Kolderdag

‘Water!’ brulde Roos, en hield haar lege emmer omhoog. Met ruim twintig klasgenoten was ze bezig de ingang, trappen en gangen van de school te blokkeren door 12.000 (12 duizend, ja) bekertjes te vullen met water. Het was niet voor niets Kolderdag. De laatste lesdag vóór het eindexamen moet traditioneel gek gevierd worden.

Met elkaar hebben alle vwo’6 leerlingen ’s avonds de school onder handen genomen:
– Kluisjes en wc’s ingepakt met folie.
– Stoelen met tie wraps vastgebonden tot lange slingers.
– Bureaus van “de bitches van de administratie” ingepakt met hardnekkige huishoudfolie en ductape, en er voor de irritatie zakken confetti tussen gegooid.
– Het “hok” van de rector tot de nok gevuld met ballonnen zodat hij niet naar binnen kon. Behalve met lucht uit hun longen waren ze gevuld met water of confetti. Lekker lastig opruimen! Als troost hadden ze op zijn bord geschreven: “Adje: beter dan krekels!”

Eén wand van de aula mochten ze bekladden met “graffiti.” Niet met spuitbussen – want daar gaat het brandalarm van af – maar met verf in dezelfde kleuren als het schoollogo. Zowel het ontwerp als de uitvoering viel bijzonder in de smaak.

Na een onrustige nacht, kwamen de leerlingen de volgende dag tot de schokkende ontdekking dat docenten net echte mensen zijn: hartstikke lui en ook nog eens verslaafd. Ze hadden een smal pad tussen de gevulde bekertjes vrijgemaakt en waren linea recta naar de koffieautomaat gelopen.

Alle docenten waren enthousiast over de grappen, maakten foto’s en plaatsten die op FB. Hun reacties waren unaniem: dit was de leukste Kolderdag ooit!
De havo had er voor de tweede keer op rij een puinzooi van gemaakt door met eieren, vla, maden, wormen en meel te gooien.
‘We hebben ze fijn teruggepakt door op het bord bij de ingang te schrijven: “Super plan: 5 havo ruimt op!” vat Roos het tevreden samen.

Ze zwijgt een hele tijd. Haar maag knijpt samen bij de gedachte dat na het examen alles voorbij zal zijn. Wees gerust: de lessen zal ze niet missen, maar al die leuke activiteiten: vergaderingen van de LR, MR en Klankbordgroep, LAKS cursussen, de Masterclass in Groningen, de reis naar Rome, uitstapjes met de LR… In een grote achteruitkijkspiegel bekijkt ze de afgelopen zes jaar. Ze zucht eens diep. Eén troost ze mag dan straks van school gaan: de beelden die ze in haar hoofd bewaart, kan niemand haar afpakken!

Nieuwe hobby

 

Walking closet

Ze was altijd zuinig op haar spullen. Alles hing gesorteerd in de kast: bloesjes, jurken, rokjes, alles op kleur met jasje, tasje erbij, en voor een heel weeshuis aan schoenen. Alsof ze elke dag naar een receptie gaat in plaats van naar haar werk.

Het is het klassieke trieste verhaal. Ze had hem bij de huwelijkvolstrekking beloofd altijd van hem te zullen houden, maar altijd bleek niet langer te duren dan 3 ½ jaar.
Toen heeft ze hem genaaid. Met zijn beste vriend nog wel. Het is alsof zij het hele fundament onder hem vandaan heeft geschopt. Hij voelt de emoties omhoog wellen, maar slikt ze weg.

Hij voelt een nies opkomen, pakt haar laatste nog in te pakken pantalon, en vouwt de pijp open. Hij niest een paar keer kort, en veegt zijn neus af aan de stof. Zijde, denkt hij, nog zachter dan papieren zakdoekjes verrijkt met aloe vera.  

De bel gaat: daar zal je haar hebben. Vliegensvlug sluit hij de laatste koffer en loopt naar de deur. Zonder hem een blik waardig te keuren, loopt ze in rechte lijn naar de volle koffers die op hij op een  steekwagentje getild heeft. Hij pakt de handvatten en rijdt het wagentje zwijgend naar de lift.
Wanneer zij instapt en op de BG toets wil drukken, zegt hij: ‘Kijk eens, ik heb nog iets van je,’ en duwt haar een plastic tas in haar handen.
Vragend kijkt ze hem aan. Ze kijkt in de zak en tegelijkertijd zegt hij sarcastisch: ‘Je houdt toch zo van naaien? Veel plezier er mee!’

Een zaak met een luchtje

Een-zaak-met-een-luchtje-kopie

“Binnenkort word je achttien!” joelde de verzekering. Door Kinds lijf gierde een zalig gevoel van zorgeloosheid: eindelijk werd ze gekend in haar naderende volwassenheid. En de verzekering bood  zoveel voor zo weinig! Roos rekende zich rijk zonder rekenmachine. Ze besloot meteen alles zelf te  regelen, ook de betaling per bank. Het was geen voorstel van haar kan maar een mededeling.
‘Betalen van je ieniemienie-salaris?’ opperde Man, ‘wat een flauwekul. Houd jij je maar met belangrijker zaken bezig, zoals je het kiezen van je vervolgstudie.’

Roos uitte een woordenstroom gepaard gaande met niet mis te verstane gebaren, maar haar vader overtuigen viel verdraaid niet mee. De hoogste tijd voor een partijtje worstelen. Pa met kracht en Kind met sluw geweld. Het abonnementsgeld van Aikido moet er wel uitgehaald worden natuurlijk. Helaas voor Roos was ze aan de verliezende hand, en uit pure overlevingsstrategie besloot ze: wie niet sterk is, moet geraffineerd zijn.

Ineens kwamen er blazende geluiden uit haar broek, afgesloten met een ritmisch geroffel. Ongewenste lucht borrelde onze neusgaten binnen. Ik maakte wapperbewegingen met mijn hand, en smeekte om de luchtverfrisser. Man lachte vals en zei: ‘Dit ruikt niet gezond. Als ik jou was, zou ik  maar als de bliksem die ziektekostenverzekering afsluiten!’
Roos was meteen genezen.

Parkeren is een kunst

Blauwe bolideNee hè! Kom ik terug van boodschappen doen, heeft een niet zo heel snugger iemand zijn/haar auto dusdanig naast de mijne gezet, dat ik niet normaal mijn auto in kan. Wil ik vandaag nog achter het stuur kruipen, dan zal dat via de passagierskant moeten. Ik zal ’t nog sterker vertellen: de buurauto staat zó schuin geparkeerd dat ik niet eens achteruit kan wegrijden!

Mopperend dump ik de volle boodschappentassen achterin. Ik loop naar de passagierskant en net als ik wil instappen, komt er een meneer aanlopen. Had ik al gezegd dat de verkeerd geparkeerde doos een Mercedes is? Bij deze. Meneer maakt wilde handgebaren en zegt dat ik asociaal ben om mijn auto zo neer te zetten. Ik asociaal? Ik sta anders keurig in mijn vak, en voor iemand die op een invalideparkeerplaats staat, kan de man behoorlijk goed lopen.

Maar ik gedraag me netjes en zeg: ‘Uw auto staat zo klem geparkeerd dat ik niet eens normaal kan instappen en achteruit rijden!’
‘Wat denk jij, vrouw? Jij bent stuk tuig en asociaal. Ik heb mijn auto expres zo geparkeerd omdat jij asociaal stond. En jij bent jaloers op mijn grote auto.’ Ik jaloers op een auto? Tsssk…hij is niet eens blauw. Ik voel een driftbuitje opkomen. Snel stap ik mijn bolide, want ik heb geen zin in een ordinaire scheldpartij.

De man tikt op mijn raam. ‘Wat moet je?’ vraag ik. Hij maakt een draaibeweging met zijn hand, dat ik mijn raampje naar beneden moet doen. An m’n hoela. De beledigingen en dodelijke ziektes die hij naar mijn hoofd slingert, versta ik zo ook wel.

Ineens bedenk ik me. Er schiet me iets netjes te binnen wat deze meneer niet kan gebruiken. Een heel klein stukje draai ik het raam open. Ik heb zijn aandacht. Ik kijk ‘m aan en moet me beheersen niet te gaan grijnzen. Ik knik vriendelijk naar hem en zeg welgemeend: ‘Krijg een zweer op je jongeheer!’ De man zijn mond valt op de stoep. Ik geef gas, rijd een stuk over de stoep en binnen drie tellen is de man uit mijn gezichtsveld verdwenen.
Zelfbeheersing is anders óók een kunst!

De doodstraf

Geen sliertje zonlicht doordringt het grauw van haar cel.
De eenzame opsluiting heeft haar alle tijd gegeven haar leven te observeren. Ze heeft nergens spijt van, hoe bewogen de jaren ook waren. Aan de ene kant lijkt het alsof het gisteren was, aan de andere kant is er zoveel gebeurd dat het eeuwen geleden lijkt.

Wat zou ze graag nog eens met haar vader en moeder praten. Ze zou ze moed inspreken, en zeggen dat ze om haar niet te lang moeten treuren, dat ze degenen moeten tellen die het overleefd hebben. Ze denkt aan hoe ze ’s avonds met elkaar de warme maaltijd aten; over politiek praatten; koekjes bij de koffie; boterhammen mee naar de universiteit. Nu zit ze hier…Ze schudt de herinneringen van zich af.

Zware laarzen klinken op de gang. Ze rilt, maar niet van de kou. Voor haal celdeur houden de laarzen halt en de grendels van de deur worden verschoven. De gewapende soldaat in de deuropening kijkt haar met een kille blik aan.
‘Meekomen!’ blaft hij.
Ze wordt geblinddoekt en ruw in een auto geduwd. Zou de laatste blik op het landschap onderweg haar goed doen of juist verdriet? Ze weet het niet; ze heeft ook geen keuze.
De omgevingsgeluiden worden allengs stiller. Het zal niet lang meer duren voor ze in de duinen zijn. Zou ze de zee kunnen horen? Ruiken misschien wel.

De auto stopt.
Half struikelend over de treeplank wordt ze overeind gesleurd, en krijgt ze een laatste wens: wil ze de blinddoek ophouden of niet?
‘Af,’ zegt ze resoluut.
Knipperend tegen het felle licht kijkt ze omhoog en ziet stukken blauw; de zon is niet ver weg. Ze hoort het ruisen van de zee. Een meeuw krijst tijdens het maken van een duikvlucht… Dit is geen dag om te sterven. Ze zucht onhoorbaar.
Moedig kijkt ze in de ogen van de soldaat die haar zal fusilleren.
Hij schiet. Een schampschot slechts.
‘Ik schiet beter,’ zegt ze koelbloedig. Waarna een hoofdofficier en NSB’er zijn machinepistool op haar leeg schiet.

Op 17 april 1945 – drie weken voor het einde van de oorlog – werd Hannie Schaft doodgeschoten in de duinen bij Bloemendaal. Eind november van datzelfde jaar werd ze met militaire eer, waarbij Koningin Wilhelmina aanwezig was, herbegraven. Voor haar strijd tegen de nazi’s kreeg Hannie postuum twee hoge onderscheidingen.
De SS’er die haar fusilleerde werd veroordeeld en in mei 1948 doodgeschoten.   

Grafsteen Hannie Schaft

Bobo

Bobo

Dit is Bobo. Hij woonde ruim zes jaar in een buitenhok, maar sinds Bella niet langer onder ons is, woont hij binnen. Heeft-ie nog een beetje gezellige oude dag. Bobo is het lulletje rozenwater van Huize Kakelbont. Nog nooit heb ik zo’n dom sulletje meegemaakt. Hij had er twee dagen voor nodig eer hij doorhad dat hij zelf z’n nieuwe hok in en uit kon lopen. Bella’s activityball rolt-ie niet over de grond, nee, hij zet er zijn tanden in, in de veronderstelling dat de peentjes die er als decoratie opstaan, om op te eten zijn.

Bobo denkt heel de dag maar aan één ding: eten. Bij het ochtend gloren zit-ie trouw kwijlend op me te wachten. Ook bij hem gaat elk pondje door het konijnenmondje, en door mijn goede gaven groeit hij langzaam dicht. Zielig, hè?
Hij stopte maar voor één ding met eten en dat was wanneer Bella los in de tuin liep. Losbandig flirtte ze met Bobo. De arme stakker drukte zich klem tegen het gaas van zijn hok om haar goed te kunnen zien. Bella liep koket rondjes, en gaf hem vervolgens het nakijken. Bobo mag dan een je-weet-wel konijn zijn, de natuur – de drift, zeg maar – zit nog steeds diep.

Beweging is niet aan hem besteed. Krabbelde Bella aan de tuindeur als ze naar buiten wilde, Bobo geraakt er niet van in een jubelstemming. Hij krijgt de zenuwen van de merels, want die zien hem voor een poes aan, en gaan hysterisch op de schutting zitten kwinkeleren. Voor hem wordt het pas leuk als in de tuin de papavers bloeien, want hij vreet met smaak zijn buikje vol aan de zaaddoosjes. Nog een paar weken en dan loopt-ie weer stoned te zigzaggen door de tuin.
Eén ding moet ik Bobo nageven. Hij doet iets wat Bella nooit gedaan heeft: hij komt naar je toe hollen als je z’n naam roept. In de hoop dat er een beloning op hem wacht. Bobo en eten…

Verzorgen

Een verhaal dat ik lang geleden voor Plato’s WE-300 met als thema verzorgen geschreven heb. 

In de kamer is het een grote bende. Op de grond liggen lege bierflesjes en frisdrankpakken, beschimmelde boterhammen, koffiedrab, vuile kleren, schoenen, laarzen, klokhuizen…te vies om aan te zien. Ze probeert over de spullen heen te stappen, geeft het op, en baant zich een weg door de  rommel naar links en rechts te schoppen.  Haar handen jeuken alles op te ruimen, maar het is haar niet toegestaan.

In de uiterste hoek van de kamer staat een bed dat naar urine ruikt. Bij het bed blijft ze staan. De gestalte ligt met gesloten ogen op wat eens een witte kussensloop moet zijn geweest. Ze kijkt naar zijn gezicht: baardstoppels, wit haar en een leerachtige huid. Afgezien van de huivering voor de viezigheid, stroomt haar hart over van mensenliefde.

Ze kan niet zien of hij ademt. Zou hij al… Ze zakt iets door haar knieen, en neemt zachtjes een hand van de man in de hare. Door de aanraking doet hij zijn ogen open, en is een ogenblik verward, maar het schijnt hem niet te deren een vreemde te zien. Ze schenkt hem haar warmste glimlach.
Het is slechts een kwestie van tijd, dat weten ze allebei, en zij en haar collega’s van de thuiszorg willen niemand alleen laten sterven.

De man maakt onsamenhangende geluiden, en gebaart naar iets onder het bed. Huiverig vanwege de viezigheid, tast ze op goed geluk naar dat wat de man wil hebben. Ze voelt iets van leer en pakt het beet: een portemonnee. De man grist het bijna uit haar handen, en klemt het stevig tegen zijn borst.

Korte tijd later trekt ze het beduimelde laken over hem heen. Het beursje glijdt onder zijn hand vandaan. Ze pakt het op en klemt het er weer tussen.

Verrassing per post

Bam! Mijn kluts die op dek valt, maakt meer kabaal dan het pakje van de postbode. Er ligt een heel fleurig pakje op de mat. “Bloemen door de brievenbus,” staat erop.

(Bloemen door de brievenbus?
Ik heb ooit een aan mij bezorgde bos bloemen bij de afzender door de brievenbus gepropt. Steel voor steel. Op het begeleidende kaartje stond geschreven: het spijt me. Op de achterkant had ik geschreven: mij ook!
Speciaal voor Petra: dat is ruim 25 jaar geleden; de laatste keer dat ik ruzie met iemand had 😉 ) 

Ik dacht dat ik wat bloemen betreft zo’n beetje alles wist, maar bloemen door de brievenbus is een nieuwe ervaring voor me. En wat een prettige! Eerst ben ik nog bang dat het een grap is, maar mijn naam staat erop!
Kijk dan: échte bloemen per post: 12 tulpen.

Bloemen per post P1090503

Maar wie-o-wie is de afzender?
Gelukkig, een kaartje. “Van jouw muziekmens,” staat erop. Daar is er maar eentje van. Lieve Mel hartstikke bedankt voor deze lieve verrassing!
Je hebt gelijk: ze stonden een hele week…

Hannessen bij Mauritz

pashokje

Zo’n paskamer als hier tref je zelden:
een zee van ruimte,
een joekel van een spiegel,
tussendoor wat te drinken,
nauwsluitende gordijnen,
goede verlichting,
een tafeltje waar je je bril op kan neerleggen,
en een flesje deodorant bij de hand.

Ik durf zelfs de pijpen van mijn spijkerbroek de grond te laten raken, en met mijn blote voeten op de vloer te staan, zonder dat ze aan de grond vastplakken van de viezigheid. Er zijn ook geen stofwolken die het zicht onmogelijk maken. Waar vind je zoveel bedieningsgemak? Echt een unicum.

Je kunt er vergif op innemen: bij de paskamers van H&M staan nog minstens zeven zuchtenden voor je. ‘Nog een ogenblikje,’ zegt het kauwgum kauwend personeelslid verveeld bij de ingang. Dat ogenblik duurt zo lang dat je in de tussentijd gemakkelijk je duikbrevet kan halen. Krijg je eindelijk een schimmig kamertje toegewezen, dan stinkt het zo dat je je adem inhoudt tot je zowat stikt, en naar adem hapt door een kier in het gordijn. Heb je dat alles overleefd, dan ontdek je grommend dat er een rij bij de kassa staat, waar de Efteling jaloers op is. Wat een treurige boel.

Vind je ’t gek dat internet-shoppen in opmars is?

Ik ben gewond!

‘Ik ben gewond! Ik ben gewond!’ In doodsnood holt een man naar binnen. Zonder woorden wordt het slachtoffer reikhalzend begroet door de patienten in de wachtkamer. De man maakt een onverzorgde indruk: ongeschoren, sjofele kleding en een vuile pet die zijn gezicht grotendeels bedekt. Iedereen in de wachtkamer weet dat deze medelander niet volledig is ingeburgerd, anders had de stakker wel buiten op een toevallig passerende ambulance gewacht. Daar zou hij stukken sneller door worden geholpen dan door de assistentes alhier in de huisartsenpraktijk. Er is niets wat hun rust kan verstoren.

Kind en ik staan op onze beurt bij de balie te wachten en kijken elkaar aan. Hebben wij weer: zijn we bijna aan de beurt, komt er een spoedgeval tussen. Maar wij zijn coulant: de man mag voorpiepen op voorwaarde dat hij eerst een emmer bloed verliest.

Met een wanhopige blik in zijn ogen, ijsbeert de man voor de balie heen en weer. Hij is lucht voor zowel de klant als de assistente achter de balie. Dat van de laatste geen nieuws, maar alla, altijd een negatief beeld schetsen van de zorgverlening in ons dorp gaat ook vervelen. De wachtkamer volgt vol spanning de hyperventilerende meneer. Liggen ergens bloedspetters? Zal hij weldra flauwvallen?

Onverwacht komt een huisarts een behandelkamer uitlopen. De ongelukkige gooit zich vol overgave in de armen van de arts, en zegt: ‘Dokter, dokter, ik ben gewond!’ De arts werpt een onderzoekende blik op de omhooggehouden arm, en zegt dat zijn assistente er spoedig naar zal kijken. Dit gebrek aan belangstelling komt bloedhard bij de man aan.

Nu gaat hij pal voor Kind staan. Ik wil ’s mans leed zien, maar mijn ogen kunnen er niet bij. Die van Kind wel. Ze gebaart naar de man en wijst naar haar wijsvinger. ‘Valt ie er bijna af?’ vraag ik zacht. Ze schudt haar hoofd. Helaas. Ik heb nog geen druppel bloed gezien, dus mag de man ook niet voor.

Hè, hè, de patient bij de balie is klaar. Nu zijn wij. Alhoewel, help bij nader inzien toch maar eerst die zenuwlijder; ik word gek van die vent. Nee, als door een wonder kijkt de assistente mij aan en zegt: ‘U mag het zeggen, mevrouw.’ Dit heb ik nog nooit meegemaakt: een beleefd uitgesproken zin van meer dan vier woorden. Snel, het vlugzout! En geef de man ook een snuifje; hij houdt het niet meer.

Kinds medicijnen zijn snel gepakt en dan kan de assistente er niet meer onder uit: ’s mans tijd voor aandacht is gekomen. De assistente kijkt zeker twee seconden lang naar de uitgestoken vinger. Haar antwoord moet verpletterend voor het slachtoffer zijn, maar bevredigt  wel de nieuwsgierigheid van de voltallige wachtkamer. Ze kijkt de zwaar gewonde stakker recht aan en zegt: ‘Een brandblaartje. Niets aan doen, meneer, gaat vanzelf over.’