Escaperoom

In de wachtkamer begint de ellende al: op de achtergrond klinkt horrormuziek.

(Klik op het filmpje voor een sfeerimpressie)

Roos denkt: ik word niet goed. Kan ik nog zeggen dat ik ziek ben?

Met een luide bonk zwaait de deur van de behandelkamer open. Het geluid van doodsklokken ijlt door de lucht samen met een snerpende tandartsboor. Het licht gaat uit en zeven dappere vrienden mogen de kamer binnenlopen.
De deur bonkt weer dicht. Ze krijgen precies één uur de tijd om te ontsnappen uit deze vervloekte kamer door verborgen aanwijzingen op te volgen en raadsels op te lossen.

Als dolgedraaide Duracelkonijnen beginnen ze te zoeken. Alles kan een code verbergen: spiegels, rontgenfoto’s, een gebit, getallen, een veeg bloed aan de muur…
Ze vinden een Latijnse zin die ze willen vertalen, maar Roos vindt dat niet logisch. Dat zij Latijn kennen, alla, maar dan zou 90% van de bezoekers hier vastlopen. Twee minuten later ontdekt een vriendin dat ze slechts enkele letters uit de zin nodig hebben.

Hoe verder ze komen, des te enger het wordt. Clue na clue wordt het donkerder in de kamer, klinkt de horrormuziek harden en worden de kreten angstaanjagender. Je concentreren is onmogelijk.

Iemand vindt een code voor een deur, maar niemand durft ‘m in te toetsen.
Het feestvarken zegt met trillende stem tegen haar broer: ‘Hiervoor heb ik jou meegenomen. Dóe het!’
Bij wijze van support schuifelen alle deelnemers naar hem toe en gaan om hem heen staan.
Hij opent de deur en dan staan ze voor een bakstenen muur met een gat. Terwijl bij iedereen de rillingen over de rug lopen, heeft één persoon het lef zijn hand in het gat te steken en een sleutel te pakken.

De sleutel past op een kist die zo groot is dat er best iemand in zou kunnen liggen. Zodra de deksel ietsje omhoog komt, wordt het aardedonker in de tandartskamer. Iedereen gilt het uit.

In de kist gaat een zwak, rood licht branden. Er ligt geen lijk in; het is een doorgang naar een diep en duister gat.
Dit is het zenuwslopendste uurtje dat ze ooit hebben meegemaakt. Sommigen kunnen de spanning niet meer aan, en klampen zich in een hoekje aan elkaar vast. Niemand durft door het gat te kruipen.

Roos – niet bepaalt gezegend met de staalste zenuwen maar wel degene die per direct de griezelkamer wil verlaten- stelt zich beschikbaar om als zwaan-kleef-aan achter de jarige door de opening te wurmen.
In een hoek van de ruimte brandt een flauw licht. De muziek op orkaansterkte overstemt het zegevierend gejubel van de vriendinnen: ze hebben het volbracht!

Met verhitte hoofden nemen ze het compliment in ontvangst: ze zijn de eerste van 55 groepen van de afgelopen week die het gelukt is te ontsnappen. Ze hebben zelfs nog negen minuten over…

Iets voor jou zo’n feestje?

Het badhuis

De rechthoekige ruimte oogt schoon en fris. De muur tegenover de ingang heeft over de volle breedte een smal raam. Ook op een sombere dag als vandaag, is het beetje licht dat door het raam naar binnenvalt, voldoende voor de groep vrouwen om zich bij uit te kleden. De lamp die aan het plafond hangt, is uit.
De vrouwen keuvelen opgewekt. Ze zijn blij dat ze na de lange treinreis even kunnen douchen en vragen zich hardop af wat ze vanavond te eten zullen krijgen.
‘Ik knap van wat hete soep al op,’ zegt Johanna lachend terwijl ze haar vest uittrekt.
Ze roept haar dochtertjes bij zich. De meisjes zijn in een uitgelaten stemming, maar ze maant ze tot spoed zich uit te kleden. Ze krijgen maar weinig tijd om te douchen en Johanna wil elke minuut daarvan benutten.

In de kleine kleedruimte is het zo druk als in een potje met pieren. In korte tijd zijn de genummerde kleedhaken aan de muur volgehangen met vesten, rokken en onderrokken. Johanna heeft geen andere keus dan haar kleding en die van haar dochtertjes zorgvuldig op te vouwen en op een wiebelige bank, die onder de haken staat, te leggen. Ondergoed moffelt ze discreet weg onder de uitgetrokken bovenkleding.
Haar dochtertjes kijken onverholen naar de blote lichamen om zich heen. Johanna geneert zich om in haar blootje te staan. Opgelaten kruist ze een arm voor haar bovenlichaam. Dan bedenkt ze dat haar zilveren kettinkje met hanger – het huwelijksgeschenk van haar man – en trouwring af moet doen. Ze wikkelt beide in een zakdoek, die ze in de punt van haar linkerschoen duwt. Met een hand strijkt ze een pluk haar uit haar gezicht. Het is vet. Ze hoopt dat ze straks tijdens het douchen een stuk zeep van een buurvrouw mag gebruiken.

Achter zich hoort ze een vermoeide zucht. Ze draait zich om en ziet een nog geheel geklede, oude vrouw staan.
‘Kan ik iets voor u doen?’ vraagt Johanna.
‘Mevrouw, zou u me willen helpen mijn schoenen en kousen uit te trekken… Ziet u, mijn man helpt me daar altijd bij, maar die is nu in het mannenbadhuis.’
‘De mijne ook,’ zegt Johanna, ‘natuurlijk help ik u.’
De oude vrouw knikt dankbaar; blij dat ze de energie die ze nog heeft, voor het douchen kan bewaren.
‘Lukt het bukken u nog goed?’ vraagt de oude vrouw aan de jonge moeder.
Automatisch glijdt Johanna’s hand over haar dikker wordende buik. Vannacht heeft ze voor het eerst de baby voelen bewegen. Ze popelt het goede nieuws aan haar man te vertellen, want die gelegenheid heeft ze nog niet gehad.
‘Ik red me prima, hoor, dank u,’ zegt ze, terwijl ze de rits aan de achterkant van de jurk van de vrouw losmaakt.

‘Opschieten, dames, de douche in!’ roept de groepleidster.  Met een chagrijnig gezicht vervolgt ze: ‘Na jullie komt weer een nieuwe groep die het badhuis in wil.’
Johanna pakt haar beide dochters bij de hand en loopt gedwee achter de andere naakte vrouwen aan, door de enige deur die naar de doucheruimte leidt. Twee grote lampen aan het plafond verspreiden een kil licht. Tussen de lampen – in het midden van het plafond – hangt een houten luik. Verspreid aan de wanden hangen hoge en lager geplaatste douchekoppen aan stangen.

De grijze tegels onder Johanna’s voeten voelen koud aan, maar ze constateert tevreden dat zowel de vloer- als de wandtegels er uitzien alsof ze zojuist een borstelbeurt hebben gehad. Hoog tegen de wanden hangen bordjes in diverse talen. “Dit is een badhuis” staat erop, en: “Houd het schoon.”

De groepsleidster kijkt of alle vrouwen en kinderen in de douche staan, stapt naar buiten en sluit de deur achter zich.
Johanna is verbaasd dat de deur in het slot wordt gedraaid. Nog verbaasder is ze dat er zelfs na enkele minuten nog geen water uit de sproeiers stroomt. Dan gaat het licht uit.

Patatje oorlog

Bram Ladage

Het summum van je rijbewijs hebben, is naar de MacDrive rijden en daar je bestelling plaatsen. Althans, volgens Roos.
Alle drie vinden we de patat van Mac maar zo-zo, dus gaan we voor onze frites naar Bram Ladage. Mensen komen van heinde en verre om daar de gruwelijkst lekkerste patat te kopen. De patat eten we op in de auto en daarna rijden we – pardon: Roos –  voor ons toetje naar Mac.

‘In wie z’n auto mag ik rijden, pap? In die van mama of van jou?’
Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten. Ik glimlach alsof ik het antwoord al weet.
Pap laat een betekenisvolle stilte vallen.
‘Hij vertrouwt me niet!’ sist Roos in mijn oor.
Mannen en auto’s, hoe vertel je het je dochter?
Ooit zong Tammy Wynette: “Stand by your man.” Als zij een man was geweest, had Tommy “Stand by your car,” gezongen.
‘Je mag wel in mijn auto rijden,’ bied ik aan.
Gelukkig vindt Roos dat ook cool.
Het moet wel snel gebeuren, want het rijbewijs brandt in haar zak.

Helemaal hieperdepiep kruipt Roos achter het stuur.
Ik ga naast haar zitten. Pap mag op de achterbank waar hij met zijn benen hoog opgetrokken de situatie voorin in de gaten houdt.
Roos kijkt ineens als een konijn dat gevangen gehouden wordt door de koplampen van een auto.
‘Eh…ik weet niet meer wat de rem en het gaspedaal is,’ piept ze. (Even voor de duidelijkheid: Roos heeft gelest in een schakelauto en mijn auto is een automaat.)
‘Hij staat toch op de handrem? Trap ze dan allebei maar in,’ dirigeert Pap van de achterbank. Goh, wat ben ik blij dat we een man bij ons hebben, zeg.
Roos trapt op het gaspedaal en zucht opgelucht: ze weet het weer!
Haar zenuwstelsel is rechtstreeks verbonden met het gaspedaal waardoor de auto soms een beetje hapert, maar Lief en ik verkeren geen moment in doodsangst.

Achter het stuur, lurkend van een aardbeienmilkshake, slaakt Roos zelfgenoegzame zuchten. Tijdelijk is dit haar gelukkigste plek op aarde.

Het parkeren thuis moet een paar keer over. Ik wil de auto dicht langs de stoeprand hebben zodat er niet weer iemand een deuk in rijdt.
Bij de vierde keer parkeert ze raak.
‘Skills!’ roept Roos trots. Leve het zelfvertrouwen van de jeugd.

Helaas…we zijn vergeten foto’s van onze schranspartij te maken. Eén troost, mochten we de sfeer weer willen proeven: de friteslucht hangt nog zeker een week in de auto.

Op de foto

Ik moet op de foto, tenminste, als ik mijn rijbewijs wil houden. Dus hop, naar de fotoshop.
Van tevoren de boel gepimpt: overdosis wallencrème, haren fatsoenlijk, wat oogschaduw hier en een veeg mascara daar.
Veel artiesten willen met hun mooiste kant gefotografeerd worden, bijvoorbeeld de linker- of rechterkant van hun gezicht. Dat heb ik ook.
Bij mij doet vooral de achterkant het goed op foto’s. Net zoals bier doodslaat in een plastic bekertje, sla ik dood zodra iemand een fototoestel op me richt. Flirten met de camera? Not.
Wat in mijn voordeel werkt bij de rijbewijspasfoto, is dat ik er niet lachend op hoef komen te staan. Fluitje van een cent met mijn ochtendgezicht. Om twee uur ’s middags.

In de fotowinkel val ik letterlijk en figuurlijk de pasfotokamer binnen.
De eigenaresse heeft haar twee koeien van honden meegenomen. De beste beesten doen geen kat kwaad; ze liggen alleen hopeloos in de weg. Ze hebben ook nog dezelfde schutkleur als het groezelige tapijt op de winkelvloer waardoor ik één van de acht hondenpoten over het oog zie. Bijna zet ik mijn voet er bovenop. Bliksemsnel trek ik ‘m tijdig weg. Desondanks springt de eigenaar van de poot gealarmeerd overeind. Ik bots tegen het hondenlijf, raak uit balans en land op beide knieën op de grond.
Hond nummer twee maakt van de gelegenheid gebruik om mijn kruis te besnuffelen. De elegantie is weer ver te zoeken.
Gelachen dat we ze hebben.

Ik mag op het pianokrukje komen zitten.
‘Kijk,’ zeg ik, ‘als ik nou mijn wangen met twee vingers strak naar achter trek, in de richting van mijn oren (ik had thuis uitgebreid geoefend), dan kan ik er met de juiste belichting best nog mee door. Mag dat?’ vraag ik.
‘Eh…nee, althans niet voor je rijbewijs,’ zegt ze fotomevrouw tactisch. Ze laat er vriendelijk op volgen: ‘Weet je zeker dat je met dat haar op de foto wil? Kijk maar even in de spiegel, daar hangt-ie.’
Ik sta op en snap het. Mijn wilde haren zijn op de fiets tot leven gekomen en hebben er een uitbundige coupe van gemaakt. Had de fotografe me niet gered, dan had ik als Catweazle op de foto gegaan.

Pianokrukje. Ik klaar. Fotografe klaar…
Komt onverwacht de hond waar ik de net nog mijn nek over brak, een lik aan mijn hand geven; dat kriebelt, ik lach, klick!
De hond wordt weggestuurd. Opnieuw wij allebei klaar.
Springt er een knoop van de broek van de fotografe (nee, ik verzin dit niet), ik proest klick!
Ze kunnen tegenwoordig alles fotoshoppen, maar omhoog krullende lippen krijgen ze niet omlaag.
Met een ijzeren wil en een gepantserde blik kom ik uiteindelijk met een doodgraversgezicht op de foto.

Het is nu slechts een kwestie van tijd: zes minuten om precies te zijn.
‘Moet je nog boodschappen doen?’ vraagt de fotografe.
‘Nee,’ zeg ik, ‘maar ik loop buiten wel ff een rondje.’
Na dat eerste rondje is het fotoapparaat nog niet opgestart. Hij wil niet.
Na het tweede rondje nog steeds niet.
Na nog meer van dergelijke rondjes strijk ik duizelig op het pianokrukje neer. Het apparaat blijkt defect. De fotomevrouw begrijpt er zelf ook niks van. Ze heeft mijn foto in de ontwikkelaar gestopt en acuut weigerde het apparaat dienst. Héél vreemd, ja.
Of ik morgen even terug kan komen?
Kijk, als ik dát nou van tevoren geweten had, had ik in één keer welgemikt chagrijnig op de foto gestaan. Lachen naar het vogeltje? Mij niet gezien!

Billentikker

billentikker

Breien, borduren en haken had ik op mijn 25-ste reeds lang onder mijn creatieve knie. Wat betreft kleding naaien, was ik een totale beginneling, terwijl me dat juist zo handig leek.
Zo waren korte rokjes standaard te kort omdat mijn benen zo’n eind doorlopen. Maar het liefst van alles wilde ik iets hebben wat nergens te koop was: een bruine billentikker.

In een keurig damesweekblad waar mijn moeder abonnee van was, stond het adres van een mevrouw die naailes gaf.
In gezondheidsschoeisel, een enkellange rimpelrok en tuthola bloesje ontving ze mij en vier andere cursisten. De juf bleek van goede gereformeerde komaf, en het leek haar een goed idee dat ik zou beginnen met het maken van een lange rok.
‘Een korte rok,’ stelde ik voor, ‘want ik draag geen lange.’
Nee, een lange rok was beter.

Onder begeleiding van de  Muzikale Fruitmand van de EO begon ik aan het uitraderen van een patroon. Behalve de muziek was ook de lerares dodelijk serieus. Tijdens de les mocht er niet gepraat worden, laat staan gelachen.

Ik hield me overeind met de gedachte dat het geheim van zigzaggen en locken op de naaimachine weldra aan mij geopenbaard zou worden, en daarna kon ik vast thuis aan de slag.
Helaas had ik geen rekening met mijn moeder gehouden. Ik woonde nog thuis en zij had een deugdelijk naaimachien, maar die mocht ik niet gebruiken omdat ze was bang dat ik ‘m  zou vernielen…

Ik nam mijn kleedje op en ging naar mijn tante die op loopafstand woonde. Groots werd ik onthaald. Behalve het gebruik van haar naaimachine, kreeg ik koffie en mocht ik de trommel met zelfgebakken boterkoek leegeten.

Spoedig bleek dat ik niet voor rechte zomen stikken in de wieg ben gelegd. Ik had mijn doorzettingsvermogen kunnen aanboren, maar de christelijke muziek tijdens naailes gaf de doodsteek. De lange rok verdween in de schoenpoetsmand en van het idee van de billentikker heb ik afscheid genomen.

In plaats van sneu in een hoekje te gaan liggen, besloot ik naar Italiaanse les te gaan. Het was de tijd van Eros Ramazzotti, ik was aan het sparen voor een Italiaanse racefiets van Ernesto Colnago, en ging fietsen op Sardinie. De cursus was niet tevergeefs: op vakantie kon ik in vloeibaar Italiaans Campari met ijs bestellen.

Hebben jullie weleens een cursus voor je lol gevolgd? 

Rekel

platenspeler

Op mijn zesde verjaardag kwam ik in het rijke bezit van een platenspeler. Zeer tot ongenoegen van mijn Broertje, want hij had ‘m liever gekregen.
Ik draaide vooral singletjes. Daar moest ik voor sparen, en om dat leed te compenseren, kreeg ik er enkele van ooms en tantes. Puur omdat ze er zelf vanaf wilden, hoor. Zo kreeg ik een kinderkoor dat: “Hoor daar zingt de nachtegaal…” zong. Je reinste kindermishandeling!

Broertje kreeg ook plaatjes en die draaide hij dan op mijn pick-upje.
Een nummer dat we vijftig tinten grijs hebben gedraaid was: “Huilen is voor jou te laat” van Corry en de Rekels. Tot mijn Broertje het zo zat was, zijn ieniemienie zakmes pakte en een kras op het vinyl maakte. Daardoor bleef de plaat op hetzelfde punt hangen en zong Conny steeds alleen het woord “huilen,” waarbij ze een snik in haar stem had. Zo hadden Broertje en ik Corry nog nooit horen zingen; we vonden het beslist een verbetering.

Omdat Broertje en ik altijd net een verschillend plaatje wilden draaien, en niet op onze beurt konden  wachten, zorgde dat voor een dagelijkse oorlogvoering. Ten einde raad kochten mijn ouders voor hem ook maar een platenspelertje.
Toen begon het gedonder pas goed, want hij en ik wilden qua geluid boven elkaar uitkomen.

Omdat zakgeld dun gezaaid was, bleven we alles doen om aan gratis platen te komen.
Onze Oma had een lieve buurvrouw die ons wel een pleziertje wilde doen. Zij gaf ons lp’s van Tante Leen en Johnnie Jordaan. Dat trok ons Rotterdamse hart niet. Broertje en ik besloten ze als sjoelschijven te gebruiken. Over het gladde zeil van de gang in het bejaardenhuis, schoven we het vinyl onder de deuren door.
Tot Broertje een beter idee kreeg: “Kom mee naar buiten, dan gaan we ze daar als frisbees door de bosjes scheren!”
Ik geef het toe: het was ondankbaar, maar buurvrouws: “Veel plezier” was in elk geval niet tegen dovemansoren gezegd.

Vreemde vogelaar

Het is oranje en het zit op de schutting.
Sinds wanneer zie ik ze vliegen? Maar twee zintuigen die een loopje met me nemen is zelfs voor mij uitzonderlijk.
Ik sta oog in oog met een oranje kanarie.
Dat beestje heeft natuurlijk geen overlevingskansen buiten. Zal ik hem proberen te vangen? Hij zit vlakbij. Ik kan het toch proberen? Voorzichtig loop ik naar het vogeltje toe. Bijna ben ik bij hem…bijna…floepens, mis! De vogel is gevlogen. Wel heb ik een gat in mijn hand door een roestige spijker. Weer eens wat anders dan tijdens het shoppen.

Een mij tegemoetkomende meneer heeft het oranje zangtalent ook gespot.
‘Misschien staat er ergens een deur van een volière open,’ zegt de man tegen mij. ‘Kijk daar staat er eentje.’ Hij kijkt mij aan, zo van: regel jij dat even.
Soms ben ik de rotste niet.

Ik trommel een mevrouw met twee keffende hondjes uit huis. Het is niet haar kanarie, maar ze zal een vangnet pakken.
De kanarie vliegt verder en zit nu op het stuur van een kinderfietsje. De man loopt naar het vogeltje.
‘Misschien wil-ie op mijn vinger komen zitten,’ zegt hij.
Nou…als ik dat vogeltje was… De man ziet eruit als een sjappie, met ontploft haar, en een onverzorgd uiterlijk.
‘Kunnen we niet beter op het vangnet wachten?’ opper ik. Mijn idee wordt lauwtjes ontvangen.
De oranje fladderaar vliegt een hoge boom in. Einde verhaal.

Teruglopend naar mijn fiets, word ik achtervolgd door de spotter. Hij werpt me een poeslieve blik toe. Hij knikt naar me op een manier, zoals mensen die een geheim delen elkaar begroeten.
‘Hallo,’ zegt hij en raakt mijn hand aan.
Dat is míjn hand, denk ik.
Hij vertelt op blijde toon: ‘Ik heb ook een vogeltje. Een heel bijzonder vogeltje.’
Er bekruipt me een gevoel van lichte verwarring en onpasselijkheid. Wat heb ik nou weer aan mijn fiets hangen?

De man vertelt verder en raakt mijn arm aan.
‘Mijn vogeltje houdt ook van vrijheid,’ zegt hij met glimmende ogen.
Moeder Maria, denk ik, als hij het nu maar niet over zijn privévogeltje zonder veren gaat hebben.
‘Mijn vogeltje wil er elke dag een paar keer uit.’ De man kijkt naar beneden in de richting van zijn (s)navel.
Of ik wil of niet, ik kijk met hem mee. Zal hij een standvogel of een trekvogeltje hebben? Ik houd het voorlopig op het kleinste vogeltje van Nederland: het winterkoninkje.

De man zet een gezicht op alsof hij een buitengewoon fijne verrassing voor me heeft en doet een stapje dichterbij. Hij raakt mijn schouder aan en zegt vurig: ‘Mijn vogeltje is op zoek naar een nestje…’
Sjezus, straks doet hij zijn nog gulp open. Dank je de koekoek, van die aanblik blijf ik liever verschoond.

‘Wil je je vogeltje de rest van je leven nog blijven gebruiken?’ zeg ik dreigend, ‘dan zou ik ‘m maar in m’n broek laten zitten als ik jou was.’
Met een deerniswekkende gezicht kijkt de man me aan. Interesseert zijn vogeltje mij dan niets?
Nee, geen fluit!
‘En nou opzouten, anders fiets ik gewoon over je heen!’
In luttele seconden fietst deze vrije vogel de straat uit.

Rijbewijs

Fiat500

‘Wat doe je als eerste als je bent ingestapt?’ vraagt Man.
‘In de spiegel kijken of mijn haar nog goed zit’, antwoordt Kind.
‘En als tweede?’ vraagt Lief geduldig verder.
‘Op feestboek zetten dat ik nu mijn eerste rijles heb.’ Als Roos het gezicht van haar vader ziet, roept ze geirriteerd: ‘Ja, ja, ik geef de man een hand en doe mij gordel om!’ Het komt er snibbig uit, wat niet aardig is als je vader alles geregeld heeft.
‘Als jij morgen je eerste rijles hebt,’plaag ik haar, ‘trek ik de luxaflex in de keuken omhoog en gaan je vader en ik voor het raam staan kijken hoe je wegrijdt.’

Het moment is daar: de lesauto rijdt voor de deur. Uit de auto met bovenop de naam “De Koning” stapt een Turkse meneer. Lief heeft alleen e-mailcontact met de man gehad, en begrijpt nu waarom hij met de naam van de rijschool ondertekende, en niet met zijn eigen naam. Een verrassing, maar geen probleem.
Man maakt kort kennis, en als Roos plaatsneemt achter het stuur, vlucht hij snel naar binnen. In de keuken blijft de luxaflex hangen, en Lief en ik gaan zelfs niet voor het raam staan kijken, maar dat hoeft ook niet, want in de weerspiegeling van de ruit van de keukenkast houden we alles in de gaten.

Daar gaat ze.

Aangeslagen komt Roos thuis. Ondanks haar zomersproeten ziet ze bleek rond de neus.
‘Wattizzer?’ vraag ik verbaasd.
Nou,’… begint ze… Haar onderlip trilt. ‘Die man vind ik niks. Op de dijk moest ik per se vijftig km/u rijden, ook toen er een fietser voor me reed en er een tegenligger aankwam… Ik kon ‘m amper verstaan…hij zat maar te mompelen. Toen ik ‘m niet verstond, gilde hij: “je gaat nu zzelv gazz geven en remmen…”maar toen ik remde gilde hij: “alleen alzzik het zzeg! Luizzter wat ik zzeg! Jij moet beter je bezzt doen, meizzje!”doet Kind zijn stem na. ‘Wat een creep, die kerel,’ zegt ze teleurgesteld.

Dit hadden we ons alle drie anders voorgesteld.
Autorijden leer je natuurlijk niet door achterover te leunen, maar je rij-instructeur kunnen verstaan lijkt me een prioriteit. We gaan er niet zeurderig over doen. Het barst van de rijscholen dus een nieuwe proefles is snel besproken. Telefonisch.

En zie daar: sinds vorige week is Roos de trotse eigenaar van het roze “papiertje.” Nu droomt ze van een eigen autootje (zie foto.) Een bescheiden *uche* wens voor een studente. Blijven dromen, Roos.

Herinner jij je je eerste rijles nog?

Zweetvoeten

zweetvoeten

De lucht is tranen trekkend weerzinwekkend en voor een gewone sterveling niet te bevatten.
Als Charles ’s avonds uit de bus stapt, kunnen ze hem thuis in de eetkamer al ruiken.
Onderweg stoppen koeien met herkauwen; houden vogels op met zingen; vallen muggen bij bosjes dood uit de lucht, en lopen mannen van het riool een straatje om.
Het zorgt voor vernederende taferelen op zijn werk. Collega’s hoesten demonstratief als hij op de gang voorbij loopt, of vragen zogenaamd voor de grap of hij al een andere baan aan het zoeken is.
Hij kan ze niet mild stemmen door te vertellen wat hij allemaal al heeft geprobeerd: wisselbaden, cremetjes, twaalf maal daags schone sokken, homeopathische balsems, geurvreters, kruidenthee, ochtendurine…
Zelfs de huisarts – een heel meegaande – weet het niet meer.

Echte liefde houdt zijn vrouw op de been, totdat ook zij het niet meer trekt.
Via via komt ze achter naam en adres van een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kwalijke dampen. Helaas betaalt de verzekering niets, en is zowel de reis als de behandeling duur.
Het voorstel van zijn vrouw om zijn collega’s om een financiele bijdrage te vragen, wordt op het werk met gejuich ontvangen, en er wordt grif gegeven.
Als de piloten onderweg niet bezwijken van de lucht, maken ze een goede kans.

De specialist legt uit dat het om een zware ingreep gaat, maar dat hij veel ervaring met de specifieke operatie heeft en dat de prognose goed is. De littekens zullen thuis mooi helen. Het revalideren zal wel lang duren, drukt de arts hen nadrukkelijk op het hart.
Hij zal een tijd lang op krukken moeten lopen, maar bijkomend voordeel van de behandeling is dat hij geen last meer zal hebben van zweetvoeten, ingegroeide teennagels, en eksterogen. De invoelende blik en geruststellende woorden van de arts klinken het echtpaar schoon in de oren, en met vertrouwen zien ze de behandeling tegemoet.

‘De operatie is geslaagd,’ fluistert zijn vrouw hem in zijn oor. Met gloeiende wangen staat ze naast zijn bed. Ze ziet eruit als een blije doos. Wat wil je? Reikhalzend kijkt ze uit naar het moment dat de wereld weer aan hun voeten ligt, en zijn nooit meer sokken van hem zal hoeven wassen.

!Si

‘Suzanne en ik willen deze zomer samen op vakantie,’ deelt Roos mee tijdens het avondeten.
Lief en ik knikken simultaan dat het goed is.
‘Op één voorwaarde,’ zeg ik.
Roos neemt onmiddellijk aan dat er een ramp op komst is en kaatst in de chagrijn-stand: ‘Moet ik zeker in Nederland blijven?’
Ik steek mijn tong naar d’r uit. ‘Je mag overal naar toe zolang je maar binnen Europa blijft. Je gaat niet naar een of ander gaar land dat de vrouwenrechten niet respecteert. Turkije of zo.’
Roos’ gezicht klaart meteen op.
Is dat alles? Oehoehoe.
Ze wil niet eens naar Turkije!

Een paar dagen later doet ze haar kamerdeur open net als ik de trap op kom lopen. ‘Suus en ik gaan een stedentrip doen, mam, en we beginnen in Londen.’
‘Londen…’zeg ik met een blik naar buiten. Het regent al uren. ‘Ik zou lekker naar Barcelona gaan… Cultuur, mooi weer en het ligt aan zee.’

Merkwaardig. Roos vindt mijn ideeen altijd zo-zo maar ik heb het woord ‘zee’ nog niet uitgesproken of ze is van reisbestemming veranderd.
Ze appt haar vriendin en wacht op antwoord.

Ping!

Roos kijkt op haar schermpje en gilt: ‘Si!’ De adrenaline schiet door haar heen en ze springt dansend heen en weer op de trap.
‘Niet op de trap!’waarschuw ik. Maar twee keer op één dag het advies van je moeder opvolgen is uiteraard teveel gevraagd.
‘Ga je nou reisgidsen halen?’ informeer ik.
Reisgidsen? Die zijn toch van papier? Dat is voor theemutsen met krulspelden. Laat dat nou maar aan haar over.

De feestvreugde groeit bij de aanblik van het aanbod op internet.

Twee weken later hebben de vriendinnen geboekt.
Roos dreunt op: ‘Eén week, een hotel in het centrum, logies, ontbijt, en we vliegen vanaf Brussel… Wacht!’ roept ze met een snelle blik naar mij, ‘Ik weet al wat je wil zeggen, maar ik ben nog niet uitgepraat! Dat scheelt 200 euro per vliegticket, en met onze studentenpas betalen we voor een treinkaartje naar Brussel maar 26 euro.’
Die Roos….Heeft ze toch niet voor niets economie in haar examenpakket gehad.

Nu moet ze gevoelsmatig tientallen jaren wachten tot het 19 juli is. Maar dan hééft ze ook wat: vakantie zonder begeleiding. Groter geluk is ondenkbaar!

Barcelona