgestoken, de luiwammes. Kijk hem staan, hij waant zich een vedette. Slalommend komt ie steeds dichter bij mij staan. O wee als ie gaat meppen! Ellebogend dringt ie zich vóór mij in het rijtje. Van een afstand lijkt hij best betrouwbaar: kortgeknipte haar en een buikje. Hij kijkt mij aan of ik hem wel goed zie staan, en daarna steekt de griezel zijn middelvinger naar me op. Kan die man niet gewoon op een saai kantoor gaan werken?

Brug open en gaan! Het dikkerdje mag van mij best even vóór me fietsen, het is toch maar voor kort. Ik gun zo iemand wel een Fanta. Hij voelt de hete adem van mij in zijn nek. Hij fietst, trapt, zwoegt, snuift  en hijgt. Hij fietst 25…24…23…
Ja, daar ga ik dus niet achter hangen; straks val ik om. Ik wacht op de juiste bocht in de dijk (daar met de meeste windtegen) en ga er dan als een speer vandoor. Dikkerdjes gehijg gaat over in gereutel. Ik kijk achterom: voelt ie ‘m? Hij voelt ‘m!
Hé de pont ligt er, en ik trek een sprintje. Gehaald!
Ach, wat jammer…het dikkerdje is net te laat. 

Karakteristieke koeien

Koe met oorbellen

‘Mevrouw, wilt u het touwtje even voor me vasthouden?’ De boerin vraagt het vriendelijk. De koeien worden verweid en een dun draadje doet wonderen. Wat romantisch!
Ik grijp meteen mijn kans: ‘Waarom hebben koeien altijd twee oorbellen in?’
‘Omdat dat verplicht is, voor ’t geval ze er eentje kwijtraken. Kijk,’ ze wijst met haar vinger, ‘die rooie daar draagt haar derde paar. Haar vorige oorbellen heeft ze net zolang tegen het hek geschuurd, tot ze er met een stuk oor en al vanaf vielen. Nog even en ze heeft geen lel meer over.’ Ik zie het: twee halve oren, geen gezicht.
‘Wel een koe met karakter,’ zeg ik bewonderend.
‘Ja, en met horens hè?’ zegt de boerin adrem. 

Eén koe snuift luidruchtig tegen mijn voorwiel. Ze doet haar staart omhoog. Nou, dan weet je wel hoe laat het is. Té laat, want de poepspetters sproeien tegen mijn broek. Weg idylle. Het lijkt wel of de melkmeisjes alles opgespaard hebben. Staart na staart gaat omhoog, uitgerekend op dit heel kleine stukje verharde weg. De boerin grijnst verontschuldigend. Shit happens. Oh, en ze wil haar touwtje terug.

‘En die daar dan?’ raag ik, wijzend naar een koe die heel binkerig in de wei blijft staan.
‘Altijd hetzelfde liedje met haar,’ zucht de boerin. ‘Mevrouw komt pas als ze trek begint te krijgen. Vóór die tijd is ze daar met zes tractoren nog niet weg te slepen.’ Sjonge, mijn respect voor koeien stijgt met de minuut. Alhoewel… bedenkelijk kijk ik naar de lege weg voor me. Leeg qua koeien dan, maar wát een berg flatsen. Ik gooi de fiets over mijn schouder en slalom tussen de verse vlaaien door: dáár trap ik niet in! 

Belazerd

Paraplu

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato met als thema: indrukken.

Ze kan wel janken, wat ze dan ook doet. Hij heeft al die tijd vrolijk buiten de deur gesekst, en zij heeft er niets van gemerkt. Nu zit hij hoog en droog bij de kachel, en ploetert zij door de regen. Als ze een kanon had, zou ze op hem schieten.

De wind wil er met haar paraplu vandoor gaan. De ene keer komt-ie van links, dan weer van rechts. ’t Is net een vent: niet te vertrouwen.

Een windvlaag blaast haar paraplu binnenstebuiten, rukt ‘m uit haar handen en de plu rolt tollend over straat. Bloedfanatiek holt ze erachteraan. Al houdt ze aan de achtervolging op haar naaldhakken een dubbele hernia over, dat rotding wil ze hebben. Het regenscherm waait tegen een geparkeerde auto, waar ie net lang genoeg blijft liggen om ‘m in z’n kraag te kunnen vatten. Twee baleinen zijn gebroken. Het lijkt hun relatie wel. Nijdig smijt ze de paraplu op de grond, en gaat er bovenop staan springen. Zelden heeft ze zo’n razernij gevoeld.

Haar vriend bleek een teleurstelling in cadeauverpakking, en zij heeft zich laten misleiden door zijn fatsoenlijke voorkomen. Ze pakt de plu bij het handvat en slaat er hard mee op de grond. Ze raast en ze scheldt en ze tiert. Ze hoopt dat ie heftige gordelroos krijgt, eenzaam zal sterven, en als ’t aan haar ligt, wordt de castratieplicht ingesteld. Haar verzorgde kapsel is veranderd in een coupe windhoos, en haar voeten soppen in haar schoenen, maar ’t kan haar niets schelen.

Uitgeraasd pakt ze de plu op. Ze is zeer te spreken over het eindresultaat. Alle baleinen zijn geknakt, en de stof is gescheurd. Voldaan propt ze ‘m in de dichtstbijzijnde prullenbak.
Een man, een illusie en een paraplu armer, maar God, wat heeft ze van die laatste veel plezier gehad!